6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Jezus is „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekering en vergeving der zonden.” Deze twee gaan tezamen. Wanneer Hij bekering geeft, geeft Hij vergeving; wanneer Hij vergeving geeft, geeft Hij bekering. Het kan niet dat het berouw uitblijve. Elk kind van God wordt tot berouw over zijn zonden gebracht en door zijn berouw om er afstand van te doen.
„Maar,” zegt gij, „heb ik berouw? De aard en de grootte mijner zonde ziende, zou ik, zo ik een berouwhebbend zondaar was, voorzeker de gehele dag treuren en smart gevoelen over mijn zonden.” Wat wekt dan die twijfel in uw gemoed? Komt het omdat gij dikwijls hard, duister, dood, koud zijt? Hier moeten wij weder onderscheid maken tussen treuren om de zonden, hetwelk uit God is en in het geestelijk gemoed gevonden wordt, en die hardheid en duisternis van ons vleselijk gemoed, dat steeds vijandschap is tegen God; ook wordt daarin geen geloof, geen liefde, geen berouw of iets goeds gevonden.
Maar er zijn tijden en gelegenheden geweest toen uw hart onder een bijzondere invloed werd vertederd en voor God wegsmolt; toen er werkelijk berouw was over de zonde; toen gij gevoeldet dat het inderdaad een boze en bittere zaak was tegen zulk een goede, heilige en zo grote en heerlijke God te zondigen; toen de rots smolt en het harde hart bezweek; de ogen van tranen overvloeiden en de zwellende borst op het punt stond van te barsten door gevoel van berouw over uw zonden en over het lijden en de smarten van de Zoon en het Lam Gods, en gij u slechts in stof en as kondet verootmoedigen voor Zijn heilig en alziend oog.
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei,
mijn zak ontbonden en mij weer
met vreugd omgord, opdat mijn eer
niet zwijg’: zo klimt uw lof naar boven.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven!
Ps. 30:8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u met angst vraagt: „Heb ik wel berouw?” Misschien ziet u zoveel hardheid, duisternis, doodsheid en koudheid in uzelf, dat u meent dat er van waar berouw bij u geen sprake kan zijn. Bedenk dan dat ons vleselijk gemoed altijd hard en vijandig blijft; daarin wordt nooit iets goeds gevonden. Maar zijn er niet tijden geweest dat uw hart voor God wegsmolt, dat de zonde u bitter werd, en dat u zich in stof en as verootmoedigde voor Zijn heilig oog?
Dat berouw komt niet uit uzelf. Jezus is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving der zonden, en deze twee gaan tezamen. Waar Hij de een geeft, geeft Hij ook de ander. Zoek het dan niet in uw eigen hart, maar bij Hem Die verhoogd is; Hij kan de rots doen smelten en het harde hart doen bezwijken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Jezus is „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekering en vergeving der zonden.” Deze twee gaan samen. Wanneer Hij bekering geeft, geeft Hij vergeving; wanneer Hij vergeving geeft, geeft Hij bekering. Het kan niet zo zijn dat het berouw uitblijft. Elk kind van God wordt tot berouw over zijn zonden gebracht, en door zijn berouw ertoe gebracht ze los te laten.
„Maar,” zegt u, „heb ik berouw? De aard en de grootte mijner zonde ziende, zou ik, zo ik een berouwhebbend zondaar was, voorzeker de gehele dag treuren en smart gevoelen over mijn zonden.” Wat wekt die twijfel dan in uw gemoed? Komt het doordat u vaak hard, duister, dood en koud bent? Hier moeten we opnieuw onderscheid maken tussen het treuren over de zonden, dat uit God is en in het geestelijke gemoed gevonden wordt, en de hardheid en duisternis van ons vleselijk gemoed, dat altijd vijandschap is tegen God. Daarin wordt ook geen geloof, geen liefde, geen berouw of iets goeds gevonden.
Maar er zijn tijden en gelegenheden geweest dat uw hart onder een bijzondere invloed vertederd werd en voor God wegsmolt. Toen was er werkelijk berouw over de zonde. Toen voelde u dat het werkelijk een boze en bittere zaak was om te zondigen tegen zo’n goede, heilige, grote en heerlijke God. Toen smolt de rots en bezweek het harde hart. De ogen vloeiden over van tranen en de zwellende borst stond op het punt te barsten van berouw over uw zonden en over het lijden en de smarten van de Zoon en het Lam van God, en u kon zich alleen maar in stof en as verootmoedigen voor Zijn heilig en alziend oog.
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei,
mijn zak ontbonden en mij weer
met vreugd omgord, opdat mijn eer
niet zwijg’: zo klimt uw lof naar boven.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven!
Ps. 30:8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u met angst vraagt: „Heb ik wel berouw?” Misschien ziet u zoveel hardheid, duisternis, doodsheid en koudheid in uzelf, dat u meent dat er bij u van waar berouw geen sprake kan zijn. Bedenk dan dat ons vleselijk gemoed altijd hard en vijandig blijft; daarin wordt nooit iets goeds gevonden. Maar zijn er geen tijden geweest dat uw hart voor God wegsmolt, dat de zonde u bitter werd, en dat u zich in stof en as verootmoedigde voor Zijn heilig oog?
Dat berouw komt niet uit uzelf. Jezus is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving der zonden, en deze twee gaan samen. Waar Hij het een geeft, geeft Hij ook het ander. Zoek het dan niet in uw eigen hart, maar bij Hem Die verhoogd is; Hij kan de rots doen smelten en het harde hart doen bezwijken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Him hath God exalted with His right hand to be a Prince and a Saviour, for to give repentance to Israel, and forgiveness of sins.
Acts 5:31
Jesus is “exalted to be a Prince and a Saviour to give repentance and remission of sins.” The two go together. Whenever He gives repentance, He gives remission; wherever He grants remission, He bestows repentance. It will not do to let repentance go. Every child of God is brought to repent of his sins, and by repentance to forsake them. “But,” you say, “have I repented? Considering the nature and magnitude of my sins, were I a repenting sinner, surely I should be mourning and sorrowing over them all the day long.”
What, then, creates that doubt in your mind? Because you are often hard, dark, dead, cold. Here, then, again, we must distinguish between that godly sorrow for sin which is felt in the spiritual mind, and that hardness and darkness of our carnal mind which is still enmity against God, nor is there faith or love, repentance, or any one good thing in it.
But there have been times and seasons when, under a peculiar influence, your heart was softened and melted before God; when sin was truly repented of; when you felt that it was indeed an evil and a bitter thing to sin against so good, so holy, and so great and glorious a God; when the rock melted, the hard heart gave way, the eyes flowed down with tears, and the swelling breast was almost ready to burst with penitential grief for your sins, and over the sufferings and sorrows of the Son and Lamb of God, and you could only loathe yourself in dust and ashes before His holy, heart-searching eye.
To the reader…
It may be that you ask anxiously: “Have I truly repented?” Perhaps you see so much hardness, darkness, deadness and coldness in yourself that you think there can be no question of true repentance in you. Then remember that our carnal mind always remains hard and at enmity; no good thing is ever found in it. But have there not been times when your heart melted before God, when sin became bitter to you, and when you humbled yourself in dust and ashes before His holy eye?
That repentance does not come from yourself. Jesus is exalted to be a Prince and a Saviour, to give repentance and forgiveness of sins, and these two go together. Where He gives the one, He also gives the other. So do not look for it in your own heart, but in Him Who is exalted; He can make the rock melt and the hard heart give way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Este ha Dios ensalzado con Su diestra por Príncipe y Salvador, para dar a Israel arrepentimiento y remisión de pecados.
Hechos 5:31
Jesús está “ensalzado por Príncipe y Salvador, para dar arrepentimiento y remisión de pecados”. Las dos cosas van juntas. Siempre que Él da arrepentimiento, da remisión; dondequiera que concede remisión, otorga arrepentimiento. No sirve dejar de lado el arrepentimiento. Todo hijo de Dios es llevado a arrepentirse de sus pecados, y por el arrepentimiento a abandonarlos. “Pero”, dice usted, “¿me he arrepentido? Considerando la naturaleza y la magnitud de mis pecados, si yo fuera un pecador arrepentido, sin duda estaría llorando y doliéndome por ellos todo el día”.
¿Qué es, pues, lo que crea esa duda en su mente? Que a menudo está usted duro, oscuro, muerto, frío. Aquí, pues, de nuevo, debemos distinguir entre aquella tristeza piadosa por el pecado que se siente en la mente espiritual, y aquella dureza y oscuridad de nuestra mente carnal, que sigue siendo enemistad contra Dios, y en la cual no hay fe ni amor, ni arrepentimiento, ni cosa buena alguna.
Pero ha habido tiempos y ocasiones en que, bajo una influencia especial, su corazón se ablandó y se derritió delante de Dios; en que verdaderamente se arrepintió del pecado; en que sintió que es en verdad cosa mala y amarga pecar contra un Dios tan bueno, tan santo, tan grande y glorioso; en que la roca se derritió, el corazón duro cedió, los ojos se deshicieron en lágrimas, y el pecho henchido estaba casi a punto de estallar de dolor penitente por sus pecados y por los padecimientos y dolores del Hijo y Cordero de Dios, y no podía sino aborrecerse a sí mismo en polvo y ceniza delante de Su ojo santo que escudriña el corazón.
Al lector…
Puede ser que usted pregunte con inquietud: “¿Me he arrepentido de veras?” Quizá vea en sí mismo tanta dureza, oscuridad, muerte y frialdad que piense que en usted no puede tratarse de verdadero arrepentimiento. Recuerde entonces que nuestra mente carnal sigue siempre dura y enemistada; en ella nunca se halla cosa buena. Pero ¿no ha habido tiempos en que su corazón se derritió delante de Dios, en que el pecado se le hizo amargo, y en que se humilló en polvo y ceniza delante de Su ojo santo?
Ese arrepentimiento no procede de usted mismo. Jesús está ensalzado por Príncipe y Salvador, para dar arrepentimiento y remisión de pecados, y estas dos cosas van juntas. Donde da lo uno, da también lo otro. No lo busque, pues, en su propio corazón, sino en Aquel que está ensalzado; Él puede hacer que la roca se derrita y que el corazón duro ceda.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Geroepen tot de gemeenschap van Christus
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk roept door Zijn genade, is het om ze deelgenoten te maken van de hoogste zegeningen en de hoogste heerlijkheid die Hij aan mensen geven kan. En dat niet alleen voor de eeuwigheid, maar ook voor de tijd; zowel aan deze als aan de andere zijde van het graf. Daarom roept Hij hen toe door Zijn profeet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk roept uit de aardse vermaken, is het dan alleen om hen te voeren op paden van verdrukking en smart? Wil Hij dat ze de vleespotten van Egypte zullen verlaten om de hongerdood te sterven in een woeste, huilende wildernis?
Dit was de klacht van de vroegere murmureerders, die Mozes beschuldigden dat hij hen uit Egypte geleid had om hen van dorst te laten sterven. Ontneemt Hij hun de aardse vermaken om ze te verdoemen in ellende en wanhoop? O nee! Hij roept hen zelfs in deze tijd tot de grootste voorrechten en de hoogste gunst die Zijn eeuwige liefde hun kon schenken. Zij is niet minder dan „de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere”, opdat zij hier door genade gemeenschap zouden hebben met de Zoon van God, en hiernamaals deelgenoten van Zijn heerlijkheid zouden zijn.
Lezen: 1 Korinthe 1:1-17
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, hebt u de aardse vermaken moeten loslaten, en lijkt het u nu of de Heere u in een woeste, huilende wildernis gebracht heeft? Murmureert uw hart soms zoals Israël deed, alsof Hij u uit Egypte leidde om u van dorst te laten sterven? Hoor dan hoe Hij Zelf vraagt: „Ben Ik Israël een woestijn geweest?” Hij roept Zijn volk niet om het in ellende en wanhoop te laten omkomen.
God is getrouw. Waartoe heeft Hij u geroepen? Tot niets minder dan de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. Dat is het hoogste voorrecht dat Zijn eeuwige liefde kon schenken, en dat niet alleen aan gene zijde van het graf, maar ook nu, op de weg door de woestijn. Zie dan niet alleen op wat u verloren hebt, maar op Hem tot Wiens gemeenschap u geroepen bent. Die getrouw is, zal het ook doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk door Zijn genade roept, is het om hen deel te geven aan de hoogste zegeningen en de hoogste heerlijkheid die Hij aan mensen kan geven. En dat niet alleen voor de eeuwigheid, maar ook voor de tijd: zowel aan deze als aan de andere kant van het graf. Daarom roept Hij hun door Zijn profeet toe: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk wegroept uit de aardse vermaken, is het dan alleen om hen langs paden van verdrukking en smart te leiden? Wil Hij dat ze de vleespotten van Egypte verlaten om de hongerdood te sterven in een woeste, huilende wildernis?
Dat was de klacht van de murmureerders van vroeger, die Mozes ervan beschuldigden dat hij hen uit Egypte had geleid om hen van dorst te laten sterven. Neemt Hij hun de aardse vermaken af om hen in ellende en wanhoop te laten ondergaan? O nee! Hij roept hen zelfs nu al tot de grootste voorrechten en de hoogste gunst die Zijn eeuwige liefde hun kon schenken. Die roeping is niets minder dan „de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere”. Zo mogen zij hier door genade gemeenschap hebben met de Zoon van God, en straks deel hebben aan Zijn heerlijkheid.
Lezen: 1 Korinthe 1:1-17
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, hebt u de aardse vermaken moeten loslaten, en lijkt het u nu alsof de Heere u in een woeste, huilende wildernis gebracht heeft? Murmureert uw hart soms zoals Israël deed, alsof Hij u uit Egypte leidde om u van dorst te laten sterven? Hoor dan hoe Hij Zelf vraagt: „Ben Ik Israël een woestijn geweest?” Hij roept Zijn volk niet om het in ellende en wanhoop te laten omkomen.
God is getrouw. Waartoe heeft Hij u geroepen? Tot niets minder dan de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. Dat is het hoogste voorrecht dat Zijn eeuwige liefde kon schenken, en dat niet alleen aan de andere kant van het graf, maar ook nu, op de weg door de woestijn. Zie dan niet alleen op wat u verloren hebt, maar op Hem tot Wiens gemeenschap u geroepen bent. Die getrouw is, zal het ook doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is faithful, by Whom ye were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.
1 Corinthians 1:9
When God calls His people by His grace, it is to give them a share in the highest blessings and the highest glory that He can bestow upon men. And that not only for eternity, but also for time: on this side of the grave as well as on the other. Therefore He cries to them by His prophet, “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jeremiah 2:31). When the Lord calls His people away from earthly pleasures, is it only to lead them in paths of affliction and sorrow? Does He mean them to leave the fleshpots of Egypt to die of hunger in a waste howling wilderness?
That was the complaint of the murmurers of old, who accused Moses of having brought them out of Egypt to kill them with thirst. Does He take earthly pleasures from them to let them perish in misery and despair? O no! He calls them even now to the greatest privileges and the highest favour that His eternal love could bestow upon them. That calling is nothing less than “the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.” So here by grace they may have fellowship with the Son of God, and hereafter share in His glory.
Reading: 1 Corinthians 1:1-17
To the reader…
Weary pilgrim, have you had to let go of earthly pleasures, and does it now seem to you as though the Lord has brought you into a waste howling wilderness? Does your heart sometimes murmur as Israel did, as though He led you out of Egypt to let you die of thirst? Then hear how He Himself asks, “Have I been a wilderness unto Israel?” He does not call His people to let them perish in misery and despair.
God is faithful. To what has He called you? To nothing less than the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord. That is the highest privilege His eternal love could bestow, and that not only on the other side of the grave, but also now, on the way through the wilderness. Do not look, then, only at what you have lost, but to Him into Whose fellowship you have been called. Faithful is He that calleth you, Who also will do it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
1 Corintios 1:9
Cuando Dios llama a Su pueblo por Su gracia, es para darles parte en las más altas bendiciones y la más alta gloria que Él puede conceder a los hombres. Y eso no solo para la eternidad, sino también para el tiempo: de este lado del sepulcro así como del otro. Por eso les clama por Su profeta: “¿He sido Yo a Israel soledad, o tierra de tinieblas?” (Jeremías 2:31). Cuando el Señor llama a Su pueblo a apartarse de los placeres terrenales, ¿es solo para conducirlo por sendas de aflicción y tristeza? ¿Quiere que dejen las ollas de carne de Egipto para morir de hambre en un desierto horrible y yermo?
Esa era la queja de los murmuradores de antaño, que acusaban a Moisés de haberlos sacado de Egipto para matarlos de sed. ¿Les quita Él los placeres terrenales para dejarlos perecer en la miseria y la desesperación? ¡Oh no! Él los llama ya ahora a los mayores privilegios y al más alto favor que Su amor eterno podía concederles. Ese llamamiento no es nada menos que “la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”. Así, aquí por gracia pueden tener comunión con el Hijo de Dios, y en lo venidero participar de Su gloria.
Lectura: 1 Corintios 1:1-17
Al lector…
Peregrino cansado, ¿ha tenido que soltar los placeres terrenales, y le parece ahora como si el Señor lo hubiera traído a un desierto horrible y yermo? ¿Murmura a veces su corazón como Israel, como si Él lo hubiera sacado de Egipto para dejarlo morir de sed? Entonces oiga cómo Él mismo pregunta: “¿He sido Yo a Israel soledad?”. Él no llama a Su pueblo para dejarlo perecer en la miseria y la desesperación.
Fiel es Dios. ¿A qué lo ha llamado? A nada menos que a la comunión de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor. Ese es el más alto privilegio que Su amor eterno podía conceder, y eso no solo al otro lado del sepulcro, sino también ahora, en el camino por el desierto. No mire, pues, solo lo que ha perdido, sino a Aquel a cuya comunión ha sido llamado. Fiel es el que lo llama, el cual también lo hará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Het kermen der nooddruftigen.
Psalm 12:6
Het onderscheidend kenmerk en de onderscheidende gestalte van een nooddruftige ziel is, dat zij vol noden is. Dag op dag heeft zij er behoefte aan dat er Goddelijke werkelijkheden aan haar geopenbaard worden, en om de zoete genadestem in haar hart te horen. Namelijk de stem van Gods mond, dat zij een aangenomen kind is en dat zij zich als het ware mag baden in de zoete bekendmaking van de liefde en genade Gods. Zij gelooft dat in het vervullen van haar behoeften het merg van alle ware godsdienst en levende godzaligheid bestaat. Zo kan zij dus niet tevreden zijn met haar tegenwoordige noodtoestand, om die voor de ware godsdienst te houden.
Als zij in twijfel en vrees verkeert, of door zware verzoekingen heen moet worstelen en zij bittere dingen tegen zich schrijven moet, dan kan zij niet zeggen: dit is godsdienst. Doch wat zij nodig heeft, is iets verschillends van wat zij gevoelt, zelfs al heeft zij de gezegende getuigenissen en openbaringen dat zij één van des Heeren kinderen is, voorheen ontvangen. En ik ben uit zielsbevinding wel degelijk ervan overtuigd dat niets anders dan de toepassing der hemelse zegeningen aan de ziel een mens die het leven Gods deelachtig is, voldoening schenken kan.
Daarom lezen wij van de nooddruftige dat hij kermt of zucht: „Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen.” Hij zucht naar God en kermt in het innerlijke van zijn gemoed om de verheffing van het licht van Gods aangezicht; hij zucht onder het gewicht van het ongeloof, onder de last van zijn trouweloosheid, onder de kracht der verzoeking, onder de ellende van zijn hart, onder de vleselijkheid van zijn gemoed, onder de onvruchtbaarheid van zijn leven en van zijn domheid, onverschilligheid, onreinheid en verdorvenheid. Hij zucht tot de Heere onder de last dezer dingen, die als lood op zijn consciëntie liggen.
En hij smeekt de Heere of Hij slechts het licht Zijns aangezichts over hem wil verheffen, of Hij alleenlijk een zoet blijkje in zijn ziel wil doen afdruppen en Hij slechts één woordje tot zijn ziel belieft te spreken. Of Hij verlossing brengen wil en hem stellen wil in het licht, het leven, de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie des zaligen Gods.
Aan de lezer…
Zucht u, waarde lezer, onder de last van ongeloof, onder de kracht der verzoeking, onder de vleselijkheid en onvruchtbaarheid van uw eigen hart? Liggen deze dingen als lood op uw geweten, en kunt u niet tevreden zijn met wat u vroeger ontving? Dan hoort u bij de nooddruftigen, en het kermen der nooddruftigen is de Heere niet onbekend.
Het is geen teken van een dood hart dat u vol noden bent, maar van een levende ziel die niet buiten Gods zoete genadestem kan. Niets anders dan de toepassing van hemelse zegeningen zal u voldoening geven, en dat is goed. Kerm dan voort voor Zijn aangezicht en smeek dat Hij het licht Zijns aangezichts over u wil verheffen, dat Hij één woordje tot uw ziel wil spreken. Hij Die het zuchten van de ellendigen hoort, kan u stellen in de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het kermen der nooddruftigen.
Psalm 12:6
Het onderscheidende kenmerk en de onderscheidende gestalte van een nooddruftige ziel is dat zij vol noden is. Dag aan dag heeft zij er behoefte aan dat Goddelijke werkelijkheden aan haar geopenbaard worden, en om de zoete stem van de genade in haar hart te horen. Dat is de stem van Gods mond, die zegt dat zij een aangenomen kind is en dat zij als het ware mag baden in de zoete bekendmaking van Gods liefde en genade. Zij gelooft dat het merg van alle ware godsdienst en levende godzaligheid bestaat in het vervullen van haar behoeften. Daarom kan zij dus niet tevreden zijn met haar huidige noodtoestand en die voor de ware godsdienst houden.
Als zij in twijfel en vrees verkeert, of door zware verzoekingen heen moet worstelen en bittere dingen tegen zichzelf moet schrijven, dan kan zij niet zeggen: dit is godsdienst. Wat zij nodig heeft, is iets anders dan wat zij voelt, zelfs al heeft zij vroeger de gezegende getuigenissen en openbaringen ontvangen dat zij een van de kinderen van de Heere is. En uit zielsbevinding ben ik er vast van overtuigd dat niets anders dan de toepassing van de hemelse zegeningen aan de ziel een mens die deel heeft aan het leven van God, voldoening kan schenken.
Daarom lezen wij van de nooddruftige dat hij kermt of zucht: „Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen.” Hij zucht naar God en kermt in het binnenste van zijn gemoed om het verheffen van het licht van Gods aangezicht. Hij zucht onder het gewicht van het ongeloof, onder de last van zijn trouweloosheid, onder de kracht van de verzoeking, onder de ellende van zijn hart, onder de vleselijkheid van zijn gemoed, onder de onvruchtbaarheid van zijn leven, en onder zijn domheid, onverschilligheid, onreinheid en verdorvenheid. Hij zucht tot de Heere onder de last van deze dingen, die als lood op zijn geweten liggen.
En hij smeekt de Heere of Hij maar het licht van Zijn aangezicht over hem wil verheffen, of Hij maar een zoet blijk van Zijn gunst in zijn ziel wil laten neerdruppelen, en of het Hem behaagt maar één woordje tot zijn ziel te spreken. Of Hij verlossing wil brengen en hem wil stellen in het licht, het leven, de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie van de zalige God.
Aan de lezer…
Zucht u, lezer, onder de last van ongeloof, onder de kracht van de verzoeking, onder de vleselijkheid en onvruchtbaarheid van uw eigen hart? Liggen deze dingen als lood op uw geweten, en kunt u niet tevreden zijn met wat u vroeger ontving? Dan hoort u bij de nooddruftigen, en het kermen van de nooddruftigen is de Heere niet onbekend.
Het is geen teken van een dood hart dat u vol noden bent, maar van een levende ziel die niet zonder Gods zoete stem van genade kan. Niets anders dan de toepassing van hemelse zegeningen zal u voldoening geven, en dat is goed. Kerm dan voort voor Zijn aangezicht en smeek of Hij het licht van Zijn aangezicht over u wil verheffen, en één woordje tot uw ziel wil spreken. Hij Die het zuchten van de ellendigen hoort, kan u stellen in de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The sighing of the needy.”
Psalm 12:5
The distinguishing mark and character of a needy soul is to be full of needs. Day after day he needs divine realities to be revealed to his soul, to hear the sweet voice of mercy speaking into his heart, as from the lips of God Himself, that he is an accepted child, that he may bathe, as it were, in sweet manifestations of the love and mercy of God. In the supply of need he believes the marrow of all true religion and vital godliness to consist. So that he cannot take up with his present state of need for religion.
If he is in doubts and fears, or is passing through heavy temptations, and is writing bitter things against himself, he cannot say “this is religion;” but what he wants is something different from what he feels, even the blessed testimonies and manifestations that he is one of the Lord’s own dear family; and I am very well assured from soul experience, that nothing but the application of heavenly blessings to the soul can ever satisfy the man who has had life implanted in his heart by the hand of God Himself.
We therefore read of this needy person that he SIGHS. “For the oppression of the poor, for the sighing of the needy.” He is sighing after God; groaning in the depths of his soul after the lifting up of the light of God’s countenance; sighing under the weight of unbelief, the burden of infidelity, the power of temptation, the wretchedness of his heart, the carnality of his mind, the barrenness of his frame, his stupidity, his brutality, filth and corruption. He is sighing to the Lord under the burden of these things lying as a load on his conscience, and begging the Lord that He would only lift up the light of His countenance, that He would only drop one sweet testimony, that He would speak but one word to his soul, to bring with it sweet deliverance, and lift him out into all the light, and life, and liberty, and peace of the glorious gospel of the blessed God.
To the reader…
Are you sighing, reader, under the burden of unbelief, under the power of temptation, under the carnality and barrenness of your own heart? Do these things lie like lead on your conscience, and can you not be content with what you received in the past? Then you belong among the needy, and the sighing of the needy is not unknown to the Lord.
It is not the sign of a dead heart that you are full of needs, but of a living soul that cannot do without God’s sweet voice of mercy. Nothing but the application of heavenly blessings will satisfy you, and that is good. Go on sighing, then, before His face, and plead that He would lift up the light of His countenance upon you and speak one word to your soul. He Who hears the sighing of the needy can bring you into the liberty and peace of the glorious gospel.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El gemido de los menesterosos.”
Salmo 12:5
La marca y el carácter distintivos de un alma menesterosa es estar llena de necesidades. Día tras día necesita que se le revelen al alma realidades divinas, oír la dulce voz de la misericordia que le habla al corazón, como de los labios de Dios mismo, que él es un hijo aceptado, para bañarse, por así decirlo, en dulces manifestaciones del amor y la misericordia de Dios. En la provisión de esa necesidad cree él que consiste la médula de toda verdadera religión y piedad vital. De modo que no puede conformarse con tomar su presente estado de necesidad por religión.
Si está en dudas y temores, o pasa por pesadas tentaciones y escribe cosas amargas contra sí mismo, no puede decir: “Esto es religión”; sino que lo que quiere es algo distinto de lo que siente, a saber, los benditos testimonios y manifestaciones de que es uno de la amada familia del Señor; y estoy muy seguro, por experiencia del alma, de que nada sino la aplicación de bendiciones celestiales al alma puede satisfacer jamás al hombre en cuyo corazón ha sido implantada la vida por la mano de Dios mismo.
Por eso leemos de este menesteroso que GIME. “Por la opresión de los pobres, por el gemido de los menesterosos.” Gime en pos de Dios; gime en lo profundo de su alma porque se alce la luz del rostro de Dios; suspira bajo el peso de la incredulidad, la carga de la infidelidad, el poder de la tentación, la desdicha de su corazón, la carnalidad de su mente, la esterilidad de su estado, su torpeza, su embrutecimiento, su inmundicia y corrupción. Gime al Señor bajo la carga de estas cosas que pesan como un fardo sobre su conciencia, y ruega al Señor que tan solo alce la luz de Su rostro, que tan solo deje caer un dulce testimonio, que hable una sola palabra a su alma, que traiga consigo dulce liberación y lo saque a toda la luz, la vida, la libertad y la paz del glorioso evangelio del Dios bendito.
Al lector…
¿Gime usted, lector, bajo la carga de la incredulidad, bajo el poder de la tentación, bajo la carnalidad y la esterilidad de su propio corazón? ¿Pesan estas cosas como plomo sobre su conciencia, y no puede contentarse con lo que recibió en el pasado? Entonces pertenece usted a los menesterosos, y el gemido de los menesterosos no le es desconocido al Señor.
No es señal de un corazón muerto que usted esté lleno de necesidades, sino de un alma viva que no puede vivir sin la dulce voz de misericordia de Dios. Nada sino la aplicación de bendiciones celestiales le satisfará, y eso es bueno. Siga, pues, gimiendo delante de Su rostro, y ruegue que alce sobre usted la luz de Su rostro y hable una palabra a su alma. Aquel Que oye el gemido de los menesterosos puede llevarle a la libertad y la paz del glorioso evangelio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl