4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig de begeerlijkheden, die tevoren in uw onwetendheid waren; maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
1 Petrus 1:14-16
De genade legt ons de grootste aller verplichtingen op aan Hem Die ze vrij en overvloedig schonk, en wel om een gelovige gehoorzaamheid te betonen aan Zijn geopenbaarde wil en Zijn geopenbaard Woord. Het is Zijn vrije, soevereine en bijzondere genade alleen, die ons maakt en doet kennen als Zijn kinderen, en daarom vraagt zij van ons, als een zwak en zeer onvoldoend bewijs van dankbare lof, dat wij wandelen waardig der roeping waarmede wij geroepen zijn, en Hem in ons lichaam en onze geest, die Zijn eigendom zijn, verheerlijken. Hij die dit nooit gekend en gevoeld heeft, kent niets van de rijkdom van Gods genade in de openbaring van barmhartigheid en liefde aan zijn ziel.
Zulk een weet, hij moge doen wat hij kan, dat hij nooit genoeg kan doen om de lof te verkondigen van Hem Die hem uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. En het is hem altijd tot smart en kruis dat hij, door de macht der zonde die in hem is, de dingen niet doen kan die hij wilde doen, maar dat hij altijd tekortkomt en zondigt tegen de bloedende en stervende Liefde. Voor zulk een zijn daarom de voorschriften van het Evangelie even dierbaar als de beloften, en hij ziet dat zij in het Woord der Waarheid staan opgetekend als „een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad”: een richtsnoer waardoor hij, zo hij slechts zijn schreden kon richten, God zou verheerlijken, in vrede en liefde met Zijn volk verkeren, een goed geweten bewaren en de leer die hij belijdt, in alle dingen tot sieraad verstrekken.
Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,
hoe ’k mij naar uw bevelen moet gedragen,
uw wond’ren recht betrachten dag aan dag.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen.
Ai, richt mij op, verander mijn geklag,
wil naar uw woord mij gunstig onderschragen.
Psalm 119:14
Aan de lezer…
Kent u dat? Het is u tot smart en kruis dat u niet kunt doen wat u zo graag zou willen. Dat u, terwijl uw hart begeert God te verheerlijken, toch telkens tekortkomt en zondigt tegen de bloedende en stervende Liefde? Laat die smart u niet wanhopig maken. Zij is juist een teken dat de genade in u werkt; wie haar nooit gekend heeft, kent zulk een droefheid niet.
Want het is de vrije, soevereine genade alleen die u tot een kind van God maakt, en uit die genade wordt ook het verlangen geboren om heilig te wandelen. Daarom worden de voorschriften van het Evangelie u even dierbaar als de beloften: een lamp voor uw voet en een licht op uw pad. Vraag dan de Heere, Die u geroepen heeft en heilig is, of Hij uw zwakke schreden naar Zijn Woord wil richten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig de begeerlijkheden, die tevoren in uw onwetendheid waren; maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
1 Petrus 1:14-16
De genade legt ons de grootste van alle verplichtingen op tegenover Hem Die haar vrij en overvloedig schonk: de verplichting om een gelovige gehoorzaamheid te betonen aan Zijn geopenbaarde wil en Zijn geopenbaard Woord. Het is alleen Zijn vrije, soevereine en bijzondere genade die ons tot Zijn kinderen maakt en ons als zodanig doet kennen. Daarom vraagt zij van ons, als een zwak en zeer onvoldoende bewijs van dankbare lof, dat wij wandelen waardig de roeping waarmee wij geroepen zijn, en Hem verheerlijken in ons lichaam en in onze geest, die Zijn eigendom zijn. Wie dit nooit gekend en gevoeld heeft, kent niets van de rijkdom van Gods genade in de openbaring van barmhartigheid en liefde aan zijn ziel.
Zo iemand weet dat hij, wat hij ook doet, nooit genoeg kan doen om de lof te verkondigen van Hem Die hem uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. En het is hem altijd tot smart en kruis dat hij door de macht van de zonde die in hem is, niet de dingen kan doen die hij zou willen doen, maar altijd tekortkomt en zondigt tegen de bloedende en stervende Liefde. Voor zo iemand zijn de voorschriften van het Evangelie daarom even dierbaar als de beloften. Hij ziet dat zij in het Woord der Waarheid zijn opgeschreven als „een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad”. Zij zijn een richtsnoer waardoor hij, als hij zijn schreden er maar naar kon richten, God zou verheerlijken, in vrede en liefde met Zijn volk zou omgaan, een goed geweten zou bewaren en de leer die hij belijdt, in alle dingen zou sieren.
Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,
hoe ’k mij naar uw bevelen moet gedragen,
uw wond’ren recht betrachten dag aan dag.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen.
Ai, richt mij op, verander mijn geklag,
wil naar uw woord mij gunstig onderschragen.
Psalm 119:14
Aan de lezer…
Kent u dat? Het is u tot smart en kruis dat u niet kunt doen wat u zo graag zou willen. Dat u, terwijl uw hart begeert God te verheerlijken, toch telkens tekortkomt en zondigt tegen de bloedende en stervende Liefde? Laat die smart u niet wanhopig maken. Zij is juist een teken dat de genade in u werkt; wie de genade nooit gekend heeft, kent zo’n droefheid niet.
Want het is alleen de vrije, soevereine genade die u tot een kind van God maakt, en uit die genade wordt ook het verlangen geboren om heilig te wandelen. Daarom worden de voorschriften van het Evangelie u even dierbaar als de beloften: een lamp voor uw voet en een licht op uw pad. Vraag dan de Heere, Die u geroepen heeft en heilig is, of Hij uw zwakke schreden naar Zijn Woord wil richten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As obedient children, not fashioning yourselves according to the former lusts in your ignorance: but as He which hath called you is holy, so be ye holy in all manner of conversation; because it is written, Be ye holy; for I am holy.
1 Peter 1:14-16
Grace lays us under the greatest of all obligations to its free and bountiful Giver, and especially to render a believing obedience to His revealed will and word. It is His free, sovereign, and distinguishing grace alone which makes and manifests us to be His children, and therefore it demands of us, as a feeble and most insufficient tribute of grateful praise, that we should walk worthy of the vocation with which we are called, and glorify Him in our body and spirit which are His. He that has never known and felt this knows nothing of the riches of God’s grace in the manifestation of mercy and love to his soul.
Such a one knows, that do what he can, he can never do enough to show forth the praises of Him Who has called him out of darkness into His marvelous light, and his grief and burden ever are that, through the power of indwelling sin, he cannot do the things that he would, but is always falling short, always sinning against bleeding, dying love.
To such a one, therefore, the precepts of the gospel are as dear as the promises, and he sees that they are set in the word of truth as “a lamp to his feet and a light to his path,” a guiding rule by which, if he could but direct his steps, he would glorify God, walk in peace and love with His people, preserve a good conscience, and adorn the doctrine which he professes in all things. Obedience, therefore, to him is a sweet word, and is viewed by him as a precious portion of that free and everlasting gospel which, in restoring fallen man to God’s favor, restores him also to an obedience acceptable in His sight.
To the reader…
Do you know this? It is a grief and a cross to you that you cannot do what you would so gladly do. That, while your heart longs to glorify God, you still fall short again and again and sin against bleeding, dying Love? Do not let that grief drive you to despair. It is precisely a sign that grace is at work in you; whoever has never known grace knows no such sorrow.
For it is only free, sovereign grace that makes you a child of God, and out of that grace the desire to walk in holiness is also born. That is why the precepts of the gospel become as dear to you as the promises: a lamp unto your feet and a light unto your path. Ask the Lord, then, Who has called you and is holy, to direct your feeble steps according to His Word.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como hijos obedientes, no conformándoos con los deseos que antes teníais estando en vuestra ignorancia; sino como aquel que os ha llamado es santo, sed también vosotros santos en toda conversación: porque escrito está: Sed santos, porque yo soy santo.
1 Pedro 1:14-16
La gracia nos pone bajo la mayor de todas las obligaciones para con su libre y generoso Dador, y especialmente la de rendir una obediencia creyente a Su voluntad y palabra reveladas. Es solo Su gracia libre, soberana y distintiva la que nos hace y nos manifiesta como Sus hijos, y por eso exige de nosotros, como un tributo débil y del todo insuficiente de alabanza agradecida, que andemos como es digno de la vocación con que somos llamados, y le glorifiquemos en nuestro cuerpo y en nuestro espíritu, los cuales son Suyos. El que nunca ha conocido y sentido esto no sabe nada de las riquezas de la gracia de Dios en la manifestación de misericordia y amor a su alma.
Uno así sabe que, haga lo que haga, nunca puede hacer lo suficiente para anunciar las virtudes de Aquel que le ha llamado de las tinieblas a Su luz admirable, y su pena y carga son siempre que, por el poder del pecado que mora en él, no puede hacer lo que quisiera, sino que siempre se queda corto, siempre peca contra un amor que sangró y murió.
Para uno así, por tanto, los preceptos del evangelio son tan queridos como las promesas, y ve que están puestos en la palabra de verdad como “lámpara á sus pies y lumbrera á su camino”, una regla que guía, por la cual, si tan solo pudiera dirigir sus pasos, glorificaría a Dios, andaría en paz y amor con Su pueblo, conservaría una buena conciencia y adornaría en todo la doctrina que profesa. La obediencia, por tanto, es para él una palabra dulce, y la considera una porción preciosa de aquel evangelio libre y eterno que, al restaurar al hombre caído al favor de Dios, lo restaura también a una obediencia aceptable delante de Él.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Es para usted una pena y una cruz no poder hacer lo que tan gustosamente haría. ¿Que, mientras su corazón anhela glorificar a Dios, todavía se queda corto una y otra vez y peca contra el Amor que sangró y murió? No deje que esa pena le lleve a la desesperación. Es precisamente una señal de que la gracia obra en usted; quien nunca ha conocido la gracia no conoce tal tristeza.
Porque es solo la gracia libre y soberana la que le hace hijo de Dios, y de esa gracia nace también el deseo de andar en santidad. Por eso los preceptos del evangelio llegan a serle tan queridos como las promesas: lámpara a sus pies y lumbrera a su camino. Pida, pues, al Señor, que le ha llamado y es santo, que dirija sus débiles pasos conforme a Su Palabra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Wat is de Heere persoonlijk: „uw Verlosser” — „uw God” — „Die u leert wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.” Alsof de Heere een persoon, een begunstigd persoon, had uitgekozen en vanuit Zijn zalige hoven tot hem sprak, en Hij deze woorden tot diens ziel richtte; alsof er niemand anders op aarde was tot wie Hij ze sprak. En het is de schoonheid en zaligheid van een toe-eigenend geloof, dat ten gevolge van dat toe-eigenend geloof de ziel op zo’n wijze deel heeft aan de liefde, het bloed en de genade Gods, dat het lijkt alsof zij de enige op aarde of in de hemel is die deze gunst geniet: „Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls.”
Hier spreekt de Heere, en moeten wij niet luisteren? Hoe begint de Heere die heerlijke profetie in Jesaja 1? „Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde!” En waarom? „Want de HEERE spreekt.” Dat de hemelen mogen horen en dat de aarde moge luisteren, want de Heere spreekt. Als onze koningin jaarlijks op haar troon in het parlement zit, wat wordt er dan goed geluisterd naar elk woord dat zij spreekt! Woord voor woord wordt verslag gedaan van haar rede, die van plaats tot plaats naar de einden der aarde wordt gezonden. Want zij spreekt als een machtige koningin, en „waar het woord des konings is, daar is heerschappij” (Pred. 8:4).
Lezen: Jesaja 48
Aan de lezer…
Dat woord van de Heere, uw Verlosser: hebt u het ooit gelezen alsof het alleen tot u gesproken werd? „Uw Verlosser, uw God, Die u leert, Die u leidt.” Het is de schoonheid van het geloof dat het zich dit toe-eigent, alsof er niemand anders op aarde was tot wie de Heere sprak. Misschien durft u dat nauwelijks; u voelt u te gering en te zondig om zo persoonlijk aangesproken te worden. Toch spreekt Hij hier niet tot de wereld in het algemeen, maar tot Zijn arm en behoeftig volk.
Als men luistert naar elk woord van een aardse vorst, hoeveel te meer moet u dan luisteren wanneer de Heere spreekt! Laat de hemelen het horen en de aarde het ter ore nemen, maar laat vooral uw hart stil worden. Hij Die u leert wat nut is, zal u ook leiden op de weg die u gaan moet. Vraag Hem dan om dat ene woord „uw” met kracht in uw ziel te mogen ontvangen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Wat spreekt de Heere persoonlijk: „uw Verlosser” — „uw God” — „Die u leert wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.” Het is alsof de Heere één persoon, een begunstigde, had uitgekozen en vanuit Zijn zalige hoven tot hem sprak, en deze woorden tot zijn ziel richtte, alsof er niemand anders op aarde was tot wie Hij ze sprak. En dat is de schoonheid en zaligheid van een toe-eigenend geloof: door dat toe-eigenend geloof krijgt de ziel zo deel aan de liefde, het bloed en de genade van God, dat het lijkt alsof zij de enige op aarde of in de hemel is die deze gunst geniet: „Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls.”
Hier spreekt de Heere; moeten wij dan niet luisteren? Hoe begint de Heere die heerlijke profetie in Jesaja 1? „Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde!” En waarom? „Want de HEERE spreekt.” Laten de hemelen horen en laat de aarde luisteren, want de Heere spreekt. Als onze koningin jaarlijks op haar troon in het parlement zit, hoe goed wordt er dan geluisterd naar elk woord dat zij spreekt! Woord voor woord wordt haar rede weergegeven en van plaats tot plaats tot aan de einden van de aarde verzonden. Want zij spreekt als een machtige koningin, en „waar het woord des konings is, daar is heerschappij” (Pred. 8:4).
Lezen: Jesaja 48
Aan de lezer…
Dat woord van de Heere, uw Verlosser: hebt u het ooit gelezen alsof het alleen tot u gesproken werd? „Uw Verlosser, uw God, Die u leert, Die u leidt.” Het is de schoonheid van het geloof dat het zich dit toe-eigent, alsof er niemand anders op aarde was tot wie de Heere sprak. Misschien durft u dat nauwelijks; u voelt zich te gering en te zondig om zo persoonlijk aangesproken te worden. Toch spreekt Hij hier niet tot de wereld in het algemeen, maar tot Zijn arm en behoeftig volk.
Als men luistert naar elk woord van een aardse vorst, hoeveel te meer moet u dan luisteren wanneer de Heere spreekt! Laat de hemelen het horen en de aarde het ter ore nemen, maar laat vooral uw hart stil worden. Hij Die u leert wat nut is, zal u ook leiden op de weg die u gaan moet. Vraag Hem dan of u dat ene woord „uw” met kracht in uw ziel mag ontvangen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God Which teacheth thee to profit, Which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
How personally the Lord speaks: “thy Redeemer”—“thy God”—“Which teacheth thee to profit, Which leadeth thee by the way that thou shouldest go.” It is as though the Lord had singled out one person, a favoured one, and spoke to him from His blessed courts, and addressed these words to his soul, as if there were no one else on earth to whom He spoke them. And that is the beauty and blessedness of an appropriating faith: by that appropriating faith the soul so shares in the love, the blood and the grace of God, that it seems as if she were the only one on earth or in heaven who enjoyed this favour: “Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel.”
Here the Lord speaks; must we not then listen? How does the Lord begin that glorious prophecy in Isaiah 1? “Hear, O heavens, and give ear, O earth.” And why? “For the LORD hath spoken.” Let the heavens hear and let the earth give ear, for the Lord speaks. When our Queen sits yearly upon her throne in Parliament, how closely every word she speaks is listened to! Word for word her speech is reported and sent from place to place to the ends of the earth. For she speaks as a mighty Queen, and “where the word of a king is, there is power” (Eccles. 8:4).
Reading: Isaiah 48
To the reader…
That word of the Lord, your Redeemer: have you ever read it as though it were spoken to you alone? “Thy Redeemer, thy God, Which teacheth thee, Which leadeth thee.” It is the beauty of faith that it takes this to itself, as if there were no one else on earth to whom the Lord spoke. Perhaps you hardly dare to do so; you feel too small and too sinful to be addressed so personally. Yet here He speaks not to the world in general, but to His poor and needy people.
If men listen to every word of an earthly sovereign, how much more should you listen when the Lord speaks! Let the heavens hear it and the earth give ear, but above all let your heart be still. He Who teaches you to profit will also lead you by the way that you should go. Then ask Him that you may receive that one word “thy” with power into your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
¡Con qué intimidad habla el Señor: “Redentor tuyo”, “Dios tuyo”, “que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas”! Es como si el Señor hubiera escogido a una sola persona, a un favorecido, y le hablara desde Sus benditos atrios, y dirigiera estas palabras a su alma, como si no hubiera nadie más en la tierra a quien se las dijera. Y esa es la belleza y la bienaventuranza de una fe que se apropia: por esa fe apropiadora el alma participa de tal manera en el amor, la sangre y la gracia de Dios, que parece como si ella fuera la única en la tierra o en el cielo que gozara de este favor: “Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel”.
Aquí habla el Señor; ¿no debemos entonces escuchar? ¿Cómo comienza el Señor esa gloriosa profecía en Isaías 1? “Oíd, cielos, y escucha tú, tierra”. ¿Y por qué? “Porque habla Jehová”. Que oigan los cielos y que escuche la tierra, porque habla el Señor. Cuando nuestra Reina se sienta cada año en su trono en el Parlamento, ¡con qué atención se escucha cada palabra que pronuncia! Palabra por palabra se publica su discurso y se envía de lugar en lugar hasta los confines de la tierra. Porque habla como una poderosa Reina, y “la palabra del rey es con potestad” (Ecl. 8:4).
Lectura: Isaías 48
Al lector…
Esa palabra del Señor, su Redentor: ¿la ha leído alguna vez como si fuera dicha solo a usted? “Redentor tuyo, Dios tuyo, que te enseña, que te encamina”. Es la belleza de la fe que se apropia esto, como si no hubiera nadie más en la tierra a quien el Señor hablara. Quizá usted apenas se atreva a hacerlo; se siente demasiado pequeño y demasiado pecador para ser interpelado tan personalmente. Sin embargo, aquí Él no habla al mundo en general, sino a Su pueblo pobre y necesitado.
Si los hombres escuchan cada palabra de un soberano terrenal, ¡cuánto más debe usted escuchar cuando habla el Señor! Que lo oigan los cielos y lo escuche la tierra, pero sobre todo que su corazón esté quieto. Aquel que le enseña provechosamente le encaminará también por el camino que debe andar. Pídale, pues, que pueda recibir con poder en su alma esa sola palabra: “tuyo”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis.
Openbaring 12:11
Is het niet het bloed des Lams, zoals dit geopenbaard wordt in het Woord van God, maar toegepast en gesprenkeld op de consciëntie, dat de beschuldigingen van satan beantwoordt? Maar laat ons opmerken dat er een komen tot het bloed der besprenging is onzerzijds, en een komen van het bloed der besprenging tot ons. De apostel spreekt in Hebreeën 12:22-24: „Maar gij zijt gekomen tot het bloed der besprenging, hetwelk betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.” Dit komen tot het bloed is de eerste stap om de overwinning te behalen. Maar in Christus’ krijgsdienst gaat de nederlaag gewoonlijk, zo niet altijd, vóór de overwinning. Het is daarom niet zo gemakkelijk de zonde, dood en hel te overwinnen, die ons alle tezamen tegen zijn; en gewoonlijk gaan wij nooit tot de ware bron om hulp, tenzij al onze hoop bijna vergaan is.
De eerste flikkering komt over het algemeen uit een gezicht, zij het als het ware op een afstand, op het bloed des Lams. De vuurtoren werpt zijn schemerlicht over het wijduitgestrekte water, om de zeeman die zich in de storm bevindt, in de veilige haven te leiden. Evenzo is het wanneer in de ziel een gezicht komt op het bloed des Lams; al is dit ook op een afstand, het is als een lichtbaken, hetwelk oog en hart tot zich trekt van degenen die handel doen op grote wateren. Het licht moge in het eerst niet zo helder en klaar schijnen, maar het is een morgenster, die de opgang der zon verkondigt. De Geest schijnt op het Woord en verwekt het geloof in de ziel om te geloven dat het Lam geslacht is, het bloed gevloeid heeft, de offerande geofferd is, en dat een nieuwe en verse weg geopend en ingewijd is door het voorhangsel, het gescheurde vlees van de Heere Jezus. Dit verschaft aan de beschuldigde ziel een zekere vastigheid, waarop zij staan kan en des satans beschuldigingen kan beantwoorden.
„Inderdaad,” zegt zij, „ik ben een schuldige ellendeling, een zondaar, de grootste der zondaren, want ik heb gezondigd tegen licht, tegen overtuigingen, tegen de consciëntie en de vreze Gods. Mijn hart is geheel en al boos, mijn geest geheel bedorven en mijn natuur volkomen afkerig. Nooit heb ik iets goeds gedaan. Ik ben een ellendige, de slechtste der slechten. Ik kan niet te slecht van mijzelf spreken, en ook anderen kunnen dit niet. Maar boven dit alles: het Lam Gods heeft Zijn dierbaar bloed gestort, en dit bloed reinigt van alle zonden.”
Als de vijand zal aankomen als een stroom, dan zal de Geest des Heeren de banier daartegen oprichten: de met bloed bedekte vlag van de gekruisigde Verlosser. En onder de bescherming te zijn van de in bloed gedoopte banier is gelijk aan het hoofd bieden aan de satan. Echter is de overwinning niet ten volle verkregen. Dit heeft plaats wanneer het bloed in het hart komt, de consciëntie wordt besprengd en een openbaring en toepassing daarvan aan de ziel wordt geschonken; dan wordt de satan absoluut op de vlucht gedreven.
Aan de lezer…
Hoe fel kan satan u met zijn beschuldigingen bestoken! Zegt hij u dat u tegen licht en consciëntie gezondigd hebt, dat uw hart boos en uw natuur bedorven is? U behoeft hem niet tegen te spreken; het is maar al te waar. Maar ontneem hem het laatste woord. Want boven dit alles staat het: het Lam Gods heeft Zijn dierbaar bloed gestort, en dit bloed reinigt van alle zonden.
Ziet u dat bloed nog maar van verre, als een flauw schijnsel van een vuurtoren over woelige wateren? Veracht dat licht niet; het is een morgenster die de opgang der zon verkondigt. Houd uw oog erop gericht en roep tot de Heere dat Hij het bloed in uw hart en op uw consciëntie wil sprenkelen. Dan zult u ervaren dat de vijand niet kan standhouden waar de banier van de gekruisigde Verlosser wordt opgericht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis.
Openbaring 12:11
Is het niet het bloed van het Lam, zoals dat in het Woord van God geopenbaard wordt, maar dan toegepast en gesprenkeld op het geweten, dat de beschuldigingen van satan beantwoordt? Maar laten wij opmerken dat er van onze kant een komen is tot het bloed der besprenging, en een komen van het bloed der besprenging tot ons. De apostel zegt in Hebreeën 12:22-24: „Maar gij zijt gekomen tot het bloed der besprenging, hetwelk betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.” Dit komen tot het bloed is de eerste stap om de overwinning te behalen. Maar in de krijgsdienst van Christus gaat de nederlaag gewoonlijk, zo niet altijd, aan de overwinning vooraf. Het is daarom niet zo gemakkelijk om de zonde, de dood en de hel te overwinnen, die allemaal samen tegen ons zijn; en gewoonlijk gaan wij pas naar de ware bron om hulp wanneer al onze hoop bijna vergaan is.
Het eerste schijnsel komt over het algemeen uit een gezicht op het bloed van het Lam, al is het als het ware van een afstand. De vuurtoren werpt zijn schemerlicht over het wijde water, om de zeeman die in de storm verkeert naar de veilige haven te leiden. Zo is het ook wanneer de ziel een gezicht krijgt op het bloed van het Lam. Ook al is het van een afstand, het is als een lichtbaken dat oog en hart trekt van hen die handel drijven op grote wateren. Het licht mag in het begin niet zo helder en duidelijk schijnen, maar het is een morgenster, die de opgang van de zon aankondigt. De Geest schijnt op het Woord en wekt in de ziel het geloof dat het Lam geslacht is, dat het bloed gevloeid heeft, dat de offerande gebracht is, en dat een nieuwe en levende weg geopend en ingewijd is door het voorhangsel, het gescheurde vlees van de Heere Jezus. Dit geeft de beschuldigde ziel een zekere vaste grond, waarop zij kan staan en de beschuldigingen van satan kan beantwoorden.
„Inderdaad,” zegt zij, „ik ben een schuldige ellendeling, een zondaar, de grootste der zondaren, want ik heb gezondigd tegen licht, tegen overtuigingen, tegen de consciëntie en de vreze Gods. Mijn hart is geheel en al boos, mijn geest geheel bedorven en mijn natuur volkomen afkerig. Nooit heb ik iets goeds gedaan. Ik ben een ellendige, de slechtste der slechten. Ik kan niet te slecht van mijzelf spreken, en ook anderen kunnen dit niet. Maar boven dit alles: het Lam Gods heeft Zijn dierbaar bloed gestort, en dit bloed reinigt van alle zonden.”
Wanneer de vijand aankomt als een stroom, zal de Geest van de Heere de banier daartegen opheffen: de met bloed bedekte vlag van de gekruisigde Verlosser. En onder de bescherming van die in bloed gedoopte banier staan, staat gelijk aan het weerstaan van satan. Toch is de overwinning dan nog niet volledig behaald. Dat gebeurt wanneer het bloed in het hart komt, het geweten besprengd wordt en de ziel een openbaring en toepassing ervan ontvangt; dan wordt satan volkomen op de vlucht gedreven.
Aan de lezer…
Hoe fel kan satan u met zijn beschuldigingen bestoken! Zegt hij u dat u tegen licht en geweten gezondigd hebt, dat uw hart boos en uw natuur bedorven is? U hoeft hem niet tegen te spreken; het is maar al te waar. Maar laat hem niet het laatste woord. Want boven dit alles staat het: het Lam Gods heeft Zijn dierbaar bloed gestort, en dit bloed reinigt van alle zonden.
Ziet u dat bloed nog maar van verre, als het zwakke schijnsel van een vuurtoren over woelige wateren? Veracht dat licht niet; het is een morgenster die de opgang van de zon aankondigt. Houd uw oog erop gericht en roep tot de Heere dat Hij het bloed in uw hart en op uw geweten wil sprenkelen. Dan zult u ervaren dat de vijand niet kan standhouden waar de banier van de gekruisigde Verlosser wordt opgeheven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And they overcame him by the blood of the Lamb, and by the word of their testimony.”
Revelation 12:11
It is not “the blood of the Lamb” as revealed in the Word of God, but as applied to and sprinkled on the conscience, which answers the accusations of Satan. But we may observe that there is our coming unto “the blood of sprinkling,” and there is “the blood of sprinkling” coming unto us. The Apostle speaks, Hebrews 12:22-24—“You have come to the blood of sprinkling, which speaks better things than that of Abel.” This coming to the blood is the first step in gaining the victory. But in Christian warfare defeat generally, if not always, precedes conquest. It is not, therefore, so easy to overcome sin, death, and hell, which are all striving against us; and usually we never look to the right quarter for help until well-nigh all hope is gone. The first gleam generally comes from a view of “the blood of the Lamb,” as it were, in the distance.
The lighthouse casts its glimmering rays far over the wide waste of waters, to guide into harbor the storm-tossed mariner; so, when there is a view in the soul of “the blood of the Lamb,” even at a distance, it is a beacon light, which draws towards it the eyes and heart of those who are doing business “in deep waters.” The light may not at first seem very bright or clear; but it is a day-star, heralding the rising of the sun. The Spirit shines on the Word, and raises up faith in the soul to believe that the Lamb has been slain, that blood has been shed, that a sacrifice has been offered, and that “a new and living way” has been opened and consecrated “through the veil,” the torn “flesh” of the Lord Jesus. This affords the accused soul some foothold on which it can stand and answer Satan’s accusations.
“True,” he says, “I am a guilty wretch, a sinner, and the chief of sinners, for I have sinned against light, against convictions, against conscience, and the fear of God; my heart is altogether evil, my mind wholly corrupt, and my nature utterly depraved; I have never done any good thing; I am a wretch, and the worst of wretches, and I can never say anything too bad of myself, nor others of me; but, with all that, the Lamb of God has shed His precious blood, and that blood cleanses from all sin.”
“When the enemy comes in like a flood, the Spirit of the Lord,” we read, “shall lift up a standard against him”—the blood-stained flag of the crucified Redeemer; and to come for refuge under this banner dipped in blood is to make head against Satan. Still, the victory is not fully gained. It is only when there is a coming of the blood into the heart, a sprinkling of it on the conscience, a manifestation and application of it to the soul, that Satan is effectually put to flight.
To the reader…
How fiercely Satan can assail you with his accusations! Does he tell you that you have sinned against light and conscience, that your heart is evil and your nature depraved? You need not contradict him; it is all too true. But do not let him have the last word. For above all this stands this: the Lamb of God has shed His precious blood, and this blood cleanses from all sin.
Do you see that blood as yet only from afar, like the faint gleam of a lighthouse over troubled waters? Do not despise that light; it is a day-star heralding the rising of the sun. Keep your eye fixed upon it and cry to the Lord that He would sprinkle the blood in your heart and on your conscience. Then you will find that the enemy cannot stand where the banner of the crucified Redeemer is lifted up.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ellos le han vencido por causa de la sangre del Cordero, y por la palabra de su testimonio.
Apocalipsis 12:11
No es “la sangre del Cordero” tal como está revelada en la Palabra de Dios, sino tal como es aplicada y rociada sobre la conciencia, la que responde a las acusaciones de Satanás. Pero podemos observar que hay un venir nuestro a “la sangre del esparcimiento”, y hay un venir de “la sangre del esparcimiento” a nosotros. El Apóstol dice en Hebreos 12:22-24: “Os habéis llegado a la sangre del esparcimiento que habla mejor que la de Abel.” Este venir a la sangre es el primer paso para obtener la victoria. Pero en la guerra cristiana la derrota precede por lo general, si no siempre, a la conquista. No es, pues, tan fácil vencer al pecado, a la muerte y al infierno, que luchan todos contra nosotros; y normalmente nunca miramos hacia el lugar debido en busca de ayuda hasta que casi toda esperanza se ha ido. El primer destello viene generalmente de una visión de “la sangre del Cordero”, como si dijéramos, a lo lejos.
El faro arroja sus rayos titilantes a lo lejos sobre la vasta extensión de las aguas, para guiar al puerto al marinero zarandeado por la tormenta; así, cuando hay en el alma una visión de “la sangre del Cordero”, aunque sea a distancia, es una luz de faro que atrae hacia sí los ojos y el corazón de aquellos que hacen negocio “en las muchas aguas”. La luz puede no parecer al principio muy brillante ni clara; pero es un lucero de la mañana que anuncia la salida del sol. El Espíritu brilla sobre la Palabra y levanta fe en el alma para creer que el Cordero ha sido inmolado, que se ha derramado sangre, que se ha ofrecido un sacrificio, y que se ha abierto y consagrado “un camino nuevo y vivo por el velo”, la “carne” desgarrada del Señor Jesús. Esto da al alma acusada algún punto de apoyo sobre el cual puede afirmarse y responder a las acusaciones de Satanás.
“Es verdad”, dice, “soy un miserable culpable, un pecador, y el primero de los pecadores, porque he pecado contra la luz, contra las convicciones, contra la conciencia y el temor de Dios; mi corazón es del todo malo, mi mente enteramente corrompida y mi naturaleza completamente depravada; nunca he hecho nada bueno; soy un miserable, y el peor de los miserables, y nunca podré decir de mí mismo nada demasiado malo, ni podrán decirlo otros de mí; pero, con todo eso, el Cordero de Dios ha derramado Su preciosa sangre, y esa sangre limpia de todo pecado.”
“Vendrá el enemigo como río”, leemos, “mas el Espíritu de Jehová levantará bandera contra él”: la bandera manchada de sangre del Redentor crucificado; y venir a refugiarse bajo este estandarte teñido en sangre es hacer frente a Satanás. Con todo, la victoria aún no se ha obtenido plenamente. Solo cuando la sangre viene al corazón, cuando es rociada sobre la conciencia, manifestada y aplicada al alma, Satanás es puesto en fuga eficazmente.
Al lector…
¡Con qué ferocidad puede Satanás asaltarle con sus acusaciones! ¿Le dice que usted ha pecado contra la luz y la conciencia, que su corazón es malo y su naturaleza depravada? No necesita contradecirle; todo es demasiado cierto. Pero no le deje tener la última palabra. Porque por encima de todo esto está esto otro: el Cordero de Dios ha derramado Su preciosa sangre, y esta sangre limpia de todo pecado.
¿Ve usted esa sangre todavía solo de lejos, como el débil destello de un faro sobre aguas agitadas? No desprecie esa luz; es un lucero de la mañana que anuncia la salida del sol. Mantenga los ojos fijos en ella y clame al Señor que rocíe la sangre en su corazón y sobre su conciencia. Entonces hallará que el enemigo no puede mantenerse en pie donde se levanta la bandera del Redentor crucificado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl