6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Drie zijn er, Die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
1 Johannes 5:7
Een geestelijke kennis der Drieëenheid ligt tot grondslag van alle levende godzaligheid. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest te kennen door bijzondere lering en Goddelijke openbaring is de som en het wezen van geestelijke godsdienst en is het eeuwige leven, volgens ’s Heeren eigen getuigenis: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.” Zo maakt de Heere vroeger of later dit heerlijk geheim aan Zijn volk bekend, en zo leren zij de Vader kennen in Zijn verkiezende liefde, de Zoon in Zijn verlossingswerk en de inwendige getuigenis des Geestes; en dat deze Drie Een zijn.
Maar hoe strijdt dit heerlijk heiligdom met de natuur, het verstand en de rede, en hoe komen deze ertegen in opstand! Hoe kan Een Drie en Drie Een zijn? De natuur vraagt en de rede weerlegt. En toch nemen de kinderkens het aan en geloven het. Want neem de leer der Drieëenheid weg, en al hun hoop is in een ogenblik vervlogen. Hoe kunnen wij ons verlaten op het zoenbloed van Christus, zo het niet het bloed is van de Zone Gods? Of op rechtvaardigmakende gerechtigheid, zo de gerechtigheid niet van God was? Of hoe kunnen wij geleid, geleerd en bestuurd worden door de Heilige Geest, zo ook Hij niet een Goddelijk Persoon der Godheid was?
Aldus komen wij tot de verborgenheid der drie Personen in de Godheid, door voelbaar in onze harten de werking van elk Hunner met kracht te ontvangen; en nu weten wij dat deze Drie maar één God zijn. Het is dit inwendig ontvangen der Waarheid in de liefde, dat de ziel in een storm niet doet bezwijken. Dikwijls worden wij her- en derwaarts geslingerd en zijn gereed om te zeggen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Maar door dit diep gewortelde gevoel blijven wij behouden, gelijk een schip door het anker in de storm. Zo is er zonder deze verborgenheid, zonder een proefondervindelijke kennis van de Drieënige God, geen vergeving, geen vrede en geen zaligheid.
Want uw is ’t koninkrijk, o Heer,
uw is de kracht, uw is al d’ eer!
U, die ons helpen wilt en kunt,
die in uw Zoon verhoring gunt,
die door uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid!
Gebed des Heeren 9
Aan de lezer…
U die de verborgenheid van de Drie-enige God met uw verstand niet kunt rijmen, behoeft u daarover niet te verwonderen; de natuur vraagt en de rede weerlegt. Maar de kinderkens nemen het aan en geloven het, omdat al hun hoop eraan hangt. Want waarop zou u zich verlaten, als het bloed van Christus niet het bloed van de Zone Gods was, en als de Geest, Die u leidt en leert, geen Goddelijk Persoon was?
Worden ook u soms her- en derwaarts geslingerd, en ligt de vraag op uw lippen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Zie dan niet naar uw eigen overleggingen, maar naar wat de Heere in uw hart gewrocht heeft: de liefde van de Vader, het verlossingswerk van de Zoon, de inwendige getuigenis des Geestes. Dat is het anker dat de ziel in de storm vasthoudt. Zonder deze kennis is er geen vergeving, geen vrede en geen zaligheid, maar wie haar door genade ontvangt, heeft het eeuwige leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Drie zijn er, Die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
1 Johannes 5:7
Een geestelijke kennis van de Drie-eenheid ligt ten grondslag aan alle levende godzaligheid. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest te kennen door bijzonder onderwijs en Goddelijke openbaring, is de som en het wezen van de geestelijke godsdienst. Het is het eeuwige leven, volgens het eigen getuigenis van de Heere: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.” Zo maakt de Heere vroeg of laat dit heerlijke geheim aan Zijn volk bekend. Zo leren zij de Vader kennen in Zijn verkiezende liefde, de Zoon in Zijn verlossingswerk en de Geest in Zijn inwendig getuigenis, en leren zij dat deze Drie Een zijn.
Maar hoe strijdt dit heerlijke heiligdom met de natuur, het verstand en de rede, en hoe komen die ertegen in opstand! Hoe kan Een Drie en Drie Een zijn? De natuur vraagt en de rede weerlegt. En toch nemen de kinderkens het aan en geloven het. Want neem de leer van de Drie-eenheid weg, en al hun hoop is in een ogenblik vervlogen. Hoe zouden wij ons kunnen verlaten op het zoenbloed van Christus, als het niet het bloed van de Zoon van God is? Of op een rechtvaardigmakende gerechtigheid, als die gerechtigheid niet van God was? Of hoe zouden wij geleid, onderwezen en bestuurd kunnen worden door de Heilige Geest, als ook Hij niet een Goddelijk Persoon in de Godheid was?
Zo komen wij tot de verborgenheid van de drie Personen in de Godheid: doordat wij de werking van elk van Hen voelbaar en met kracht in ons hart ontvangen. En nu weten wij dat deze Drie maar één God zijn. Het is dit inwendig ontvangen van de Waarheid in de liefde dat de ziel in een storm niet doet bezwijken. Vaak worden wij heen en weer geslingerd en staan wij op het punt te zeggen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Maar door dit diepgewortelde besef blijven wij behouden, zoals een schip in de storm door het anker.
Zo is er zonder deze verborgenheid, zonder een bevindelijke kennis van de Drie-enige God, geen vergeving, geen vrede en geen zaligheid.
Want uw is ’t koninkrijk, o Heer,
uw is de kracht, uw is al d’ eer!
U, die ons helpen wilt en kunt,
die in uw Zoon verhoring gunt,
die door uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid!
Gebed des Heeren 9
Aan de lezer…
U die de verborgenheid van de Drie-enige God niet met uw verstand kunt rijmen, hoeft zich daarover niet te verwonderen; de natuur vraagt en de rede weerlegt. Maar de kinderkens nemen het aan en geloven het, omdat al hun hoop eraan hangt. Want waarop zou u zich verlaten, als het bloed van Christus niet het bloed van de Zoon van God was, en als de Geest, Die u leidt en onderwijst, geen Goddelijk Persoon was?
Wordt ook u soms heen en weer geslingerd, en ligt de vraag op uw lippen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Zie dan niet naar uw eigen overleggingen, maar naar wat de Heere in uw hart gewerkt heeft: de liefde van de Vader, het verlossingswerk van de Zoon, het inwendig getuigenis van de Geest. Dat is het anker dat de ziel in de storm vasthoudt. Zonder deze kennis is er geen vergeving, geen vrede en geen zaligheid, maar wie haar door genade ontvangt, heeft het eeuwige leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For there are three that bear record in heaven, the Father, the Word, and the Holy Ghost: and these three are one.
1 John 5:7
A spiritual knowledge of the Trinity lies at the foundation of all vital godliness. To know Father, Son, and Holy Spirit by special teaching and divine revelation, is the sum and substance of spiritual religion, and is eternal life; according to the Lord’s own testimony, John 17:3, “And this is life eternal, that they might know You the only true God, and Jesus Christ, Whom You have sent.” Thus, sooner or later, the Lord leads all His people into a feeling acquaintance with, and divine reception of this glorious mystery; and thus they come to know the Father’s electing love, the Son’s redeeming work, and the Spirit’s inward testimony; and that these Three are One.
But how opposed to nature, sense, and reason is this glorious mystery; and how they all rise up in rebellion against it! How can Three be One or One be Three? nature asks and reason argues. And yet the babes receive and believe it. For take away the doctrine of the Trinity, and all their hope is gone in a moment. How can we rest upon Christ’s atoning blood, if it is not the blood of the Son of God? or upon His justifying righteousness, if not the righteousness of God? Or how could we be kept, led, taught, and guided by the Holy Spirit, if He too was not a divine Person in the Godhead?
Thus we come to know the mystery of Three Persons in the Godhead, by feelingly receiving into our hearts the work of each with power; and yet we know that these Three are but one God. It is this inward reception of the truth in the love of it which holds up the soul in a storm. We are often tossed about, and ready to say, “How can these things be?” But we are brought up by this deep-rooted feeling, as the anchor brings up the ship in the gale, that we are undone without it. If this mystery be removed, our hope must be removed with it; for there is no pardon, peace, nor salvation, but what stands in, and flows out of, an experimental knowledge of the Three-One God.
To the reader…
You who cannot reconcile the mystery of the Triune God with your understanding need not be surprised at that; nature asks and reason argues. But the babes receive it and believe it, because all their hope hangs upon it. For what would you rest on, if the blood of Christ were not the blood of the Son of God, and if the Spirit, Who leads and teaches you, were not a divine Person?
Are you too sometimes tossed to and fro, with the question on your lips: “How can these things be?” Then do not look to your own reasonings, but to what the Lord has worked in your heart: the love of the Father, the redeeming work of the Son, the inward witness of the Spirit. That is the anchor that holds the soul in the storm. Without this knowledge there is no pardon, no peace and no salvation, but whoever receives it by grace has eternal life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque tres son los que dan testimonio en el cielo, el Padre, el Verbo, y el Espíritu Santo: y estos tres son uno.
1 Juan 5:7
Un conocimiento espiritual de la Trinidad está en el fundamento de toda piedad vital. Conocer al Padre, al Hijo y al Espíritu Santo por enseñanza especial y revelación divina es la suma y la sustancia de la religión espiritual, y es la vida eterna; según el propio testimonio del Señor, Juan 17:3: “Esta empero es la vida eterna: que Te conozcan el solo Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual has enviado”. Así, tarde o temprano, el Señor conduce a todo Su pueblo a un conocimiento sentido de este glorioso misterio y a una recepción divina del mismo; y así llegan a conocer el amor electivo del Padre, la obra redentora del Hijo y el testimonio interior del Espíritu; y que estos Tres son Uno.
¡Pero cuán opuesto es este glorioso misterio a la naturaleza, a los sentidos y a la razón; y cómo se levantan todos ellos en rebelión contra él! ¿Cómo pueden Tres ser Uno, o Uno ser Tres?, pregunta la naturaleza y argumenta la razón. Y sin embargo los niños lo reciben y lo creen. Porque quite usted la doctrina de la Trinidad, y toda su esperanza se va en un momento. ¿Cómo podemos descansar en la sangre expiatoria de Cristo, si no es la sangre del Hijo de Dios? ¿O en Su justicia justificadora, si no es la justicia de Dios? ¿O cómo podríamos ser guardados, conducidos, enseñados y guiados por el Espíritu Santo, si Él no fuera también una Persona divina en la Deidad?
Así llegamos a conocer el misterio de las Tres Personas en la Deidad, recibiendo sensiblemente en nuestros corazones, con poder, la obra de cada una; y sin embargo sabemos que estos Tres no son sino un solo Dios. Es esta recepción interior de la verdad en el amor de ella lo que sostiene al alma en la tormenta. A menudo somos sacudidos y estamos a punto de decir: “¿Cómo puede hacerse esto?” Pero somos detenidos, como el ancla detiene al barco en el vendaval, por este sentimiento profundamente arraigado de que sin ello estamos perdidos. Si se quita este misterio, nuestra esperanza ha de quitarse con él; porque no hay perdón, ni paz, ni salvación, sino lo que se funda en un conocimiento experimental del Dios Trino y fluye de él.
Al lector…
Usted, que no puede conciliar con su entendimiento el misterio del Dios Trino, no necesita sorprenderse por ello; la naturaleza pregunta y la razón argumenta. Pero los niños lo reciben y lo creen, porque toda su esperanza depende de ello. Porque ¿en qué descansaría usted, si la sangre de Cristo no fuera la sangre del Hijo de Dios, y si el Espíritu, que le conduce y le enseña, no fuera una Persona divina?
¿Es también usted a veces sacudido de un lado a otro, con la pregunta en los labios: “¿Cómo puede hacerse esto?” Entonces no mire a sus propios razonamientos, sino a lo que el Señor ha obrado en su corazón: el amor del Padre, la obra redentora del Hijo, el testimonio interior del Espíritu. Esa es el ancla que sostiene al alma en la tormenta. Sin este conocimiento no hay perdón, ni paz, ni salvación; pero quien lo recibe por gracia tiene la vida eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Wie op aarde zoudt u benijden als u Gods genade in uw hart draagt? Met wie zou u willen ruilen, als Gods liefde uw ziel ooit heeft bezocht? Zie om u heen: richt uw ogen op de man of vrouw die omringd lijkt door de grootste hoeveelheid aards geluk, en vraag dan uw eigen geweten: „Zou ik met u willen ruilen, mooie vlinder, of met u, vergulde libel die maar zo kortstondig leeft, een paar uur zonnebaadt om dan in de donkere en ellendige poel te zinken die u wacht bij het avondtij?”
Zou u, met al uw zorgen thuis en in uw omgeving – met al uw verdriet en beproevingen, onder welke u zich soms een van de ellendigste wezens voelt die in dit tranendal rondkruipen – willen ruilen met iemand, hoe gezond, rijk of begunstigd met de grootste voorspoed ook, als die tegelijkertijd verstoken was van Gods genade? Laat rede of ongeloof u ingeven wat ze willen, maar zullen wij niet in uw oren telkens weer herhalen: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël”? En o, dat we zelfs nu al deze zegening zouden beseffen, en in plaats van over onze zonden en ons verdriet, onze verzoekingen en beproevingen na te denken, in ons eigen gemoed de gelukzaligheid zouden voelen opwellen die hier Israëls bijzondere deel genoemd wordt.
Lezen: Psalm 4
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag, waarde lezer, een van de ellendigsten die in dit tranendal rondkruipen? Drukken de zorgen thuis, het verdriet en de beproevingen u zo neer dat u haast zou menen dat ieder ander beter af is dan u? Zie dan nog eens naar hen die omringd schijnen door aards geluk. Hun glans is als die van een vlinder in de zon: een paar uur, en dan komt de avond.
Maar hebt u Gods genade in uw hart, heeft Zijn liefde ooit uw ziel bezocht, met wie zou u dan willen ruilen? Laat rede en ongeloof zeggen wat ze willen; de Heere spreekt over Zijn verloste volk: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël.” U behoort tot een volk, verlost door de Heere, en wie is u gelijk? Smeek dan dat Hij u die gelukzaligheid ook in uw eigen gemoed doe voelen opwellen, juist wanneer zonden en zorgen u het meest bezighouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Wie op aarde zou u benijden als u Gods genade in uw hart draagt? Met wie zou u willen ruilen, als Gods liefde ooit uw ziel bezocht heeft? Kijk om u heen. Richt uw ogen op de man of vrouw die omringd lijkt door het grootste aardse geluk, en vraag dan uw eigen geweten: „Zou ik met u willen ruilen, mooie vlinder, of met u, vergulde libel die maar zo kortstondig leeft, een paar uur zonnebaadt om dan in de donkere en ellendige poel te zinken die u wacht bij het avondtij?”
U hebt uw zorgen, thuis en om u heen, uw verdriet en beproevingen, waaronder u zich soms een van de ellendigste wezens voelt die in dit tranendal rondkruipen. Zou u toch willen ruilen met iemand die, hoe gezond, rijk of begunstigd met de grootste voorspoed ook, verstoken was van Gods genade? Laat rede of ongeloof u ingeven wat ze willen, maar zullen wij u niet telkens weer in de oren herhalen: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël”? En o, mochten we deze zegening nu al beseffen! Mochten we, in plaats van te blijven nadenken over onze zonden en ons verdriet, onze verzoekingen en beproevingen, in ons eigen gemoed de gelukzaligheid voelen opwellen die hier het bijzondere deel van Israël genoemd wordt.
Lezen: Psalm 4
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag een van de ellendigsten die in dit tranendal rondkruipen? Drukken de zorgen thuis, het verdriet en de beproevingen u zo neer dat u bijna zou denken dat ieder ander beter af is dan u? Kijk dan nog eens naar hen die omringd lijken door aards geluk. Hun glans is als die van een vlinder in de zon: een paar uur, en dan komt de avond.
Maar als u Gods genade in uw hart hebt en Zijn liefde ooit uw ziel bezocht heeft, met wie zou u dan willen ruilen? Laat rede en ongeloof zeggen wat ze willen; de Heere spreekt over Zijn verloste volk: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël.” U behoort tot een volk, verlost door de Heere, en wie is u gelijk? Smeek Hem dan of Hij u die gelukzaligheid ook in uw eigen gemoed wil laten voelen, juist wanneer zonden en zorgen u het meest bezighouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD.
Deuteronomy 33:29
Whom on earth should you envy if you carry the grace of God in your heart? With whom would you change places, if the love of God has ever visited your soul? Look around you. Fix your eyes upon the man or woman who seems surrounded with the greatest earthly happiness, and then ask your own conscience, “Would I change places with you, gay butterfly, or with you, gilded dragonfly that lives so short a time, basking a few hours in the sun, only to sink at eventide into the dark and miserable pool that awaits you?”
You have your cares, at home and around you, your sorrows and trials, under which you sometimes feel yourself one of the most miserable creatures that crawl about in this vale of tears. Would you nevertheless change places with anyone who, however healthy, rich or favoured with the greatest prosperity, was destitute of the grace of God? Let reason or unbelief suggest what they will, but shall we not repeat in your ears again and again, “Happy art thou, O Israel”? And oh, that we might realise this blessing even now! That instead of continually brooding over our sins and our sorrows, our temptations and trials, we might feel welling up in our own breast the blessedness which is here called the peculiar portion of Israel.
Reading: Psalm 4
To the reader…
Do you feel today one of the most miserable of all that crawl about in this vale of tears? Do the cares at home, the sorrow and the trials press you down so heavily that you would almost think everyone else better off than you? Then look once more at those who seem surrounded with earthly happiness. Their glitter is like that of a butterfly in the sun: a few hours, and then evening comes.
But if you have the grace of God in your heart and His love has ever visited your soul, with whom would you change places? Let reason and unbelief say what they will; the Lord speaks of His saved people, “Happy art thou, O Israel.” You belong to a people saved by the Lord, and who is like unto you? Then beg Him to let you feel that blessedness in your own breast too, just when sins and cares weigh upon you most.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová?
Deuteronomio 33:29
¿A quién en la tierra debería usted envidiar si lleva la gracia de Dios en su corazón? ¿Con quién cambiaría su lugar, si el amor de Dios ha visitado alguna vez su alma? Mire a su alrededor. Fije los ojos en el hombre o la mujer que parece rodeado de la mayor dicha terrenal, y luego pregunte a su propia conciencia: “¿Cambiaría yo mi lugar contigo, alegre mariposa, o contigo, dorada libélula que vives tan poco tiempo, tomando el sol unas pocas horas, solo para hundirte al caer la tarde en la charca oscura y miserable que te espera?”.
Usted tiene sus cuidados, en casa y a su alrededor, sus tristezas y pruebas, bajo las cuales a veces se siente una de las criaturas más miserables que se arrastran por este valle de lágrimas. ¿Cambiaría, sin embargo, su lugar con alguien que, por sano, rico o favorecido con la mayor prosperidad que fuera, estuviera desprovisto de la gracia de Dios? Que la razón o la incredulidad sugieran lo que quieran, pero ¿no le repetiremos al oído una y otra vez: “Bienaventurado tú, oh Israel”? ¡Y oh, si pudiéramos hacer realidad esta bendición ya ahora! ¡Que en lugar de cavilar continuamente sobre nuestros pecados y nuestras tristezas, nuestras tentaciones y pruebas, sintiéramos brotar en nuestro propio pecho la bienaventuranza que aquí se llama la porción peculiar de Israel!
Lectura: Salmo 4
Al lector…
¿Se siente hoy uno de los más miserables de todos los que se arrastran por este valle de lágrimas? ¿Lo oprimen tanto los cuidados en casa, la tristeza y las pruebas, que casi pensaría que todos los demás están mejor que usted? Mire entonces otra vez a aquellos que parecen rodeados de dicha terrenal. Su brillo es como el de una mariposa al sol: unas pocas horas, y luego llega la tarde.
Pero si tiene la gracia de Dios en su corazón y Su amor ha visitado alguna vez su alma, ¿con quién cambiaría su lugar? Que la razón y la incredulidad digan lo que quieran; el Señor dice de Su pueblo salvado: “Bienaventurado tú, oh Israel”. Usted pertenece a un pueblo salvo por el Señor, ¿y quién como usted? Suplíquele, pues, que le haga sentir esa bienaventuranza también en su propio pecho, precisamente cuando los pecados y los cuidados más le pesan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest dan die een stad inneemt.
Spreuken 16:32
Wat een vijand is iemands geest van zijn eigen vrede! En hoe zal ik het noemen? Hij is dikwijls een helse geest. Waarom? Omdat hij het merk des satans draagt. De hoogmoed van onze geest, de onbeschaamdheid van onze geest, het huichelachtige van onze geest, de zelfzucht van onze geest, zij zijn dikwijls voor ons verborgen. De sluwe duivel, het eigen ik, kan zo kruipen en indrinken, kan zo keren en draaien en kan zich onder zulke valse verschijningen voordoen, dat het dikwijls voor ons verborgen is.
Wie is de grootste vijand die wij te vrezen hebben? Wij allen hebben onze vijanden. Maar wie is onze grootste vijand? Die gij in uw eigen boezem draagt, die gij elke dag, elk uur, elk ogenblik bij u hebt; die zich in bijna iedere gedachte uws harten mengt; die bijna elke beweging beheerst, u somtijds opblaast met hoogmoed, uw begeerten doet ontvlammen, de vermetelheid in u ontsteekt en somtijds werkt onder geveinsde nederigheid en vleselijke heiligheid.
Nu, dit eigen ik moet overwonnen worden; want indien het ons overwint, dan zullen wij omkomen in de veroordeling van het eigen ik. De Heere heeft besloten de hoogmoed van des mensen heerlijkheid de kop in te drukken; Hij zal nooit het eigen ik – wat een ander woord is voor het schepsel – de kroon der overwinning doen dragen. Het moet gekruisigd, verloochend, gedood worden; het moet afgelegd worden, opdat Jezus moge worden aangedaan; opdat in het verloochenen van het eigen ik in Jezus mag geloofd worden, en dat in de kruisiging daarvan een zoete geestelijke vereniging moge zijn met Hem, Die gekruisigd is op Golgotha.
Nu, zijn wij bezig het eigen ik te overwinnen? Worden wij met vuisten geslagen? Wat zegt het eigen ik? Sla terug! Worden wij veracht? Wat zegt het eigen ik? Veracht en versmaad op gelijke wijze; geef voor een boze blik hetzelfde weer; voor een driest woord een driest woord terug; oog om oog en tand om tand. Maar wat zegt de Geest van God in een tedere consciëntie? „Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede.”
De wijze om het eigen ik te overwinnen, is door het afzien van zichzelf en het opzien tot Hem, Die gekruisigd is aan het vloekhout, opdat wij Zijn beeld in onze harten mogen ontvangen en opdat wij gekleed mogen worden met Zijn gelijkenis; Zijn Geest mogen indrinken en uit Zijn volheid mogen ontvangen genade voor genade.
Aan de lezer…
Soms merkt u dat uw grootste vijand niet buiten u staat, maar in uw eigen boezem woont. Het eigen ik mengt zich in bijna iedere gedachte; het blaast op met hoogmoed, het ontsteekt de vermetelheid, en het kan zich zelfs hullen in geveinsde nederigheid. Wordt u geslagen of veracht, dan roept het terstond: „Sla terug!” Wie dat in zichzelf heeft leren kennen, schaamt zich en zucht om verlossing.
Wanhoop dan niet, maar zie af van uzelf. Het eigen ik wordt niet overwonnen door eigen kracht, maar door het opzien tot Hem, Die aan het vloekhout gekruisigd is. Daar wordt de hoogmoed de kop ingedrukt, en daar leert de ziel het kwade te overwinnen door het goede. Hoe meer u Zijn beeld in uw hart ontvangt, hoe meer u uit Zijn volheid zult ontvangen genade voor genade. De lankmoedige, die heerst over zijn geest, is beter dan de sterke.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest dan die een stad inneemt.
Spreuken 16:32
Wat is iemands geest een vijand van zijn eigen vrede! En hoe zal ik hem noemen? Hij is vaak een helse geest. Waarom? Omdat hij het merkteken van satan draagt. De hoogmoed van onze geest, de onbeschaamdheid van onze geest, het huichelachtige van onze geest, de zelfzucht van onze geest: ze zijn vaak voor ons verborgen. De sluwe duivel, het eigen ik, kan zo binnensluipen en indringen, kan zo keren en draaien en kan zich onder zulke valse gedaanten voordoen, dat het vaak voor ons verborgen is.
Wie is de grootste vijand die wij te vrezen hebben? Wij hebben allemaal onze vijanden. Maar wie is onze grootste vijand? Hij die u in uw eigen boezem draagt, die u elke dag, elk uur, elk ogenblik bij u hebt. Hij mengt zich in bijna iedere gedachte van uw hart en beheerst bijna elke beweging. Soms blaast hij u op met hoogmoed, doet hij uw begeerten ontvlammen en ontsteekt hij de vermetelheid in u, en soms werkt hij onder geveinsde nederigheid en vleselijke heiligheid.
Welnu, dit eigen ik moet overwonnen worden; want als het ons overwint, zullen wij omkomen in de veroordeling van het eigen ik. De Heere heeft besloten de hoogmoed van de heerlijkheid van de mens de kop in te drukken. Hij zal het eigen ik – wat een ander woord is voor het schepsel – nooit de kroon van de overwinning laten dragen. Het moet gekruisigd, verloochend en gedood worden. Het moet afgelegd worden, zodat Jezus aangedaan mag worden; zodat in het verloochenen van het eigen ik in Jezus geloofd mag worden, en er in de kruisiging daarvan een zoete geestelijke vereniging mag zijn met Hem, Die op Golgotha gekruisigd is.
Welnu, zijn wij bezig het eigen ik te overwinnen? Worden wij met vuisten geslagen? Wat zegt het eigen ik? Sla terug! Worden wij veracht? Wat zegt het eigen ik? Veracht en versmaad op dezelfde manier; geef voor een boze blik hetzelfde terug, voor een brutaal woord een brutaal woord; oog om oog en tand om tand. Maar wat zegt de Geest van God in een teder geweten? „Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede.”
De manier om het eigen ik te overwinnen is door af te zien van zichzelf en op te zien naar Hem, Die gekruisigd is aan het vloekhout. Zo mogen wij Zijn beeld in ons hart ontvangen en met Zijn gelijkenis bekleed worden; zo mogen wij Zijn Geest indrinken en uit Zijn volheid genade voor genade ontvangen.
Aan de lezer…
Soms merkt u dat uw grootste vijand niet buiten u staat, maar in uw eigen boezem woont. Het eigen ik mengt zich in bijna iedere gedachte; het blaast op met hoogmoed, het ontsteekt de vermetelheid, en het kan zich zelfs hullen in geveinsde nederigheid. Wordt u geslagen of veracht, dan roept het meteen: „Sla terug!” Wie dat in zichzelf heeft leren kennen, schaamt zich en zucht om verlossing.
Wanhoop dan niet, maar zie af van uzelf. Het eigen ik wordt niet overwonnen door eigen kracht, maar door op te zien naar Hem, Die aan het vloekhout gekruisigd is. Daar wordt de hoogmoed de kop ingedrukt, en daar leert de ziel het kwade te overwinnen door het goede. Hoe meer u Zijn beeld in uw hart ontvangt, hoe meer u uit Zijn volheid genade voor genade zult ontvangen. De lankmoedige, die heerst over zijn geest, is beter dan de sterke.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He that is slow to anger is better than the mighty; and he that ruleth his spirit than he that taketh a city.”
Proverbs 16:32
What a foe to one’s peace is one’s own spirit! And what shall I call it? It is often an infernal spirit. Why? Because it bears the mark of Satan upon it. The pride of our spirit, the presumption of our spirit, the hypocrisy of our spirit, the intense selfishness of our spirit are often hidden from us. This wily devil, SELF, can wear such masks and assume such forms; this serpent, SELF, can so creep and crawl, can so twist and turn, and can disguise itself under such false appearances, that it is hidden often from ourselves.
Who is the greatest enemy we have to fear? We all have our enemies. But who is our greatest enemy? He that you carry in your own bosom; your daily, hourly, and momently companion, that entwines himself in nearly every thought of your heart; that suggests well nigh every motive; that sometimes puffs up with pride, sometimes inflames with lust, sometimes inflates with presumption, and sometimes works under feigned humility and fleshly holiness.
Now this SELF must be overcome; for if SELF overcomes us eventually, we shall perish in the condemnation of SELF. God is determined to stain the pride of human glory. He will never let self, (which is but another word for the creature,) wear the crown of victory. It must be crucified, denied, and mortified; it must be put off, so that Jesus may be put on; that in the denying of SELF, Jesus may be believed in; and that in the crucifixion of SELF, there may be a solemn spiritual union with Him Who was crucified on Calvary.
Now, are we overcoming SELF? Are we buffeted? What says SELF? “Buffet back.” Are we despised? What says SELF? “Despise back; retort angry look for angry look, and hasty word, for hasty word; an eye for an eye, and a tooth for a tooth.” But what says the Spirit of God in a tender conscience? “Be not overcome of evil, but overcome evil with good.”
The way to overcome self is by looking out of self to Him Who was crucified upon Calvary’s tree; to receive His image into our heart; to be clothed with His likeness; to drink into His spirit; and “receive out of His fullness grace for grace.”
To the reader…
Sometimes you notice that your greatest enemy does not stand outside you, but dwells in your own bosom. Self mixes itself into nearly every thought; it puffs up with pride, it inflames presumption, and it can even wrap itself in feigned humility. If you are buffeted or despised, it cries at once, “Buffet back!” Whoever has come to know that in himself is ashamed and sighs for deliverance.
Do not despair, then, but look away from yourself. Self is not overcome by your own strength, but by looking to Him Who was crucified upon the accursed tree. There pride is brought down, and there the soul learns to overcome evil with good. The more you receive His image into your heart, the more you will receive out of His fullness grace for grace. He that is slow to anger and rules his spirit is better than the mighty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mejor es el que tarde se aira que el fuerte; y el que se enseñorea de su espíritu, que el que toma una ciudad.”
Proverbios 16:32
¡Qué enemigo de la propia paz es el propio espíritu! ¿Y cómo lo llamaré? A menudo es un espíritu infernal. ¿Por qué? Porque lleva sobre sí la marca de Satanás. El orgullo de nuestro espíritu, la presunción de nuestro espíritu, la hipocresía de nuestro espíritu, el intenso egoísmo de nuestro espíritu, a menudo nos están ocultos. Este astuto diablo, el YO, puede llevar tales máscaras y tomar tales formas; esta serpiente, el YO, puede de tal modo arrastrarse y deslizarse, retorcerse y dar vueltas, y disfrazarse bajo tales falsas apariencias, que a menudo nos queda oculto aun a nosotros mismos.
¿Quién es el mayor enemigo que hemos de temer? Todos tenemos nuestros enemigos. Pero ¿quién es nuestro mayor enemigo? El que usted lleva en su propio pecho; su compañero de cada día, de cada hora y de cada momento, que se entrelaza en casi cada pensamiento de su corazón; que sugiere casi cada motivo; que a veces hincha de orgullo, a veces inflama de concupiscencia, a veces infla de presunción, y a veces obra bajo una humildad fingida y una santidad carnal.
Ahora bien, este YO tiene que ser vencido; porque si al final el YO nos vence a nosotros, pereceremos en la condenación del YO. Dios está resuelto a manchar la soberbia de la gloria humana. Nunca dejará que el yo (que no es sino otra palabra para la criatura) lleve la corona de la victoria. Tiene que ser crucificado, negado y mortificado; tiene que ser despojado, para que Jesús sea vestido; para que en la negación del YO se crea en Jesús; y para que en la crucifixión del YO haya una solemne unión espiritual con Aquel Que fue crucificado en el Calvario.
Ahora bien, ¿estamos venciendo al YO? ¿Somos abofeteados? ¿Qué dice el YO? “Devuelve el golpe.” ¿Somos despreciados? ¿Qué dice el YO? “Desprecia tú también; devuelve mirada airada por mirada airada, y palabra precipitada por palabra precipitada; ojo por ojo, y diente por diente.” Pero ¿qué dice el Espíritu de Dios en una conciencia tierna? “No seas vencido de lo malo; mas vence con el bien el mal.”
La manera de vencer al yo es mirar fuera de uno mismo a Aquel Que fue crucificado en el madero del Calvario; recibir Su imagen en nuestro corazón; ser revestidos de Su semejanza; beber de Su espíritu; y “tomar de Su plenitud gracia por gracia”.
Al lector…
A veces nota usted que su mayor enemigo no está fuera de usted, sino que mora en su propio pecho. El yo se mezcla en casi cada pensamiento; hincha de orgullo, inflama la presunción, y aun puede envolverse en una humildad fingida. Si es abofeteado o despreciado, clama enseguida: “¡Devuelve el golpe!” Quien ha llegado a conocer eso en sí mismo se avergüenza y suspira por liberación.
No desespere, pues, sino aparte la mirada de sí mismo. El yo no se vence con las propias fuerzas, sino mirando a Aquel Que fue crucificado en el madero maldito. Allí se abate el orgullo, y allí aprende el alma a vencer con el bien el mal. Cuanto más reciba usted Su imagen en su corazón, tanto más tomará de Su plenitud gracia por gracia. Mejor es el que tarde se aira y se enseñorea de su espíritu que el fuerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl