6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid.
Kolossensen 3:16
Dit woord betekent meer wanneer men het meer dan oppervlakkig leest. Het is „in ons wonen”, dat wil zeggen, een vaste en duurzame woning in onze harten maken, en dat „rijkelijk”; niet arm en gering, maar ruim en overvloedig, ons de rijkdom zijner schatten blootleggende en ze ons schenkende, en dat in „alle wijsheid”, ons wijs makende tot zaligheid, terwijl voor ons de veelzijdige wijsheid van God wordt geopend, en hoe deze zich openbaart in het grote geheim der godzaligheid. Nu zullen wij niet tot die rijke en hemelse wijsheid komen, tenzij wij de Schriften met smekingen en gebeden bestuderen, ten einde te verstaan wat de Heilige Geest daarin heeft geopenbaard en wat Hij daaruit voor ons wil ontvouwen van de wil en de weg Gods voor onze lering en onze eigen troost.
Wij vallen zeer gemakkelijk af van het blijven in Christus; ook kunnen wij niet verwachten gevoelige vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus te houden, indien wij die middelen der genade verwaarlozen welke de Heilige Geest heeft gegeven om het leven Gods in de ziel te bewaren. Wanneer wij onverschillig, traag en dodig worden, wordt het lezen van Gods Woord een taak en een last; maar niet zo wanneer het leven Gods warm en stromende is in de ziel. Wanneer men dan Zijn Woord met smeking en gebeden leest, door het geloof in zijn verborgen schatten binnentreedt en uit de Geest van Christus, erin verborgen, drinkt, dan is dit een zalig middel om het leven Gods in het hart en de vereniging en gemeenschap met Christus te onderhouden.
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis.
Dus zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren,
want d’ oopning van Uw woorden zal gewis
gelijk een licht het donker op doen klaren.
Zij geeft verstand aan slechten, wie ’t gemis
van zulk een glans een eeuw’ge nacht zou baren.
Ps. 119:65
Aan de lezer…
Is het lezen van Gods Woord u een taak en een last geworden, lezer? Slaat u de Bijbel open uit plicht, en legt u hem weer neer zonder dat er iets in uw hart is blijven hangen? Ik ken dat; wanneer wij traag en dodig worden, wordt de Schrift ons zwaar. Maar laat u daardoor niet van het Woord afhouden, want juist het verwaarlozen van de middelen der genade doet ons verder afvallen.
Lees dan met smeking en gebed. Vraag of de Heilige Geest u wil ontvouwen wat Hij daarin geopenbaard heeft, tot uw lering en uw eigen troost. Het woord van Christus wil niet als een vreemdeling bij u aankloppen, maar rijkelijk in u wonen, ruim en overvloedig, en u wijs maken tot zaligheid. Wie zo door het geloof binnentreedt in zijn verborgen schatten, drinkt uit de Geest van Christus en vindt gemeenschap met Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid.
Kolossensen 3:16
Dit woord betekent meer wanneer men het niet alleen oppervlakkig leest. Het spreekt van „in ons wonen”, dat wil zeggen: een vaste en blijvende woning in ons hart maken. En dat „rijkelijk”: niet arm en karig, maar ruim en overvloedig, zodat het de rijkdom van zijn schatten voor ons blootlegt en ze ons schenkt. En dat „in alle wijsheid”: het maakt ons wijs tot zaligheid, terwijl de veelvoudige wijsheid van God voor ons geopend wordt, en ook hoe die zich openbaart in het grote geheimenis van de godzaligheid. Nu zullen wij niet tot die rijke en hemelse wijsheid komen, tenzij wij de Schriften met smekingen en gebeden onderzoeken, om te verstaan wat de Heilige Geest daarin geopenbaard heeft en wat Hij daaruit voor ons wil ontvouwen van de wil en de weg van God, tot onze lering en onze eigen troost.
Wij raken heel gemakkelijk af van het blijven in Christus. Ook kunnen wij niet verwachten dat wij voelbare vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus houden, als wij de middelen van de genade verwaarlozen die de Heilige Geest gegeven heeft om het leven van God in de ziel te bewaren. Wanneer wij onverschillig, traag en dodig worden, wordt het lezen van Gods Woord een taak en een last. Maar zo is het niet wanneer het leven van God warm is en in de ziel stroomt. Wanneer men dan Zijn Woord met smeking en gebed leest, door het geloof binnengaat in zijn verborgen schatten en drinkt uit de Geest van Christus die daarin verborgen is, dan is dat een zalig middel om het leven van God in het hart te onderhouden, en ook de vereniging en gemeenschap met Christus.
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis.
Dus zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren,
want d’ oopning van Uw woorden zal gewis
gelijk een licht het donker op doen klaren.
Zij geeft verstand aan slechten, wie ’t gemis
van zulk een glans een eeuw’ge nacht zou baren.
Ps. 119:65
Aan de lezer…
Is het lezen van Gods Woord u een taak en een last geworden, lezer? Slaat u de Bijbel open uit plicht, en legt u hem weer neer zonder dat er iets in uw hart is blijven hangen? Ik ken dat; wanneer wij traag en dodig worden, wordt de Schrift ons zwaar. Maar laat u daardoor niet van het Woord afhouden, want juist het verwaarlozen van de middelen van de genade doet ons verder afglijden.
Lees dan met smeking en gebed. Vraag of de Heilige Geest u wil ontvouwen wat Hij daarin geopenbaard heeft, tot uw lering en uw eigen troost. Het woord van Christus wil niet als een vreemdeling bij u aankloppen, maar rijkelijk in u wonen, ruim en overvloedig, en u wijs maken tot zaligheid. Wie zo door het geloof binnengaat in zijn verborgen schatten, drinkt uit de Geest van Christus en vindt gemeenschap met Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let the word of Christ dwell in you richly in all wisdom.
Colossians 3:16
This surely means something more than merely reading the Word in a careless, formal manner. It is “to dwell in us,” that is, take up its firm and lasting abode in our heart, and that “richly;” not poorly and niggardly, but copiously and abundantly, unfolding to us and putting us into possession of the wealth of its treasures; and that in “all wisdom,” making us wise to salvation, opening up to us the manifold wisdom of God, and how it displays itself in the great mystery of godliness.
Now we shall not attain to this rich and heavenly wisdom unless we search and study the Scriptures with prayer and supplication to understand what the Holy Spirit has revealed therein, and what He is pleased to unfold therefrom of the will and way of God for our own personal instruction and consolation.
We very easily fall off from abiding in Christ; nor can we expect to keep up sensible union and communion with the Lord Jesus if we neglect those means of grace which the Holy Spirit has provided for the sustentation of the life of God in the soul. When we get cold, sluggish, and dead, to read the Word of God is a task and a burden; but not so, when the life of God is warm and gushing in the soul. Then, to read His holy Word with prayer and supplication, entering by faith into its hidden treasures, and drinking into the mind of Christ as revealed therein, is a blessed means of maintaining the life of God in the heart, and keeping up union and communion with Christ.
To the reader…
Has reading God’s Word become a task and a burden to you? Do you open the Bible out of duty, and lay it down again without anything having stayed in your heart? I know that; when we become sluggish and dead, the Scriptures grow heavy to us. But do not let that keep you from the Word, for it is precisely the neglect of the means of grace that makes us slip further away.
Read, then, with prayer and supplication. Ask that the Holy Spirit would unfold to you what He has revealed therein, for your instruction and your own consolation. The word of Christ does not want to knock at your door as a stranger, but to dwell in you richly, copiously and abundantly, and to make you wise unto salvation. Whoever enters by faith into its hidden treasures in this way drinks into the mind of Christ and finds communion with Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La palabra de Cristo habite en vosotros en abundancia en toda sabiduría.
Colosenses 3:16
Esto significa sin duda algo más que simplemente leer la Palabra de una manera descuidada y formal. Ha de “habitar en nosotros”, es decir, establecer su morada firme y duradera en nuestro corazón, y eso “en abundancia”; no pobre y mezquinamente, sino copiosa y abundantemente, desplegándonos la riqueza de sus tesoros y poniéndonos en posesión de ella; y eso “en toda sabiduría”, haciéndonos sabios para la salvación, abriéndonos la multiforme sabiduría de Dios y cómo se manifiesta en el gran misterio de la piedad.
Ahora bien, no alcanzaremos esta rica y celestial sabiduría a menos que escudriñemos y estudiemos las Escrituras con oración y ruego para entender lo que el Espíritu Santo ha revelado en ellas, y lo que a Él Le place desplegar de ellas acerca de la voluntad y el camino de Dios para nuestra propia instrucción y consolación personal.
Con mucha facilidad dejamos de permanecer en Cristo; ni podemos esperar mantener una unión y comunión sensible con el Señor Jesús si descuidamos aquellos medios de gracia que el Espíritu Santo ha provisto para el sustento de la vida de Dios en el alma. Cuando nos volvemos fríos, perezosos y muertos, leer la Palabra de Dios es una tarea y una carga; pero no es así cuando la vida de Dios está cálida y brota en el alma. Entonces leer Su santa Palabra con oración y ruego, entrando por la fe en sus tesoros escondidos y bebiendo de la mente de Cristo tal como allí se revela, es un medio bendito para mantener la vida de Dios en el corazón y conservar la unión y comunión con Cristo.
Al lector…
¿Se ha vuelto para usted una tarea y una carga leer la Palabra de Dios? ¿Abre la Biblia por obligación y la vuelve a dejar sin que nada se haya quedado en su corazón? Conozco eso; cuando nos volvemos perezosos y muertos, las Escrituras se nos hacen pesadas. Pero no deje que eso le aparte de la Palabra, porque es precisamente el descuido de los medios de gracia lo que nos hace deslizarnos aún más lejos.
Lea, pues, con oración y ruego. Pida que el Espíritu Santo le despliegue lo que Él ha revelado en ella, para su instrucción y su propio consuelo. La palabra de Cristo no quiere llamar a su puerta como una extraña, sino habitar en usted en abundancia, copiosa y abundantemente, y hacerle sabio para la salvación. Quien entra así por la fe en sus tesoros escondidos bebe de la mente de Cristo y halla comunión con Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ hemelvaart
En Hij leidde hen tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel.
Lukas 24:50-51
Juist voor de Heere opsteeg naar de hemel, „sprak” Hij tot Zijn elf leerlingen, „bij hen komende, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Matt. 28:18). Voorafgaand aan Zijn opstanding verkeerde Hij in een toestand van vernedering en lijden, want „Hij was een weinig minder dan de engelen geworden” (Hebr. 2:9); „heeft Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood” (Fil. 2:8); was „een Man van smarten, en verzocht in krankheid” (Jes. 53:3); jawel, „een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk” (Ps. 22:6). Maar toen Hij opstond uit de doden, was Zijn vernedering voorbij en begon Zijn heerlijkheid, zoals Petrus zegt: „Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft” (1 Petr. 1:21).
Aldus betekende Zijn opstanding het begin van Zijn bemiddelende heerschappij, en Zijn hemelvaart betekende het in bezit nemen ervan, zoals Hij Zelf zei tegen de twee discipelen, toen Hij met hen naar Emmaüs reisde: „Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?” (Luk. 24:26). Toen Hij dus de heerlijkheid binnenging, nam Hij ook de troon van David in bezit, overeenkomstig de belofte die over Hem aan de maagd Maria was gedaan: „Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn” (Luk. 1:32, 33).
Hij werd toen „de Zoon des Allerhoogsten genaamd”, dat wil zeggen, openlijk als de Zoon van God verkondigd, bij en door Zijn opstanding: „Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden” (Rom. 1:4); en toen Hij ten hemel voer en werd gezet „tot Zijn rechterhand in de hemel” (Ps. 47:4; 68:18; Ef. 1:20), „ontving” Hij „een koninkrijk”, zoals Hij bekendmaakte in de gelijkenis van de edelman en zijn tien dienaren: „Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren” (Luk. 19:12). Het „vergelegen land” is de hemel; het „koninkrijk” dat wordt ontvangen is Zijn huidige bemiddelende heerschappij; en Zijn terugkeer is de wederkomst van de Heere. Hij ontving het koninkrijk niet alleen als een koninkrijk van genade en heerlijkheid, maar als een koninkrijk van gezag en macht. Alles werd toen onder Zijn voeten geplaatst, en alle macht in hemel en op aarde werd Hem gegeven.
Lezen: Lukas 24:36-53
Aan de lezer…
Bedenkt u wel dat het laatste wat de discipelen van hun Heere op aarde zagen, opgeheven handen waren die zegenden? Hij scheidde niet van hen met een verwijt, maar met een zegen. Kent u iets van die Man van smarten, Die Zichzelf vernederde tot de dood en Die nu met heerlijkheid gekroond is? Dan mag u weten dat dezelfde handen die eens doorboord werden, nu de scepter dragen.
Want Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Dat is geen koude leer voor het hoofd, maar een rijke troost voor een bestreden hart. Niets wat u drukt, staat buiten Zijn gezag; geen vijand die u benauwt, is niet onder Zijn voeten gelegd. En Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. Zie dan, als het donker wordt, op naar de troon waar Hij nu zit, en wacht op Hem, want Hij zal wederkeren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij leidde hen tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel.
Lukas 24:50-51
Vlak voordat de Heere naar de hemel opvoer, „sprak” Hij tot Zijn elf leerlingen, „bij hen komende, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Matt. 28:18). Vóór Zijn opstanding verkeerde Hij in een staat van vernedering en lijden, want „Hij was een weinig minder dan de engelen geworden” (Hebr. 2:9); Hij „heeft Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood” (Fil. 2:8); Hij was „een Man van smarten, en verzocht in krankheid” (Jes. 53:3); ja, „een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk” (Ps. 22:6). Maar toen Hij opstond uit de doden, was Zijn vernedering voorbij en begon Zijn heerlijkheid, zoals Petrus zegt: „Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft” (1 Petr. 1:21).
Zo was Zijn opstanding het begin van Zijn middelaarsheerschappij, en Zijn hemelvaart was de inbezitneming ervan. Hij zei dat Zelf tegen de twee discipelen, toen Hij met hen naar Emmaüs reisde: „Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?” (Luk. 24:26). Toen Hij dus de heerlijkheid binnenging, nam Hij ook de troon van David in bezit, overeenkomstig de belofte die over Hem aan de maagd Maria was gedaan: „Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn” (Luk. 1:32, 33).
Hij werd toen „de Zoon des Allerhoogsten genaamd”, dat wil zeggen: bij en door Zijn opstanding werd Hij openlijk als de Zoon van God verkondigd: „Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden” (Rom. 1:4). En toen Hij ten hemel voer en gezet werd „tot Zijn rechterhand in de hemel” (Ps. 47:4; 68:18; Ef. 1:20), „ontving” Hij „een koninkrijk”, zoals Hij bekendmaakte in de gelijkenis van de edelman en zijn tien dienaren: „Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren” (Luk. 19:12). Het „vergelegen land” is de hemel; het „koninkrijk” dat Hij ontvangt, is Zijn tegenwoordige middelaarsheerschappij; en Zijn terugkeer is de wederkomst van de Heere. Hij ontving het koninkrijk niet alleen als een koninkrijk van genade en heerlijkheid, maar ook als een koninkrijk van gezag en macht. Alles werd toen onder Zijn voeten gelegd, en alle macht in hemel en op aarde werd Hem gegeven.
Lezen: Lukas 24:36-53
Aan de lezer…
Bedenkt u wel dat het laatste wat de discipelen van hun Heere op aarde zagen, opgeheven handen waren die zegenden? Hij nam geen afscheid van hen met een verwijt, maar met een zegen. Kent u iets van die Man van smarten, Die Zichzelf vernederde tot de dood en Die nu met heerlijkheid gekroond is? Dan mag u weten dat dezelfde handen die eens doorboord werden, nu de scepter dragen.
Want Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Dat is geen koude leer voor het hoofd, maar een rijke troost voor een bestreden hart. Niets wat u drukt, staat buiten Zijn gezag; er is geen vijand die u benauwt, of hij is onder Zijn voeten gelegd. En Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. Zie dan, als het donker wordt, op naar de troon waarop Hij nu zit, en wacht op Hem, want Hij zal wederkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He led them out as far as to Bethany, and He lifted up His hands, and blessed them. And it came to pass, while He blessed them, He was parted from them, and carried up into heaven.
Luke 24:50-51
Just before the Lord ascended into heaven, He “came and spake unto” His eleven disciples, “saying, All power is given unto Me in heaven and in earth” (Matt. 28:18). Before His resurrection He was in a state of humiliation and suffering, for He “was made a little lower than the angels” (Heb. 2:9); He “humbled Himself, and became obedient unto death” (Phil. 2:8); He was “a Man of sorrows, and acquainted with grief” (Isa. 53:3); yea, “a worm, and no man; a reproach of men, and despised of the people” (Ps. 22:6). But when He rose from the dead, His humiliation was over and His glory began, as Peter says: “Who by Him do believe in God, that raised Him up from the dead, and gave Him glory” (1 Peter 1:21).
Thus His resurrection was the beginning of His mediatorial reign, and His ascension was the taking possession of it. He said so Himself to the two disciples, when He journeyed with them to Emmaus: “Ought not Christ to have suffered these things, and to enter into His glory?” (Luke 24:26). When, therefore, He entered into glory, He also took possession of the throne of David, according to the promise made concerning Him to the virgin Mary: “He shall be great, and shall be called the Son of the Highest: and the Lord God shall give unto Him the throne of His father David: and He shall reign over the house of Jacob for ever; and of His kingdom there shall be no end” (Luke 1:32, 33).
He was then “called the Son of the Highest,” that is, at and by His resurrection He was openly proclaimed the Son of God: “Declared to be the Son of God with power, according to the Spirit of holiness, by the resurrection from the dead” (Rom. 1:4). And when He ascended into heaven and was set “at His own right hand in the heavenly places” (Ps. 47:4; 68:18; Eph. 1:20), He “received a kingdom,” as He made known in the parable of the nobleman and his ten servants: “He said therefore, A certain nobleman went into a far country to receive for himself a kingdom, and to return” (Luke 19:12).
The “far country” is heaven; the “kingdom” which He receives is His present mediatorial reign; and His return is the second coming of the Lord. He received the kingdom not only as a kingdom of grace and glory, but also as a kingdom of authority and power. All things were then put under His feet, and all power in heaven and in earth was given unto Him.
Reading: Luke 24:36-53
To the reader…
Have you ever considered that the last thing the disciples saw of their Lord on earth was lifted hands that blessed them? He did not take leave of them with a reproach, but with a blessing. Do you know anything of that Man of sorrows, Who humbled Himself unto death and Who is now crowned with glory? Then you may know that the same hands which were once pierced now hold the sceptre.
For all power in heaven and in earth has been given to Him. That is no cold doctrine for the head, but a rich comfort for a sorely tried heart. Nothing that weighs upon you stands outside His authority; there is no enemy that distresses you but has been put under His feet. And of His kingdom there shall be no end. So when it grows dark, look up to the throne on which He now sits, and wait for Him, for He will come again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sacólos fuera hasta Betania, y alzando Sus manos, los bendijo. Y aconteció que bendiciéndolos, se fue de ellos; y era llevado arriba al cielo.
Lucas 24:50-51
Poco antes de que el Señor ascendiera al cielo, “llegando Jesús, les habló” a Sus once discípulos, “diciendo: Toda potestad me es dada en el cielo y en la tierra” (Mat. 28:18). Antes de Su resurrección estaba en un estado de humillación y sufrimiento, porque Él “fue hecho un poco menor que los ángeles” (Heb. 2:9); “se humilló a Sí mismo, hecho obediente hasta la muerte” (Fil. 2:8); era “varón de dolores, experimentado en quebranto” (Isa. 53:3); sí, “gusano, y no hombre; oprobio de los hombres, y desecho del pueblo” (Sal. 22:6). Pero cuando resucitó de entre los muertos, Su humillación terminó y comenzó Su gloria, como dice Pedro: “Que por Él creéis a Dios, el cual le resucitó de los muertos, y le ha dado gloria” (1 Pedro 1:21).
Así Su resurrección fue el comienzo de Su reinado como Mediador, y Su ascensión fue la toma de posesión de él. Él mismo lo dijo a los dos discípulos, cuando caminaba con ellos a Emaús: “¿No era necesario que el Cristo padeciera estas cosas, y que entrara en Su gloria?” (Lucas 24:26). Por tanto, cuando entró en la gloria, tomó también posesión del trono de David, conforme a la promesa hecha acerca de Él a la virgen María: “Este será grande, y será llamado Hijo del Altísimo: y le dará el Señor Dios el trono de David Su padre: y reinará en la casa de Jacob por siempre; y de Su reino no habrá fin” (Lucas 1:32, 33).
Entonces fue “llamado Hijo del Altísimo”, es decir, en Su resurrección y por ella fue proclamado abiertamente el Hijo de Dios: “El cual fue declarado Hijo de Dios con potencia, según el Espíritu de santidad, por la resurrección de los muertos” (Rom. 1:4). Y cuando ascendió al cielo y fue colocado “a Su diestra en los cielos” (Sal. 47:4; 68:18; Ef. 1:20), “tomó para Sí un reino”, como dio a conocer en la parábola del hombre noble y sus diez siervos: “Dijo pues: Un hombre noble partió a una provincia lejos, para tomar para sí un reino, y volver” (Lucas 19:12).
La “provincia lejos” es el cielo; el “reino” que Él recibe es Su presente reinado como Mediador; y Su regreso es la segunda venida del Señor. Recibió el reino no solo como un reino de gracia y de gloria, sino también como un reino de autoridad y poder. Todas las cosas fueron entonces puestas debajo de Sus pies, y toda potestad en el cielo y en la tierra le fue dada.
Lectura: Lucas 24:36-53
Al lector…
¿Ha considerado alguna vez que lo último que los discípulos vieron de su Señor en la tierra fueron unas manos alzadas que los bendecían? No se despidió de ellos con un reproche, sino con una bendición. ¿Conoce usted algo de ese Varón de dolores, que se humilló hasta la muerte y que ahora está coronado de gloria? Entonces puede saber que las mismas manos que una vez fueron traspasadas sostienen ahora el cetro.
Porque toda potestad en el cielo y en la tierra le ha sido dada. Eso no es una doctrina fría para la cabeza, sino un rico consuelo para un corazón duramente probado. Nada de lo que pesa sobre usted está fuera de Su autoridad; no hay enemigo que le angustie que no haya sido puesto debajo de Sus pies. Y de Su reino no habrá fin. Así que, cuando oscurezca, alce la mirada al trono en que Él está sentado ahora, y espérele, porque volverá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, in goedertierenheid en in barmhartigheden.
Hoséa 2:18
De gemeenschap met Christus begint hier beneden, in de tijd. Aan deze zijde der eeuwigheid is het dat de verborgenheid der huwelijksvereniging eerst wordt gekend; hier wordt de verloving aangegaan; hier de eerste kus der verlovingsliefde gegeven. De viering der bruiloft staat voor de deur, maar de oorspronkelijke verloving in de hemel en de geestelijke verloving op aarde maken Christus en de kerk voor eeuwig tot één. En wanneer dan de man verenigd wordt in en door de huwelijksband met zijn vrouw, dan verbindt hij zich daarbij haar te beminnen en lief te hebben, haar te voeden en te kleden, haar belangen te rekenen als zijn belangen, haar eer als zijn eer, haar blijdschap als zijn blijdschap.
Zo is het met de gezegende Heere Jezus: toen Hij in de eeuwige raad Zich de kerk aan Zich ondertrouwde, ondernam Hij voor haar te zijn en alles voor haar te doen wat tot haar geluk en eer, volkomenheid en heerlijkheid zou kunnen dienen. Zijn eigen woorden zijn: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” En wederom: „Want uw Maker is uw Man; Heere der heirscharen is Zijn Naam; en uw Verlosser is de Heilige Israëls; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.” „Want gelijk een jonkman een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw zonen u trouwen, en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.”
Er moet een vereniging plaatsvinden vóór er gemeenschap zijn kan, een huwelijk vóór het bezit, een lidmaatschap vóór het blijven in Christus en Hij in ons; een zijn in de wijnstok alvorens een rank uit de stam te voorschijn komen kan. Het is de Geest, Die ons het gemis van Hem ontdekt, opdat wij al onze benodigdheden in Hem zouden zoeken en van Hem verwachten; om in Hem te geloven ten eeuwigen leven en alzo te leven een leven des geloofs uit Hem. Door Zijn verborgen onderwijzingen, Zijn inwendige aanrakingen, genadige toelachingen, zoete influisteringen, zoete beloften, en meer in het bijzonder door de openbaringen van Zijn beminnelijke Persoon, volbracht werk, verzoenend bloed, rechtvaardigmakende gerechtigheid, smartelijk lijden en stervende liefde, wint Hij ons hart tot Hem in.
Hij neigt onze genegenheden en stelt Zich voor onze ogen als dragende de banier boven tienduizend, zijnde gans begeerlijk. Zo trekt Hij onze liefde en genegenheden tot Hem, en dit brengt de wereld onder onze voeten. Alle ware godsdienst en de beoefening daarvan komt ons toe door Zijn Geest, genade, tegenwoordigheid en kracht. Hij is onze Zon en zonder Hem is het geheel duister; Hij is ons leven en zonder Hem is alles dood. Hij is het begin en de Voleinder van ons geloof, het Voorwerp onzer liefde en de Grond onzer hoop.
Aan de lezer…
Hoort u, lieve lezer, hoe teder de Heere hier spreekt? „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, in goedertierenheid en in barmhartigheden.” Het is niet de bruid die de Bruidegom vindt, maar Hij Die haar zoekt en Zich aan haar verbindt, om voor haar te zijn en alles voor haar te doen. Misschien voelt u zich zo onwaardig, dat u niet durft te geloven dat zulke woorden voor u kunnen zijn.
Maar let op hoe Hij het hart inwint: niet door uw liefde eerst te eisen, maar door Zich te openbaren in Zijn verzoenend bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn stervende liefde. Het is de Geest Die u het gemis van Hem ontdekt, opdat u alles in Hem zou zoeken. Voelt u dat gemis? Dan is Hij al bezig u te trekken. Hij is uw Zon, zonder Wie alles duister is, en uw leven, zonder Wie alles dood is. Laat u door Hem winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, in goedertierenheid en in barmhartigheden.
Hoséa 2:18
De gemeenschap met Christus begint hier beneden, in de tijd. Aan deze zijde van de eeuwigheid wordt de verborgenheid van de huwelijksvereniging het eerst gekend. Hier wordt de verloving aangegaan, hier wordt de eerste kus van de verlovingsliefde gegeven. De viering van de bruiloft staat voor de deur, maar de oorspronkelijke verloving in de hemel en de geestelijke verloving op aarde maken Christus en de kerk voor eeuwig één. Wanneer een man door de huwelijksband met zijn vrouw verenigd wordt, verbindt hij zich daarmee haar te beminnen en lief te hebben, haar te voeden en te kleden, en haar belangen te rekenen als zijn belangen, haar eer als zijn eer en haar blijdschap als zijn blijdschap.
Zo is het met de gezegende Heere Jezus. Toen Hij Zich in de eeuwige raad de kerk ondertrouwde, nam Hij op Zich om er voor haar te zijn en alles voor haar te doen wat zou kunnen dienen tot haar geluk en eer, haar volkomenheid en heerlijkheid. Zijn eigen woorden zijn: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” En opnieuw: „Want uw Maker is uw Man; Heere der heirscharen is Zijn Naam; en uw Verlosser is de Heilige Israëls; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.” „Want gelijk een jonkman een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw zonen u trouwen, en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.”
Er moet een vereniging zijn voordat er gemeenschap kan zijn, een huwelijk vóór het bezit, een lidmaatschap vóór het blijven in Christus en Hij in ons; er moet een zijn in de wijnstok zijn voordat een rank uit de stam te voorschijn kan komen. Het is de Geest Die ons ontdekt dat wij Hem missen, opdat we alles wat we nodig hebben in Hem zouden zoeken en van Hem verwachten; om in Hem te geloven tot het eeuwige leven en zo een leven van het geloof uit Hem te leven. Door Zijn verborgen onderwijs, Zijn inwendige aanrakingen, genadige toelachingen, zoete influisteringen en zoete beloften, en vooral door de openbaringen van Zijn beminnelijke Persoon, Zijn volbrachte werk, verzoenend bloed, rechtvaardigmakende gerechtigheid, smartelijk lijden en stervende liefde, wint Hij ons hart voor Zich.
Hij neigt onze genegenheden en stelt Zich voor onze ogen als Hij Die de banier draagt boven tienduizend, Die gans begeerlijk is. Zo trekt Hij onze liefde en genegenheden naar Zich toe, en dat brengt de wereld onder onze voeten. Alle ware godsdienst en de beoefening daarvan komt ons toe door Zijn Geest, genade, tegenwoordigheid en kracht. Hij is onze Zon en zonder Hem is alles duister; Hij is ons leven en zonder Hem is alles dood. Hij is de Beginner en de Voleinder van ons geloof, het Voorwerp van onze liefde en de Grond van onze hoop.
Aan de lezer…
Hoort u hoe teder de Heere hier spreekt? „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, in goedertierenheid en in barmhartigheden.” Het is niet de bruid die de Bruidegom vindt, maar Hij Die haar zoekt en Zich aan haar verbindt, om er voor haar te zijn en alles voor haar te doen. Misschien voelt u zich zo onwaardig, dat u niet durft te geloven dat zulke woorden voor u kunnen zijn.
Maar let op hoe Hij het hart wint: niet door eerst uw liefde te eisen, maar door Zich te openbaren in Zijn verzoenend bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn stervende liefde. Het is de Geest Die u ontdekt dat u Hem mist, opdat u alles in Hem zou zoeken. Voelt u dat gemis? Dan is Hij al bezig u te trekken. Hij is uw Zon, zonder Wie alles duister is, en uw leven, zonder Wie alles dood is. Laat u door Hem winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will betroth thee unto Me for ever; yea, I will betroth thee unto Me in righteousness, and in judgment, and in lovingkindness, and in mercies.
Hosea 2:19
Communion with Christ begins below, in our time state. It is here that the mystery of the marriage union is first made known; here the espousals entered into; here the first kiss of betrothed love given. The ‘celebration of the marriage’ is to come; but the original betrothal in heaven and the spiritual espousals on earth make Christ and the Church eternally one.
As then the husband, when he becomes united to his wife in marriage ties, engages thereby to love her, cherish her, feed her, clothe her, count her interests his interests, her honor his honor, and her happiness his happiness, so the blessed Jesus, when in the councils of eternity, He betrothed the Church to Himself, undertook to be to her and do for her everything that should be for her happiness and honor, perfection and glory. His own words are, “I will betroth you unto Me forever; yes, I will betroth you unto Me in righteousness, and in judgment, and in loving-kindness, and in mercies. I will even betroth you unto Me in faithfulness; and you shall know the Lord.” And again, “For your Maker is your husband; the Lord of hosts is His name; and your Redeemer the Holy One of Israel; the God of the whole earth shall He be called.” “For as a young man marries a virgin, so shall your sons marry you; and as the bridegroom rejoices over the bride, so shall your God rejoice over you.”
There must be union before communion, marriage before possession, membership before abiding in Christ and He in us, a being in the vine before a branch issuing from the stem. It is the Spirit that quickens us to feel our need of Him; to seek all our supplies in Him and from Him; to believe in Him unto everlasting life, and thus live a life of faith upon Him. By His secret teachings, inward touches, gracious smiles, soft whispers, sweet promises, and more especially by manifestations of His glorious Person, finished work, atoning blood, justifying righteousness, agonizing sufferings and dying love, He draws the heart up to Himself.
He thus wins our affections, and setting Himself before our eyes as “the chief among ten thousand and altogether lovely,” draws out that love and affection towards Himself which puts the world under our feet. All religion flows from His Spirit and grace, presence and power. He is our sun, and without Him all is darkness; He is our life, and without Him all is death; He is the beginner and finisher of our faith, the substance of our hope, and the object of our love.
To the reader…
Do you hear how tenderly the Lord speaks here? “I will betroth thee unto Me for ever; yea, I will betroth thee unto Me in righteousness, and in judgment, and in lovingkindness, and in mercies.” It is not the bride who finds the Bridegroom, but He Who seeks her and binds Himself to her, to be there for her and to do everything for her. Perhaps you feel so unworthy that you do not dare to believe that such words could be meant for you.
But notice how He wins the heart: not by first demanding your love, but by revealing Himself in His atoning blood, His righteousness and His dying love. It is the Spirit Who makes you feel that you lack Him, so that you would seek everything in Him. Do you feel that lack? Then He is already drawing you. He is your Sun, without Whom all is dark, and your life, without Whom all is dead. Let yourself be won by Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y te desposaré conMigo para siempre; desposarte he conMigo en justicia, y juicio, y misericordia, y miseraciones.
Oseas 2:19
La comunión con Cristo comienza aquí abajo, en nuestro estado temporal. Es aquí donde por primera vez se da a conocer el misterio de la unión matrimonial; aquí se contraen los desposorios; aquí se da el primer beso del amor de prometidos. La “celebración de las bodas” está por venir; pero el desposorio original en el cielo y los desposorios espirituales en la tierra hacen de Cristo y la Iglesia una sola cosa para siempre.
Así como el marido, cuando se une a su esposa con los lazos del matrimonio, se compromete por ello a amarla, cuidarla, alimentarla, vestirla, considerar los intereses de ella como suyos, la honra de ella como su honra y la felicidad de ella como su felicidad, así el bendito Jesús, cuando en los consejos de la eternidad desposó consigo a la Iglesia, se comprometió a ser para ella y a hacer por ella todo cuanto fuese para su felicidad y honra, perfección y gloria. Sus propias palabras son: “Y te desposaré conMigo para siempre; desposarte he conMigo en justicia, y juicio, y misericordia, y miseraciones. Y te desposaré conMigo en fe, y conocerás a Jehová.” Y otra vez: “Porque tu marido es tu Hacedor; Jehová de los ejércitos es Su nombre: y tu Redentor, el Santo de Israel; Dios de toda la tierra será llamado.” “Pues como el mancebo se casa con la virgen, se casarán contigo tus hijos; y como el gozo del esposo con la esposa, así se gozará contigo el Dios tuyo.”
Tiene que haber unión antes que comunión, matrimonio antes que posesión, ser miembros antes que permanecer en Cristo y Él en nosotros, estar en la vid antes que una rama brote del tronco. Es el Espíritu quien nos vivifica para sentir nuestra necesidad de Él; para buscar toda nuestra provisión en Él y de Él; para creer en Él para vida eterna, y así vivir una vida de fe en Él. Por Sus enseñanzas secretas, Sus toques interiores, Sus sonrisas llenas de gracia, Sus suaves susurros, Sus dulces promesas, y más especialmente por las manifestaciones de Su gloriosa Persona, Su obra consumada, Su sangre expiatoria, Su justicia justificadora, Sus sufrimientos agonizantes y Su amor hasta la muerte, Él atrae el corazón hacia Sí.
Así gana nuestros afectos y, presentándose ante nuestros ojos como “señalado entre diez mil, y todo Él codiciable”, despierta ese amor y afecto hacia Él que pone el mundo bajo nuestros pies. Toda religión fluye de Su Espíritu y Su gracia, de Su presencia y Su poder. Él es nuestro sol, y sin Él todo es tinieblas; Él es nuestra vida, y sin Él todo es muerte; Él es el autor y consumador de nuestra fe, la sustancia de nuestra esperanza y el objeto de nuestro amor.
Al lector…
¿Oye usted con qué ternura habla aquí el Señor? “Y te desposaré conMigo para siempre; desposarte he conMigo en justicia, y juicio, y misericordia, y miseraciones.” No es la esposa quien encuentra al Esposo, sino Él quien la busca y se une a ella, para estar a su lado y hacerlo todo por ella. Quizá se sienta usted tan indigno que no se atreve a creer que tales palabras puedan ser para usted.
Pero observe cómo gana Él el corazón: no exigiendo primero su amor, sino revelándose en Su sangre expiatoria, Su justicia y Su amor hasta la muerte. Es el Espíritu quien le hace sentir que le falta Él, para que lo busque todo en Él. ¿Siente usted esa falta? Entonces Él ya le está atrayendo. Él es su Sol, sin el cual todo es oscuro, y su vida, sin la cual todo está muerto. Déjese ganar por Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl