vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Filippenzen 2:13
Wanneer God in een mens „het willen” heeft gewerkt, en niet alleen „het willen”, maar ook „het werken”; wanneer Hij hem gewillig heeft gemaakt om de toekomende toorn te ontvlieden; gewillig om verlost te worden door het verzoenend bloed en de rechtvaardigmaking van Jezus; gewillig om verlost te worden door soevereine genade; als een zondaar van alle hoop beroofd, en verlangend verlost te worden, op welke wijze het Gode behaagt hem te verlossen; gewillig om door het vuur te gaan, smart te ondergaan, en het nauwe en enge pad te bewandelen; gewillig om het kruis op te nemen en Jezus te volgen; gewillig om alle moeiten die over hem komen en alle laster die op hem mocht geworpen worden, te dragen; als God hem gewillig gemaakt heeft niets te zijn en niets anders te hebben dan wat God hem toeschikt, en bovendien God in hem werkende „het willen”, en „het werken” in hem gewerkt hebbende, werkt in hem het geloof om aan te nemen, de hoop waardoor hij ankert in het volbrachte werk van Christus, en de liefde waardoor hij zich geheel aan Hem vasthecht; wanneer nu dit alles geweest is „met vrezen en beven”, niet onbedacht voorwaarts lopende in vermetele laatdunkendheid; zich niet verlatende op de goede dunk van anderen; zijn godsdienst niet ontlenende aan leraars en boeken, maar door een wezenlijk werk van de Heilige Geest in het geweten; wanneer hij aldus met vrezen en beven heeft uitgewerkt wat God in hem heeft gewerkt, dan is hij tot de verlossing gekomen: de verlossing van de toekomende toorn, van de macht der zonde, van de misleiding van de Satan, van de blindheid en onkunde van zijn eigen hart.
Hij is gekomen tot een verlossing welke is Gods verlossing, omdat God in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen gewerkt heeft.
Nu stap ik rustig aan,
’k betreed een effen baan:
mijn God verhoort nu mijn gebed.
’k Zal Hem met blijde klanken
in zijn vergaad’ring danken,
wanneer zijn gunst mij heeft gered.
Ps. 26:12
Aan de lezer…
Is het u, lezer, wel eens een raadsel hoe u nu gewillig bent om de toekomende toorn te ontvlieden en verlost te worden door het verzoenend bloed van Jezus? Gewillig om niets te zijn, het kruis op te nemen en het nauwe pad te gaan? Die gewilligheid is niet uit uzelf gekomen. Het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Laat dat u ootmoedig en tegelijk getroost maken. Ootmoedig, omdat u uw godsdienst niet aan uzelf, aan leraars of aan boeken te danken hebt; getroost, omdat Hij, Die het willen gaf, ook geloof, hoop en liefde werkt. Wat God in u gewerkt heeft, mag u met vrezen en beven uitwerken, en het einde ervan is verlossing: van de toekomende toorn, van de macht der zonde, van de misleiding van de satan en van de blindheid van uw eigen hart. Dat is Gods verlossing, en daarom staat zij vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Filippenzen 2:13
Stel dat God in een mens „het willen” heeft gewerkt, en niet alleen „het willen”, maar ook „het werken”. Hij heeft hem gewillig gemaakt om de toekomende toorn te ontvluchten, gewillig om verlost te worden door het verzoenende bloed en de rechtvaardiging van Jezus, gewillig om verlost te worden door soevereine genade, als een zondaar die van alle hoop beroofd is en verlangt verlost te worden op welke manier het God ook behaagt hem te verlossen. Hij heeft hem gewillig gemaakt om door het vuur te gaan, smart te ondergaan en het nauwe en smalle pad te bewandelen; gewillig om het kruis op te nemen en Jezus te volgen; gewillig om alle moeiten die over hem komen en alle laster die op hem geworpen mag worden, te dragen. God heeft hem gewillig gemaakt om niets te zijn en niets anders te hebben dan wat God hem toebedeelt.
Bovendien werkt God, Die in hem „het willen” werkt en „het werken” in hem gewerkt heeft, in hem het geloof om aan te nemen, de hoop waardoor hij verankerd is in het volbrachte werk van Christus, en de liefde waardoor hij zich helemaal aan Hem hecht. Dit alles is gebeurd „met vrezen en beven”: niet onbezonnen voortrennend in vermetele verwaandheid, niet steunend op de goede mening van anderen, en zonder zijn godsdienst te ontlenen aan leraars en boeken, maar door een wezenlijk werk van de Heilige Geest in het geweten. Wanneer hij zo met vrezen en beven heeft uitgewerkt wat God in hem gewerkt heeft, dan is hij tot de verlossing gekomen. Het is de verlossing van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan, en van de blindheid en onwetendheid van zijn eigen hart.
Hij is gekomen tot een verlossing die Gods verlossing is, omdat God in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen gewerkt heeft.
Nu stap ik rustig aan,
’k betreed een effen baan:
mijn God verhoort nu mijn gebed.
’k Zal Hem met blijde klanken
in zijn vergaad’ring danken,
wanneer zijn gunst mij heeft gered.
Ps. 26:12
Aan de lezer…
Is het u, lezer, weleens een raadsel hoe u nu gewillig bent om de toekomende toorn te ontvluchten en verlost te worden door het verzoenende bloed van Jezus? Gewillig om niets te zijn, het kruis op te nemen en het nauwe pad te gaan? Die gewilligheid is niet uit uzelf gekomen. Het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Laat dat u ootmoedig en tegelijk getroost maken. Ootmoedig, omdat u uw godsdienst niet aan uzelf, aan leraars of aan boeken te danken hebt; getroost, omdat Hij Die het willen gaf, ook geloof, hoop en liefde werkt. Wat God in u gewerkt heeft, mag u met vrezen en beven uitwerken, en het einde ervan is verlossing: van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan en van de blindheid van uw eigen hart. Dat is Gods verlossing, en daarom staat zij vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For it is God which worketh in you both to will and to do of his good pleasure.
Philippians 2:13
When God has worked in a man “to will,” and not only worked in him “to will,” but also worked in him “to do;” when He has made him willing to flee from the wrath to come; willing to be saved by the atoning blood and justifying righteousness of Jesus; willing to be saved by sovereign grace as a sinner undone without hope, and glad to be saved in whatever way God is pleased to save him; willing to pass through the fire, to undergo affliction, and to walk in the strait and narrow path; willing to take up the cross and follow Jesus; willing to bear all the troubles which may come upon him, and all the slanders which may be heaped upon his name; when God has made him willing to be nothing, and to have nothing but as God makes him the one, and gives him the other–and besides working in him “to will,” has worked in him “to do,” worked in him faith to believe, hope whereby he anchors in the finished work of Christ, and love whereby he cleaves to Him with purpose of heart; when all this has been “with fear and trembling,” not rushing heedlessly on in daring presumption, not buoyed up by the good opinion of others, not taking up his religion from ministers and books; but by a real genuine work of the Holy Spirit in the conscience; when he has thus worked out with fear and trembling what God has worked in, he has got at salvation; at salvation from wrath to come, from the power of sin, from an empty profession; at salvation from the flesh, from the delusions of Satan, from the blindness and ignorance of his own heart; he has got at a salvation which is God’s salvation, because God has worked in him to will and to do of His good pleasure.
To the reader…
Is it ever a wonder to you how you have now become willing to flee from the wrath to come and to be saved by the atoning blood of Jesus? Willing to be nothing, to take up the cross and to walk the narrow path? That willingness did not come from yourself. It is God Who works in you both to will and to do of His good pleasure.
Let that make you humble and comforted at the same time. Humble, because you do not owe your religion to yourself, to ministers or to books; comforted, because He Who gave the willing also works faith, hope and love. What God has worked in you, you may work out with fear and trembling, and its end is salvation: from the wrath to come, from the power of sin, from the delusions of Satan and from the blindness of your own heart. That is God’s salvation, and that is why it stands firm.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Dios es el que en vosotros obra así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Filipenses 2:13
Cuando Dios ha obrado en un hombre “el querer”, y no solo ha obrado en él “el querer”, sino que también ha obrado en él “el hacer”; cuando le ha hecho dispuesto a huir de la ira venidera; dispuesto a ser salvo por la sangre expiatoria y la justicia justificadora de Jesús; dispuesto a ser salvo por la gracia soberana como un pecador perdido y sin esperanza, y contento de ser salvo de cualquier manera que a Dios le plazca salvarle; dispuesto a pasar por el fuego, a sufrir aflicción y a andar por la senda estrecha y angosta; dispuesto a tomar la cruz y seguir a Jesús; dispuesto a llevar todas las tribulaciones que puedan venir sobre él, y todas las calumnias que puedan amontonarse sobre su nombre; cuando Dios le ha hecho dispuesto a no ser nada, y a no tener nada sino en la medida en que Dios le hace lo uno y le da lo otro; y, además de obrar en él “el querer”, ha obrado en él “el hacer”, ha obrado en él fe para creer, esperanza por la cual se ancla en la obra consumada de Cristo, y amor por el cual se allega a Él con propósito de corazón; cuando todo esto ha sido “con temor y temblor”, no precipitándose desatentadamente en osada presunción, no sostenido por la buena opinión de otros, no tomando su religión de ministros y de libros, sino por una obra real y genuina del Espíritu Santo en la conciencia; cuando así ha ocupado con temor y temblor lo que Dios ha obrado en él, ha alcanzado la salvación; la salvación de la ira venidera, del poder del pecado, de una profesión vacía; la salvación de la carne, de los engaños de Satanás, de la ceguera y la ignorancia de su propio corazón; ha alcanzado una salvación que es la salvación de Dios, porque Dios ha obrado en él el querer y el hacer por Su buena voluntad.
Al lector…
¿Le asombra a veces cómo ha llegado usted a estar dispuesto a huir de la ira venidera y a ser salvo por la sangre expiatoria de Jesús? ¿Dispuesto a no ser nada, a tomar la cruz y a andar por la senda angosta? Esa disposición no vino de usted mismo. Es Dios Quien obra en usted así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Que eso le haga humilde y, al mismo tiempo, le consuele. Humilde, porque no debe su religión a sí mismo, ni a ministros ni a libros; consolado, porque Aquel que le dio el querer obra también la fe, la esperanza y el amor. Lo que Dios ha obrado en usted, usted puede ocuparlo con temor y temblor, y su fin es la salvación: de la ira venidera, del poder del pecado, de los engaños de Satanás y de la ceguera de su propio corazón. Esa es la salvación de Dios, y por eso permanece firme.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hebreeën 4:16
Er is een genadetroon. Maar wat is de genadetroon? Er wordt gezegd: „Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms” (Jer. 17:12). Het is de Persoon van Christus, waar de genade regeert door middel van gerechtigheid tot het eeuwige leven; waar de genade overvloediger is dan de zonde; waar de genade haar overwinnende scepter zwaait over zonde, dood en hel. Hij is de genadetroon waar de kinderen van de Heere naartoe worden uitgenodigd: de troon van barmhartigheid van waaraf de Heere met hen spreekt. Hij nodigt hen uit, gelast hen zelfs te komen en al hun behoeften voor Zijn voetbank uit te spreiden.
En de tekst luidt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Waarom vrijmoedig? Omdat we deze grote Hogepriester over het huis Gods hebben, niet iemand die niet geraakt kan worden door onze onvolkomenheden, maar iemand Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4:15). „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Let u op „dan”.
Niet omdat ik heilig ben en rechtvaardig, tot Gods eer heb geleefd, heel gewetensvol heb geleefd, al mijn kwade hartstochten heb beteugeld, en al mijn omringende zonden heb overwonnen. O, wat een armzalige reden zou dat zijn! Hij zou voor Farizeeërs volstaan, en alleen voor hen. De apostel stelt niet dat dit de reden is om met vrijmoedigheid te gaan. Maar omdat we een Hogepriester hebben Die een weg heeft geopend naar de genadetroon, opdat wij vrijmoedig kunnen gaan.
Maar wat betekent vrijmoedig gaan? Het betekent in heerlijke vrijheid komen; niet weg te blijven, tegengehouden door de duivel; niet te zijn verdreven door angsten en twijfels, vol ongerustheid dat de Heere ons gebed niet hoort. Het is te gaan met heerlijke vrijheid in ons geweten, en onze mond te openen voor de troon, niet ontmoedigd door de zonde en de duivel, niet bang gemaakt door de aanklachten van een felle wet, en niet teruggedreven door de vele twijfels en angsten die op een gevoelig geweten drukken. „Laat ons dan,” zegt hij, „met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.”
Maar sommigen zeggen wellicht: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik ben zeer beproefd en verleid.” „O,” zegt hij, „laat deze dingen u niet tegenhouden.” Ze houden ons inderdaad vaak tegen. We durven niet te gaan, omdat we tegen God hebben gezondigd; verwarring ligt op ons gezicht; we voelen schuld; we durven niet te bidden. Maar de apostel zegt: „Laat ons… met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade”; want we hebben een grote Hogepriester Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.
Lezen: Daniël 9:1-19
Aan de lezer…
Misschien zegt u vandaag: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik durf niet te bidden.” Verwarring ligt op uw gezicht en de schuld drukt op uw geweten. Hoor dan wat de apostel zegt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan.” Let op dat woord „dan”. Niet omdat u heilig hebt geleefd of uw zonden hebt overwonnen; zulk een reden zou alleen voor Farizeeërs volstaan. Maar omdat er een grote Hogepriester is, Die in alle dingen is verzocht geweest en de weg naar de troon heeft geopend.
Die troon is geen rechterstoel voor u, maar een troon der genade, waar de genade overvloediger is dan de zonde. Laat de duivel u dan niet tegenhouden, en laat de aanklachten van de wet u niet terugdrijven. Kom met uw behoeften, uw schuld en uw twijfels, en spreid ze uit voor Zijn voetbank. Hij nodigt u niet alleen; Hij gelast u te komen. Daar zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, juist op de tijd dat u haar nodig hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hebreeën 4:16
Er is een troon der genade. Maar wat is de troon der genade? Er staat: „Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms” (Jer. 17:12). Het is de Persoon van Christus, in Wie de genade heerst door de rechtvaardigheid tot het eeuwige leven; in Wie de genade overvloediger is dan de zonde; in Wie de genade haar zegevierende scepter zwaait over zonde, dood en hel. Hij is de troon der genade waar de kinderen van de Heere naartoe worden genodigd: het verzoendeksel van waaraf de Heere met hen spreekt. Hij nodigt hen uit, ja, gebiedt hun zelfs te komen en al hun noden voor Zijn voetbank uit te spreiden.
En de tekst luidt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Waarom vrijmoedig? Omdat we deze grote Hogepriester over het huis Gods hebben, niet Iemand Die niet geraakt kan worden door onze zwakheden, maar Iemand Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4:15). „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Let u op het woord „dan”.
Niet omdat ik heilig en rechtvaardig ben, tot Gods eer heb geleefd, heel nauwgezet heb geleefd, al mijn kwade hartstochten heb beteugeld en al mijn zonden die mij omringen heb overwonnen. O, wat zou dat een armzalige reden zijn! Die zou voor farizeeërs volstaan, en alleen voor hen. De apostel noemt dat niet als de reden om met vrijmoedigheid te gaan. Nee, de reden is dat we een Hogepriester hebben Die een weg heeft geopend naar de troon der genade, zodat wij vrijmoedig kunnen gaan.
Maar wat betekent vrijmoedig gaan? Het betekent komen in heerlijke vrijheid: niet wegblijven omdat de duivel ons tegenhoudt, niet verdreven worden door angsten en twijfels, vol ongerustheid dat de Heere ons gebed niet hoort. Het is gaan met heerlijke vrijheid in ons geweten en onze mond opendoen voor de troon. We laten ons dan niet ontmoedigen door de zonde en de duivel, niet bang maken door de aanklachten van een strenge wet, en niet terugdrijven door de vele twijfels en angsten die op een teer geweten drukken. „Laat ons dan,” zegt hij, „met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.”
Maar sommigen zeggen misschien: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik ben zeer beproefd en verleid.” „O,” zegt hij, „laat deze dingen u niet tegenhouden.” Toch houden ze ons vaak tegen. We durven niet te gaan, omdat we tegen God gezondigd hebben; beschaamdheid ligt op ons gezicht; we voelen schuld; we durven niet te bidden. Maar de apostel zegt: „Laat ons… met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade”; want we hebben een grote Hogepriester Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.
Lezen: Daniël 9:1-19
Aan de lezer…
Misschien zegt u vandaag: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik durf niet te bidden.” Beschaamdheid ligt op uw gezicht en de schuld drukt op uw geweten. Hoor dan wat de apostel zegt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan.” Let op dat woord „dan”. Niet omdat u heilig hebt geleefd of uw zonden hebt overwonnen; zo’n reden zou alleen voor farizeeërs volstaan. Maar omdat er een grote Hogepriester is, Die in alle dingen is verzocht geweest en de weg naar de troon heeft geopend.
Die troon is voor u geen rechterstoel, maar een troon der genade, waar de genade overvloediger is dan de zonde. Laat de duivel u dan niet tegenhouden, en laat de aanklachten van de wet u niet terugdrijven. Kom met uw noden, uw schuld en uw twijfels, en spreid ze uit voor Zijn voetbank. Hij nodigt u niet alleen; Hij gebiedt u te komen. Daar zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, juist op de tijd dat u die nodig hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy, and find grace to help in time of need.
Hebrews 4:16
There is a throne of grace. But what is the throne of grace? It is written: “A glorious high throne from the beginning is the place of our sanctuary” (Jer. 17:12). It is the Person of Christ, in Whom grace reigns through righteousness unto eternal life; in Whom grace much more abounds than sin; in Whom grace sways her triumphant sceptre over sin, death and hell. He is the throne of grace to which the Lord’s children are invited: the mercy seat from off which the Lord speaks with them. He invites them, yea, even commands them to come and spread all their needs before His footstool.
And the text says: “Let us therefore come boldly.” Why boldly? Because we have this great High Priest over the house of God, not One Who cannot be touched with our infirmities, but One Who was in all points tempted like as we are, yet without sin (Heb. 4:15). “Let us therefore come boldly.” Mark the word “therefore.”
Not because I am holy and righteous, have lived to God’s glory, have lived very strictly, have subdued all my evil passions and overcome all the sins that beset me. Oh, what a poor reason that would be! It would do for Pharisees, and for them only. The apostle does not name that as the reason for coming boldly. No, the reason is that we have a High Priest Who has opened a way to the throne of grace, so that we may come boldly.
But what does it mean to come boldly? It means to come in glorious liberty: not to stay away because the devil holds us back, not to be driven off by fears and doubts, full of anxiety that the Lord does not hear our prayer. It is to come with glorious liberty in our conscience and to open our mouth before the throne. We are then not discouraged by sin and the devil, not frightened by the accusations of a stern law, and not driven back by the many doubts and fears that press upon a tender conscience. “Let us therefore,” he says, “come boldly unto the throne of grace.”
But some perhaps say, “I have sinned; I have backslidden; I am sorely tried and tempted.” “Oh,” he says, “let not these things keep you back.” Yet they often do keep us back. We dare not come, because we have sinned against God; shame lies upon our face; we feel guilt; we dare not pray. But the apostle says, “Let us … come boldly unto the throne of grace”; for we have a great High Priest Who was in all points tempted like as we are.
Reading: Daniel 9:1-19
To the reader…
Perhaps you say today, “I have sinned; I have backslidden; I dare not pray.” Shame lies upon your face and guilt presses upon your conscience. Then hear what the apostle says: “Let us therefore come boldly.” Mark that word “therefore.” Not because you have lived a holy life or overcome your sins; such a reason would do only for Pharisees. But because there is a great High Priest, Who was in all points tempted and has opened the way to the throne.
That throne is not a judgment seat for you, but a throne of grace, where grace much more abounds than sin. Do not let the devil hold you back, then, and do not let the accusations of the law drive you away. Come with your needs, your guilt and your doubts, and spread them before His footstool. He does not merely invite you; He commands you to come. There you will obtain mercy and find grace, just at the time when you need it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Lleguémonos pues confiadamente al trono de la gracia, para alcanzar misericordia, y hallar gracia para el oportuno socorro.
Hebreos 4:16
Hay un trono de la gracia. Pero ¿qué es el trono de la gracia? Está escrito: “Trono de gloria, excelso desde el principio, es el lugar de nuestro santuario” (Jer. 17:12). Es la Persona de Cristo, en quien la gracia reina por la justicia para vida eterna; en quien la gracia sobreabunda más que el pecado; en quien la gracia empuña su cetro triunfante sobre el pecado, la muerte y el infierno. Él es el trono de la gracia al cual son invitados los hijos del Señor: el propiciatorio desde el cual el Señor habla con ellos. Él los invita, sí, incluso les manda venir y extender todas sus necesidades delante del estrado de Sus pies.
Y el texto dice: “Lleguémonos pues confiadamente”. ¿Por qué confiadamente? Porque tenemos este gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, no uno que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas, sino uno que fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado (Heb. 4:15). “Lleguémonos pues confiadamente”. Note la palabra “pues”.
No porque yo sea santo y justo, haya vivido para la gloria de Dios, haya vivido muy estrictamente, haya sometido todas mis malas pasiones y vencido todos los pecados que me asedian. ¡Oh, qué pobre razón sería esa! Serviría para fariseos, y solo para ellos. El apóstol no menciona eso como la razón para llegarse confiadamente. No, la razón es que tenemos un Sumo Sacerdote que ha abierto un camino al trono de la gracia, para que podamos llegarnos confiadamente.
Pero ¿qué significa llegarse confiadamente? Significa venir con gloriosa libertad: no quedarse lejos porque el diablo nos retiene, no ser ahuyentados por temores y dudas, llenos de ansiedad de que el Señor no oiga nuestra oración. Es venir con gloriosa libertad en nuestra conciencia y abrir nuestra boca delante del trono. Entonces no nos desalientan el pecado y el diablo, no nos espantan las acusaciones de una ley severa, ni nos hacen retroceder las muchas dudas y temores que oprimen una conciencia tierna. “Lleguémonos pues —dice— confiadamente al trono de la gracia”.
Pero quizá algunos digan: “He pecado; me he apartado; estoy duramente probado y tentado”. “Oh —dice él—, no permitáis que estas cosas os detengan”. Sin embargo, a menudo sí nos detienen. No nos atrevemos a venir, porque hemos pecado contra Dios; la vergüenza cubre nuestro rostro; sentimos culpa; no nos atrevemos a orar. Pero el apóstol dice: “Lleguémonos… confiadamente al trono de la gracia”; porque tenemos un gran Sumo Sacerdote que fue tentado en todo según nuestra semejanza.
Lectura: Daniel 9:1-19
Al lector…
Quizá usted diga hoy: “He pecado; me he apartado; no me atrevo a orar”. La vergüenza cubre su rostro y la culpa oprime su conciencia. Escuche entonces lo que dice el apóstol: “Lleguémonos pues confiadamente”. Note esa palabra “pues”. No porque usted haya llevado una vida santa o vencido sus pecados; semejante razón solo serviría para fariseos. Sino porque hay un gran Sumo Sacerdote, que fue tentado en todo y ha abierto el camino al trono.
Ese trono no es para usted un tribunal, sino un trono de la gracia, donde la gracia sobreabunda más que el pecado. No deje, pues, que el diablo le retenga, ni que las acusaciones de la ley le ahuyenten. Venga con sus necesidades, su culpa y sus dudas, y extiéndalas delante del estrado de Sus pies. Él no solo le invita; le manda venir. Allí alcanzará misericordia y hallará gracia, precisamente en el tiempo en que la necesite.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Een tijd om te doden en een tijd om te genezen.
Prediker 3:3
Het gehele leven van een christen zal een tijd zijn om te doden en een tijd om te genezen. Wij lezen somtijds in boeken en horen ook wel in samensprekingen van een zonderlinge bevinding, dat namelijk een werk der genade met krachtdadige overtuiging van zonde begonnen is, de ziel is gebracht aan de rand van de hel, waarop een wonderlijke openbaring van Jezus Christus gevolgd is, een krachtdadige toepassing van Zijn verzoenend bloed aan de consciëntie, en een vriendelijke openbaring van de liefde Gods in de ziel. En wat volgt dan? Indien wij op hun woorden kunnen ingaan en zij ons noch zichzelf bedriegen, of indien wij hun mededeling niet misverstaan, dan volgt erop een onwankelbare verzekering gedurende het overige van hun doortocht hier op aarde. De zonde en de duivel brengen hen nooit in verwarring, noch verwonden hen; het vlees is kalm en gerust, evenals de zee in de zomer, en wordt nooit opgezweept door boze hartstochten in een storm van gemelijkheid en opstand. De zeevogels van twijfel en vrees fladderen nooit met geschreeuw rondom hen, als voorboden van een onweder, maar een briesje van Goddelijke gunst vervult zachtkens hun zeilen en drijft hen over het water, totdat zij de haven van eeuwige rust binnenvallen.
Is dit alles overeenkomstig de waarheid van Gods Woord? Stelt niet het Woord van God het pad van de christen voor als een weg van beproeving en aanvechting? Kan een levendgemaakte ziel door vele tonelen heengaan, zonder ooit in gewaarwording bevindelijk gedood te worden als één van de slachtschapen? Is niet een veelbewogen leven het kenmerk van een christen? Geeft de Schrift ons de minste waarborg om te geloven dat iemand zou kunnen wandelen in de voetstappen van een verzochte, lijdende Borg, die maanden en jaren de rust in Sion geniet, zonder enige moeite, oefening, smart of kommer?
Dit was niet Davids bevinding; Jeremia’s en Paulus’ bevinding evenmin. Heman en Asaf wisten er niets van. Gij zult bevinden dat al Gods heiligen, wier bevinding ons in de Bijbel getekend is, nooit zulk een rustig pad bewandeld hebben, maar hun weg was een weg van veranderingen en wisselvalligheden; dan erop en dan eronder, somtijds treurende, somtijds zich verblijdende, doch nooit lang achtereen bewandelen zij een effen pad. De Geest des Heeren werkt in het uitvoeren van dit grote werk in de harten Zijner kinderen voortdurend op twee onderscheiden wijzen in hun hart.
Jeremia was een profeet des Heeren en was gesteld over volken en koninkrijken om uit te roeien en af te breken en te verderven. Dit was een gedeelte van zijn opdracht, en te bouwen en te planten was het tweede gedeelte. Deze twee onderscheiden werkzaamheden liepen door geheel zijn bediening heen; zij waren „de last des Heeren”, hem opgelegd reeds bij zijn eerste roeping tot de profetische bediening, en dit betrof een tijdruimte van veertig jaren. Ging deze handeling dan over slechts één enkel geval, dat wil zeggen, dat hij een keer profeteerde om af te breken en een keer om op te bouwen? Was het niet zo dat hij dit deed zijn gehele bediening door, zoals wordt aangetoond in de profetieën, vervat in het boek dat zijn naam draagt? Dus een gedurig neerwerpen met de ene, en een opbouwen met de andere hand?
Evenzo is het met de bediening van des Heeren Geest in een vat der genade. Voortdurend doodt Hij, voortdurend heelt Hij; voortdurend werpt Hij neer en wekt Hij wederom op; dan legt Hij de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en dan weer bouwt Hij haar liefelijk op in Christus.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, hebt u wel eens gedacht dat het bij u niet goed kan zijn, omdat uw weg zo ongelijk is. Dan erop, dan eronder; dan getroost, dan weer in het stof; dan een zoet briesje van Gods gunst, dan weer een storm van twijfel en vrees. U hoort van anderen die altijd rustig schijnen te varen, en u vraagt u af wat er met u is. Maar laat mij u vragen: geeft de Schrift ons de minste waarborg voor zulk een effen pad?
Het gehele leven van een christen is een tijd om te doden en een tijd om te genezen. De Geest des Heeren werpt neer en richt weer op; Hij legt de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en bouwt haar dan liefelijk op in Christus. Zo is de weg van al Gods heiligen geweest. Wordt u nu gedood, vrees niet dat het einde daar is. Dezelfde hand die verwondt, zal ook genezen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een tijd om te doden en een tijd om te genezen.
Prediker 3:3
Het hele leven van een christen zal een tijd zijn om te doden en een tijd om te genezen. Wij lezen soms in boeken, en horen ook wel in gesprekken, van een bijzondere bevinding. Een werk van genade is dan begonnen met een krachtige overtuiging van zonde; de ziel is tot aan de rand van de hel gebracht, en daarop volgde een wonderlijke openbaring van Jezus Christus, een krachtige toepassing van Zijn verzoenend bloed aan het geweten en een vriendelijke openbaring van de liefde van God in de ziel. En wat volgt er dan? Als wij op hun woorden kunnen afgaan en zij ons en zichzelf niet bedriegen, of als wij hun verhaal niet verkeerd begrijpen, dan volgt er een onwankelbare verzekering gedurende de rest van hun reis hier op aarde. De zonde en de duivel brengen hen nooit in verwarring en verwonden hen nooit; het vlees is kalm en rustig, als de zee in de zomer, en wordt nooit door boze hartstochten opgezweept tot een storm van prikkelbaarheid en opstand. De zeevogels van twijfel en vrees fladderen nooit krijsend om hen heen als voorboden van onweer, maar een briesje van Goddelijke gunst vult zacht hun zeilen en drijft hen over het water, totdat zij de haven van eeuwige rust binnenlopen.
Is dit alles in overeenstemming met de waarheid van Gods Woord? Stelt het Woord van God het pad van de christen niet voor als een weg van beproeving en aanvechting? Kan een levendgemaakte ziel door allerlei omstandigheden heengaan zonder ooit bevindelijk gedood te worden als een van de slachtschapen? Is een veelbewogen leven niet juist het kenmerk van een christen? Geeft de Schrift ons ook maar de minste grond om te geloven dat iemand in de voetstappen van een verzochte, lijdende Borg zou kunnen wandelen terwijl hij maandenlang en jarenlang de rust in Sion geniet, zonder enige moeite, oefening, smart of zorg?
Dat was niet de bevinding van David, en evenmin die van Jeremia en Paulus. Heman en Asaf wisten er niets van. U zult merken dat al Gods heiligen van wie de bevinding ons in de Bijbel beschreven is, nooit zo’n rustig pad gegaan zijn. Hun weg was een weg van veranderingen en wisselingen; dan erboven en dan eronder, soms treurend, soms zich verblijdend, maar nooit gingen zij lange tijd achtereen een effen pad. Bij het uitvoeren van dit grote werk in de harten van Zijn kinderen werkt de Geest van de Heere voortdurend op twee verschillende manieren in hun hart.
Jeremia was een profeet van de Heere en was gesteld over volken en koninkrijken om uit te roeien, af te breken en te verderven. Dat was een deel van zijn opdracht; bouwen en planten was het tweede deel. Deze twee verschillende werkzaamheden liepen door heel zijn bediening heen. Zij waren „de last des Heeren” die hem al bij zijn eerste roeping tot het profetisch ambt werd opgelegd, en dat besloeg een tijdsruimte van veertig jaar. Ging het hier dan om maar één enkel geval, namelijk dat hij één keer profeteerde om af te breken en één keer om op te bouwen? Was het niet zo dat hij dit zijn hele bediening door deed, zoals blijkt uit de profetieën in het boek dat zijn naam draagt? Was het dus niet een voortdurend neerwerpen met de ene hand en een opbouwen met de andere?
Zo is het ook met het werk van de Geest van de Heere in een vat van genade. Voortdurend doodt Hij, voortdurend geneest Hij; voortdurend werpt Hij neer en richt Hij weer op. De ene keer legt Hij de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en de andere keer bouwt Hij haar lieflijk op in Christus.
Aan de lezer…
Misschien hebt u wel eens gedacht dat het bij u niet goed kan zijn, omdat uw weg zo ongelijk is. Dan erboven, dan eronder; dan getroost, dan weer in het stof; dan een zoet briesje van Gods gunst, dan weer een storm van twijfel en vrees. U hoort van anderen die altijd rustig lijken te varen, en u vraagt zich af wat er met u is. Maar laat mij u vragen: geeft de Schrift ons ook maar de minste grond voor zo’n effen pad?
Het hele leven van een christen is een tijd om te doden en een tijd om te genezen. De Geest van de Heere werpt neer en richt weer op; Hij legt de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en bouwt haar dan lieflijk op in Christus. Zo is de weg van al Gods heiligen geweest. Wordt u nu gedood, vrees dan niet dat het einde daar is. Dezelfde hand die verwondt, zal ook genezen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A time to kill, and a time to heal.
Ecclesiastes 3:3
All through the Christian’s life there will be “a time to kill, and a time to heal.” We sometimes read in books, and hear in conversation, an experience of this kind—a work of grace commencing with very powerful convictions of sin, and the soul brought almost to the very brink of hell, and then a wonderful revelation of Jesus Christ, a powerful application of His atoning blood to the conscience, and a blessed manifestation of God’s love to the soul. And then what follows? They possess an unwavering assurance during the remainder of their sojourn upon earth. Sin and Satan never distress nor wound them; the flesh lies calm and tranquil, like the summer sea, never lashed up by angry gusts into a storm of fretfulness and rebellion; the sea birds of doubt and fear never flit with screams around them, as harbingers of a tempest, but the gale of divine favor gently fills their sail, and wafts them along until they reach the harbor of endless rest.
Is this consistent with the Scriptures of truth? Does not the Word of God set forth the path of a Christian as one of trial and temptation? Can a living soul pass through many scenes without ever being killed experimentally in his feelings as one of “the flock of slaughter?” Does not a chequered experience run through the whole of a Christian’s life? Does the Scripture ever afford us the least warrant to believe that a man can be walking in the footsteps of a tempted, suffering Lord, who continues for months and years together at ease in Zion, without any trouble, exercise, grief, or distress in his soul?
David never was there. Jeremiah never was there. Paul never was there. Heman never was there. Asaph never was there. You will find that no saints of God, whose experience is left on record in the Bible, ever were there; but their path was one of change and vicissitude; sometimes down, sometimes up, sometimes mourning, sometimes rejoicing, but never long together in one unvaried spot.
The Spirit of the Lord, in carrying on this grand work in the hearts of God’s people, will be continually operating in two distinct ways upon their souls. Jeremiah was a prophet of the Lord, and he was “set over the nations and over the kingdoms to root out, and to pull down, and to destroy, and to throw down”—thus ran one part of his commission; “to build and to plant”—that was the second part of his office. These two distinct operations were to run through the whole of his mission; they were “the burden of the Lord,” laid upon him at his first call to the prophetical office, and they continued during the whole of his ministry, a space of more than forty years.
Did he, then, merely on one occasion pull down, and on one occasion build up? Was not the whole of his ministration, as evidenced in the prophecies that are contained in the book that bears his name, a continual pulling down with one hand, and building up with the other? So is it then with the ministry of the Spirit of the Lord in a vessel of mercy. He is continually killing, continually healing, continually casting down, continually raising up, now laying the soul low in the dust of self-abasement, and now building it up sweetly in Christ.
To the reader…
Perhaps you have sometimes thought that things cannot be right with you, because your way is so uneven. Now up, now down; now comforted, now in the dust again; now a sweet breeze of God’s favour, now another storm of doubt and fear. You hear of others who always seem to sail calmly, and you wonder what is wrong with you. But let me ask you: does the Scripture give us even the least ground for such a smooth path?
The whole life of a Christian is a time to kill and a time to heal. The Spirit of the Lord casts down and raises up again; He lays the soul low in the dust of self-abasement, and then builds it up sweetly in Christ. That has been the way of all God’s saints. If you are being slain now, do not fear that this is the end. The same hand that wounds will also heal.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tiempo de matar, y tiempo de curar.
Eclesiastés 3:3
A lo largo de toda la vida del cristiano habrá “tiempo de matar, y tiempo de curar”. A veces leemos en libros, y oímos en conversaciones, una experiencia de esta clase: una obra de gracia que comienza con convicciones de pecado muy poderosas, y el alma llevada casi hasta el mismo borde del infierno, y después una revelación maravillosa de Jesucristo, una aplicación poderosa de Su sangre expiatoria a la conciencia, y una bendita manifestación del amor de Dios al alma. ¿Y qué sigue después? Poseen una seguridad inquebrantable durante el resto de su peregrinación sobre la tierra. El pecado y Satanás nunca los angustian ni los hieren; la carne yace calma y tranquila, como el mar en verano, nunca azotada por ráfagas airadas hasta una tempestad de impaciencia y rebeldía; las aves marinas de la duda y del temor nunca revolotean chillando a su alrededor como heraldos de una tormenta, sino que el viento del favor divino hincha suavemente su vela y los lleva hasta que llegan al puerto del reposo sin fin.
¿Concuerda esto con las Escrituras de verdad? ¿No presenta la Palabra de Dios el camino del cristiano como un camino de prueba y tentación? ¿Puede un alma viva pasar por muchas situaciones sin ser jamás muerta experimentalmente en sus sentimientos como una de “las ovejas de la matanza”? ¿No recorre una experiencia de luces y sombras toda la vida de un cristiano? ¿Nos da la Escritura alguna vez la más mínima garantía para creer que un hombre puede estar andando en las pisadas de un Señor tentado y sufriente, si continúa durante meses y años enteros reposado en Sion, sin ninguna angustia, ejercicio, pena o aflicción en su alma?
David nunca estuvo allí. Jeremías nunca estuvo allí. Pablo nunca estuvo allí. Hemán nunca estuvo allí. Asaf nunca estuvo allí. Usted hallará que ningún santo de Dios cuya experiencia quedó registrada en la Biblia estuvo jamás allí; sino que su camino fue de cambio y vicisitud; a veces abajo, a veces arriba, a veces llorando, a veces gozándose, pero nunca mucho tiempo seguido en un mismo lugar invariable.
El Espíritu del Señor, al llevar adelante esta gran obra en los corazones del pueblo de Dios, estará obrando continuamente de dos maneras distintas sobre sus almas. Jeremías era profeta del Señor, y fue puesto “sobre gentes y sobre reinos, para arrancar y para destruir, y para arruinar y para derribar”: así decía una parte de su comisión; “y para edificar y para plantar”: esa era la segunda parte de su oficio. Estas dos operaciones distintas habían de recorrer toda su misión; eran “la carga de Jehová”, puesta sobre él en su primer llamamiento al oficio profético, y continuaron durante todo su ministerio, un período de más de cuarenta años.
¿Acaso, entonces, derribó solamente en una ocasión, y edificó en una ocasión? ¿No fue todo su ministerio, como lo muestran las profecías contenidas en el libro que lleva su nombre, un continuo derribar con una mano y edificar con la otra? Así sucede, pues, con el ministerio del Espíritu del Señor en un vaso de misericordia. Continuamente mata, continuamente cura, continuamente abate, continuamente levanta; ahora postrando al alma en el polvo de la humillación propia, y ahora edificándola dulcemente en Cristo.
Al lector…
Quizás alguna vez ha pensado usted que las cosas no pueden estar bien con usted, porque su camino es tan desigual. Ahora arriba, ahora abajo; ahora consolado, ahora otra vez en el polvo; ahora una dulce brisa del favor de Dios, ahora otra tormenta de duda y temor. Oye de otros que siempre parecen navegar en calma, y se pregunta qué le pasa a usted. Pero permítame preguntarle: ¿nos da la Escritura siquiera el más mínimo fundamento para un camino tan llano?
Toda la vida de un cristiano es tiempo de matar y tiempo de curar. El Espíritu del Señor abate y vuelve a levantar; postra al alma en el polvo de la humillación propia, y luego la edifica dulcemente en Cristo. Ese ha sido el camino de todos los santos de Dios. Si ahora está siendo herido de muerte, no tema que este sea el fin. La misma mano que hiere también curará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl