4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht.
Jesaja 42:16
Wat is de geest des mensen onder bezoekingen? Wat is dan uw geest — mijn geest? Laat hem bezocht worden met lichaamssmart, armoede, krankheid in zijn huisgezin, een beschuldigend geweten, benauwdheid in zijn ziel, zonder enige straal van Goddelijk licht op zijn pad, en wat is hij dan? Een morrend, weerspannig, ellendig schepsel, zonder een greintje gelatenheid, zonder de minste tevredenheid, noch onderwerping aan de wil van God. Maar laat de heerlijkheid des Heeren geopenbaard worden; laat hem door het oog des geloofs de lijdende Jezus aanschouwen; laat een straal van licht zijn pad beschijnen; laat hem enigermate het grote gewicht der heerlijkheid vermoeden, dat geopenbaard zal worden bij de verschijning van Christus; waar zijn dan al die kromme dingen? Alle zijn recht gemaakt.
Maar hoe? Doordat zijn kromme wil — krom, omdat hij niet waterpas ligt met die des Heeren — in overeenstemming gebracht is door de beloften en voorschriften, de voetstappen en het voorbeeld van de gezegende Heere Jezus. Het kromme wordt niet weggenomen uit het lot, maar recht gemaakt in het lot; het kruis wordt niet van de schouder genomen, maar kracht wordt gegeven om het te dragen, die kracht welke in zwakheid wordt volbracht. Zo was het met Christus Zelf in de hof en aan het kruis; zo is het met de gelovige volgelingen van de Gekruisigde.
Hij heelt gebrokenen van harte
en Hij verbindt z’ in hunne smarte,
die in hun zonden en ellenden
tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij telt het groot getal der starren,
die ’t scherpst gezicht op aard’ verwarren.
Hij roept dat talloos heir tezamen
en noemt die alle bij hun namen.
Ps. 147:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het om eens stil te staan bij de vraag: wat is uw geest onder de bezoeking die u nu drukt? Is het lichaamssmart, armoede, ziekte in uw huis, of een beschuldigend geweten? En vindt u in uzelf niets dan morren en weerspannigheid, zonder een greintje gelatenheid? Wees eerlijk: zo is ons hart van nature. Maar verwacht uw hulp niet van uw eigen berusting.
De Heere belooft niet altijd het kromme uit uw lot weg te nemen; Hij belooft het recht te maken. Het kruis blijft misschien op uw schouder, maar Hij geeft kracht om het te dragen, die kracht welke in zwakheid wordt volbracht. Zie door het oog des geloofs op de lijdende Jezus in de hof en aan het kruis. Waar één straal van Zijn licht uw pad beschijnt, wordt uw duisternis tot licht, en buigt uw kromme wil zich naar de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht.
Jesaja 42:16
Hoe is de geest van de mens onder beproevingen? Hoe is dan uw geest, en mijn geest? Laat hem bezocht worden met lichamelijke pijn, armoede, ziekte in zijn gezin, een beschuldigend geweten of benauwdheid in zijn ziel, zonder enige straal van Goddelijk licht op zijn pad, en wat is hij dan? Een morrend, opstandig, ellendig schepsel, zonder een greintje gelatenheid, zonder de minste tevredenheid en zonder onderwerping aan de wil van God. Maar laat de heerlijkheid van de Heere geopenbaard worden. Laat hem door het oog van het geloof de lijdende Jezus aanschouwen. Laat een straal van licht zijn pad beschijnen, en laat hem iets vermoeden van het zware gewicht van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden bij de verschijning van Christus. Waar zijn dan al die kromme dingen? Ze zijn allemaal recht gemaakt.
Maar hoe? Doordat zijn kromme wil, die krom is omdat hij niet gelijk ligt met de wil van de Heere, daarmee in overeenstemming is gebracht door de beloften en geboden, de voetstappen en het voorbeeld van de gezegende Heere Jezus. Het kromme wordt niet uit het lot weggenomen, maar in het lot recht gemaakt. Het kruis wordt niet van de schouder genomen, maar er wordt kracht gegeven om het te dragen, die kracht die in zwakheid wordt volbracht. Zo was het met Christus Zelf in de hof en aan het kruis, en zo is het met de gelovige volgelingen van de Gekruisigde.
Hij heelt gebrokenen van harte
en Hij verbindt z’ in hunne smarte,
die in hun zonden en ellenden
tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij telt het groot getal der starren,
die ’t scherpst gezicht op aard’ verwarren.
Hij roept dat talloos heir tezamen
en noemt die alle bij hun namen.
Ps. 147:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het om eens stil te staan bij de vraag: hoe is uw geest onder de beproeving die u nu drukt? Is het lichamelijke pijn, armoede, ziekte in uw huis, of een beschuldigend geweten? En vindt u in uzelf niets dan morren en opstandigheid, zonder een greintje gelatenheid? Wees eerlijk: zo is ons hart van nature. Maar verwacht uw hulp niet van uw eigen berusting.
De Heere belooft niet altijd het kromme uit uw lot weg te nemen; Hij belooft het recht te maken. Het kruis blijft misschien op uw schouder, maar Hij geeft kracht om het te dragen, die kracht die in zwakheid wordt volbracht. Zie met het oog van het geloof op de lijdende Jezus in de hof en aan het kruis. Waar één straal van Zijn licht uw pad beschijnt, wordt uw duisternis licht, en buigt uw kromme wil zich naar de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will make darkness light before them, and crooked things straight.
Isaiah 42:16
What is the mind of man—of any man—of your mind, my mind, under affliction? Let him be tried with pain of body, poverty of circumstances, sickness in his family, guilt of conscience, hard bondage in his own soul, without any beam of divine light upon his path, and what is he? A murmuring, rebellious wretch, without a grain of resignation, without a particle of contentment or submission to the will of God.
But let the glory of the Lord be revealed; let him have a view by faith of a suffering Jesus; let some ray of light shine upon his path; let there be some breaking in of the exceeding weight of glory that is to be manifested at Christ’s appearing; where are all his crooked things now? All made straight. But how? By his crooked will—crooked because it did not lie level with the Lord’s—being made to harmonize with the promise and precept, the footsteps and example of the blessed Jesus. The crook is not taken out of the lot, but straightened in the lot; the cross is not removed from the shoulder, but strength—that strength which is “made perfect in weakness”—is given to bear it. So it was with Christ Himself in the garden and on the cross; so it is with the believing followers of the crucified One.
To the reader…
How good it is to stop for a moment and ask: how is your spirit under the trial that now presses upon you? Is it bodily pain, poverty, sickness in your home, or an accusing conscience? And do you find nothing in yourself but murmuring and rebellion, without a grain of resignation? Be honest: that is how our hearts are by nature. But do not look for your help to your own submission.
The Lord does not always promise to take the crook out of your lot; He promises to make it straight. The cross may stay upon your shoulder, but He gives strength to bear it, that strength which is made perfect in weakness. Look with the eye of faith to the suffering Jesus in the garden and on the cross. Where one ray of His light shines upon your path, your darkness becomes light, and your crooked will bows to His.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Delante de ellos tornaré las tinieblas en luz, y los rodeos en llanura.
Isaías 42:16
¿Cuál es el ánimo del hombre, de cualquier hombre, el de usted, el mío, bajo la aflicción? Sea probado con dolor del cuerpo, con pobreza de circunstancias, con enfermedad en su familia, con culpa de conciencia, con dura servidumbre en su propia alma, sin ningún rayo de luz divina sobre su senda, y ¿qué es? Un miserable murmurador y rebelde, sin un grano de resignación, sin una partícula de contentamiento ni de sumisión a la voluntad de Dios.
Pero sea revelada la gloria del Señor; tenga él por la fe una visión de un Jesús que padece; brille algún rayo de luz sobre su senda; irrumpa algo del sobremanera alto y eterno peso de gloria que ha de ser manifestado en la aparición de Cristo: ¿dónde está ahora todo lo torcido? Todo ha sido enderezado. Pero ¿cómo? Haciéndose que su voluntad torcida, torcida porque no estaba a nivel con la del Señor, armonice con la promesa y el precepto, con las pisadas y el ejemplo del bendito Jesús. Lo torcido no se quita de la suerte, sino que se endereza en la suerte; la cruz no se quita del hombro, sino que se da fuerza para llevarla, aquella fuerza que “en la flaqueza se perfecciona.” Así fue con Cristo mismo en el huerto y en la cruz; así es con los seguidores creyentes del Crucificado.
Al lector…
¡Qué bueno es detenerse un momento y preguntarse: cómo está su ánimo bajo la prueba que ahora le oprime! ¿Es dolor del cuerpo, pobreza, enfermedad en su hogar, o una conciencia que acusa? ¿Y no halla en sí mismo nada sino murmuración y rebeldía, sin un grano de resignación? Sea sincero: así es nuestro corazón por naturaleza. Pero no busque su ayuda en su propia sumisión.
El Señor no siempre promete quitar lo torcido de su suerte; promete enderezarlo. La cruz puede quedarse sobre su hombro, pero Él da fuerza para llevarla, aquella fuerza que en la flaqueza se perfecciona. Mire con el ojo de la fe al Jesús que padece en el huerto y en la cruz. Donde un solo rayo de Su luz brilla sobre su senda, sus tinieblas se tornan en luz, y su voluntad torcida se inclina ante la Suya.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Wat een zekere en hemelse leiding schenkt God! „Die u leidt op de weg, die gij gaan moet.” Nu is er een weg die wij moeten gaan, en een weg die we niet moeten gaan. De weg van de wereld, van zonde, van eigendunk, de weg van zinnelijkheid en dood, dat is de weg die we niet moeten gaan; van genotzucht, aardse geneugten en zondige genoegens, waarin de mensen van de wereld vooral veel behagen scheppen. Dit is de brede weg die tot eeuwige vernietiging leidt, waarin de meerderheid naar het kwaad loopt, de weg die u niet moet gaan en niet zult gaan. Er ligt een vloek op die weg.
Zorg er dus goed voor dat uw voeten zich op de weg bevinden die u wel moet gaan. Wat is deze weg? De weg van de Heere Jezus Christus, de weg van geloof, hoop, de weg van gehoorzaamheid aan Zijn wil en woord, de weg van heiligheid, gerechtigheid en zelfverloochening, de weg van het voortbrengen van aangename vruchten die God behagen, de weg die de heilige profeten zijn gegaan, de weg die de martelaren, apostelen en heiligen Gods allemaal zijn gegaan.
Dit is nu een weg van beproeving, verzoeking en bezoeking; het is een smalle, rechte weg, maar de enige die tot het leven leidt, en de Heere zal Zijn heiligen leiden en hen naar het einde ervan voeren, namelijk naar de verlossing van de ziel. Hierin zullen zij zegevieren, en nooit ophouden de Heere, hun Verlosser, Leraar en Gids, te loven, tot in alle eeuwigheid.
Lezen: Spreuken 2
Aan de lezer…
Wanneer u nagaat op welke weg uw voeten zich bevinden, wat ziet u dan? De brede weg is gemakkelijk en vol van wat het vlees behaagt, maar er ligt een vloek op. De smalle weg is vol beproeving, verzoeking en bezoeking, en misschien voelt u die dag aan dag. Laat u daardoor niet doen menen dat u verkeerd gaat; het is juist de weg die de profeten, apostelen en heiligen Gods allemaal zijn gegaan.
Wat een troost dat u die weg niet alleen hoeft te vinden. Hij Die zegt: „Ik ben de Heere, uw God”, leidt u op de weg die u gaan moet. Hij zal Zijn heiligen voeren naar het einde ervan, naar de verlossing van de ziel. Is uw tred zwak en uw hart beschroomd, geef u dan over aan Zijn zekere en hemelse leiding. Wie Hij leidt, zal eens zegevieren en nooit ophouden Hem te loven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Wat een zekere en hemelse leiding geeft God! „Die u leidt op de weg, die gij gaan moet.” Er is een weg die wij moeten gaan, en een weg die we niet moeten gaan. De weg van de wereld, van de zonde en van de eigendunk, de weg van zinnelijkheid en dood, dat is de weg die we niet moeten gaan; de weg van genotzucht, aardse geneugten en zondige genoegens, waarin de mensen van de wereld zo veel behagen scheppen. Dat is de brede weg die tot het eeuwige verderf leidt, waarop de meerderheid naar het kwaad loopt: de weg die u niet moet gaan en niet zult gaan. Er rust een vloek op die weg.
Zorg er dus goed voor dat uw voeten op de weg staan die u wel moet gaan. Wat is die weg? Het is de weg van de Heere Jezus Christus, de weg van geloof en hoop, de weg van gehoorzaamheid aan Zijn wil en Woord, de weg van heiligheid, gerechtigheid en zelfverloochening, de weg van het voortbrengen van aangename vruchten die God behagen, de weg die de heilige profeten zijn gegaan, de weg die de martelaren, apostelen en heiligen van God allemaal zijn gegaan.
Het is een weg van beproeving, verzoeking en bezoeking. Het is een smalle, rechte weg, maar de enige die tot het leven leidt, en de Heere zal Zijn heiligen leiden en hen naar het einde ervan brengen, namelijk de verlossing van de ziel. Daarin zullen zij zegevieren, en ze zullen nooit ophouden de Heere, hun Verlosser, Leraar en Gids, te loven, tot in alle eeuwigheid.
Lezen: Spreuken 2
Aan de lezer…
Wanneer u nagaat op welke weg uw voeten staan, wat ziet u dan? De brede weg is gemakkelijk en vol van wat het vlees behaagt, maar er rust een vloek op. De smalle weg is vol beproeving, verzoeking en bezoeking, en misschien voelt u dat dag aan dag. Laat u daardoor niet wijsmaken dat u verkeerd gaat; het is juist de weg die de profeten, apostelen en heiligen van God allemaal zijn gegaan.
Wat een troost dat u die weg niet alleen hoeft te vinden. Hij Die zegt: „Ik ben de Heere, uw God”, leidt u op de weg die u gaan moet. Hij zal Zijn heiligen naar het einde ervan brengen, naar de verlossing van de ziel. Is uw tred zwak en uw hart beschroomd, geef u dan over aan Zijn zekere en hemelse leiding. Wie Hij leidt, zal eens zegevieren en nooit ophouden Hem te loven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God which teacheth thee to profit, which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
What sure and heavenly guidance God gives! “Which leadeth thee by the way that thou shouldest go.” There is a way that we should go, and a way that we should not go. The way of the world, of sin and of self, the way of sensuality and death, that is the way we should not go; the way of pleasure-seeking, earthly delights and sinful gratifications, in which the men of the world take so much delight. That is the broad way that leads to eternal destruction, on which the multitude runs to do evil: the way you should not go and shall not go. There is a curse upon that way.
Take good care, then, that your feet are on the way that you should go. What is that way? It is the way of the Lord Jesus Christ, the way of faith and hope, the way of obedience to His will and Word, the way of holiness, righteousness and self-denial, the way of bringing forth acceptable fruits that please God, the way that the holy prophets have gone, the way that the martyrs, apostles and saints of God have all gone.
It is a way of trial, temptation and affliction. It is a narrow, straight way, but the only one that leads to life, and the Lord will lead His saints and bring them to the end of it, which is the salvation of the soul. In that they shall triumph, and they shall never cease to praise the Lord, their Redeemer, Teacher and Guide, to all eternity.
Reading: Proverbs 2
To the reader…
When you consider on which way your feet are standing, what do you see? The broad way is easy and full of what pleases the flesh, but there is a curse upon it. The narrow way is full of trial, temptation and affliction, and perhaps you feel that day by day. Do not let that persuade you that you are going wrong; it is the very way that the prophets, apostles and saints of God have all gone.
What a comfort that you need not find that way alone. He Who says, “I am the LORD thy God,” leads you by the way that you should go. He will bring His saints to the end of it, to the salvation of the soul. If your step is weak and your heart fearful, then give yourself up to His sure and heavenly guidance. Whoever He leads shall one day triumph and never cease to praise Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
¡Qué guía tan segura y celestial da Dios! “Que te encamina por el camino que andas”. Hay un camino por el que debemos andar, y un camino por el que no debemos andar. El camino del mundo, del pecado y del yo, el camino de la sensualidad y de la muerte, ese es el camino por el que no debemos andar; el camino de la búsqueda de placeres, de los deleites terrenales y de las satisfacciones pecaminosas, en el que tanto se deleitan los hombres del mundo. Ese es el camino ancho que lleva a la perdición eterna, por el que corre la multitud para hacer el mal: el camino por el que usted no debe andar y no andará. Hay una maldición sobre ese camino.
Cuide bien, pues, que sus pies estén en el camino por el que debe andar. ¿Cuál es ese camino? Es el camino del Señor Jesucristo, el camino de la fe y la esperanza, el camino de la obediencia a Su voluntad y Palabra, el camino de la santidad, la justicia y la abnegación, el camino de dar frutos aceptables que agradan a Dios, el camino por el que han ido los santos profetas, el camino por el que han ido todos los mártires, apóstoles y santos de Dios.
Es un camino de prueba, tentación y aflicción. Es un camino estrecho y angosto, pero el único que lleva a la vida, y el Señor conducirá a Sus santos y los llevará hasta el fin de él, que es la salvación del alma. En ello triunfarán, y nunca dejarán de alabar al Señor, su Redentor, Maestro y Guía, por toda la eternidad.
Lectura: Proverbios 2
Al lector…
Cuando considera en qué camino están sus pies, ¿qué ve? El camino ancho es fácil y está lleno de lo que agrada a la carne, pero hay una maldición sobre él. El camino estrecho está lleno de prueba, tentación y aflicción, y quizá usted lo siente día tras día. No deje que eso le convenza de que va mal; es precisamente el camino por el que han ido todos los profetas, apóstoles y santos de Dios.
¡Qué consuelo que no tenga que hallar ese camino solo! Aquel que dice: “Yo Jehová Dios tuyo”, le encamina por el camino que debe andar. Él llevará a Sus santos hasta el fin de él, a la salvación del alma. Si su paso es débil y su corazón temeroso, entréguese entonces a Su guía segura y celestial. Aquel a quien Él conduce triunfará un día y nunca dejará de alabarle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem.
1 Johannes 4:16
De liefde is mededeelzaam. Dit is een eigenschap van haar natuur en wezen. Haar vermaak is te geven, en al wat zij behoeft en vraagt, is wederliefde. Te beminnen en bemind te worden, te genieten en die vurige en onderlinge genegenheid door woord en daad tot uitdrukking te brengen, is het vermaak der liefde en de hemel der liefde. Te beminnen en niet bemind te worden, is der liefde ellende en hel.
God is liefde. Het is Zijn natuur en een wezenseigenschap van Zijn heerlijk Wezen. En daar Hij, de oneindige en eeuwige Jehova, bestaat in een drie-eenheid van onderscheiden Personen, ofschoon onverdeeld in gelijkheid van bestaan, is er een wederzijdse, onuitsprekelijke liefde tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Van deze wederzijdse, onuitsprekelijke liefde der drie Personen in de gezegende Godheid getuigt de Schrift overvloedig. „De Vader heeft de Zoon lief.” „En hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.” „En gelijk de Vader de Zoon liefheeft, zo heeft de Zoon de Vader lief.” „Opdat de wereld mag weten, dat Ik de Vader liefheb.” Dit zijn Zijn eigen woorden. En dat de Heilige Geest de Vader en de Zoon liefheeft, blijkt niet alleen uit Zijn Goddelijke Persoonlijkheid in de Godheid, maar omdat Hij wezenlijk is de Geest der liefde (Rom. 15:30), en als zodanig stort Hij de liefde Gods in het hart van de uitverkorenen der genade.
Zo was de mens niet noodzakelijk als een voorwerp der Goddelijke liefde, vermits die liefde in de eeuwig gezegende Drie-eenheid bestond. Genoegzaam en meer dan genoegzaam voor al de gelukzaligheid, volmaaktheid en heerlijkheid van Jehova was en zal eeuwig zijn de onderlinge liefde en gemeenschap der drie Goddelijke Personen in de gezegende Godheid. Maar de liefde, de even gelijke, onderlinge liefde des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, vloeide uit haar oorspronkelijke en wezenlijke Bron tot de mens uit. En dit niet slechts tot de mens als mens, dat is tot de menselijke natuur, als het toebereide lichaam dat de Zoon van God zou aannemen, maar tot duizenden en miljoenen van het menselijk geslacht, die allen persoonlijk met een oneindige liefde Gods bemind waren, even gelijk alsof de liefde slechts één enig persoon gold, zoals de Vader Zijn Zoon bemint.
„Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”, wordt gezegd tot elk der uitverkorenen, zowel als tot de gehele kerk, beschouwd als het verborgen lichaam des Lams. Dus bepaalt zich de liefde Gods niet slechts tot de natuur die de Zoon van God in de volheid des tijds zou aannemen, dus het vlees en bloed der kinderen, het zaad Abrahams, dat Hij aannemen zou (Hebr. 2:14-16), en om die reden door de drieënige Jehova beschouwd met een oog van welbehagen, maar zij bepaalt zich ook tot de ontelbare menigte van menselijke wezens die het verborgen lichaam van Christus uitmaken.
Was de Schrift minder duidelijk, wij konden nog geloven dat de natuur, die één der Personen uit de heilige Drie-eenheid zou aannemen, door de heilige Drie-eenheid zou worden bemind. Maar wij hebben in dit opzicht het getuigenis van de Heilige Geest, dat boven alle twijfel verheven is. Toen in de eerste schepping van die natuur de heilige Drie-eenheid Zich op deze wijze uitliet: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”, en toen als gevolg van die Goddelijke raad de Heere God die mens formeerde uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten blies de adem des levens, en de mens tot een levende ziel werd, verenigde de Heere een onsterfelijke ziel met een aards lichaam. Deze menselijke natuur werd niet slechts geformeerd naar het zedelijk beeld van God, maar naar het patroon van dat lichaam, hetwelk door de Vader zou worden toebereid voor de Zoon van God.
Aan de lezer…
Wat een woord: God is liefde! En Hij had de mens niet nodig om gelukzalig te zijn; de onderlinge liefde van Vader, Zoon en Heilige Geest was meer dan genoegzaam. Staat u daar wel eens bij stil? Dat die liefde toch tot zondaren uitvloeide, is geen plicht die Hij moest vervullen, maar een vrije, eeuwige liefde, die haar oorsprong alleen in Hemzelf heeft.
Wellicht denkt u: Die liefde geldt de kerk als geheel, maar wie ben ik? Ziet dan dat het woord „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde” tot elk der uitverkorenen persoonlijk wordt gezegd, even gelijk alsof die liefde slechts één enig persoon gold. De liefde zoekt wederliefde. Zo de Heilige Geest ook maar een vonk van die liefde in uw hart heeft uitgestort, dan blijft u in God, en God in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem.
1 Johannes 4:16
De liefde deelt zich mee. Dat hoort bij haar natuur en wezen. Haar vreugde is te geven, en het enige wat zij nodig heeft en vraagt, is wederliefde. Beminnen en bemind worden, genieten en die vurige en wederzijdse genegenheid in woord en daad uiten: dat is de vreugde van de liefde en de hemel van de liefde. Beminnen en niet bemind worden is de ellende en de hel van de liefde.
God is liefde. Het is Zijn natuur en een wezenseigenschap van Zijn heerlijk Wezen. En omdat Hij, de oneindige en eeuwige Jehova, bestaat in een drie-eenheid van onderscheiden Personen, hoewel onverdeeld in gelijkheid van bestaan, is er een wederzijdse, onuitsprekelijke liefde tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Van deze wederzijdse, onuitsprekelijke liefde van de drie Personen in de gezegende Godheid getuigt de Schrift overvloedig. „De Vader heeft de Zoon lief.” „En hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.” „En gelijk de Vader de Zoon liefheeft, zo heeft de Zoon de Vader lief.” „Opdat de wereld mag weten, dat Ik de Vader liefheb.” Dit zijn Zijn eigen woorden.
En dat de Heilige Geest de Vader en de Zoon liefheeft, blijkt niet alleen uit Zijn Goddelijke Persoonlijkheid in de Godheid, maar ook omdat Hij wezenlijk de Geest van de liefde is (Rom. 15:30). Als zodanig stort Hij de liefde van God uit in het hart van de uitverkorenen van de genade.
De mens was dus niet nodig als voorwerp van de Goddelijke liefde, omdat die liefde al bestond in de eeuwig gezegende Drie-eenheid. De onderlinge liefde en gemeenschap van de drie Goddelijke Personen in de gezegende Godheid was, en zal eeuwig zijn, genoeg en meer dan genoeg voor alle gelukzaligheid, volmaaktheid en heerlijkheid van Jehova. Maar de liefde, de volkomen gelijke, onderlinge liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, vloeide uit haar oorspronkelijke en wezenlijke Bron uit naar de mens. En dat niet alleen naar de mens als mens, dat wil zeggen naar de menselijke natuur als het toebereide lichaam dat de Zoon van God zou aannemen. Zij vloeide ook uit naar duizenden en miljoenen van het menselijk geslacht, die allen persoonlijk met een oneindige liefde van God bemind waren, precies alsof die liefde maar één enkel persoon gold, zoals de Vader Zijn Zoon bemint.
„Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”, wordt gezegd tegen ieder van de uitverkorenen, en ook tegen de hele kerk, gezien als het verborgen lichaam van het Lam. De liefde van God beperkt zich dus niet tot de natuur die de Zoon van God in de volheid van de tijd zou aannemen, het vlees en bloed van de kinderen, het zaad van Abraham, dat Hij aannemen zou (Hebr. 2:14-16), en die daarom door de drie-enige Jehova met een oog van welbehagen werd aangezien. Zij strekt zich ook uit tot de ontelbare menigte van mensen die samen het verborgen lichaam van Christus vormen.
Als de Schrift minder duidelijk was, konden wij toch nog geloven dat de natuur die een van de Personen uit de heilige Drie-eenheid zou aannemen, door de heilige Drie-eenheid bemind zou worden. Maar wij hebben hierover het getuigenis van de Heilige Geest, dat boven alle twijfel verheven is. Bij de eerste schepping van die natuur sprak de heilige Drie-eenheid Zich zo uit: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” Als gevolg van die Goddelijke raad formeerde de Heere God die mens uit het stof van de aarde en blies in zijn neusgaten de adem van het leven, en zo werd de mens een levende ziel; de Heere verenigde een onsterfelijke ziel met een aards lichaam. Deze menselijke natuur werd niet alleen gevormd naar het zedelijk beeld van God, maar ook naar het patroon van het lichaam dat door de Vader voor de Zoon van God zou worden toebereid.
Aan de lezer…
Wat een woord: God is liefde! En Hij had de mens niet nodig om gelukzalig te zijn; de onderlinge liefde van Vader, Zoon en Heilige Geest was meer dan genoeg. Staat u daar wel eens bij stil? Dat die liefde toch naar zondaren uitvloeide, is geen plicht die Hij moest vervullen. Het is een vrije, eeuwige liefde, die haar oorsprong alleen in Hemzelf heeft.
Misschien denkt u: Die liefde geldt de kerk als geheel, maar wie ben ik? Zie dan dat het woord „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde” tegen ieder van de uitverkorenen persoonlijk wordt gezegd, precies alsof die liefde maar één enkel persoon gold. De liefde zoekt wederliefde. Als de Heilige Geest ook maar een vonk van die liefde in uw hart heeft uitgestort, dan blijft u in God, en God in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is love; and he that dwelleth in love dwelleth in God, and God in him.
1 John 4:16
Love is communicative. This is a part of its very nature and essence. Its delight is to give, and especially to give itself; and all it wants or asks is a return. To love and to be beloved, to enjoy and to express that ardent and mutual affection by words and deeds—this is love’s delight, love’s heaven. To love, and not be loved—this is love’s misery, love’s hell.
God is love. This is His very nature, an essential attribute of His glorious being; and as He, the infinite and eternal Jehovah, exists in a Trinity of distinct Persons, though undivided Unity of Essence, there is a mutual, ineffable love between Father, Son, and Holy Spirit. To this mutual, ineffable love of the three Persons in the sacred Godhead the Scripture abundantly testifies—“The Father loves the Son;” “And have loved them as you have loved Me;” “This is My beloved Son in whom I am well pleased.” And as the Father loves the Son, so does the Son love the Father—“But that the world may know that I love the Father,” are His own blessed words. And that the Holy Spirit loves the Father and the Son is evident not only from His divine personality in the Godhead, but because He is essentially the very “Spirit of love” (Romans 15:30), and as such “sheds the love of God abroad in the heart” of the election of grace.
Thus man was not needed by the holy and ever-blessed Trinity as an object of divine love. Sufficient, eternally and amply sufficient, to all the bliss and blessedness, perfection and glory of Jehovah was and ever would have been the mutual love and intercommunion of the three Persons in the sacred Godhead. But love—the equal and undivided love of Father, Son, and Holy Spirit—flowed out beyond its original and essential being to man; and not merely to man as man, that is to human nature as the body prepared for the Son of God to assume, but to thousands and millions of the human race, who are all loved personally and individually with all the infinite love of God as much as if that love were fixed on only one, and he were loved as God loves His dear Son. “I have loved you with an everlasting love,” is spoken to each individual of the elect as much as to the whole Church, viewed as the mystical Bride and Spouse of the Lamb.
Thus the love of a Triune God is not only to the nature which in due time the Son of God should assume, the flesh and blood of the children, the seed of Abraham which He should take on Him (Hebrews 2:14-16), and for this reason viewed by the Triune Jehovah with eyes of intense delight, but to that innumerable multitude of human beings who were to form the mystical body of Christ. Were Scripture less express, we might still believe that the nature which one of the sacred Trinity was to assume would be delighted in and loved by the holy Three-in-One. But we have the testimony of the Holy Spirit to the point, that puts it beyond all doubt or question.
When, in the first creation of that nature the Holy Trinity said, “Let Us make man in Our image, after Our likeness,” and when, in pursuance of that divine council, “the Lord God formed man of the dust of the ground, and breathed into his nostrils the breath of life, and man became a living soul,” God thereby uniting an immortal soul to an earthly body, this human nature was created not only in the moral image of God, but after the pattern of that body which was prepared for the Son of God by the Father.
To the reader…
What a word: God is love! And He did not need man in order to be blessed; the mutual love of Father, Son and Holy Spirit was more than enough. Do you ever pause to consider that? That this love nevertheless flowed out to sinners is no duty He was bound to fulfil. It is a free, eternal love, which has its source in Himself alone.
Perhaps you think: that love is for the Church as a whole, but who am I? See, then, that the word “I have loved thee with an everlasting love” is spoken personally to each one of the elect, just as if that love were fixed on one single person. Love seeks love in return. If the Holy Spirit has shed abroad even a spark of that love in your heart, then you dwell in God, and God in you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios es amor; y el que vive en amor, vive en Dios, y Dios en él.
1 Juan 4:16
El amor es comunicativo. Esto forma parte de su misma naturaleza y esencia. Su deleite es dar, y especialmente darse a sí mismo; y todo lo que quiere o pide es correspondencia. Amar y ser amado, gozar y expresar con palabras y hechos ese afecto ardiente y mutuo: este es el deleite del amor, el cielo del amor. Amar y no ser amado: esta es la miseria del amor, el infierno del amor.
Dios es amor. Esta es Su misma naturaleza, un atributo esencial de Su glorioso ser; y así como Él, el infinito y eterno Jehová, existe en una Trinidad de Personas distintas, aunque en indivisa Unidad de Esencia, hay un amor mutuo e inefable entre el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo. De este amor mutuo e inefable de las tres Personas en la sagrada Deidad la Escritura da abundante testimonio: “El Padre ama al Hijo”; “Y que los has amado, como también a Mí me has amado”; “Este es Mi Hijo amado, en el cual tengo contentamiento”. Y así como el Padre ama al Hijo, así el Hijo ama al Padre: “Empero para que conozca el mundo que amo al Padre”, son Sus propias benditas palabras. Y que el Espíritu Santo ama al Padre y al Hijo es evidente no solo por Su divina personalidad en la Deidad, sino porque Él es esencialmente el mismo “Espíritu de amor” (Romanos 15:30), y como tal “derrama el amor de Dios en el corazón” de la elección de gracia.
Así pues, el hombre no era necesario a la santa y siempre bendita Trinidad como objeto de amor divino. Suficiente, eterna y ampliamente suficiente para toda la dicha y bienaventuranza, perfección y gloria de Jehová era, y siempre habría sido, el amor mutuo y la comunión recíproca de las tres Personas en la sagrada Deidad. Pero el amor —el amor igual e indiviso del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo— se desbordó más allá de su ser original y esencial hacia el hombre; y no meramente hacia el hombre en cuanto hombre, es decir, hacia la naturaleza humana como el cuerpo preparado para que el Hijo de Dios lo asumiera, sino hacia millares y millones de la raza humana, todos los cuales son amados personal e individualmente con todo el amor infinito de Dios, tanto como si ese amor estuviera fijado en uno solo, y él fuera amado como Dios ama a Su amado Hijo. “Con amor eterno te he amado” es dicho a cada individuo de los escogidos tanto como a toda la Iglesia, considerada como la Novia y Esposa mística del Cordero.
Así, el amor de un Dios trino no es solo hacia la naturaleza que a su debido tiempo el Hijo de Dios había de asumir, la carne y sangre de los hijos, la simiente de Abraham que Él había de tomar (Hebreos 2:14-16), y que por esta razón es mirada por el trino Jehová con ojos de intenso deleite, sino hacia aquella innumerable multitud de seres humanos que habían de formar el cuerpo místico de Cristo. Aunque la Escritura fuera menos expresa, podríamos aun así creer que la naturaleza que una de las Personas de la sagrada Trinidad había de asumir sería objeto del deleite y del amor del santo Trino y Uno. Pero tenemos sobre este punto el testimonio del Espíritu Santo, que lo pone fuera de toda duda o cuestión.
Cuando, en la primera creación de esa naturaleza, la Santa Trinidad dijo: “Hagamos al hombre a Nuestra imagen, conforme a Nuestra semejanza”, y cuando, en cumplimiento de aquel consejo divino, “formó Jehová Dios al hombre del polvo de la tierra, y alentó en su nariz soplo de vida; y fue el hombre en alma viviente”, uniendo Dios así un alma inmortal a un cuerpo terrenal, esta naturaleza humana fue creada no solo a la imagen moral de Dios, sino conforme al modelo de aquel cuerpo que el Padre preparó para el Hijo de Dios.
Al lector…
¡Qué palabra: Dios es amor! Y Él no necesitaba al hombre para ser bienaventurado; el amor mutuo del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo era más que suficiente. ¿Se detiene usted alguna vez a considerarlo? Que este amor, sin embargo, se haya desbordado hacia pecadores no es un deber que Él estuviera obligado a cumplir. Es un amor libre y eterno, que tiene su fuente solo en Él mismo.
Quizá piense usted: ese amor es para la Iglesia en su conjunto, pero ¿quién soy yo? Vea, pues, que la palabra “Con amor eterno te he amado” es dicha personalmente a cada uno de los escogidos, tal como si ese amor estuviera fijado en una sola persona. El amor busca amor en correspondencia. Si el Espíritu Santo ha derramado aunque sea una chispa de ese amor en su corazón, entonces usted vive en Dios, y Dios en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl