July 30
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Jezus is „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekering en vergeving der zonden.” Deze twee gaan tezamen. Wanneer Hij bekering geeft, geeft Hij vergeving; wanneer Hij vergeving geeft, geeft Hij bekering. Het kan niet dat het berouw uitblijve. Elk kind van God wordt tot berouw over zijn zonden gebracht en door zijn berouw om er afstand van te doen.
„Maar,” zegt gij, „heb ik berouw? De aard en de grootte mijner zonde ziende, zou ik, zo ik een berouwhebbend zondaar was, voorzeker de gehele dag treuren en smart gevoelen over mijn zonden.” Wat wekt dan die twijfel in uw gemoed? Komt het omdat gij dikwijls hard, duister, dood, koud zijt? Hier moeten wij weder onderscheid maken tussen treuren om de zonden, hetwelk uit God is en in het geestelijk gemoed gevonden wordt, en die hardheid en duisternis van ons vleselijk gemoed, dat steeds vijandschap is tegen God; ook wordt daarin geen geloof, geen liefde, geen berouw of iets goeds gevonden.
Maar er zijn tijden en gelegenheden geweest toen uw hart onder een bijzondere invloed werd vertederd en voor God wegsmolt; toen er werkelijk berouw was over de zonde; toen gij gevoeldet dat het inderdaad een boze en bittere zaak was tegen zulk een goede, heilige en zo grote en heerlijke God te zondigen; toen de rots smolt en het harde hart bezweek; de ogen van tranen overvloeiden en de zwellende borst op het punt stond van te barsten door gevoel van berouw over uw zonden en over het lijden en de smarten van de Zoon en het Lam Gods, en gij u slechts in stof en as kondet verootmoedigen voor Zijn heilig en alziend oog.
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei,
mijn zak ontbonden en mij weer
met vreugd omgord, opdat mijn eer
niet zwijg’: zo klimt uw lof naar boven.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven!
Ps. 30:8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u met angst vraagt: „Heb ik wel berouw?” Misschien ziet u zoveel hardheid, duisternis, doodsheid en koudheid in uzelf, dat u meent dat er van waar berouw bij u geen sprake kan zijn. Bedenk dan dat ons vleselijk gemoed altijd hard en vijandig blijft; daarin wordt nooit iets goeds gevonden. Maar zijn er niet tijden geweest dat uw hart voor God wegsmolt, dat de zonde u bitter werd, en dat u zich in stof en as verootmoedigde voor Zijn heilig oog?
Dat berouw komt niet uit uzelf. Jezus is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving der zonden, en deze twee gaan tezamen. Waar Hij de een geeft, geeft Hij ook de ander. Zoek het dan niet in uw eigen hart, maar bij Hem Die verhoogd is; Hij kan de rots doen smelten en het harde hart doen bezwijken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Jezus is „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekering en vergeving der zonden.” Deze twee gaan samen. Wanneer Hij bekering geeft, geeft Hij vergeving; wanneer Hij vergeving geeft, geeft Hij bekering. Het kan niet zo zijn dat het berouw uitblijft. Elk kind van God wordt tot berouw over zijn zonden gebracht, en door zijn berouw ertoe gebracht ze los te laten.
„Maar,” zegt u, „heb ik berouw? De aard en de grootte mijner zonde ziende, zou ik, zo ik een berouwhebbend zondaar was, voorzeker de gehele dag treuren en smart gevoelen over mijn zonden.” Wat wekt die twijfel dan in uw gemoed? Komt het doordat u vaak hard, duister, dood en koud bent? Hier moeten we opnieuw onderscheid maken tussen het treuren over de zonden, dat uit God is en in het geestelijke gemoed gevonden wordt, en de hardheid en duisternis van ons vleselijk gemoed, dat altijd vijandschap is tegen God. Daarin wordt ook geen geloof, geen liefde, geen berouw of iets goeds gevonden.
Maar er zijn tijden en gelegenheden geweest dat uw hart onder een bijzondere invloed vertederd werd en voor God wegsmolt. Toen was er werkelijk berouw over de zonde. Toen voelde u dat het werkelijk een boze en bittere zaak was om te zondigen tegen zo’n goede, heilige, grote en heerlijke God. Toen smolt de rots en bezweek het harde hart. De ogen vloeiden over van tranen en de zwellende borst stond op het punt te barsten van berouw over uw zonden en over het lijden en de smarten van de Zoon en het Lam van God, en u kon zich alleen maar in stof en as verootmoedigen voor Zijn heilig en alziend oog.
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei,
mijn zak ontbonden en mij weer
met vreugd omgord, opdat mijn eer
niet zwijg’: zo klimt uw lof naar boven.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven!
Ps. 30:8
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u met angst vraagt: „Heb ik wel berouw?” Misschien ziet u zoveel hardheid, duisternis, doodsheid en koudheid in uzelf, dat u meent dat er bij u van waar berouw geen sprake kan zijn. Bedenk dan dat ons vleselijk gemoed altijd hard en vijandig blijft; daarin wordt nooit iets goeds gevonden. Maar zijn er geen tijden geweest dat uw hart voor God wegsmolt, dat de zonde u bitter werd, en dat u zich in stof en as verootmoedigde voor Zijn heilig oog?
Dat berouw komt niet uit uzelf. Jezus is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving der zonden, en deze twee gaan samen. Waar Hij het een geeft, geeft Hij ook het ander. Zoek het dan niet in uw eigen hart, maar bij Hem Die verhoogd is; Hij kan de rots doen smelten en het harde hart doen bezwijken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Him hath God exalted with His right hand to be a Prince and a Saviour, for to give repentance to Israel, and forgiveness of sins.
Acts 5:31
Jesus is “exalted to be a Prince and a Saviour to give repentance and remission of sins.” The two go together. Whenever He gives repentance, He gives remission; wherever He grants remission, He bestows repentance. It will not do to let repentance go. Every child of God is brought to repent of his sins, and by repentance to forsake them. “But,” you say, “have I repented? Considering the nature and magnitude of my sins, were I a repenting sinner, surely I should be mourning and sorrowing over them all the day long.”
What, then, creates that doubt in your mind? Because you are often hard, dark, dead, cold. Here, then, again, we must distinguish between that godly sorrow for sin which is felt in the spiritual mind, and that hardness and darkness of our carnal mind which is still enmity against God, nor is there faith or love, repentance, or any one good thing in it.
But there have been times and seasons when, under a peculiar influence, your heart was softened and melted before God; when sin was truly repented of; when you felt that it was indeed an evil and a bitter thing to sin against so good, so holy, and so great and glorious a God; when the rock melted, the hard heart gave way, the eyes flowed down with tears, and the swelling breast was almost ready to burst with penitential grief for your sins, and over the sufferings and sorrows of the Son and Lamb of God, and you could only loathe yourself in dust and ashes before His holy, heart-searching eye.
To the reader…
It may be that you ask anxiously: “Have I truly repented?” Perhaps you see so much hardness, darkness, deadness and coldness in yourself that you think there can be no question of true repentance in you. Then remember that our carnal mind always remains hard and at enmity; no good thing is ever found in it. But have there not been times when your heart melted before God, when sin became bitter to you, and when you humbled yourself in dust and ashes before His holy eye?
That repentance does not come from yourself. Jesus is exalted to be a Prince and a Saviour, to give repentance and forgiveness of sins, and these two go together. Where He gives the one, He also gives the other. So do not look for it in your own heart, but in Him Who is exalted; He can make the rock melt and the hard heart give way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Este ha Dios ensalzado con Su diestra por Príncipe y Salvador, para dar a Israel arrepentimiento y remisión de pecados.
Hechos 5:31
Jesús está “ensalzado por Príncipe y Salvador, para dar arrepentimiento y remisión de pecados”. Las dos cosas van juntas. Siempre que Él da arrepentimiento, da remisión; dondequiera que concede remisión, otorga arrepentimiento. No sirve dejar de lado el arrepentimiento. Todo hijo de Dios es llevado a arrepentirse de sus pecados, y por el arrepentimiento a abandonarlos. “Pero”, dice usted, “¿me he arrepentido? Considerando la naturaleza y la magnitud de mis pecados, si yo fuera un pecador arrepentido, sin duda estaría llorando y doliéndome por ellos todo el día”.
¿Qué es, pues, lo que crea esa duda en su mente? Que a menudo está usted duro, oscuro, muerto, frío. Aquí, pues, de nuevo, debemos distinguir entre aquella tristeza piadosa por el pecado que se siente en la mente espiritual, y aquella dureza y oscuridad de nuestra mente carnal, que sigue siendo enemistad contra Dios, y en la cual no hay fe ni amor, ni arrepentimiento, ni cosa buena alguna.
Pero ha habido tiempos y ocasiones en que, bajo una influencia especial, su corazón se ablandó y se derritió delante de Dios; en que verdaderamente se arrepintió del pecado; en que sintió que es en verdad cosa mala y amarga pecar contra un Dios tan bueno, tan santo, tan grande y glorioso; en que la roca se derritió, el corazón duro cedió, los ojos se deshicieron en lágrimas, y el pecho henchido estaba casi a punto de estallar de dolor penitente por sus pecados y por los padecimientos y dolores del Hijo y Cordero de Dios, y no podía sino aborrecerse a sí mismo en polvo y ceniza delante de Su ojo santo que escudriña el corazón.
Al lector…
Puede ser que usted pregunte con inquietud: “¿Me he arrepentido de veras?” Quizá vea en sí mismo tanta dureza, oscuridad, muerte y frialdad que piense que en usted no puede tratarse de verdadero arrepentimiento. Recuerde entonces que nuestra mente carnal sigue siempre dura y enemistada; en ella nunca se halla cosa buena. Pero ¿no ha habido tiempos en que su corazón se derritió delante de Dios, en que el pecado se le hizo amargo, y en que se humilló en polvo y ceniza delante de Su ojo santo?
Ese arrepentimiento no procede de usted mismo. Jesús está ensalzado por Príncipe y Salvador, para dar arrepentimiento y remisión de pecados, y estas dos cosas van juntas. Donde da lo uno, da también lo otro. No lo busque, pues, en su propio corazón, sino en Aquel que está ensalzado; Él puede hacer que la roca se derrita y que el corazón duro ceda.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl