July 30
Het kermen der nooddruftigen.
Psalm 12:6
Het onderscheidend kenmerk en de onderscheidende gestalte van een nooddruftige ziel is, dat zij vol noden is. Dag op dag heeft zij er behoefte aan dat er Goddelijke werkelijkheden aan haar geopenbaard worden, en om de zoete genadestem in haar hart te horen. Namelijk de stem van Gods mond, dat zij een aangenomen kind is en dat zij zich als het ware mag baden in de zoete bekendmaking van de liefde en genade Gods. Zij gelooft dat in het vervullen van haar behoeften het merg van alle ware godsdienst en levende godzaligheid bestaat. Zo kan zij dus niet tevreden zijn met haar tegenwoordige noodtoestand, om die voor de ware godsdienst te houden.
Als zij in twijfel en vrees verkeert, of door zware verzoekingen heen moet worstelen en zij bittere dingen tegen zich schrijven moet, dan kan zij niet zeggen: dit is godsdienst. Doch wat zij nodig heeft, is iets verschillends van wat zij gevoelt, zelfs al heeft zij de gezegende getuigenissen en openbaringen dat zij één van des Heeren kinderen is, voorheen ontvangen. En ik ben uit zielsbevinding wel degelijk ervan overtuigd dat niets anders dan de toepassing der hemelse zegeningen aan de ziel een mens die het leven Gods deelachtig is, voldoening schenken kan.
Daarom lezen wij van de nooddruftige dat hij kermt of zucht: „Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen.” Hij zucht naar God en kermt in het innerlijke van zijn gemoed om de verheffing van het licht van Gods aangezicht; hij zucht onder het gewicht van het ongeloof, onder de last van zijn trouweloosheid, onder de kracht der verzoeking, onder de ellende van zijn hart, onder de vleselijkheid van zijn gemoed, onder de onvruchtbaarheid van zijn leven en van zijn domheid, onverschilligheid, onreinheid en verdorvenheid. Hij zucht tot de Heere onder de last dezer dingen, die als lood op zijn consciëntie liggen.
En hij smeekt de Heere of Hij slechts het licht Zijns aangezichts over hem wil verheffen, of Hij alleenlijk een zoet blijkje in zijn ziel wil doen afdruppen en Hij slechts één woordje tot zijn ziel belieft te spreken. Of Hij verlossing brengen wil en hem stellen wil in het licht, het leven, de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie des zaligen Gods.
Aan de lezer…
Zucht u, waarde lezer, onder de last van ongeloof, onder de kracht der verzoeking, onder de vleselijkheid en onvruchtbaarheid van uw eigen hart? Liggen deze dingen als lood op uw geweten, en kunt u niet tevreden zijn met wat u vroeger ontving? Dan hoort u bij de nooddruftigen, en het kermen der nooddruftigen is de Heere niet onbekend.
Het is geen teken van een dood hart dat u vol noden bent, maar van een levende ziel die niet buiten Gods zoete genadestem kan. Niets anders dan de toepassing van hemelse zegeningen zal u voldoening geven, en dat is goed. Kerm dan voort voor Zijn aangezicht en smeek dat Hij het licht Zijns aangezichts over u wil verheffen, dat Hij één woordje tot uw ziel wil spreken. Hij Die het zuchten van de ellendigen hoort, kan u stellen in de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het kermen der nooddruftigen.
Psalm 12:6
Het onderscheidende kenmerk en de onderscheidende gestalte van een nooddruftige ziel is dat zij vol noden is. Dag aan dag heeft zij er behoefte aan dat Goddelijke werkelijkheden aan haar geopenbaard worden, en om de zoete stem van de genade in haar hart te horen. Dat is de stem van Gods mond, die zegt dat zij een aangenomen kind is en dat zij als het ware mag baden in de zoete bekendmaking van Gods liefde en genade. Zij gelooft dat het merg van alle ware godsdienst en levende godzaligheid bestaat in het vervullen van haar behoeften. Daarom kan zij dus niet tevreden zijn met haar huidige noodtoestand en die voor de ware godsdienst houden.
Als zij in twijfel en vrees verkeert, of door zware verzoekingen heen moet worstelen en bittere dingen tegen zichzelf moet schrijven, dan kan zij niet zeggen: dit is godsdienst. Wat zij nodig heeft, is iets anders dan wat zij voelt, zelfs al heeft zij vroeger de gezegende getuigenissen en openbaringen ontvangen dat zij een van de kinderen van de Heere is. En uit zielsbevinding ben ik er vast van overtuigd dat niets anders dan de toepassing van de hemelse zegeningen aan de ziel een mens die deel heeft aan het leven van God, voldoening kan schenken.
Daarom lezen wij van de nooddruftige dat hij kermt of zucht: „Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen.” Hij zucht naar God en kermt in het binnenste van zijn gemoed om het verheffen van het licht van Gods aangezicht. Hij zucht onder het gewicht van het ongeloof, onder de last van zijn trouweloosheid, onder de kracht van de verzoeking, onder de ellende van zijn hart, onder de vleselijkheid van zijn gemoed, onder de onvruchtbaarheid van zijn leven, en onder zijn domheid, onverschilligheid, onreinheid en verdorvenheid. Hij zucht tot de Heere onder de last van deze dingen, die als lood op zijn geweten liggen.
En hij smeekt de Heere of Hij maar het licht van Zijn aangezicht over hem wil verheffen, of Hij maar een zoet blijk van Zijn gunst in zijn ziel wil laten neerdruppelen, en of het Hem behaagt maar één woordje tot zijn ziel te spreken. Of Hij verlossing wil brengen en hem wil stellen in het licht, het leven, de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie van de zalige God.
Aan de lezer…
Zucht u, lezer, onder de last van ongeloof, onder de kracht van de verzoeking, onder de vleselijkheid en onvruchtbaarheid van uw eigen hart? Liggen deze dingen als lood op uw geweten, en kunt u niet tevreden zijn met wat u vroeger ontving? Dan hoort u bij de nooddruftigen, en het kermen van de nooddruftigen is de Heere niet onbekend.
Het is geen teken van een dood hart dat u vol noden bent, maar van een levende ziel die niet zonder Gods zoete stem van genade kan. Niets anders dan de toepassing van hemelse zegeningen zal u voldoening geven, en dat is goed. Kerm dan voort voor Zijn aangezicht en smeek of Hij het licht van Zijn aangezicht over u wil verheffen, en één woordje tot uw ziel wil spreken. Hij Die het zuchten van de ellendigen hoort, kan u stellen in de vrijheid en de vrede van het heerlijk Evangelie.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The sighing of the needy.”
Psalm 12:5
The distinguishing mark and character of a needy soul is to be full of needs. Day after day he needs divine realities to be revealed to his soul, to hear the sweet voice of mercy speaking into his heart, as from the lips of God Himself, that he is an accepted child, that he may bathe, as it were, in sweet manifestations of the love and mercy of God. In the supply of need he believes the marrow of all true religion and vital godliness to consist. So that he cannot take up with his present state of need for religion.
If he is in doubts and fears, or is passing through heavy temptations, and is writing bitter things against himself, he cannot say “this is religion;” but what he wants is something different from what he feels, even the blessed testimonies and manifestations that he is one of the Lord’s own dear family; and I am very well assured from soul experience, that nothing but the application of heavenly blessings to the soul can ever satisfy the man who has had life implanted in his heart by the hand of God Himself.
We therefore read of this needy person that he SIGHS. “For the oppression of the poor, for the sighing of the needy.” He is sighing after God; groaning in the depths of his soul after the lifting up of the light of God’s countenance; sighing under the weight of unbelief, the burden of infidelity, the power of temptation, the wretchedness of his heart, the carnality of his mind, the barrenness of his frame, his stupidity, his brutality, filth and corruption. He is sighing to the Lord under the burden of these things lying as a load on his conscience, and begging the Lord that He would only lift up the light of His countenance, that He would only drop one sweet testimony, that He would speak but one word to his soul, to bring with it sweet deliverance, and lift him out into all the light, and life, and liberty, and peace of the glorious gospel of the blessed God.
To the reader…
Are you sighing, reader, under the burden of unbelief, under the power of temptation, under the carnality and barrenness of your own heart? Do these things lie like lead on your conscience, and can you not be content with what you received in the past? Then you belong among the needy, and the sighing of the needy is not unknown to the Lord.
It is not the sign of a dead heart that you are full of needs, but of a living soul that cannot do without God’s sweet voice of mercy. Nothing but the application of heavenly blessings will satisfy you, and that is good. Go on sighing, then, before His face, and plead that He would lift up the light of His countenance upon you and speak one word to your soul. He Who hears the sighing of the needy can bring you into the liberty and peace of the glorious gospel.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El gemido de los menesterosos.”
Salmo 12:5
La marca y el carácter distintivos de un alma menesterosa es estar llena de necesidades. Día tras día necesita que se le revelen al alma realidades divinas, oír la dulce voz de la misericordia que le habla al corazón, como de los labios de Dios mismo, que él es un hijo aceptado, para bañarse, por así decirlo, en dulces manifestaciones del amor y la misericordia de Dios. En la provisión de esa necesidad cree él que consiste la médula de toda verdadera religión y piedad vital. De modo que no puede conformarse con tomar su presente estado de necesidad por religión.
Si está en dudas y temores, o pasa por pesadas tentaciones y escribe cosas amargas contra sí mismo, no puede decir: “Esto es religión”; sino que lo que quiere es algo distinto de lo que siente, a saber, los benditos testimonios y manifestaciones de que es uno de la amada familia del Señor; y estoy muy seguro, por experiencia del alma, de que nada sino la aplicación de bendiciones celestiales al alma puede satisfacer jamás al hombre en cuyo corazón ha sido implantada la vida por la mano de Dios mismo.
Por eso leemos de este menesteroso que GIME. “Por la opresión de los pobres, por el gemido de los menesterosos.” Gime en pos de Dios; gime en lo profundo de su alma porque se alce la luz del rostro de Dios; suspira bajo el peso de la incredulidad, la carga de la infidelidad, el poder de la tentación, la desdicha de su corazón, la carnalidad de su mente, la esterilidad de su estado, su torpeza, su embrutecimiento, su inmundicia y corrupción. Gime al Señor bajo la carga de estas cosas que pesan como un fardo sobre su conciencia, y ruega al Señor que tan solo alce la luz de Su rostro, que tan solo deje caer un dulce testimonio, que hable una sola palabra a su alma, que traiga consigo dulce liberación y lo saque a toda la luz, la vida, la libertad y la paz del glorioso evangelio del Dios bendito.
Al lector…
¿Gime usted, lector, bajo la carga de la incredulidad, bajo el poder de la tentación, bajo la carnalidad y la esterilidad de su propio corazón? ¿Pesan estas cosas como plomo sobre su conciencia, y no puede contentarse con lo que recibió en el pasado? Entonces pertenece usted a los menesterosos, y el gemido de los menesterosos no le es desconocido al Señor.
No es señal de un corazón muerto que usted esté lleno de necesidades, sino de un alma viva que no puede vivir sin la dulce voz de misericordia de Dios. Nada sino la aplicación de bendiciones celestiales le satisfará, y eso es bueno. Siga, pues, gimiendo delante de Su rostro, y ruegue que alce sobre usted la luz de Su rostro y hable una palabra a su alma. Aquel Que oye el gemido de los menesterosos puede llevarle a la libertad y la paz del glorioso evangelio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl