Aanbevolen voor uHet werk van de Heilige GeestOverdenking & Bezinning
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Preken

Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade

J.C. PhilpotPreken

38 min. lezen

Gepredikt in de Eden Street Chapel, Hampstead Road, Londen, op dinsdagavond 27 juli 1847.

“Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” — Hebreeën 4:15,16

Wat een reden heeft de gemeente van Christus om God te danken voor de brieven die uit de geïnspireerde pen van Paulus zijn voortgekomen! Het lijkt bijna niet goed om de ene brief boven de andere te kiezen als rijker aan hemelse onderwijzing. Toch durven we gerust te zeggen dat de brieven aan de Romeinen, aan de Galaten en aan de Hebreeën, meer dan alle andere, tot bijzondere zegen zijn geweest voor de gemeente van de levende God. En als we even de schrijver, Paulus de apostel, naast Saulus van Tarsen zetten, o, hoe treffend, hoe wonderlijk is dan de verandering die de genade in hem heeft gewerkt!

Laten we in gedachten teruggaan naar drie bijzondere tijden in het leven van Saulus van Tarsen. Zie hem eerst aan de voeten van Gamaliël, terwijl hij van diens lippen de overgeleverde wet indrinkt, dat wetboek van riten en ceremoniën dat nog steeds de godsdienst van Israël vormt. Stel dat iemand hem toen had toegefluisterd: Er komt een tijd dat je van deze dingen zult zeggen dat het “zwakke en arme beginselen” zijn, dat je ze onder je voeten zult vertrappen en naar de vier windstreken van de hemel zult verstrooien. Zou die jongeman dan niet gezegd hebben: Weg met die gedachte!

Doe een stap verder in het leven van Saulus van Tarsen. Zie hem bezig met het opbouwen van zijn eigen gerechtigheid. Hij probeert een godsdienst op te richten waarmee hij God kan behagen en zich een weg naar de hemel kan banen. Stel dat iemand hem toen had toegefluisterd: Er komt een tijd dat al je hoop zal rusten op rechtvaardiging door de gehoorzaamheid van een ander. Hij zou gezegd hebben: Die tijd komt nooit; de zon kan evengoed ophouden met opgaan, voordat ik naar de gerechtigheid van een ander zou opzien om daardoor gerechtvaardigd te worden.

Zet nog een stap en zie hem de kleren bewaren van de getuigen. Zij hadden zich uitgekleed, zodat hun wijde gewaden hen niet zouden hinderen, want zij moesten volgens de wet van Mozes als eersten een steen naar Stefanus werpen. Stel dat iemand hem toen had toegefluisterd: Er komt een tijd dat je in Jezus van Nazareth zult geloven en voor Zijn naam zult sterven. Zou dan niet de gedachte van zijn hart geweest zijn: Laat mij liever eerst sterven, dan dat zoiets ooit gebeurt? Toch zijn juist deze omstandigheden in het leven van Paulus ongetwijfeld op geheimzinnige wijze zo bestuurd dat de gemeente van God er baat bij had. Want omdat hij in deze toestanden had verkeerd, kon hij met helderder bewijs en krachtiger betoog de waarheid naspeuren die in Jezus is, doordat hij beide kanten van de zaak uit ervaring kende.

Het grote doel van de brief aan de Hebreeën is het hogepriesterschap van de Heere Jezus Christus uiteen te zetten. Daar kunnen we nu niet volledig op ingaan. Toch leidt onze tekst ons (en moge de Heere ons door de tekst leiden) tot een poging om aan te wijzen wie die Hogepriester is van wie de apostel hier spreekt. Ik denk dat de eenvoudigste, en daarom de beste indeling deze zal zijn, zoals de Heere het mij mag schenken: eerst de bedoeling van de Geest in het vijftiende vers, Hebr. 4:15, “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”; en ten tweede de vermaning die voortvloeit uit het priesterschap van Immanuel en erop gegrond is: “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.”

I. — Ik hoef jullie tijd nauwelijks in beslag te nemen met een lange uitleg over hoe de hogepriester onder de wet een voorbeeld en afbeelding was van de Heere Jezus Christus. Toch zijn er enkele punten van overeenkomst en enkele punten van verschil waar we op moeten ingaan. Daardoor wordt de bedoeling en de betekenis van de Heilige Geest in de woorden die voor ons liggen duidelijker.

Er waren drie punten van overeenkomst tussen de hogepriester onder de wet en de grote “Priester over het huis Gods”. Er waren er meer, maar ik beperk me tot drie. Het eerste was dat de hogepriester offers bracht. Het tweede was dat hij op de grote verzoendag voorbede deed voor de zonden van het volk. Hij nam daarvoor fijngestoten reukwerk, legde dat op de kolen die van het koperen altaar waren genomen, en ging daarmee het allerheiligste binnen (Lev. 16:12,13):

“Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen den voorhang dragen. En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve.”

Het derde was dat hij het volk zegende (Num. 6:23):

“Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:”

In deze drie punten leek de hogepriester onder de wet op prachtige wijze op de grote “Priester over het huis Gods” en beeldde Hem af. Maar o, wat is die overeenkomst zwak! Wat is dat voorbeeld flauw, en wat is die afbeelding schimmig! De hogepriester onder de wet kon alleen het bloed van stieren en bokken offeren, dat nooit zonden kan wegnemen. De grote “Priester over het huis Gods” offerde Zichzelf, Zijn eigen lichaam en Zijn eigen ziel, dat dierbare, dierbare bloed. Dat bloed “reinigt ons van alle zonde”. De hogepriester onder de wet kon alleen reukwerk offeren op de kolen van het koperen altaar.

De grote “Priester over het huis Gods” biedt elke dag de kracht van Zijn offer aan, doordat Hij “ook voor ons bidt”. De hogepriester onder de wet kon de zegen alleen in woorden uitspreken. Hij kon die zegen niet aan de ziel geven of meedelen. De grote “Priester over het huis Gods” kan de ziel zegenen, en doet dat ook, met de lieflijke openbaringen van Zijn liefderijke goedertierenheid en tedere barmhartigheid.

Maar er zijn ook punten van verschil, naast de punten van overeenkomst.

i. De hogepriester onder de wet was maar een mens. De grote “Priester over het huis Gods” is God en mens: “Immanuel”, “God met ons”, de eeuwige “Zoon des Vaders, in waarheid en liefde”, Die onze natuur heeft aangenomen en met Zijn eigen goddelijke en heerlijke Persoon heeft verenigd.

ii. De hogepriester onder de wet stierf na een aantal jaren, en zijn opvolger was even sterfelijk als hijzelf (Hebr. 7:23):

“En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;”

..maar de grote Hogepriester daarboven leeft in eeuwigheid, “om voor hen te bidden”.

iii. De hogepriester onder de wet kon iemand zijn (en de apostel lijkt hier op dat feit te zinspelen) die geen medegevoel en geen medelijden had met de zwakheden en zonden van hen voor wie hij offerde. Hij kon zijn zoals sommige van onze priesterlijke heren, die louter heiligheid lijken en geen tederhartig medelijden hebben met afvalligen en met mensen die van de weg zijn geraakt. Maar de grote “Priester over het huis Gods”, zegt de apostel hier, is Eén Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”.

iv. De hogepriester onder de wet kon verzocht worden, of ook niet. Hij kon een man zijn die de plaag van zijn eigen hart en de werkingen van zijn gevallen natuur kende, of ook niet. Dan was hij misschien niet “in alle dingen” verzocht zoals zij voor wie hij offerde. Maar de grote “Priester over het huis Gods” was Eén Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest”, en daarom kan Hij medegevoel hebben met de verzochten, en dat heeft Hij ook.

v. De hogepriester onder de wet was een zondaar. Maar de grote “Priester over het huis Gods” is vlekkeloos, zonder zonde, “heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden”. De twee punten waarnaar de apostel hier verwijst, en waar ik met Gods zegen nu vooral verder op in wil gaan, zijn:

1. Ten eerste: onze grote Hogepriester, Jezus, is Eén Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”, en daarom is Hij goddelijk geschikt voor ons, die met zwakheden omringd zijn. Hier ligt het grote verschil tussen het kind van God, dat levend gemaakt is tot besef van zijn diep gevallen staat, en een zelfgerechtige Farizeeër. Het kind van God is geestelijk onderwezen en overtuigd. Het voelt diep dat het zwak is, ja, dat het met zwakheden omringd is en niets anders is dan zwakheid. Daarom is de grote Hogepriester tot Wie het als een beladen zondaar komt zo geschikt voor hem. Het is de Heere Jezus, bij Wie hij zijn toevlucht zoekt in het diepst van zijn nood, en aan Wiens voeten hij neervalt, overweldigd door het besef van zijn hulpeloosheid, zonde, ellende en schuld. Hij is zo geschikt, omdat Hij “kan medelijden hebben met onze zwakheden”.

Als we aan onze eigen gedachten waren overgelaten, zouden we van nature menen dat Jezus te heilig is om met medelijden neer te zien op zo’n vuile, schuldige ellendeling als jij en ik. Stellig, stellig zal Hij ons van Zijn voeten stoten. Stellig, stellig kunnen Zijn heilige ogen ons niet aanzien in ons bloed, onze schuld, ons vuil, onze ellende en onze schaamte. Stellig, stellig kan Hij geen enkele hartelijke gedachte, geen ogenblik medegevoel en geen vonk liefde schenken aan mensen die zo weinig op Hem lijken. Natuur, zintuigen en verstand redeneren zo: Ik moet heilig zijn, volkomen heilig, wil Jezus mij liefhebben.

Ik moet rein zijn, volkomen rein, vlekkeloos en zonder zonde, wil Jezus aan mij denken. Maar dat ik, een zondige, schuldige, bezoedelde ellendeling, dat ik, omringd met zwakheden, dat ik, wiens hart een kooi van onreine vogels is, dat ik, bevlekt en verontreinigd met duizend ongerechtigheden, enig erfdeel in Hem zou hebben, of dat Hij enige liefde of medelijden met mij zou hebben, daar komen natuur, zintuigen en verstand tegen in opstand. De godsdienst, de natuurlijke godsdienst in al haar gedaanten en vormen, schrikt terug voor die gedachte.

Om het verschil te laten zien tussen deze medelevende, liefhebbende, barmhartige, teerhartige Hogepriester en een stoïcijnse priester, zegt de apostel: “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.” Denk aan de priester die voorbijging aan de bloedende man die onder de rovers was gevallen. Hij wilde zijn ogen niet wenden, uit vrees dat hij bezoedeld zou worden door het zien van bloed op het pad. Zulke trotse, godsdienstige stoïcijnen hebben we in overvloed, op de kansel en in de bank. Tegenover zo’n gevoelloze, godsdienstige stoïcijn stelt de apostel deze teerhartige Hogepriester. Het is alsof hij zich daarmee in het bijzonder richt tot het arme, beladen kind van God dat zijn zwakheden voelt.

Zo iemand kan niet roemen op eigen wijsheid, kracht, gerechtigheid en standvastigheid, maar is louter zwakheid en hulpeloosheid. Het lijkt alsof hij zich tot zo’n hulpeloze ellendeling wendt en een lieflijke hartversterking in zijn bloedende geweten giet. Het is bijna alsof hij zei: Wat! Denk je, lieve vriend, dat de grote “Priester over het huis Gods” je zal verstoten omdat Hij zo heilig is? Nee, zo’n Hogepriester hebben wij niet. Dat is de ontkenning. Laat anderen zulke priesters hebben als ze willen; laat anderen zich in hen verheugen; laat hen alle troost uit hen halen die ze kunnen krijgen. Zo is het niet met ons, lieve broeders, zou hij zeggen.

Wij zijn de kinderen van God. Wij kennen ieder onze eigen plaag en ons eigen zeer. Wij dragen dag aan dag een lichaam van zonde en dood met ons mee, dat ons doet klagen, zuchten en kermen. Wij weten pijnlijk goed wat het is met zwakheden omringd te zijn. Wij komen tot Zijn voeten als mensen die niets zijn en niets hebben dan zonde en wee. “Wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.” Wij hebben Eén Die in Zijn boezem datzelfde medevoelende, barmhartige, gevoelige, tedere en medelijdende hart draagt dat Hij hier beneden droeg.

In Hem is geen verandering, want Hij is “gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid”. Het is dezelfde Jezus die weende toen Hij de tranen zag stromen uit de ogen van de Joden die Martha en Maria kwamen troosten. Het is dezelfde Jezus die de vrouw met de bloedvloeiing niet wegstuurde toen zij door de menigte kroop om de zoom van Zijn kleed aan te raken. Hij luisterde naar de roep van de Syro-Fenicische vrouw en hoorde haar gebed. Hij ging rond en deed goed, en had tranen om te wenen over menselijke ellende en verdriet. Diezelfde teerhartige, barmhartige en medelijdende Jezus is nu aan de rechterhand van God.

Daarom is Hij “geraakt”. Wat een lieflijk woord! Kennen wij daar niet iets van uit ervaring? Er komt iemand bij ons met een verhaal vol wee, en wij zien de traan, niet van de huichelaar maar van oprecht verdriet, over zijn wang lopen. Of een kind van God komt bij ons, vertelt hoe beladen hij is met zonde en schuld, en zet in oprechtheid en godzalige eenvoud de oefeningen van zijn hart uiteen. Zijn wij dan niet “geraakt”? Is er dan geen smelten van de ziel? Geen breken van het hart? Hij kan in ons gezelschap zijn gekomen, en wij zaten streng en gevoelloos.

Wij hebben hem misschien met een wantrouwend oog bekeken en betwijfeld of er wel enige genade in zijn hart was. Maar laat hem zijn mond opendoen, laat de genade duidelijk in hem openbaar worden. Zijn wij dan niet “geraakt”? Is ons hart dan niet gesmolten en zacht geworden? En voelen wij dan niet een lieflijke band tussen hem en ons?

Breng dit nu, geestelijk, over op onze tekst. Deze medelijdende Hogepriester is “geraakt” wanneer wij met onze zonden, verdriet, zwakheden en klachten bij Hem komen en de dingen belijden die ons gemoed van tijd tot tijd drukken en benauwen. We hebben niet te maken met een gevoelloze, hardvochtige, stoïcijnse hogepriester, die ons veracht, zijn oog van ons afwendt en zegt: Zolang je niet veel heiliger bent, wil ik niets met je te maken hebben. Maar Zijn hart is geraakt en week gemaakt door het medegevoel met onze zwakheden. Er zijn mensen die de afschuwelijke vermetelheid hebben te zeggen: Weg met jullie stemmingen en gevoelens! Deze aanmatigende lieden kunnen net zo goed zeggen: Weg met Jezus! Weg met de grote “Priester over het huis Gods”! als zeggen: Weg met gevoel! Is Hij dan niet Eén Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”? Schaf het gevoel af, en je doet alles wat in je macht ligt om de grote “Priester over het huis Gods” af te schaffen.

Haal het gevoel uit mijn hart, en je doet alles wat in je macht ligt om te ontkennen dat er gevoel is in het hart van Immanuel. Zou Hij met gevoel geraakt worden, en jij en ik nooit? Moeten stemmingen en gevoelens bespot worden, en minachting over hen worden uitgegoten, terwijl de Heilige Geest ons hier Immanuel voorstelt als Eén Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”? Gezegend zij Zijn naam! Onsterfelijke eer kroont Zijn voorhoofd, dat Hij “kan medelijden hebben met onze zwakheden”, dat Hij niet die stoïcijnse Hogepriester is waarvoor sommigen Hem willen laten doorgaan, maar een teder hart heeft dat smelt, ontroerd wordt en verlangend uitgaat naar onze zwakheden en ons verdriet.

Ik durf te zeggen dat wij geen gemeenschap met de Heere Jezus Christus kunnen hebben, tenzij we weten dat Hij “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Stel dat ik naar een mens ga en hem mijn zwakheid en zondigheid vertel, en hij kijkt streng, alsof hij zo heilig is dat ik niet in zijn tegenwoordigheid mag komen. Ontmoedigt dat mij dan niet? Kan ik de gevoelens van mijn ziel uitspreken, kan ik de geheimen van mijn hart openen voor iemand die geen medegevoel heeft? Zoals Hart zegt:

“Een trouwe vriend deelt in het leed:
Maar eenheid kan er niet zijn
Tussen een hart als smeltende was
En harten die hard zijn als steen:”

“Tussen een hoofd dat bloed verspreidt,
En leden gezond en heel;
Tussen een God in doodsstrijd
En een gevoelloze ziel.”

Er kan geen ware eenheid en gemeenschap zijn met de Heere Jezus Christus, behalve voor zover we weten dat Hij “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Dan hebben we Zijn oor en kunnen de gevoelens van onze ziel in Zijn oor uitstorten. Dan hebben we Zijn hart, en als we Hem vertellen wat we lijden, is ook Zijn hart geraakt, omdat Hij “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Maar o, wat zijn die zwakheden talrijk! De hele avond zou je kunnen vullen met een vluchtige beschrijving ervan. We hebben zwakheden in geloof, in hoop, in liefde, in gebed, in het lezen van het Woord, in het preken, in het horen. De hele dag zwakheden, voor zover we aan onszelf zijn overgelaten. En toch kan deze gezegende, barmhartige, medelijdende Hogepriester “medelijden hebben met onze zwakheden”.

2. Dan gaan we verder met het tweede punt dat de Heilige Geest hier naar voren brengt bij deze medelijdende Hogepriester: Hij is Eén Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”. Ik voel dat ik hier op zeer tere grond sta. Ik moet voorzichtig te werk gaan, zeer voorzichtig, anders word ik meegesleept in verwarring en dwaling. Het lijkt mij dat de Heilige Geest de weg aan weerszijden met grenzen heeft afgebakend. Zolang we binnen die grenzen blijven, blijven we bij de bedoeling van de Heilige Geest. Wat is de ene grens? Daar mogen we niet overheen: “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest”. Wat is de andere grens? “Doch zonder zonde.” Tussen die twee grenzen kunnen we veilig wandelen.

Word je verzocht? Dan kun je tot je troost zien, als de Heere het op je ziel wil toepassen, dat Jezus “in alle dingen” verzocht is, net als jij. Maar er is dit verschil tussen de gezegende Immanuel en jou en mij: wanneer wij verzocht worden, gaat dat niet zonder zonde. Hij werd “in alle dingen”, gelijk als wij, verzocht, “doch zonder zonde”. De zonde raakte Hem nooit. Zij deinsde terug, als ik die uitdrukking mag gebruiken, voor Zijn heilige, zondeloze, vlekkeloze natuur. Zonde die Hem werd toegerekend, was het leed van Zijn ziel. Maar zonde vond nooit toegang tot Zijn heilige, vlekkeloze natuur.

De satan mocht zijn pijlen op Hem afschieten, maar “de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets”. Bij ons is het anders. Als de verzoeking komt, is er iets in ons hart dat erop antwoordt. Dat maakt de verzoeking zo gevaarlijk en pijnlijk voor een kind van God: in zijn gevallen natuur is iets dat op de verzoeking antwoordt. Er is iets in hem dat bij de verzoeking past, haar tegemoetkomt en zich ermee verstrengelt. Daarom wordt hij in elk uur van verzoeking alleen door de genade van God bewaard.

Ik geloof vast dat elk kind van God verzoeking zal moeten doorstaan. Jakobus zegt: “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt;” en hij voegt eraan toe: “Zalig is de man, die verzoeking verdraagt” (Jak. 1:2 en 12). Petrus zegt: “In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen” (1 Petr. 1:6). En toen Paulus in het elfde hoofdstuk van de brief die voor ons ligt het lijden opsomde van het edele leger van getuigen, zei hij: “Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht” (Hebr. 11:37).

Zo zijn deze heiligen van God in hun tijd en geslacht verzocht. En jij en ik, voor zover we heiligen en kinderen van God zijn, moeten ook verzocht worden. Maar hoe talrijk en hoe verschillend zijn onze verzoekingen! Sommige zijn vleselijk: “de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens”, met al die lage werkingen van onze diep gevallen natuur, waar je beter op kunt zinspelen dan ze beschrijven. Dan zijn er verzoekingen tot ongeloof, tot dwaling en ketterij, tot loochening van de waarheid van God, tot twijfel aan de Godheid van de Heere Jezus Christus, aan de leer van de Drie-eenheid en aan de persoonlijkheid van de Heilige Geest.

Er is eigenlijk geen enkel onderdeel van de waarheid waartegen de sluwste verzoekingen niet gemakkelijk toegang vinden tot het vleselijk gemoed. Ja, er zijn verzoekingen die te laag zijn om te noemen, te gruwelijk zelfs om op te zinspelen.

Hier ligt het verschil tussen de Heere Jezus Christus en ons: deze verzoekingen kwamen op Zijn heilige en vlekkeloze natuur neer, maar drongen er nooit in door. Bij ons vinden ze wel toegang. Maar als dat zo is, kan iemand zeggen, hoe kan de Heere Jezus Christus dan medegevoel hebben met een arme verzochte zondaar als ik? De Zoon van God was vlekkeloos, heilig, onnozel, onbesmet, en ik ben zondig, boos en goddeloos. Ik voel iets in mij dat met de verzoeking meegaat. Ik heb nog nooit van een dwaling gehoord waarin mijn hart niets vond om zich aan vast te grijpen.

Ik hoor nooit van een zonde zonder dat er iets in mijn hart is dat er meteen mee lijkt in te stemmen. Er kan geen ketterij opkomen of er is iets in mij dat bereid is erin mee te gaan. Als de Heere Jezus Christus dan verzocht werd gelijk als wij, wat is dan in dit opzicht het verschil tussen Hem en ons? Ik vraag jullie: wat is het in ons dat ons de verzoeking doet voelen, en ons doet kermen en roepen onder haar gewicht? Wat doet ons de zonde haten, de ketterij verafschuwen en de waarheid aanhangen? Wat doet ons opzien naar de Heere om ons van de macht van de zonde te verlossen, en de verzoeking onder onze voeten te vertrappen?

Het is de genade van God in de ziel, nietwaar? Zo hopen we graag. De Heilige Geest heeft in onze harten, uit barmhartigheid, een geestelijke en nieuwe natuur opgewekt. Die ziet de verzoeking, voelt haar, haat haar, kermt eronder en vlucht tot God om ons ervan te verlossen.

Als de verzoeking pijnlijk voor ons is, dan is zij dat alleen voor zover we aan de genade deelhebben. Voor de goddelozen is verzoeking niet pijnlijk. Zij wekt geen kwellende gevoelens op in de dode zondaar. Maar wie een levend gemaakt en levend gehouden geweten heeft, wie in hart en ziel verlangt God lief te hebben en tot Zijn eer te leven, en met een volkomen haat alles te haten wat Hij haat, die en alleen die voelen, kermen, zuchten, roepen en klagen diep onder de macht van de verzoeking.

Als wij, die zo weinig weten en voelen, de verzoeking al een gewicht en een last vinden, laten we dan naar de Heere Jezus Christus zien. Hoe moet Zijn heilige, vlekkeloze menselijke natuur gevoeld hebben, hoe moet zij gekermd, gegriefd en teruggedeinsd zijn voor de pijlen van de hel, afgeschoten door de helse koning van de duisternis! Hoe moet Zijn heilige ziel gebeefd hebben bij wat aan die vlekkeloze menselijke natuur werd voorgehouden, die Hij met Zijn eigen goddelijke Persoon had verenigd! Zo is de Heere Jezus Christus Eén Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest”. Er is dus geen enkele verzoeking, beproeving of pijnlijk gevoel dat wij kunnen ondervinden, of Hij heeft het vóór ons ondervonden.

Toch was Hij, door barmhartigheid, oneindige barmhartigheid, “zonder zonde”, zonder vlek, spikkel of schijn van het geringste kwaad. Hij stond vlekkeloos te midden van de pijlen van de hel, vlekkeloos te midden van de verzoekingen die als hagel op Zijn heilige menselijke natuur werden afgeschoten. Dat maakte Hem zo geschikt om Hogepriester te worden: daardoor kan Hij “medelijden hebben met onze zwakheden”.

Wanneer we naar de Heere Jezus Christus gaan en Hem vertellen hoe verzocht we zijn, wat een last de zonde voor onze ziel is, welke strikken voor onze voeten zijn gelegd, hoe ons gemoed met dit en dat gevoel wordt geoefend, hoe we verlangen naar verlossing uit de klemmen, vallen en strikken die voor onze voeten zijn gespreid, dan gaan we niet naar Iemand Die er uit innerlijke ervaring niets van weet. Hij is Eén Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”. O, welke twee lieflijke trekken in de gezegende Jezus: volmaakte heiligheid, en toch volledige bekendheid met de verzoeking!

En hoe trekken deze twee trekken, die onderling zo goed samengaan, de liefde van onze ziel van tijd tot tijd tot Hem! Als Hij niet “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest”, zouden we met onze verzoekingen niet naar Hem gaan, en als Hij niet “zonder zonde” was, kon Hij niet de grote “Priester over het huis Gods” zijn.

Zo zien we in de Heere Jezus Christus twee schijnbaar strijdige dingen verenigd: een volmaakte bekendheid met de verzoeking in al haar gedaanten en vormen, een grondige kennis ervan uit ervaring, de enige ware kennis, en een volledige vrijheid van zonde. Verguizen mensen de ervaring? Dan nemen zij niets minder dan de kroon van het hoofd van de Middelaar. Dan doen zij wat zij kunnen om Jezus van Zijn hogepriesterschap te onttronen. Had Hij dan geen ervaren kennis van de verzoeking? Keek Hij op de verzoeking neer als op iets waarvan Hij niets wist en geen ervaring had? Als iets wat je in theorie ziet, iets onder Zijn voeten, waar Zijn heilige ziel nooit in is binnengegaan?

Nee, Hij had er een persoonlijke, diepe ervaring van. Daarom, voor zover wij een diepe en persoonlijke ervaring van de verzoeking hebben, trekt het de gevoelens van onze ziel en de liefde van ons hart naar Hem toe. Verzocht als wij zijn, kunnen wij naar Hem gaan als naar Iemand Die verzocht is geweest!

Aan de andere kant: wanneer we Zijn vlekkeloze heiligheid overal doorheen zien stralen, wekt juist die heiligheid de eerbied van onze ziel voor Hem en de tederste genegenheid en liefde van ons hart. Zoals de eenheid van de Godheid en de mensheid in één heerlijke Immanuel de liefde en eerbied van onze ziel tot Hem trekt als God en mens, zo trekt de eenheid van volmaakte heiligheid en grondige bekendheid met de verzoeking het medegevoel en de tederheid van ons hart naar Hem toe. Ze trekt ook het medegevoel en de tederheid van Zijn hart naar ons toe.

Zo zegt de apostel: “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.” Kende Paulus zwakheden? Ja, diep. Hij vertelt ons dat hij erin roemde, opdat de kracht van Christus op hem zou rusten (2 Kor. 12:9). Was ook het geloof, de hoop of de liefde van Paulus ooit zwak? Voelde hij hulpeloosheid, en treurde en zuchtte hij onder de zonde? Diep, diep. Klom hij op een hoge top, ver weg van menselijke zwakheid, hulpeloosheid en ellende? Nee, hij daalde er dieper in af dan jij of ik. Stond hij ver van de verzoeking, vrij van “de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens”?

Werden de pijlen van de hel nooit met helse woede op hem afgeschoten? “In alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.” Schrap dat woord “wij” maar. Het kan niet “onze zwakheden” zijn als Paulus er geen had. Het kan niet “gelijk als wij verzocht” zijn als Paulus nooit verzocht werd. Als hij op een hoge plek had gestaan, ver weg van zwakheden en ver weg van verzoeking, dan had hij een leugen geschreven toen hij “onze zwakheden” en “verzocht gelijk als wij” zei.

Maar Paulus kon de hele gemeente van God in haar zwakheden aanzien en zeggen: Net als jullie, lieve broeders, ben ik vol zwakheden. Ik word verzocht, lieve broeders, zoals jullie. Ik durf nog meer te zeggen: als wij geen van deze zwakheden en verzoekingen hebben, passen deze woorden niet op ons. Mensen kunnen grote, opgeblazen woorden spreken over de Christus van God. Maar ik durf te zeggen dat zij ver van Christus zijn afgedwaald die ver van verzoekingen en zwakheden zijn afgedwaald. Door gevoelde zwakheid gaan we tot de grote Hogepriester Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Door gevoelde verzoeking komen we tot een persoonlijke kennis van onze goddelijke en geestelijke eenheid met die grote Hogepriester Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”.

Ik wil nog één woord toevoegen. Hoe meer we met zwakheid omringd zijn, hoe meer we tot Hem zullen komen. En hoe meer we verzocht worden, hoe meer we, als de Geest ons leidt, lieflijke en gezegende gemeenschap met Hem zullen hebben. Harde harten, gevoelloze gewetens: welke gemeenschap hebben die met zo’n Immanuel als de Schriften Hem voorstellen? Maar Gods arme, behoeftige, beproefde en geoefende gezin, beladen met zwakheden en aangevallen door duizend verzoekingen, komt juist door die zwakheden en verzoekingen tot eenheid en gemeenschap met de Heere Jezus Christus.

II. — De apostel voegt er daarom aan toe: “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Let op het woord “dan”. Wat betekent dat? Het wijst op een verband met de voorgaande verzen. Wat wilde hij in het eerste deel van de tekst zeggen? “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden”, en dan: “laat ons”. Welk “ons”? Het trotse ons? Het aanmatigende ons? Het gevoelloze ons? Het dode, dorre, verstandelijke, calvinistische ons? O nee, zo’n ons niet.

Het gaat om ons wier gemoed geoefend wordt, wier ziel gebukt gaat onder lasten en moeilijkheden. Om ons die ons voelen als verloren, vernietigde, verdorven zondaren, die de wanhopige kwaden van onze gevallen natuur kennen, die pijnlijk weten wat zwakheden en verzoekingen zijn. “Laat ons”, niemand anders, “laat ons toegaan”. Waarom? Omdat we zwakheden hebben? Omdat we verzoekingen hebben? Nee, maar omdat we een grote Hogepriester hebben Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Omdat we een grote Hogepriester hebben Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”.

Dat is de grondslag van dat “dan”. Onze zwakheden en onze verzoekingen zijn geen voldoende reden. We moeten wel zwakheden hebben, anders kunnen we niet gaan tot Hem Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. We moeten verzoekingen hebben, anders kunnen we Hem niet kennen Die verzocht is geweest zoals wij verzocht worden. Maar daarnaast moet ons geloof gegeven zijn om deze grote Hogepriester te zien. Ons moet hoop gegeven zijn om het anker uit te werpen binnen het voorhangsel. Ons moet liefde gegeven zijn, zodat de genegenheid van ons hart naar Hem uitstroomt. We moeten dus de leiding van de Geest voelen, die ons naar Zijn gezegende voeten trekt. Onze ogen moeten gezalfd zijn met goddelijke oogzalf om Zijn schoonheid en heerlijkheid te zien, en onze harten moeten door de gezegende Geest zijn aangeraakt om de kracht van Zijn liefde en bloed te voelen.

Wanneer deze twee dingen samenkomen en in de ervaring van onze ziel worden gevoeld, dan worden we getrokken tot “een troon der genade”: onze ellende en Zijn barmhartigheid, onze zwakheden en de hulp die op Eén is gelegd Die machtig is, onze verzoeking en de bijstand die Hij ons in onze verzoeking geeft, onze gewonde geest en Zijn tedere hart. Dat is de grondslag van het “dan”, de reden, de geestelijke reden, waarom we moeten toegaan en waarom we toegaan.

1. Maar hij zegt: “vrijmoedigheid”. Wat betekent dat? Aanmatigend? God verhoede het! Roekeloos? Laten we die gedachte nooit toelaten. Zelfgerecht? Weg met die veronderstelling. In mezelf? Nee, laat ik zelf altijd een hoop puin blijven. Wat betekent vrijmoedigheid dan? Heilige, geestelijke vrijmoedigheid. Geen roekeloze durf, geen farizeïsche aanmatiging, geen zelfgerechte onwetendheid over Gods eigenschappen, waarmee je op de dikke bulten van Zijn schild afstormt. Het is de vrijmoedigheid die samengaat met de diepste eerbied voor de heilige God. Het is de verbinding van godvrezende schroom en geestelijk vertrouwen, die in de ziel wordt opgewekt door het besef van wat ik ben en van wat Jezus voor mij is.

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan”, tegenover slaafse vrees. “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan”, tegenover de angst dat Hij mij van Zijn voetbank zal stoten omdat Hij zo heilig is. “Vrijmoedig” toegaan betekent dus: niet met stoutmoedige hardheid, niet met zelfgerechtigheid, niet uit onwetendheid. Het betekent toegaan onder de lieflijke trekking van de gezegende Geest, met vertrouwen en toch niet aanmatigend, vrijmoedig en toch niet roekeloos. De grond van onze vrijmoedigheid is niet wat we in onszelf zijn, maar wat de grote “Priester over het huis Gods” voor ons is.

2. Maar waarheen moeten we “toegaan”? Tot “den troon der genade”. Wat wordt dit woord veel gebruikt! Maar men moet vrezen dat de lieflijke en plechtige betekenis ervan maar weinig wordt begrepen. Kijk naar de woorden. Soms gebruiken we woorden als papegaaien, zonder hun goddelijke betekenis te kennen of te voelen. “Een troon der genade!” Wat betekent dat? Laten we de uitdrukking ontleden. Hier wordt de genade voorgesteld als gezeten op een troon. Met andere woorden: de genade als een koning, zoals de apostel elders zegt dat de genade “zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven”. De genade, belichaamd in de Persoon van Immanuel, is “de troon der genade”.

Waar dus de genade gezeten is in de Persoon van Immanuel, waar de genade heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, waar de genade overvloediger is dan de overvloed van de zonde, waar de genade de strijd wint ondanks schuld, zonde en schaamte, waar de genade als een vorst op zijn troon zit en zijn scepter zwaait over zijn gewillige onderdanen, daar is “de troon der genade”.

Kijk er nu eens zo naar. Misschien val je op je knieën voordat je naar bed gaat en noem je dat toegaan tot “een troon der genade”. Maar terwijl je daar op je knieën ligt, voel je in je ziel niets van een genade die heerst door rechtvaardigheid om je te rechtvaardigen, te vergeven en te zegenen. Even op je knieën vallen en een paar vormelijke smeekbeden stamelen, dat heet dan toegaan tot “een troon der genade”. Zo gebruiken ook predikanten een reeks gebeden die ronddraaien als een molenpaard, en noemen dat toegaan tot “een troon der genade”. Ze weten niet wat “een troon der genade” is. Terwijl ze hun betekenisloze ronde van zinloze woorden afleggen, denken ze er niet aan wat “een troon der genade” werkelijk en eigenlijk betekent.

Toegaan tot “een troon der genade” is toegaan tot de plaats waar de genade heerst en haar gezegende scepter zwaait. Daar stroomt de genade uit de volheid van Immanuel, zoals stralen van licht en warmte uit de zon, en ze stroomt in het hart van zondaren om hun zonden te vergeven, hun afvalligheid te genezen, hun zielen te redden en hen uit de bodemloze put te verlossen. Hoe anders is het om zo gevoelig toe te gaan tot “een troon der genade”, o, hoe anders dan op onze knieën te vallen en een paar zinloze smeekbeden eruit te tuimelen, terwijl het oog van ons gemoed aan het einde van de aarde is!

We voelen onze ziel omringd met zwakheden en aangevallen door duizend verzoekingen, en toch krijgen we door het geloof de grote “Priester over het huis Gods” in het oog. We zien en weten dat Hij kan medelijden hebben met onze zwakheden, en dat Hij “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest”. Dat was juist bedoeld opdat de genade zou heersen door rechtvaardigheid, opdat de genade zou worden geopenbaard in Zijn bloed en gehoorzaamheid, opdat de genade onze zielen zou verlossen uit de bodemloze put, opdat de genade in onze harten zou stromen en onze neergeslagen geesten zou troosten, opdat de genade zegevierend in ons zou heersen.

Zo toegaan (maar o, wat gaan we zelden zo toe) is werkelijk toegaan tot “een troon der genade”.

Maar zo kunnen we alleen toegaan als we gebukt gaan onder de last van zwakheden. Mijn zwakheden maken “den troon der genade” kostbaar. Hoe meer verzoekingen ik heb, hoe meer genade ik nodig heb. Hoe meer zwakheden ik voel, hoe meer mijn ziel de overvloed van genade nodig heeft. Het verband tussen mijn zwakheden en verzoekingen en “den troon der genade” is dus zo nauw als maar denkbaar is. We komen opdat deze zwakheden worden vergeven en we onder hen worden versterkt. We komen opdat we van deze verzoekingen worden bevrijd, en onder hen worden gesteund zolang ze meewerken tot ons geestelijk goed.

3. “Opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen.” Wat is dat voor “wij”? Wij barmhartigheid verkrijgen? De apostel heeft hier vast een verkeerd woord laten insluipen. Had hij dan geen barmhartigheid verkregen? Had hij geen vergeving en vrede gevonden? Was de Heere Jezus niet kostbaar geworden voor zijn ziel? Toch zegt hij: “opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen”. Wat zegt meneer Hart? “Elk uur om barmhartigheid smekend.” O ja. Wie weet dat hij een zondaar is en de zonde diep en dagelijks voelt, kan niet tevreden zijn met één keer in zijn leven barmhartigheid te hebben gevonden, met één keer Gods barmhartigheid in zijn ziel te hebben gesmaakt. Ik zal jullie zeggen wie wel zo tevreden zijn: zij die niet met zwakheden omringd zijn, zij die niet verzocht en beproefd worden.

Maar wie wel met zwakheden omringd zijn, wie zichzelf bijna niets anders vinden dan één hoop zwakheid en door duizend verzoekingen worden verzocht, hebben zulke grote zonden, zoveel afvalligheden en zulke zware innerlijke ongerechtigheden en gruwelen, dat zij barmhartigheid, barmhartigheid, barmhartigheid nodig hebben. Barmhartigheid voor elk onrein verlangen, voor elk dwaas, nietig woord, voor elke boze of onbehoorlijke uitdrukking, voor elke blik, voor elke gedachte, voor elk gebed. En als zij predikanten zijn, barmhartigheid voor elke preek. Want de zonde, ellendige zonde, is zo vermengd met alles wat we denken, zeggen of doen, dat we telkens en telkens weer barmhartigheid nodig hebben, die aan onze zielen geopenbaard en bekendgemaakt moet worden.

Maar wat maakt dat we haar nodig hebben? En waar moeten we heen om haar te krijgen? Het zijn zwakheid en verzoeking die ons haar doen nodig hebben, en we moeten naar “een troon der genade” gaan om haar te verkrijgen. Als we dan naar Jezus kunnen opzien, Hem kunnen zien met barmhartigheid in Zijn handen en liefde in Zijn hart, Zijn heerlijke genade zien zegevieren over duizend zonden en afvalligheden, heersend door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, en met haar machtige vloed opstijgend over alle werkingen van onze vuile natuur, en als we haar in onze harten ontvangen, dan is dit toegaan tot “den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen”.

4. En niet alleen “barmhartigheid verkrijgen”, maar ook “genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd”. Wat! Was de apostel dan niet voorbij de “tijd van nood”? Hij moet zijn les wel zeer gebrekkig geleerd hebben. Had hij de vijf punten niet alle goed in zijn belijdenis staan? O ja, maar hij had zijn “tijd van nood”. Hoe vaak was dat? Eén keer per jaar? Eén keer in de twee jaar? Eén keer in de tien jaar? Ik durf te zeggen dat zijn “tijd van nood” nooit langer dan een dag duurde. Ik ga niet te ver als ik zeg dat zijn “tijd van nood” nooit langer dan een uur duurde.

Wat is een “tijd van nood”? Elke keer dat we zwakheid voelen, elke keer dat we met verzoeking worden geoefend. Als ik mijn zwakheden voel en weet dat ik erdoor meegesleept zal worden tenzij de genade het voorkomt, als ik verzoekingen heb en merk dat zij mij zullen verslinden tenzij de genade ertegenover staat om ze te overwinnen en mij ervan te verlossen, dan is het voor mij “een tijd van nood”. Hoe meer ik dus met zwakheden omringd ben, en hoe meer ik het gewicht en de macht van de verzoeking voel, hoe meer “tijden van nood” ik krijg.

Maar trekt dit niet een enorme hoeveelheid genade uit Christus Jezus? Wie maar zelden “tijden van nood” heeft, heeft niet veel genade nodig. Als zij zeer weinig zwakheden en zeer weinig verzoekingen hebben, is het een tegenspraak om te zeggen dat zij genade nodig hebben om geholpen te worden. Maar naarmate onze zwakheden zich vermenigvuldigen, en naarmate onze verzoekingen zich vermenigvuldigen, zal ook onze behoefte toenemen aan genade om geholpen te worden in tijd van nood.

Willen we dus de zoetheid van de barmhartigheid hoogschatten, diep hoogschatten, dan moeten we wandelen te midden van zwakheid en omringd zijn met verzoeking. Willen we genade vinden, de zoetheid, de kracht en de zaligheid van de genade, dan moeten we “tijden van nood” hebben om ons tot “een troon der genade” te brengen. Zijn er niet (tot onze schande gezegd) vele tijden waarin we niets nodig lijken te hebben? Geen oefeningen van de ziel, geen verzoekingen, geen beproevingen, geen innerlijk uitgaan van het hart naar de dingen van God? In zulke tijden (en het zijn er te, te veel) gaan we niet toe tot “een troon der genade”.

Daarom is er dan geen “barmhartigheid verkrijgen”, geen “genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd”. Maar als we daarentegen omringd zijn met zwakheden en geoefend worden met verzoekingen, dan zijn het “tijden van nood”. Hier is een strik waarin ik zal vallen, als de genade het niet voorkomt. Daar is een verzoeking die mij zal meevoeren, als de genade niet helpt. Hier openen mijn zonden hun kaken om mij te verslinden, als de genade mij niet redt. De satan lokt mij in duizend gedaanten, en alleen de genade kan mij van zijn listen verlossen. Zo trek ik genade uit de medelijdende Hogepriester, precies naar de mate van mijn geestelijke kennis van zwakheden en mijn geestelijke vertrouwdheid met verzoeking in haar verschillende gedaanten en vormen.

Wie zijn dan de mensen die Jezus werkelijk kennen en eenheid met Hem hebben? De trotse, aanmatigende, ongeoefende, lichtzinnige, nietige, hardvochtige, dorre calvinisten, met een helder, scherp omlijnd stelsel in hun hoofd, maar zo ledig van genade als het wit van een ei van smaak? Nee. Zij mogen met grote, opgeblazen woorden over Jezus spreken. Christus mag de eerste zijn, Christus mag de laatste zijn, en Christus mag hun hele thema zijn. Toch is het een onbekende Christus, een ongevoelde, een ontoegepaste, een ongenoten Christus. Want alleen door zwakheden kunnen we gemeenschap hebben met Hem Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”, en alleen door verzoeking leren we Hem kennen Die “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”.

Maar zou je niet menigmaal voorgoed af willen zijn van je zwakheden, je grootste plaag, en van de verzoeking, je zwaarste pijn? Zou hij niet je grootste vriend zijn die al je zwakheden wegnam en de verzoeking nooit meer in je ziel liet komen? Je vriend, je vriend! En heb je niet soms gedacht dat je wel onder een bediening wilde zitten waar zwakheden en verzoekingen nooit werden aangeroerd? Je vriend, je vriend! Je grootste vijand, je grootste vijand!

Neem zwakheden weg, neem verzoeking weg, en je neemt het toegaan tot “den troon der genade” weg. Je neemt de lieflijke eenheid weg met de grote Hogepriester Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden”. Neem je beproevingen weg, je verdrukkingen, je verschillende innerlijke oefeningen, en je neemt het gebed uit je ziel weg, het zuchten en kermen tot de Heere, het hijgen naar Zijn tegenwoordigheid in je binnenste en de lieflijke gemeenschap met Hem. Neem je zwakheden en je verzoekingen weg, en je neemt een goed deel van je godsdienst weg. Niet dat de godsdienst in deze dingen bestaat, maar het binnenkomen van Gods barmhartigheid en genade is zo vermengd met zwakheden en verzoekingen dat je het ene niet kunt wegnemen zonder het andere.

Zien we nu iets van het lieflijke verband in onze tekst? Hier hebben we de grote “Priester over het huis Gods”, Die “kan medelijden hebben met onze zwakheden” en “in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”. Hoe zwak en verzocht we ook zijn, de Heilige Geest nodigt ons uit, gebiedt het ons en trekt ons soms lieflijk om toe te gaan tot deze “troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd”. Er is dus aan de ene kant alle bemoediging voor de armen, behoeftigen, hulpelozen, beproefden en verzochten. Aan de andere kant is er voor wie gerust zijn in Sion en de naam hebben dat zij leven terwijl zij dood zijn, zelfs geen schaduw van een schaduw van bemoediging.

De Heere moedige ons, die deze dingen kennen in de ervaring van onze ziel, van tijd tot tijd aan om toe te gaan tot “een troon der genade”. Ook al zijn we in het lichaam gescheiden, daar kunnen we elkaar in de geest ontmoeten. En ik weet zeker, uit persoonlijke ervaring, dat we naar “een troon der genade” zullen gaan naarmate we meer van deze zwakheden en verzoekingen kennen. En als we van tijd tot tijd barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden, kunnen we de Heere, de almachtige God, zegenen dat er ooit zo’n “troon der genade” kon zijn, en zo’n barmhartige, liefhebbende, medelijdende Hogepriester die erop zit om onze nooit stervende zielen te troosten, te redden en te zegenen.