Nieuw verschenenEen medelijdende Hogepriester en een troon der genadePreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

15 juni Korenaren uit de volle oogst

Want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Filippenzen 2:13

Stel dat God in een mens „het willen” heeft gewerkt, en niet alleen „het willen”, maar ook „het werken”. Hij heeft hem gewillig gemaakt om de toekomende toorn te ontvluchten, gewillig om verlost te worden door het verzoenende bloed en de rechtvaardiging van Jezus, gewillig om verlost te worden door soevereine genade, als een zondaar die van alle hoop beroofd is en verlangt verlost te worden op welke manier het God ook behaagt hem te verlossen. Hij heeft hem gewillig gemaakt om door het vuur te gaan, smart te ondergaan en het nauwe en smalle pad te bewandelen; gewillig om het kruis op te nemen en Jezus te volgen; gewillig om alle moeiten die over hem komen en alle laster die op hem geworpen mag worden, te dragen. God heeft hem gewillig gemaakt om niets te zijn en niets anders te hebben dan wat God hem toebedeelt.

Bovendien werkt God, Die in hem „het willen” werkt en „het werken” in hem gewerkt heeft, in hem het geloof om aan te nemen, de hoop waardoor hij verankerd is in het volbrachte werk van Christus, en de liefde waardoor hij zich helemaal aan Hem hecht. Dit alles is gebeurd „met vrezen en beven”: niet onbezonnen voortrennend in vermetele verwaandheid, niet steunend op de goede mening van anderen, en zonder zijn godsdienst te ontlenen aan leraars en boeken, maar door een wezenlijk werk van de Heilige Geest in het geweten. Wanneer hij zo met vrezen en beven heeft uitgewerkt wat God in hem gewerkt heeft, dan is hij tot de verlossing gekomen. Het is de verlossing van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan, en van de blindheid en onwetendheid van zijn eigen hart.

Hij is gekomen tot een verlossing die Gods verlossing is, omdat God in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen gewerkt heeft.

Nu stap ik rustig aan,
’k betreed een effen baan:
mijn God verhoort nu mijn gebed.
’k Zal Hem met blijde klanken
in zijn vergaad’ring danken,
wanneer zijn gunst mij heeft gered.

Ps. 26:12

Aan de lezer…

Is het u, lezer, weleens een raadsel hoe u nu gewillig bent om de toekomende toorn te ontvluchten en verlost te worden door het verzoenende bloed van Jezus? Gewillig om niets te zijn, het kruis op te nemen en het nauwe pad te gaan? Die gewilligheid is niet uit uzelf gekomen. Het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.

Laat dat u ootmoedig en tegelijk getroost maken. Ootmoedig, omdat u uw godsdienst niet aan uzelf, aan leraars of aan boeken te danken hebt; getroost, omdat Hij Die het willen gaf, ook geloof, hoop en liefde werkt. Wat God in u gewerkt heeft, mag u met vrezen en beven uitwerken, en het einde ervan is verlossing: van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan en van de blindheid van uw eigen hart. Dat is Gods verlossing, en daarom staat zij vast.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

15 juni 365 dagen met Philpot

Een grote Hogepriester

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hebreeën 4:16

Er is een troon der genade. Maar wat is de troon der genade? Er staat: „Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms” (Jer. 17:12). Het is de Persoon van Christus, in Wie de genade heerst door de rechtvaardigheid tot het eeuwige leven; in Wie de genade overvloediger is dan de zonde; in Wie de genade haar zegevierende scepter zwaait over zonde, dood en hel. Hij is de troon der genade waar de kinderen van de Heere naartoe worden genodigd: het verzoendeksel van waaraf de Heere met hen spreekt. Hij nodigt hen uit, ja, gebiedt hun zelfs te komen en al hun noden voor Zijn voetbank uit te spreiden.

En de tekst luidt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Waarom vrijmoedig? Omdat we deze grote Hogepriester over het huis Gods hebben, niet Iemand Die niet geraakt kan worden door onze zwakheden, maar Iemand Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4:15). „Laat ons dan met vrijmoedigheid gaan.” Let u op het woord „dan”.

Niet omdat ik heilig en rechtvaardig ben, tot Gods eer heb geleefd, heel nauwgezet heb geleefd, al mijn kwade hartstochten heb beteugeld en al mijn zonden die mij omringen heb overwonnen. O, wat zou dat een armzalige reden zijn! Die zou voor farizeeërs volstaan, en alleen voor hen. De apostel noemt dat niet als de reden om met vrijmoedigheid te gaan. Nee, de reden is dat we een Hogepriester hebben Die een weg heeft geopend naar de troon der genade, zodat wij vrijmoedig kunnen gaan.

Maar wat betekent vrijmoedig gaan? Het betekent komen in heerlijke vrijheid: niet wegblijven omdat de duivel ons tegenhoudt, niet verdreven worden door angsten en twijfels, vol ongerustheid dat de Heere ons gebed niet hoort. Het is gaan met heerlijke vrijheid in ons geweten en onze mond opendoen voor de troon. We laten ons dan niet ontmoedigen door de zonde en de duivel, niet bang maken door de aanklachten van een strenge wet, en niet terugdrijven door de vele twijfels en angsten die op een teer geweten drukken. „Laat ons dan,” zegt hij, „met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.”

Maar sommigen zeggen misschien: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik ben zeer beproefd en verleid.” „O,” zegt hij, „laat deze dingen u niet tegenhouden.” Toch houden ze ons vaak tegen. We durven niet te gaan, omdat we tegen God gezondigd hebben; beschaamdheid ligt op ons gezicht; we voelen schuld; we durven niet te bidden. Maar de apostel zegt: „Laat ons… met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade”; want we hebben een grote Hogepriester Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.

Lezen: Daniël 9:1-19

Aan de lezer…

Misschien zegt u vandaag: „Ik heb gezondigd; ik ben teruggevallen; ik durf niet te bidden.” Beschaamdheid ligt op uw gezicht en de schuld drukt op uw geweten. Hoor dan wat de apostel zegt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan.” Let op dat woord „dan”. Niet omdat u heilig hebt geleefd of uw zonden hebt overwonnen; zo’n reden zou alleen voor farizeeërs volstaan. Maar omdat er een grote Hogepriester is, Die in alle dingen is verzocht geweest en de weg naar de troon heeft geopend.

Die troon is voor u geen rechterstoel, maar een troon der genade, waar de genade overvloediger is dan de zonde. Laat de duivel u dan niet tegenhouden, en laat de aanklachten van de wet u niet terugdrijven. Kom met uw noden, uw schuld en uw twijfels, en spreid ze uit voor Zijn voetbank. Hij nodigt u niet alleen; Hij gebiedt u te komen. Daar zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, juist op de tijd dat u die nodig hebt.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

15 juni Door Baca’s vallei

Een tijd om te doden en een tijd om te genezen.
Prediker 3:3

Het hele leven van een christen zal een tijd zijn om te doden en een tijd om te genezen. Wij lezen soms in boeken, en horen ook wel in gesprekken, van een bijzondere bevinding. Een werk van genade is dan begonnen met een krachtige overtuiging van zonde; de ziel is tot aan de rand van de hel gebracht, en daarop volgde een wonderlijke openbaring van Jezus Christus, een krachtige toepassing van Zijn verzoenend bloed aan het geweten en een vriendelijke openbaring van de liefde van God in de ziel. En wat volgt er dan? Als wij op hun woorden kunnen afgaan en zij ons en zichzelf niet bedriegen, of als wij hun verhaal niet verkeerd begrijpen, dan volgt er een onwankelbare verzekering gedurende de rest van hun reis hier op aarde. De zonde en de duivel brengen hen nooit in verwarring en verwonden hen nooit; het vlees is kalm en rustig, als de zee in de zomer, en wordt nooit door boze hartstochten opgezweept tot een storm van prikkelbaarheid en opstand. De zeevogels van twijfel en vrees fladderen nooit krijsend om hen heen als voorboden van onweer, maar een briesje van Goddelijke gunst vult zacht hun zeilen en drijft hen over het water, totdat zij de haven van eeuwige rust binnenlopen.

Is dit alles in overeenstemming met de waarheid van Gods Woord? Stelt het Woord van God het pad van de christen niet voor als een weg van beproeving en aanvechting? Kan een levendgemaakte ziel door allerlei omstandigheden heengaan zonder ooit bevindelijk gedood te worden als een van de slachtschapen? Is een veelbewogen leven niet juist het kenmerk van een christen? Geeft de Schrift ons ook maar de minste grond om te geloven dat iemand in de voetstappen van een verzochte, lijdende Borg zou kunnen wandelen terwijl hij maandenlang en jarenlang de rust in Sion geniet, zonder enige moeite, oefening, smart of zorg?

Dat was niet de bevinding van David, en evenmin die van Jeremia en Paulus. Heman en Asaf wisten er niets van. U zult merken dat al Gods heiligen van wie de bevinding ons in de Bijbel beschreven is, nooit zo’n rustig pad gegaan zijn. Hun weg was een weg van veranderingen en wisselingen; dan erboven en dan eronder, soms treurend, soms zich verblijdend, maar nooit gingen zij lange tijd achtereen een effen pad. Bij het uitvoeren van dit grote werk in de harten van Zijn kinderen werkt de Geest van de Heere voortdurend op twee verschillende manieren in hun hart.

Jeremia was een profeet van de Heere en was gesteld over volken en koninkrijken om uit te roeien, af te breken en te verderven. Dat was een deel van zijn opdracht; bouwen en planten was het tweede deel. Deze twee verschillende werkzaamheden liepen door heel zijn bediening heen. Zij waren „de last des Heeren” die hem al bij zijn eerste roeping tot het profetisch ambt werd opgelegd, en dat besloeg een tijdsruimte van veertig jaar. Ging het hier dan om maar één enkel geval, namelijk dat hij één keer profeteerde om af te breken en één keer om op te bouwen? Was het niet zo dat hij dit zijn hele bediening door deed, zoals blijkt uit de profetieën in het boek dat zijn naam draagt? Was het dus niet een voortdurend neerwerpen met de ene hand en een opbouwen met de andere?

Zo is het ook met het werk van de Geest van de Heere in een vat van genade. Voortdurend doodt Hij, voortdurend geneest Hij; voortdurend werpt Hij neer en richt Hij weer op. De ene keer legt Hij de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en de andere keer bouwt Hij haar lieflijk op in Christus.

Aan de lezer…

Misschien hebt u wel eens gedacht dat het bij u niet goed kan zijn, omdat uw weg zo ongelijk is. Dan erboven, dan eronder; dan getroost, dan weer in het stof; dan een zoet briesje van Gods gunst, dan weer een storm van twijfel en vrees. U hoort van anderen die altijd rustig lijken te varen, en u vraagt zich af wat er met u is. Maar laat mij u vragen: geeft de Schrift ons ook maar de minste grond voor zo’n effen pad?

Het hele leven van een christen is een tijd om te doden en een tijd om te genezen. De Geest van de Heere werpt neer en richt weer op; Hij legt de ziel laag in het stof van zelfverfoeiing, en bouwt haar dan lieflijk op in Christus. Zo is de weg van al Gods heiligen geweest. Wordt u nu gedood, vrees dan niet dat het einde daar is. Dezelfde hand die verwondt, zal ook genezen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina