June 15
Want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Filippenzen 2:13
Wanneer God in een mens „het willen” heeft gewerkt, en niet alleen „het willen”, maar ook „het werken”; wanneer Hij hem gewillig heeft gemaakt om de toekomende toorn te ontvlieden; gewillig om verlost te worden door het verzoenend bloed en de rechtvaardigmaking van Jezus; gewillig om verlost te worden door soevereine genade; als een zondaar van alle hoop beroofd, en verlangend verlost te worden, op welke wijze het Gode behaagt hem te verlossen; gewillig om door het vuur te gaan, smart te ondergaan, en het nauwe en enge pad te bewandelen; gewillig om het kruis op te nemen en Jezus te volgen; gewillig om alle moeiten die over hem komen en alle laster die op hem mocht geworpen worden, te dragen; als God hem gewillig gemaakt heeft niets te zijn en niets anders te hebben dan wat God hem toeschikt, en bovendien God in hem werkende „het willen”, en „het werken” in hem gewerkt hebbende, werkt in hem het geloof om aan te nemen, de hoop waardoor hij ankert in het volbrachte werk van Christus, en de liefde waardoor hij zich geheel aan Hem vasthecht; wanneer nu dit alles geweest is „met vrezen en beven”, niet onbedacht voorwaarts lopende in vermetele laatdunkendheid; zich niet verlatende op de goede dunk van anderen; zijn godsdienst niet ontlenende aan leraars en boeken, maar door een wezenlijk werk van de Heilige Geest in het geweten; wanneer hij aldus met vrezen en beven heeft uitgewerkt wat God in hem heeft gewerkt, dan is hij tot de verlossing gekomen: de verlossing van de toekomende toorn, van de macht der zonde, van de misleiding van de Satan, van de blindheid en onkunde van zijn eigen hart.
Hij is gekomen tot een verlossing welke is Gods verlossing, omdat God in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen gewerkt heeft.
Nu stap ik rustig aan,
’k betreed een effen baan:
mijn God verhoort nu mijn gebed.
’k Zal Hem met blijde klanken
in zijn vergaad’ring danken,
wanneer zijn gunst mij heeft gered.
Ps. 26:12
Aan de lezer…
Is het u, lezer, wel eens een raadsel hoe u nu gewillig bent om de toekomende toorn te ontvlieden en verlost te worden door het verzoenend bloed van Jezus? Gewillig om niets te zijn, het kruis op te nemen en het nauwe pad te gaan? Die gewilligheid is niet uit uzelf gekomen. Het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Laat dat u ootmoedig en tegelijk getroost maken. Ootmoedig, omdat u uw godsdienst niet aan uzelf, aan leraars of aan boeken te danken hebt; getroost, omdat Hij, Die het willen gaf, ook geloof, hoop en liefde werkt. Wat God in u gewerkt heeft, mag u met vrezen en beven uitwerken, en het einde ervan is verlossing: van de toekomende toorn, van de macht der zonde, van de misleiding van de satan en van de blindheid van uw eigen hart. Dat is Gods verlossing, en daarom staat zij vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Filippenzen 2:13
Stel dat God in een mens „het willen” heeft gewerkt, en niet alleen „het willen”, maar ook „het werken”. Hij heeft hem gewillig gemaakt om de toekomende toorn te ontvluchten, gewillig om verlost te worden door het verzoenende bloed en de rechtvaardiging van Jezus, gewillig om verlost te worden door soevereine genade, als een zondaar die van alle hoop beroofd is en verlangt verlost te worden op welke manier het God ook behaagt hem te verlossen. Hij heeft hem gewillig gemaakt om door het vuur te gaan, smart te ondergaan en het nauwe en smalle pad te bewandelen; gewillig om het kruis op te nemen en Jezus te volgen; gewillig om alle moeiten die over hem komen en alle laster die op hem geworpen mag worden, te dragen. God heeft hem gewillig gemaakt om niets te zijn en niets anders te hebben dan wat God hem toebedeelt.
Bovendien werkt God, Die in hem „het willen” werkt en „het werken” in hem gewerkt heeft, in hem het geloof om aan te nemen, de hoop waardoor hij verankerd is in het volbrachte werk van Christus, en de liefde waardoor hij zich helemaal aan Hem hecht. Dit alles is gebeurd „met vrezen en beven”: niet onbezonnen voortrennend in vermetele verwaandheid, niet steunend op de goede mening van anderen, en zonder zijn godsdienst te ontlenen aan leraars en boeken, maar door een wezenlijk werk van de Heilige Geest in het geweten. Wanneer hij zo met vrezen en beven heeft uitgewerkt wat God in hem gewerkt heeft, dan is hij tot de verlossing gekomen. Het is de verlossing van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan, en van de blindheid en onwetendheid van zijn eigen hart.
Hij is gekomen tot een verlossing die Gods verlossing is, omdat God in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen gewerkt heeft.
Nu stap ik rustig aan,
’k betreed een effen baan:
mijn God verhoort nu mijn gebed.
’k Zal Hem met blijde klanken
in zijn vergaad’ring danken,
wanneer zijn gunst mij heeft gered.
Ps. 26:12
Aan de lezer…
Is het u, lezer, weleens een raadsel hoe u nu gewillig bent om de toekomende toorn te ontvluchten en verlost te worden door het verzoenende bloed van Jezus? Gewillig om niets te zijn, het kruis op te nemen en het nauwe pad te gaan? Die gewilligheid is niet uit uzelf gekomen. Het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Laat dat u ootmoedig en tegelijk getroost maken. Ootmoedig, omdat u uw godsdienst niet aan uzelf, aan leraars of aan boeken te danken hebt; getroost, omdat Hij Die het willen gaf, ook geloof, hoop en liefde werkt. Wat God in u gewerkt heeft, mag u met vrezen en beven uitwerken, en het einde ervan is verlossing: van de toekomende toorn, van de macht van de zonde, van de misleiding van de satan en van de blindheid van uw eigen hart. Dat is Gods verlossing, en daarom staat zij vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For it is God which worketh in you both to will and to do of his good pleasure.
Philippians 2:13
When God has worked in a man “to will,” and not only worked in him “to will,” but also worked in him “to do;” when He has made him willing to flee from the wrath to come; willing to be saved by the atoning blood and justifying righteousness of Jesus; willing to be saved by sovereign grace as a sinner undone without hope, and glad to be saved in whatever way God is pleased to save him; willing to pass through the fire, to undergo affliction, and to walk in the strait and narrow path; willing to take up the cross and follow Jesus; willing to bear all the troubles which may come upon him, and all the slanders which may be heaped upon his name; when God has made him willing to be nothing, and to have nothing but as God makes him the one, and gives him the other–and besides working in him “to will,” has worked in him “to do,” worked in him faith to believe, hope whereby he anchors in the finished work of Christ, and love whereby he cleaves to Him with purpose of heart; when all this has been “with fear and trembling,” not rushing heedlessly on in daring presumption, not buoyed up by the good opinion of others, not taking up his religion from ministers and books; but by a real genuine work of the Holy Spirit in the conscience; when he has thus worked out with fear and trembling what God has worked in, he has got at salvation; at salvation from wrath to come, from the power of sin, from an empty profession; at salvation from the flesh, from the delusions of Satan, from the blindness and ignorance of his own heart; he has got at a salvation which is God’s salvation, because God has worked in him to will and to do of His good pleasure.
To the reader…
Is it ever a wonder to you how you have now become willing to flee from the wrath to come and to be saved by the atoning blood of Jesus? Willing to be nothing, to take up the cross and to walk the narrow path? That willingness did not come from yourself. It is God Who works in you both to will and to do of His good pleasure.
Let that make you humble and comforted at the same time. Humble, because you do not owe your religion to yourself, to ministers or to books; comforted, because He Who gave the willing also works faith, hope and love. What God has worked in you, you may work out with fear and trembling, and its end is salvation: from the wrath to come, from the power of sin, from the delusions of Satan and from the blindness of your own heart. That is God’s salvation, and that is why it stands firm.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Dios es el que en vosotros obra así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Filipenses 2:13
Cuando Dios ha obrado en un hombre “el querer”, y no solo ha obrado en él “el querer”, sino que también ha obrado en él “el hacer”; cuando le ha hecho dispuesto a huir de la ira venidera; dispuesto a ser salvo por la sangre expiatoria y la justicia justificadora de Jesús; dispuesto a ser salvo por la gracia soberana como un pecador perdido y sin esperanza, y contento de ser salvo de cualquier manera que a Dios le plazca salvarle; dispuesto a pasar por el fuego, a sufrir aflicción y a andar por la senda estrecha y angosta; dispuesto a tomar la cruz y seguir a Jesús; dispuesto a llevar todas las tribulaciones que puedan venir sobre él, y todas las calumnias que puedan amontonarse sobre su nombre; cuando Dios le ha hecho dispuesto a no ser nada, y a no tener nada sino en la medida en que Dios le hace lo uno y le da lo otro; y, además de obrar en él “el querer”, ha obrado en él “el hacer”, ha obrado en él fe para creer, esperanza por la cual se ancla en la obra consumada de Cristo, y amor por el cual se allega a Él con propósito de corazón; cuando todo esto ha sido “con temor y temblor”, no precipitándose desatentadamente en osada presunción, no sostenido por la buena opinión de otros, no tomando su religión de ministros y de libros, sino por una obra real y genuina del Espíritu Santo en la conciencia; cuando así ha ocupado con temor y temblor lo que Dios ha obrado en él, ha alcanzado la salvación; la salvación de la ira venidera, del poder del pecado, de una profesión vacía; la salvación de la carne, de los engaños de Satanás, de la ceguera y la ignorancia de su propio corazón; ha alcanzado una salvación que es la salvación de Dios, porque Dios ha obrado en él el querer y el hacer por Su buena voluntad.
Al lector…
¿Le asombra a veces cómo ha llegado usted a estar dispuesto a huir de la ira venidera y a ser salvo por la sangre expiatoria de Jesús? ¿Dispuesto a no ser nada, a tomar la cruz y a andar por la senda angosta? Esa disposición no vino de usted mismo. Es Dios Quien obra en usted así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Que eso le haga humilde y, al mismo tiempo, le consuele. Humilde, porque no debe su religión a sí mismo, ni a ministros ni a libros; consolado, porque Aquel que le dio el querer obra también la fe, la esperanza y el amor. Lo que Dios ha obrado en usted, usted puede ocuparlo con temor y temblor, y su fin es la salvación: de la ira venidera, del poder del pecado, de los engaños de Satanás y de la ceguera de su propio corazón. Esa es la salvación de Dios, y por eso permanece firme.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl