vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Zal hij zich verlustigen in de Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
Job 27:8-10
Velen van Gods volk worden somtijds gekweld door hun huichelarij, en somtijds kunnen zij zichzelf beschouwen als de grootste huichelaars die er zijn. Maar zo gij door die argwaan, die twijfeling en vrees wordt gekweld, beschouw dan (en de Heere stelle u in staat dit in het licht Zijns aangezichts te brengen) deze twee grondtrekken als van geestelijke aard. Spreek niet over uw hoop; zij kan een „spinneweb” zijn. Roem niet op uw gaven; zij kunnen geheel in het vlees zijn. Verhef u niet op de goede mening der mensen; zij kunnen zich in u bedrogen hebben.
Maar zie of gij door Gods genade deze twee toetsstenen in uw ziel kunt gevoelen, als waren zij daarin door Zijn hand gegrift. Is dit zo, dan zijt gij geen huichelaar; God Zelf heeft u door Zijn dienstknecht Job van die beschuldiging vrijgesproken. Hebt gij u dan ooit „in de Almachtige verlustigd”? Het is een ernstige vraag.
Ging uw hart en uw ziel ooit uit naar de levende God? Vloeiden liefde en dankbaarheid ooit uit uw boezem in de boezem des Heeren? Was het u ooit als kondt gij Hem met de armen des geloofs omvatten, en in Zijn omhelzing leven en sterven? Zo uw ziel ooit zo iets heeft ondervonden, zijt gij geen huichelaar. En niets wat als een aanklagende duivel uit uw ellendig hart oprijst, kan bewijzen dat gij er een zijt.
Als gij iemand zijt die ten allen tijde God aanroept, zijt gij geen huichelaar. Ik spreek niet van uw dagelijkse gebeden of andere dagelijkse godsdienstige verrichtingen; want ik geloof dat dikwijls meer van Gods Geest, en meer verlangen naar en verheuging in Hem, is in uw dagelijkse godsdienstige verrichtingen dan in die waarin de huichelaar behagen schept. Ik wil zeggen: is er een zucht, een kreet bij nacht zowel als bij dag; een uitstorting nu en dan van het verslagen hart in de boezem van God, zoals de Heere het in u werkt, in benauwdheid, in verlegenheid, in droefheid en in nood? Dit is een toets, een merkteken, dat geen huichelaar ooit gehad heeft of ooit kan hebben.
Ik zal, door ijvervuur aan ’t blaken,
o Heer, bij ’t scheem’rend morgenlicht
mij stellen voor uw aangezicht,
oprechte boezemzuchten slaken
en biddend waken.
Ps. 5:3
Aan de lezer…
Wat een troost dat u niet alleen bent, als u soms gekweld wordt door de vrees dat u toch maar een huichelaar bent: velen van Gods volk hebben zichzelf zo beschouwd! Steun dan niet op uw hoop, uw gaven of de goede mening der mensen; die kunnen u allen bedriegen. Maar zie eens eerlijk of de twee toetsstenen die Job noemt in uw ziel te vinden zijn.
Hebt u zich ooit in de Almachtige verlustigd? Ging uw hart ooit in liefde en dankbaarheid naar de levende God uit, al was het maar voor een ogenblik? En is er een zucht, een kreet bij nacht zowel als bij dag, een uitstorting van uw verslagen hart in Zijn boezem? Dan spreekt God Zelf u vrij van die beschuldiging, want dat heeft geen huichelaar ooit gehad of kan hij ooit hebben. Houd dan aan met roepen, en waak biddend tot de morgen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Zal hij zich verlustigen in de Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
Job 27:8-10
Velen van Gods volk worden soms gekweld door hun huichelarij, en soms beschouwen zij zichzelf als de grootste huichelaars die er zijn. Maar als u door die argwaan, die twijfel en vrees gekweld wordt, beschouw dan (en moge de Heere u in staat stellen dit in het licht van Zijn aangezicht te brengen) deze twee grondtrekken als geestelijk van aard. Spreek niet over uw hoop; die kan een „spinneweb” zijn. Roem niet op uw gaven; die kunnen helemaal uit het vlees zijn. Verhef u niet op de goede mening van mensen; zij kunnen zich in u vergist hebben.
Maar kijk of u door Gods genade deze twee toetsstenen in uw ziel kunt voelen, alsof ze er door Zijn hand in gegrift zijn. Als dat zo is, dan bent u geen huichelaar; God Zelf heeft u door Zijn dienstknecht Job van die beschuldiging vrijgesproken. Hebt u zich dan ooit „in de Almachtige verlustigd”? Het is een ernstige vraag.
Ging uw hart en uw ziel ooit uit naar de levende God? Vloeiden liefde en dankbaarheid ooit vanuit uw boezem in de boezem van de Heere? Was het ooit alsof u Hem met de armen van het geloof kon omvatten, en in Zijn omhelzing kon leven en sterven? Als uw ziel ooit zoiets heeft ervaren, bent u geen huichelaar. Niets wat als een aanklagende duivel uit uw ellendige hart opkomt, kan bewijzen dat u er een bent.
Als u iemand bent die God te allen tijde aanroept, bent u geen huichelaar. Ik spreek niet van uw dagelijkse gebeden of andere dagelijkse godsdienstige bezigheden. Ik geloof namelijk dat er in uw dagelijkse godsdienstige bezigheden vaak meer van Gods Geest is, en meer verlangen naar Hem en vreugde in Hem, dan in die waarin de huichelaar behagen schept. Wat ik bedoel is dit: is er een zucht, een kreet, bij nacht zowel als bij dag, nu en dan een uitstorting van het verslagen hart in de boezem van God, zoals de Heere dat in u werkt: in moeite, in verlegenheid, in verdriet en in nood? Dat is een toets, een kenmerk, dat geen huichelaar ooit gehad heeft of ooit kan hebben.
Ik zal, door ijvervuur aan ’t blaken,
o Heer, bij ’t scheem’rend morgenlicht
mij stellen voor uw aangezicht,
oprechte boezemzuchten slaken
en biddend waken.
Ps. 5:3
Aan de lezer…
Wat een troost dat u niet alleen bent als u soms gekweld wordt door de vrees dat u toch maar een huichelaar bent: velen van Gods volk hebben zichzelf zo beschouwd! Steun dan niet op uw hoop, uw gaven of de goede mening van mensen; die kunnen u allemaal bedriegen. Maar kijk eens eerlijk of de twee toetsstenen die Job noemt in uw ziel te vinden zijn.
Hebt u zich ooit in de Almachtige verlustigd? Ging uw hart ooit in liefde en dankbaarheid uit naar de levende God, al was het maar voor een ogenblik? En is er een zucht, een kreet bij nacht zowel als bij dag, een uitstorting van uw verslagen hart in Zijn boezem? Dan spreekt God Zelf u vrij van die beschuldiging, want dat heeft geen huichelaar ooit gehad, en hij kan het ook nooit hebben. Blijf dan roepen, en waak biddend tot de morgen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For what is the hope of the hypocrite, though he hath gained, when God taketh away his soul? Will God hear his cry when trouble cometh upon him? Will he delight himself in the Almighty? will he always call upon God?
Job 27:8-10
Many of God’s people are at times exercised as to their hypocrisy, and sometimes they may think themselves the most consummate hypocrites that ever stood in a profession. But if you are exercised with these painful surmises, these doubts and fears, just see (and the Lord enable you to bring it to the light of His countenance) these two features of a spiritual character. Do not talk about your hope; it may be “a spider’s web.” Do not boast of your gifts; they may be altogether in the flesh. Do not bring forward the good opinion of men; they may be deceived concerning you.
But just see if, with the Lord’s blessing, you can feel these two tests in your soul, as written there by His own hand. If so, you are not a hypocrite; God Himself, by His servant Job, has acquitted you of the charge.
Did you, then, ever “delight yourself in the Almighty?” It is a solemn question. Did your heart and soul ever go out after the living God? Did affection, love, and gratitude ever flow out of your bosom into the bosom of the Lord? Did you ever feel as if you could clasp Him in the arms of faith, and live and die in His embrace? Now if your soul has ever felt this, you are no hypocrite; and nothing can rise up out of your wretched heart, as an accusing devil, that can prove you to be one.
Or if you cannot fully realize this, if you are one that always calls upon God, you are no hypocrite. I do not speak of your regular prayers, or any other of your regularities; for I believe that there is often more of God’s Spirit, and more craving after God and delighting in Him, in your irregularities, than in all the daily regularities which hypocrites delight in. But I mean, is there a sigh or cry by night, as well as by day; a pouring out of the heart into the bosom of God from time to time, as the Lord works it in you, in trouble, in perplexity, in sorrow, and in distress? This is a test and a mark which no hypocrite ever had or ever can have.
To the reader…
What a comfort that you are not alone when you are sometimes tormented by the fear that you are only a hypocrite after all: many of God’s people have looked upon themselves in just that way! Do not lean, then, on your hope, your gifts or the good opinion of others; all of these can deceive you. But look honestly to see whether the two touchstones Job mentions are to be found in your soul.
Have you ever delighted yourself in the Almighty? Did your heart ever go out in love and gratitude to the living God, even if only for a moment? And is there a sigh, a cry by night as well as by day, a pouring out of your broken heart into His bosom? Then God Himself acquits you of that charge, for no hypocrite ever had this, nor can he ever have it. So keep on calling, and watch in prayer until the morning.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque ¿cuál es la esperanza del hipócrita, por mucho que hubiere robado, cuando Dios arrebatare su alma? ¿Oirá Dios su clamor cuando la tribulación sobre él viniere? ¿Deleitaráse en el Omnipotente? ¿Invocará a Dios en todo tiempo?
Job 27:8-10
Muchos del pueblo de Dios se ven a veces ejercitados en cuanto a su hipocresía, y a veces pueden tenerse por los más consumados hipócritas que jamás hayan hecho profesión. Pero si usted está ejercitado con estas dolorosas sospechas, estas dudas y temores, mire (y el Señor le capacite para llevarlo a la luz de Su rostro) estos dos rasgos de un carácter espiritual. No hable de su esperanza; puede ser “tela de araña”. No se jacte de sus dones; pueden ser del todo de la carne. No presente la buena opinión de los hombres; pueden estar engañados acerca de usted.
Mire solamente si, con la bendición del Señor, puede sentir estas dos pruebas en su alma, como escritas allí por Su propia mano. Si es así, usted no es un hipócrita; Dios mismo, por medio de Su siervo Job, le ha absuelto de esa acusación.
¿Se ha “deleitado”, pues, alguna vez “en el Omnipotente”? Es una pregunta solemne. ¿Salieron alguna vez su corazón y su alma en pos del Dios vivo? ¿Fluyeron alguna vez afecto, amor y gratitud de su pecho al seno del Señor? ¿Sintió alguna vez como si pudiera estrecharle en los brazos de la fe, y vivir y morir en Su abrazo? Ahora bien, si su alma ha sentido esto alguna vez, usted no es un hipócrita; y nada que se levante de su miserable corazón, como un diablo acusador, puede probar que lo sea.
O si no puede comprender esto plenamente, si usted es de los que invocan a Dios en todo tiempo, no es un hipócrita. No hablo de sus oraciones regulares, ni de ninguna otra de sus regularidades; porque creo que a menudo hay más del Espíritu de Dios, y más anhelo de Dios y deleite en Él, en sus irregularidades que en todas las regularidades diarias en que se deleitan los hipócritas. Sino que quiero decir: ¿hay un suspiro o un clamor de noche así como de día; un derramar el corazón en el seno de Dios de tiempo en tiempo, según el Señor lo obra en usted, en la tribulación, en la perplejidad, en la tristeza y en la angustia? Esta es una prueba y una señal que ningún hipócrita tuvo jamás ni puede tener jamás.
Al lector…
¡Qué consuelo que usted no está solo cuando a veces le atormenta el temor de que, al fin y al cabo, no es más que un hipócrita: muchos del pueblo de Dios se han mirado a sí mismos precisamente así! No se apoye, pues, en su esperanza, en sus dones ni en la buena opinión de otros; todo ello puede engañarle. Pero mire con sinceridad si las dos piedras de toque que menciona Job se hallan en su alma.
¿Se ha deleitado alguna vez en el Omnipotente? ¿Salió alguna vez su corazón en amor y gratitud hacia el Dios vivo, aunque solo fuera por un momento? ¿Y hay un suspiro, un clamor de noche así como de día, un derramar su corazón quebrantado en Su seno? Entonces Dios mismo le absuelve de esa acusación, porque ningún hipócrita tuvo esto jamás, ni puede tenerlo jamás. Siga, pues, clamando, y vele en oración hasta la mañana.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
De arend breidt haar vleugelen uit, zodat ze het hele broedsel omspant. Sommige arendsjongen bevinden zich midden in het nest en andere aan het uiteinde; maar de arend verwaarloost er geen één. Sommige liggen dichter bij haar borst, net zoals er in Gods gezin kinderen zijn aan wie meer innige omgang met Hem wordt toegestaan. Dezen leunen, net als Johannes, op Zijn borst. Maar de arend breidt haar vleugels over haar hele nest uit, zodat zowel de uiteinden als het midden worden omsloten en ze aan elk jong warmte overbrengt.
Christus doet dit door het evangelie te verkondigen, want dat bereikt allen, of zou dat in ieder geval moeten doen; het zou bij iedereen moeten terechtkomen en deel uitmaken van elke ervaring. Of, al zou de verkondiging door de mens onvolkomen zijn, het woord der waarheid is dat zeker niet. Van het midden tot de uiteinden, van het hart van God tot de einden der aarde, de vleugels van eeuwige liefde omhelzen allen, van Paulus in de derde hemel tot Jona in de buik van de walvis. Als u niet alle warmte van de borst ontvangt, dan krijgt u, net als een arendsjong, toch de bescherming van de vleugel.
Lezen: Psalm 145
Aan de lezer…
Wanneer u zich soms voelt als dat arendsjong aan de rand van het nest, ver van de borst, terwijl anderen zo dicht bij de Heere schijnen te liggen, hoort u van kinderen Gods die, als Johannes, aan Zijn borst leunen, en vraagt u zich af of er voor u ook nog plaats is. Ik vergeet zulken niet, en de Heere vergeet hen evenmin. De arend verwaarloost er geen één; zij breidt haar vleugels uit over het hele nest, over het midden en over de uiteinden.
Zo omhelzen de vleugels van eeuwige liefde allen die Hem toebehoren, van Paulus in de derde hemel tot Jona in de buik van de walvis. Ligt u dan dichter bij Jona dan bij Paulus, wanhoop niet. Al ontvangt u niet alle warmte van de borst, u hebt toch de bescherming van de vleugel. Blijf daarom onder die vleugel schuilen, en wacht erop dat Hij, Die het hele nest overdekt, ook u Zijn warmte meedeelt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
De arend breidt haar vleugels uit, zodat ze het hele broedsel omvat. Sommige jonge arenden liggen midden in het nest en andere aan de rand; maar de arend verwaarloost er niet één. Sommige liggen dichter bij haar borst, zoals er in Gods huisgezin kinderen zijn aan wie een meer innige omgang met Hem gegeven wordt. Zij liggen, net als Johannes, aan Zijn borst. Maar de arend breidt haar vleugels uit over haar hele nest, zodat zowel de randen als het midden bedekt worden en ze aan elk jong warmte geeft.
Christus doet dit door de verkondiging van het Evangelie, want dat bereikt allen, of zou dat in elk geval moeten doen; het zou bij iedereen moeten aankomen en in elke ervaring moeten ingaan. En al is de verkondiging door mensen onvolmaakt, het Woord der waarheid is dat zeker niet. Van het midden tot aan de randen, van het hart van God tot aan de einden der aarde, omvatten de vleugels van de eeuwige liefde allen, van Paulus in de derde hemel tot Jona in de buik van de vis. Als u niet alle warmte van de borst ontvangt, dan krijgt u, net als een jonge arend, toch de bescherming van de vleugel.
Lezen: Psalm 145
Aan de lezer…
Wanneer u zich soms voelt als die jonge arend aan de rand van het nest, ver van de borst, terwijl anderen zo dicht bij de Heere schijnen te liggen, dan hoort u van kinderen van God die, net als Johannes, aan Zijn borst liggen, en vraagt u zich af of er voor u nog plaats is. Ik vergeet zulken niet, en de Heere vergeet hen evenmin. De arend verwaarloost er niet één; zij breidt haar vleugels uit over het hele nest, over het midden en over de randen.
Zo omvatten de vleugels van de eeuwige liefde allen die Hem toebehoren, van Paulus in de derde hemel tot Jona in de buik van de vis. Ligt u dan dichter bij Jona dan bij Paulus, wanhoop niet. Al ontvangt u niet alle warmte van de borst, u hebt toch de bescherming van de vleugel. Blijf daarom onder die vleugel schuilen, en wacht erop dat Hij Die het hele nest overdekt, ook u Zijn warmte meedeelt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As an eagle stirreth up her nest, fluttereth over her young, spreadeth abroad her wings, taketh them, beareth them on her wings: so the LORD alone did lead him, and there was no strange god with him.
Deuteronomy 32:11, 12
The eagle spreads abroad her wings, so as to take in the whole brood. Some of the young eagles lie in the middle of the nest and others at the edge; but the eagle neglects not one. Some lie nearer to her breast, as in God’s family there are children to whom a closer communion with Him is given. They, like John, lean on His bosom. But the eagle spreads abroad her wings over her whole nest, so that both the edges and the middle are covered and she gives warmth to every one of her young.
Christ does this by the preaching of the gospel, for it reaches all, or at least it ought to; it ought to come home to everyone and enter into every experience. And though the preaching of men is imperfect, the Word of truth certainly is not. From the middle to the edges, from the heart of God to the ends of the earth, the wings of everlasting love take in all, from Paul in the third heaven to Jonah in the belly of the fish. If you do not receive all the warmth of the breast, yet, like a young eagle, you still have the shelter of the wing.
Reading: Psalm 145
To the reader…
When you sometimes feel like that young eagle at the edge of the nest, far from the breast, while others seem to lie so close to the Lord, you hear of children of God who, like John, lean on His bosom, and you wonder whether there is still room for you. I do not forget such as you, and neither does the Lord forget them. The eagle neglects not one; she spreads abroad her wings over the whole nest, over the middle and over the edges.
So the wings of everlasting love take in all who belong to Him, from Paul in the third heaven to Jonah in the belly of the fish. If you lie nearer to Jonah than to Paul, do not despair. Though you do not receive all the warmth of the breast, you still have the shelter of the wing. Keep hiding, then, under that wing, and wait for Him Who covers the whole nest to give His warmth to you as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el águila despierta su nidada, revolotea sobre sus pollos, extiende sus alas, los toma, los lleva sobre sus plumas: Jehová solo le guió, que no hubo con él dios ajeno.
Deuteronomio 32:11, 12
El águila extiende sus alas para abarcar toda la nidada. Algunos de los aguiluchos están en el centro del nido y otros en el borde; pero el águila no descuida a ninguno. Algunos están más cerca de su pecho, como en la familia de Dios hay hijos a quienes se concede una comunión más íntima con Él. Ellos, como Juan, se recuestan en Su seno. Pero el águila extiende sus alas sobre todo su nido, de modo que tanto los bordes como el centro quedan cubiertos y da calor a cada uno de sus pollos.
Cristo hace esto por la predicación del evangelio, porque alcanza a todos, o al menos debería alcanzarlos; debería llegar a cada uno y entrar en toda experiencia. Y aunque la predicación de los hombres es imperfecta, la Palabra de verdad ciertamente no lo es. Del centro a los bordes, del corazón de Dios a los confines de la tierra, las alas del amor eterno lo abarcan todo, desde Pablo en el tercer cielo hasta Jonás en el vientre del pez. Si no recibe usted todo el calor del pecho, aun así, como un aguilucho, tiene el abrigo del ala.
Lectura: Salmo 145
Al lector…
Cuando a veces se siente usted como ese aguilucho en el borde del nido, lejos del pecho, mientras otros parecen estar tan cerca del Señor, oye hablar de hijos de Dios que, como Juan, se recuestan en Su seno, y se pregunta si aún hay lugar para usted. No olvido a los que son como usted, y tampoco el Señor los olvida. El águila no descuida a ninguno; extiende sus alas sobre todo el nido, sobre el centro y sobre los bordes.
Así las alas del amor eterno abarcan a todos los que le pertenecen, desde Pablo en el tercer cielo hasta Jonás en el vientre del pez. Si usted está más cerca de Jonás que de Pablo, no desespere. Aunque no reciba todo el calor del pecho, aún tiene el abrigo del ala. Siga, pues, escondiéndose bajo esa ala, y espere a que Aquel que cubre todo el nido le dé también a usted Su calor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
Johannes 10:28
De Heere zegt: Ik geef hun — dat is aan Mijn schapen — het eeuwige leven. Er staat niet: Ik zal het geven in het toekomende leven, maar: Ik geef het hun nu. Daarom lezen wij ook: „Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.” Heeft het nu, als een tegenwoordig, verblijdend bezit. Dit leven wordt blijkbaar geschonken als Christus Zichzelf aan de ziel openbaart, want dan wordt het eeuwige leven uit Zijn volheid ontvangen als een verheugend bezit.
Zij allen dan die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden, omhelzen in zodanige daad het eeuwige leven. Zij leven, zijnde geopenbaard in Christus, want Hij is „ons Leven”, en zodra zij het aannemen in Hem, worden zij zijn zoete bewegingen in hun hart gewaar: in de blijdschap die het mededeelt, in de vrede die het schenkt, in het vooruitzicht dat het opent, in de vrezen die het wegneemt, in de twijfelingen die het verdrijft. Dus is er, om zo te spreken, in de ware godsdienst iets tastbaars, iets wat men zich ten nutte kan maken; en dit onderscheidt een goede hoop door genade van iedere andere hoop, die bedriegelijk, hartstochtelijk of ingebeeld is. Geloof vrij, er is een wezenlijkheid in de levende godzaligheid, een bezit dat voor een eeuwigheid geldt, en dat derhalve het levende kind van God doodt aan een voorbijgaande wereld en aan de vergankelijke dingen van tijd en genot.
Telkens wanneer wij mogen zien op Christus, is er een gezicht van het eeuwige leven in Hem, want Hij is de eeuwige Zoon van God, en als Hij Zich als zodanig aan de ziel bekendmaakt, toont Hij ons dat al ons leven in Hem is. Het werk dat Hij uitvoert, is voor de eeuwigheid; Hij leeft tot in eeuwigheid, en degenen die Hij heeft verlost door Zijn bloed, gerechtvaardigd door Zijn gerechtigheid en geheiligd door Zijn genade, zullen eeuwig leven in Zijn tegenwoordigheid. Het is de eeuwigheid van Zijn liefde die haar tot de hoogste waarde opvoert, want dit leven, eeuwig zijnde, waarborgt niet slechts een oneindigheid, maar ook een onveranderlijkheid, zodat er geen verandering in de tijd noch in de eeuwigheid kan plaatsvinden; en dit geeft een waarborg aan al de erfgenamen der belofte. Wanneer zij dan het eeuwige leven mogen aangrijpen door Hem aan te grijpen Die het Leven is, en zij de zoete bewegingen der hoop in hun ziel waarnemen, dan opent dit voor hun ogen een uitzicht van onsterfelijke blijdschap.
Aan de lezer…
Deze woorden weerspreken de gedachte dat het eeuwige leven iets is wat alleen aan de overzijde van het graf wacht. Hoor dan hoe de goede Herder spreekt: niet „Ik zal geven”, maar „Ik geef hun”. Wie de toevlucht genomen heeft om de voorgestelde hoop vast te houden, omhelst dat leven nu reeds, al is het met een bevende hand. U kent misschien de vrezen en de twijfelingen maar al te goed; maar hebt u nooit iets gemerkt van een vrede die het schonk en een vrees die het wegnam, wanneer u op Christus mocht zien?
Dat is geen ingebeelde hoop, maar een wezenlijkheid, een bezit dat voor de eeuwigheid geldt. En omdat het leven eeuwig is, is het ook onveranderlijk; er kan geen verandering in de tijd noch in de eeuwigheid plaatsvinden. Uw gevoel wisselt, maar Zijn hand niet. Niemand zal Zijn schapen daaruit rukken. Grijp dan Hem aan, Die het Leven is, en laat Hem uw hoop dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
Johannes 10:28
De Heere zegt: Ik geef hun — dat is: Mijn schapen — het eeuwige leven. Er staat niet: Ik zal het geven in het toekomende leven, maar: Ik geef het hun nu. Daarom lezen wij ook: „Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.” Hij heeft het nu, als een tegenwoordig en verblijdend bezit. Dit leven wordt kennelijk geschonken wanneer Christus Zichzelf aan de ziel openbaart, want dan wordt het eeuwige leven uit Zijn volheid ontvangen als een verheugend bezit.
Allen die hun toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden, omhelzen dus in die daad het eeuwige leven. Zij leven, omdat het geopenbaard is in Christus, want Hij is „ons Leven”. Zodra zij het in Hem aannemen, merken zij de zoete bewegingen ervan in hun hart: in de blijdschap die het meedeelt, in de vrede die het schenkt, in het vooruitzicht dat het opent, in de vrezen die het wegneemt en in de twijfels die het verdrijft. Er is in de ware godsdienst dus, om zo te zeggen, iets tastbaars, iets waar men zijn voordeel mee kan doen. Dat onderscheidt een goede hoop door genade van iedere andere hoop, die bedrieglijk, hartstochtelijk of ingebeeld is. Geloof gerust: er is een wezenlijkheid in de levende godzaligheid, een bezit dat voor een eeuwigheid geldt, en dat daarom het levende kind van God doet afsterven aan een voorbijgaande wereld en aan de vergankelijke dingen van tijd en genot.
Telkens wanneer wij op Christus mogen zien, is er een gezicht van het eeuwige leven in Hem. Want Hij is de eeuwige Zoon van God, en wanneer Hij Zich als zodanig aan de ziel bekendmaakt, toont Hij ons dat al ons leven in Hem is. Het werk dat Hij uitvoert, is voor de eeuwigheid. Hij leeft tot in eeuwigheid, en wie Hij verlost heeft door Zijn bloed, gerechtvaardigd door Zijn gerechtigheid en geheiligd door Zijn genade, zal eeuwig leven in Zijn tegenwoordigheid.
Het is de eeuwigheid van Zijn liefde die haar tot de hoogste waarde verheft. Want omdat dit leven eeuwig is, waarborgt het niet alleen oneindigheid, maar ook onveranderlijkheid, zodat er geen verandering kan plaatsvinden, niet in de tijd en niet in de eeuwigheid. Dat geeft zekerheid aan alle erfgenamen van de belofte. Wanneer zij dan het eeuwige leven mogen aangrijpen door Hem aan te grijpen Die het Leven is, en zij de zoete bewegingen van de hoop in hun ziel opmerken, dan opent dat voor hun ogen een uitzicht op onsterfelijke blijdschap.
Aan de lezer…
Deze woorden weerspreken de gedachte dat het eeuwige leven iets is wat alleen aan de overkant van het graf wacht. Hoor dan hoe de goede Herder spreekt: niet „Ik zal geven”, maar „Ik geef hun”. Wie zijn toevlucht genomen heeft om de voorgestelde hoop vast te houden, omhelst dat leven nu al, ook al is het met een bevende hand. Misschien kent u de vrezen en de twijfels maar al te goed; maar hebt u nooit iets gemerkt van een vrede die het schonk en een vrees die het wegnam, wanneer u op Christus mocht zien?
Dat is geen ingebeelde hoop, maar een wezenlijkheid, een bezit dat voor de eeuwigheid geldt. En omdat het leven eeuwig is, is het ook onveranderlijk; er kan geen verandering plaatsvinden, niet in de tijd en niet in de eeuwigheid. Uw gevoel wisselt, maar Zijn hand niet. Niemand zal Zijn schapen daaruit rukken. Grijp dan Hem aan, Die het Leven is, en laat Hem uw hoop dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And I give unto them eternal life; and they shall never perish, neither shall any man pluck them out of my hand.”
John 10:28
The Lord says, “I give unto them (that is, My sheep) eternal life;” not, “I will give them in the life to come; but I give it unto them now.” We therefore read, “He that believes on the Son has everlasting life”—has it now, as a present, felt, and enjoyed possession. This life is given manifestly when Christ reveals Himself to the soul; for eternal life is then received out of His fullness as an enjoyed possession. All, then, who have truly fled for refuge, to lay hold of the hope set before them, embrace in so doing eternal life. They live, as being manifestly in Christ, for He is “our life;” and as they embrace it in Him they feel its sweet movements in their breast, in the joy it communicates, in the peace it imparts, in the prospects it opens, in the doubts it removes, in the fears it disperses.
Thus, in real religion, there is something, if I may so speak, tangible, something to be laid hold of; and this distinguishes a good hope through grace from every other hope which is delusive, enthusiastic, or visionary. Depend upon it, there is a reality in vital godliness, a possession for eternity, which, therefore, kills and deadens the living child of God to a perishing world, and the fading things of time and sense. Whenever we get a view of Christ, there is a view of eternal life in Him; for He is the eternal Son of God, and when He makes Himself known to the soul as such, He shows us that all our life is in Him.
The work that He accomplished is for eternity; He lives Himself forever and ever; and those whom He has redeemed by His blood, justified by His righteousness, and sanctified by His grace, will live forever and ever in His glorious presence. It is the eternity of His love which stamps it with its main value and blessedness; for this life being eternal, secures not only perpetuity, but immutability, prevents it from any change in time as well as from any change in eternity, and secures it firm and stable to all the heirs of promise. As, then, they lay hold of eternal life in laying hold of Him Who is the life, and as the sweet movements of hope spring up in their breast, it opens before their eyes a vista of immortal joy.
To the reader…
These words contradict the idea that eternal life is something that waits only on the far side of the grave. Hear, then, how the good Shepherd speaks: not “I will give,” but “I give unto them.” Whoever has fled for refuge to lay hold of the hope set before him embraces that life even now, though it be with a trembling hand. Perhaps you know the fears and doubts all too well; but have you never noticed something of a peace that it gave and a fear that it took away, when you were enabled to look to Christ?
That is no imagined hope, but a reality, a possession that holds for eternity. And because the life is eternal, it is also unchanging; no change can take place, not in time and not in eternity. Your feelings change, but His hand does not. No one shall pluck His sheep out of it. Lay hold, then, of Him Who is the Life, and let Him carry your hope.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y yo les doy vida eterna: y no perecerán para siempre, ni nadie las arrebatará de mi mano.”
Juan 10:28
El Señor dice: “Yo les doy (es decir, a Mis ovejas) vida eterna”; no: “Se la daré en la vida venidera”, sino: “Se la doy ahora.” Por eso leemos: “El que cree en el Hijo tiene vida eterna”; la tiene ahora, como una posesión presente, sentida y gozada. Esta vida se da de manera manifiesta cuando Cristo Se revela al alma; pues entonces la vida eterna se recibe de Su plenitud como una posesión gozada. Todos, pues, los que de veras se han acogido a trabarse de la esperanza propuesta, abrazan al hacerlo la vida eterna. Viven, como estando manifiestamente en Cristo, porque Él es “nuestra vida”; y al abrazarla en Él sienten sus dulces movimientos en el pecho: en el gozo que comunica, en la paz que imparte, en las perspectivas que abre, en las dudas que quita, en los temores que disipa.
Así, en la verdadera religión hay algo, si se me permite decirlo, tangible, algo de lo que asirse; y esto distingue una buena esperanza por gracia de toda otra esperanza que es engañosa, exaltada o quimérica. Téngalo por seguro: hay una realidad en la piedad vital, una posesión para la eternidad, que por eso mismo hace morir y amortigua al hijo vivo de Dios para un mundo que perece y para las cosas pasajeras del tiempo y de los sentidos. Siempre que tenemos una visión de Cristo, hay una visión de la vida eterna en Él; porque Él es el Hijo eterno de Dios, y cuando Se da a conocer como tal al alma, nos muestra que toda nuestra vida está en Él.
La obra que Él consumó es para la eternidad; Él mismo vive por los siglos de los siglos; y aquellos a quienes ha redimido con Su sangre, justificado por Su justicia y santificado por Su gracia, vivirán por los siglos de los siglos en Su gloriosa presencia. Es la eternidad de Su amor lo que le imprime su principal valor y bienaventuranza; pues esta vida, siendo eterna, asegura no solo la perpetuidad, sino la inmutabilidad; la guarda de todo cambio en el tiempo así como de todo cambio en la eternidad, y la asegura firme y estable a todos los herederos de la promesa. Así pues, cuando se asen de la vida eterna al asirse de Aquel Que es la vida, y cuando brotan en su pecho los dulces movimientos de la esperanza, se abre ante sus ojos una perspectiva de gozo inmortal.
Al lector…
Estas palabras contradicen la idea de que la vida eterna es algo que solo aguarda al otro lado de la tumba. Escuche, pues, cómo habla el buen Pastor: no “daré”, sino “Yo les doy”. Quien se ha acogido a trabarse de la esperanza propuesta, abraza esa vida ya ahora, aunque sea con mano temblorosa. Quizá conozca usted demasiado bien los temores y las dudas; pero ¿nunca ha notado algo de una paz que ella le dio y de un temor que le quitó, cuando se le concedió mirar a Cristo?
Esa no es una esperanza imaginada, sino una realidad, una posesión que vale para la eternidad. Y porque la vida es eterna, también es inmutable; ningún cambio puede sobrevenirle, ni en el tiempo ni en la eternidad. Sus sentimientos cambian, pero Su mano no. Nadie arrebatará de ella a Sus ovejas. Ásase, pues, de Aquel Que es la Vida, y deje que Él sostenga su esperanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl