6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemel zit.
Psalm 123:1
O, welk een eenvoudig, gepast, volkomen en gezegend geneesmiddel is dit tegen al onze rampen, wanneer het de Heere behaagt onze ogen te openen en ze op Hem te vestigen. Hij moet alles doen. Zullen de ogen op Hem gevestigd zijn, dan moet Hij ons eerst ogen geven; zullen ze tot Hem opgeheven worden, dan moet Hij ze opwaarts richten; zullen ze op Hem gevestigd zijn, dan moet Hij ze openhouden. Het is goed in die toestand te verkeren.
Er zijn misschien tijden en gelegenheden dat wij geen godsvrucht hoegenaamd schijnen te hebben; wanneer wij zien en weder zien en niets vinden. Waar is onze geestelijkheid? Waar zijn onze hemelse gezindheden? Waar is onze volheid des geestes in het gebed? Waar onze nauwgezetheid van geweten? Waar onze vreze Gods? Waar onze overpeinzingen over Gods Woord? Wij zien en zien en zien weder — zij schijnen verloren.
Nu worden wij, te midden dier onzekerheid, misschien in een moeilijke strijd, in droefenis, in verzoeking, in vrees gebracht, of in iets dat zwaar en machtig op de ziel drukt. Nu is het de tijd dat wij onze godsvrucht nodig hebben. Maar zij is verdwenen en laat ons ledig, behoeftig, naakt en arm aan onszelf over; wat de zegen en de troost van onze godsdienst aangaat, die schijnen wij niet te hebben. Dit is een ontledigend werk: het is als het ware de ziel tot op het been ontkleden. Maar welk een voorbereiding om de godsdienst die van Boven is te ontvangen!
Hoe moet het vat ontledigd worden van het onreine water van eigen godsdienst; hoe moet het gespoeld en gewassen worden om het zuivere water van hemelse godsdienst uit de Goddelijke fontein te ontvangen! God vermengt nooit de zuivere stroom van hemelse godsdienst met het vuile, troebele water van onze eigen godsdienst. Wij moeten tot op de laatste droppel toe van onze natuurlijke godsdienst ontledigd worden, om de geestelijke, die van Boven is, in onze ziel te ontvangen. Ware godsvrucht bestaat hoofdzakelijk uit twee delen: geledigd, ontkleed, ontbloot en arm gemaakt, en dan gekleed en vervuld worden uit de volheid van Christus.
Mijn beê, met opgeheven handen,
klimm’ voor uw heilig aangezicht,
als reukwerk voor U toegericht,
als offers die des avonds branden.
Ps. 141:2
Aan de lezer…
Zoekt u, waarde lezer, naar uw godsvrucht en vindt u niets? Waar is uw geestelijkheid, waar uw gebed, waar uw vreze Gods? U ziet en ziet weder, en het schijnt alles verloren, juist nu de strijd zwaar op uw ziel drukt. Het is een bitter ding zo ledig, naakt en arm gelaten te worden. Maar meent niet dat de Heere u daarom verlaten heeft.
Het vat moet ontledigd worden van het onreine water van eigen godsdienst, eer het zuivere water uit de Goddelijke fontein erin kan vloeien. God vermengt die twee nooit. Wat u nu als verlies voorkomt, is een voorbereiding om te ontvangen wat van Boven is. Hef dan uw ogen op tot Hem, Die in de hemel zit. Kunt u dat niet, vraag Hem dan dat Hij ze opwaarts richte; want Hij moet alles doen, en Hij kleedt en vervult de arme uit de volheid van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemel zit.
Psalm 123:1
O, wat een eenvoudig, passend, volkomen en gezegend geneesmiddel is dit tegen al onze rampen, wanneer het de Heere behaagt onze ogen te openen en ze op Hem te richten. Hij moet alles doen. Als onze ogen op Hem gericht moeten zijn, moet Hij ons eerst ogen geven. Als ze tot Hem opgeheven moeten worden, moet Hij ze omhoog richten. Als ze op Hem gevestigd moeten blijven, moet Hij ze openhouden. Het is goed in die toestand te verkeren.
Er zijn misschien tijden en gelegenheden waarin wij helemaal geen godsvrucht lijken te hebben; wanneer wij zoeken en opnieuw zoeken en niets vinden. Waar is onze geestelijkheid? Waar is onze hemelsgezindheid? Waar is onze volheid van geest in het gebed? Waar is onze nauwgezetheid van geweten? Waar is onze vreze Gods? Waar zijn onze overdenkingen over Gods Woord? Wij zoeken en zoeken en zoeken opnieuw — zij lijken verloren.
Juist te midden van die onzekerheid worden wij misschien in een moeilijke strijd gebracht, in droefheid, in verzoeking, in vrees, of in iets wat zwaar en machtig op de ziel drukt. Dan is het de tijd dat wij onze godsvrucht nodig hebben. Maar zij is verdwenen en laat ons leeg, behoeftig, naakt en arm aan onszelf over; de zegen en de troost van onze godsdienst lijken wij niet te hebben. Dit is een werk dat ons leegmaakt: het is als het ware de ziel tot op het bot ontkleden. Maar wat een voorbereiding om de godsdienst te ontvangen die van Boven is!
Hoe moet het vat geleegd worden van het onreine water van eigen godsdienst; hoe moet het gespoeld en gewassen worden om het zuivere water van hemelse godsdienst uit de Goddelijke fontein te ontvangen! God vermengt de zuivere stroom van hemelse godsdienst nooit met het vuile, troebele water van onze eigen godsdienst. Wij moeten tot op de laatste druppel van onze natuurlijke godsdienst geleegd worden, om de geestelijke godsdienst, die van Boven is, in onze ziel te ontvangen. Ware godsvrucht bestaat hoofdzakelijk uit twee delen: geleegd, ontkleed, ontbloot en arm gemaakt worden, en dan bekleed en vervuld worden uit de volheid van Christus.
Mijn beê, met opgeheven handen,
klimm’ voor uw heilig aangezicht,
als reukwerk voor U toegericht,
als offers die des avonds branden.
Ps. 141:2
Aan de lezer…
Zoekt u naar uw godsvrucht en vindt u niets? Waar is uw geestelijkheid, waar uw gebed, waar uw vreze Gods? U zoekt en zoekt opnieuw, en alles lijkt verloren, juist nu de strijd zwaar op uw ziel drukt. Het is bitter om zo leeg, naakt en arm gelaten te worden. Maar denk niet dat de Heere u daarom verlaten heeft.
Het vat moet geleegd worden van het onreine water van eigen godsdienst, voordat het zuivere water uit de Goddelijke fontein erin kan stromen. God vermengt die twee nooit. Wat u nu als verlies voorkomt, is een voorbereiding om te ontvangen wat van Boven is. Hef dan uw ogen op tot Hem, Die in de hemel zit. Kunt u dat niet, vraag Hem dan of Hij ze omhoog wil richten; want Hij moet alles doen, en Hij bekleedt en vervult de arme uit de volheid van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Unto Thee lift I up mine eyes, O Thou that dwellest in the heavens.
Psalm 123:1
O how simple, suitable, complete, and blessed a remedy is this for all our distresses, when the Lord is pleased to open our eyes, and fix them on Himself. He must do it all. If the eyes are to be upon Him, He must first give us eyes; if lifted upon Him, He must raise them upwards; if kept upon Him, He must hold them waking. It is good to be in this spot.
There are times and seasons, perhaps, when we seem to have no religion whatever; when we look, and look, and look, and cannot find a grain. Where is our spirituality? where our heavenly affections? where our prayerfulness of spirit? where our tenderness of conscience? where our godly fear? where our meditations upon God’s Word? We look, and look, and look—they seem gone. Now, perhaps, in the midst of this uncertainty we are brought into some painful exercise, some affliction, some temptation, some apprehension, something that lies with weight and power upon the soul. Now is the time we need our religion.
But it is gone, it is gone, leaving us empty, needy, naked, and bare; religion, as regards its blessedness and comfort, we seem to have none. This is emptying work; this is stripping the soul as it were to the very bone. But what a preparation to receive the religion which is from above! How the vessel must be emptied of the dirty water of creature religion, well rinsed, and washed out, to have the pure water of heavenly religion communicated from the divine fountain. God never mingles the pure stream of heavenly religion with the dirty, filthy water of our own creature religion. We must be emptied of every drop, so to speak, of our natural religion, to have the holy and spiritual religion, which is from above, poured into the soul.
But to look, and look, and look, and find nothing but emptiness, nakedness, barrenness, and destitution—to have a “great company” of enemies all coming against us, and we as weak as water—what an emptying for divine filling, what a stripping for divine clothing, and what a bringing down of SELF for the raising up of Christ. True religion consists mainly in two points—to be emptied, stripped, made naked and bare; and then to be clothed and filled out of Christ’s fullness.
To the reader…
Do you search for your godliness and find nothing? Where is your spirituality, where your prayer, where your godly fear? You look and look again, and everything seems lost, just when the conflict presses heavily on your soul. It is bitter to be left so empty, naked and poor. But do not think that the Lord has therefore forsaken you.
The vessel must be emptied of the dirty water of self-made religion before the pure water from the divine fountain can flow into it. God never mingles the two. What now seems to you a loss is a preparation to receive what is from above. Lift up your eyes, then, to Him that dwells in the heavens. If you cannot, ask Him to raise them upwards; for He must do it all, and He clothes and fills the poor out of the fullness of Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Ti que habitas en los cielos, alcé mis ojos.
Salmo 123:1
¡Oh, qué remedio tan sencillo, adecuado, completo y bendito es este para todas nuestras angustias, cuando al Señor Le place abrir nuestros ojos y fijarlos en Sí mismo! Él tiene que hacerlo todo. Si los ojos han de estar puestos en Él, primero tiene que darnos ojos; si han de alzarse hacia Él, tiene que levantarlos hacia arriba; si han de mantenerse en Él, tiene que tenerlos en vela. Es bueno estar en este lugar.
Hay tiempos y ocasiones, quizá, en que parecemos no tener religión alguna; en que buscamos, y buscamos, y buscamos, y no podemos hallar ni un grano. ¿Dónde está nuestra espiritualidad? ¿Dónde nuestros afectos celestiales? ¿Dónde nuestro espíritu de oración? ¿Dónde nuestra ternura de conciencia? ¿Dónde nuestro temor piadoso? ¿Dónde nuestras meditaciones en la Palabra de Dios? Buscamos, y buscamos, y buscamos: parecen haberse ido. Ahora bien, quizá en medio de esta incertidumbre somos llevados a algún ejercicio doloroso, alguna aflicción, alguna tentación, algún temor, algo que pesa con fuerza y poder sobre el alma. Ahora es cuando necesitamos nuestra religión.
Pero se ha ido, se ha ido, dejándonos vacíos, necesitados, desnudos y despojados; religión, en cuanto a su bienaventuranza y consuelo, parecemos no tener ninguna. Esta es una obra que vacía; esto es despojar al alma, por así decirlo, hasta el hueso. ¡Pero qué preparación para recibir la religión que viene de lo alto! ¡Cómo tiene que ser vaciado el vaso del agua sucia de la religión de la criatura, bien enjuagado y lavado, para que se le comunique el agua pura de la religión celestial desde la fuente divina! Dios nunca mezcla la corriente pura de la religión celestial con el agua sucia e inmunda de nuestra propia religión de criatura. Tenemos que ser vaciados de cada gota, por así decirlo, de nuestra religión natural, para que la religión santa y espiritual que viene de lo alto sea derramada en el alma.
Pero buscar, y buscar, y buscar, y no hallar más que vacío, desnudez, esterilidad y miseria; tener una “tan grande multitud” de enemigos que vienen todos contra nosotros, y nosotros débiles como el agua: ¡qué vaciamiento para ser llenados divinamente, qué despojo para ser vestidos divinamente, y qué abatimiento del YO para el ensalzamiento de Cristo! La verdadera religión consiste principalmente en dos puntos: ser vaciados, despojados, dejados desnudos y descubiertos; y luego ser vestidos y llenados de la plenitud de Cristo.
Al lector…
¿Busca usted su piedad y no halla nada? ¿Dónde está su espiritualidad, dónde su oración, dónde su temor piadoso? Busca y vuelve a buscar, y todo parece perdido, justo cuando la lucha pesa duramente sobre su alma. Es amargo quedar tan vacío, desnudo y pobre. Pero no piense que por eso el Señor le ha abandonado.
El vaso tiene que ser vaciado del agua sucia de la religión hecha por uno mismo antes de que el agua pura de la fuente divina pueda fluir en él. Dios nunca mezcla las dos. Lo que ahora le parece una pérdida es una preparación para recibir lo que viene de lo alto. Alce, pues, sus ojos a Aquel que habita en los cielos. Si no puede, pídale que Él los levante hacia arriba; porque Él tiene que hacerlo todo, y Él viste y llena a los pobres de la plenitud de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een onbeweeglijk koninkrijk
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
Sommigen erkennen dat de genade overvloedig wordt gegeven, maar menen dat, als zij eenmaal gegeven is, zij als het ware zichzelf onderhoudt. Als ik een steen zie die zichzelf in de lucht laat zweven, zal ik het zichzelf onderhoudende vermogen van de genade geloven. Geloof is volgens de Heilige Schrift „der werking Gods” (Kol. 2:12); en degenen die worden bewaard, worden „bewaard in de kracht Gods” (1 Pet. 1:5). Dezelfde genade die het geloof gaf, moet het geloof in stand houden. Dezelfde genade die de hoop ingaf, moet de hoop in stand houden. Dezelfde genade die de liefde uitstortte, moet die liefde vurig houden in het hart. Alles is van begin tot eind van de genade afkomstig.
Heeft de duivel u er nooit toe verleid alles op te geven, uit uw beroep te stappen, de plaats van uw eredienst te verlaten, uw kerklidmaatschap op te geven als u lid van een kerk bent, en zelfs uw hoop weg te gooien? Maar waarom hebt u dat allemaal niet gedaan? U had het wel gedaan als God u niet de genade had gegeven om de verzoeking te weerstaan. Bent u niet in de verleiding gebracht om u in zonde te storten? Bent u duizendmaal in de verleiding gebracht te geloven dat er niets in uw ziel is bewerkstelligd door de kracht van God? Wat heeft u zo lang vast doen houden aan de Heilige Schrift, aan de genadetroon, aan het horen van de waarheid, aan een getuigenis van de heilige Naam van Jezus? De genade! Zoals Paulus zegt: „Door de genade Gods ben ik dat ik ben” (1 Kor. 15:10).
Waar draait het nu eigenlijk voornamelijk om? Te geloven ondanks ongeloof; te hopen ondanks wanhoop; lief te hebben ondanks harteloosheid en zelfs vijandschap; te bidden ofschoon er geen antwoord komt; te luisteren ofschoon men zelden wordt gezegend; de Heilige Schrift te doorzoeken ofschoon men er zelden troost in vindt. Dit is de beproeving van het geloof: om zwak voort te gaan maar niet los te laten, en door de genade datgene vast te houden wat de genade heeft verleend.
Lezen: Filippenzen 2:12-30
Aan de lezer…
Hoe vaak, waarde lezer, hebt u op het punt gestaan alles op te geven? Hoe dikwijls fluisterde de verzoeker u in dat er niets in uw ziel bewerkt was door de kracht van God, en dat u uw hoop maar weg moest werpen? En toch bent u er nog: u leest nog de Schrift, u zoekt nog de genadetroon, u hoort nog de waarheid. Wat heeft u daar gehouden? Niet uw eigen kracht, want die steen zweeft niet uit zichzelf.
Het is de genade, die het geloof gaf en het ook in stand houdt. Misschien bidt u zonder antwoord, en zoekt u in het Woord zonder troost te vinden; misschien gaat u zeer zwak voort. Maar zwak voortgaan en niet loslaten is juist de beproeving waarin het geloof zich toont. Wie bewaard wordt, wordt bewaard in de kracht Gods. Houd dan vast wat Hij verleend heeft, en zeg met Paulus: „Door de genade Gods ben ik dat ik ben.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
Sommigen erkennen dat de genade overvloedig wordt gegeven, maar menen dat zij, als zij eenmaal gegeven is, zichzelf als het ware in stand houdt. Als ik een steen zie die uit zichzelf in de lucht blijft zweven, zal ik geloven dat de genade zichzelf in stand houdt. Het geloof is volgens de Heilige Schrift „der werking Gods” (Kol. 2:12), en wie bewaard worden, worden „bewaard in de kracht Gods” (1 Pet. 1:5). Dezelfde genade die het geloof gaf, moet het geloof in stand houden. Dezelfde genade die de hoop schonk, moet de hoop in stand houden. Dezelfde genade die de liefde uitstortte, moet die liefde in het hart vurig houden. Alles komt van begin tot eind uit de genade voort.
Heeft de duivel u nooit verleid om alles op te geven: uw belijdenis los te laten, de plaats waar u God dient te verlaten, uw kerklidmaatschap op te zeggen als u lid van een kerk bent, en zelfs uw hoop weg te gooien? Maar waarom hebt u dat allemaal niet gedaan? U had het wel gedaan als God u niet de genade had gegeven om de verzoeking te weerstaan. Bent u niet verzocht om u in de zonde te storten? Bent u niet duizendmaal verzocht om te geloven dat er niets door de kracht van God in uw ziel gewerkt is?
Wat heeft u zo lang doen vasthouden aan de Heilige Schrift, aan de troon van de genade, aan het horen van de waarheid, aan een getuigenis van de heilige Naam van Jezus? De genade! Zoals Paulus zegt: „Door de genade Gods ben ik dat ik ben” (1 Kor. 15:10).
Waar draait het nu eigenlijk vooral om? Om te geloven ondanks ongeloof; te hopen ondanks wanhoop; lief te hebben ondanks hardheid van hart en zelfs vijandschap; te bidden hoewel er geen antwoord komt; te luisteren hoewel men zelden gezegend wordt; de Heilige Schrift te onderzoeken hoewel men er zelden troost in vindt. Dit is de beproeving van het geloof: zwak voortgaan maar niet loslaten, en door de genade vasthouden wat de genade geschonken heeft.
Lezen: Filippenzen 2:12-30
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u op het punt gestaan alles op te geven? Hoe vaak fluisterde de verzoeker u in dat er niets door de kracht van God in uw ziel gewerkt was, en dat u uw hoop maar weg moest gooien? En toch bent u er nog: u leest nog de Schrift, u zoekt nog de troon van de genade, u hoort nog de waarheid. Wat heeft u daar gehouden? Niet uw eigen kracht, want die steen zweeft niet uit zichzelf.
Het is de genade, die het geloof gaf en het ook in stand houdt. Misschien bidt u zonder antwoord, en zoekt u in het Woord zonder troost te vinden; misschien gaat u heel zwak voort. Maar zwak voortgaan en niet loslaten is juist de beproeving waarin het geloof zich toont. Wie bewaard wordt, wordt bewaard in de kracht Gods. Houd dan vast wat Hij geschonken heeft, en zeg met Paulus: „Door de genade Gods ben ik dat ik ben.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this word, Yet once more, signifieth the removing of those things that are shaken, as of things that are made, that those things which cannot be shaken may remain. Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear.
Hebrews 12:27-28
Some acknowledge that grace is given abundantly, but think that once it is given, it as it were maintains itself. When I see a stone remain floating in the air of itself, I will believe that grace maintains itself. Faith, according to Holy Scripture, is “of the operation of God” (Colossians 2:12), and those who are kept are “kept by the power of God” (1 Peter 1:5). The same grace that gave faith must maintain faith. The same grace that bestowed hope must maintain hope. The same grace that shed abroad love must keep that love warm in the heart.
All, from first to last, springs from grace.
Has the devil never tempted you to give it all up: to let go your profession, to leave the place where you worship God, to give up your church membership if you are a member of a church, and even to cast away your hope? But why have you not done all this? You would have done it if God had not given you grace to resist the temptation. Have you not been tempted to plunge into sin? Have you not been tempted a thousand times to believe that nothing has been wrought by the power of God in your soul?
What has made you hold on so long to the Holy Scriptures, to the throne of grace, to hearing the truth, to a testimony for the holy Name of Jesus? Grace! As Paul says, “By the grace of God I am what I am” (1 Corinthians 15:10).
What, after all, does it chiefly turn upon? To believe in spite of unbelief; to hope in spite of despair; to love in spite of hardness of heart and even enmity; to pray though no answer comes; to listen though one is seldom blessed; to search the Holy Scriptures though one seldom finds comfort in them. This is the trial of faith: to go on feebly but not to let go, and by grace to hold fast what grace has bestowed.
Reading: Philippians 2:12-30
To the reader…
How often have you been on the point of giving it all up? How often did the tempter whisper to you that nothing had been wrought by the power of God in your soul, and that you might as well cast away your hope? And yet you are still here: you still read the Scriptures, you still seek the throne of grace, you still hear the truth. What has kept you there? Not your own strength, for that stone does not float of itself.
It is grace, which gave faith and also maintains it. Perhaps you pray without an answer, and search the Word without finding comfort; perhaps you go on very feebly. But to go on feebly and not let go is the very trial in which faith shows itself. Whoever is kept is kept by the power of God. Hold fast, then, what He has bestowed, and say with Paul, “By the grace of God I am what I am.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esta palabra, Aun una vez, declara la mudanza de las cosas movibles, como de cosas que son hechas, para que queden las cosas que son firmes. Así que, tomando el reino inmóvil, retengamos la gracia por la cual sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia.
Hebreos 12:27-28
Algunos reconocen que la gracia es dada abundantemente, pero piensan que, una vez dada, se mantiene por así decirlo a sí misma. Cuando vea una piedra quedarse flotando en el aire por sí sola, creeré que la gracia se mantiene a sí misma. La fe, según la Santa Escritura, es “de la operación de Dios” (Colosenses 2:12), y los que son guardados son “guardados en la virtud de Dios” (1 Pedro 1:5). La misma gracia que dio la fe debe mantener la fe. La misma gracia que otorgó la esperanza debe mantener la esperanza. La misma gracia que derramó el amor debe mantener ese amor caliente en el corazón.
Todo, de principio a fin, brota de la gracia.
¿Nunca le ha tentado el diablo a abandonarlo todo: a dejar su profesión, a abandonar el lugar donde adora a Dios, a renunciar a su membresía si es miembro de una iglesia, e incluso a desechar su esperanza? Pero ¿por qué no ha hecho todo esto? Lo habría hecho si Dios no le hubiera dado gracia para resistir la tentación. ¿No ha sido tentado a lanzarse al pecado? ¿No ha sido tentado mil veces a creer que nada ha sido obrado por el poder de Dios en su alma?
¿Qué le ha hecho aferrarse tanto tiempo a las Santas Escrituras, al trono de la gracia, al oír la verdad, a un testimonio del santo Nombre de Jesús? ¡La gracia! Como dice Pablo: “Por la gracia de Dios soy lo que soy” (1 Corintios 15:10).
¿De qué depende principalmente, después de todo? De creer a pesar de la incredulidad; de esperar a pesar de la desesperación; de amar a pesar de la dureza de corazón e incluso de la enemistad; de orar aunque no llegue respuesta; de escuchar aunque rara vez se sea bendecido; de escudriñar las Santas Escrituras aunque rara vez se halle consuelo en ellas. Esta es la prueba de la fe: seguir adelante débilmente pero sin soltar, y por la gracia retener lo que la gracia ha otorgado.
Lectura: Filipenses 2:12-30
Al lector…
¿Cuántas veces ha estado a punto de abandonarlo todo? ¿Cuántas veces le susurró el tentador que nada había sido obrado por el poder de Dios en su alma, y que bien podía desechar su esperanza? Y sin embargo todavía está aquí: todavía lee las Escrituras, todavía busca el trono de la gracia, todavía oye la verdad. ¿Qué le ha mantenido allí? No su propia fuerza, pues esa piedra no flota por sí sola.
Es la gracia, que dio la fe y también la mantiene. Quizá ore sin respuesta y escudriñe la Palabra sin hallar consuelo; quizá siga adelante muy débilmente. Pero seguir adelante débilmente y no soltar es precisamente la prueba en la que la fe se muestra. Quien es guardado, es guardado en la virtud de Dios. Retenga, pues, lo que Él ha otorgado, y diga con Pablo: “Por la gracia de Dios soy lo que soy.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En verlossen zoude al degenen, die met vrees des doods door al hun leven de dienstbaarheid onderworpen waren.
Hebreeën 2:15
Het bewijst niets tegen u als gij de dienstbaarheid onderworpen zijt, noch ook is het een bewijs tegen u als gij de dood niet in het aangezicht kunt zien zonder schrik en vrees. Zijn het niet de „kinderen” die de dienstbaarheid gewaarworden? En is niet de Heere gekomen om hen daarvan te verlossen? Zoudt gij dan geen kind zijn, omdat gij de dood vreest? Indien gij geen gevoel van zonde hadt, noch teder van consciëntie waart, gij zoudt even zorgeloos omtrent de dood zijn als alle andere mensen. Zo zijn dus uw dienstbaarheid en vrees, indien zij u doen zuchten en roepen om verlossing, kenmerken van het leven.
En de dag zal gewisselijk komen dat de Heere deze koude vrezen en deze dodende twijfelingen zal doen eindigen. Wanneer gij nabij de oever der Jordaan zult gekomen zijn, zal de Heere u nabij zijn om u te verlossen, gij die door vrees des doods nu de dienstbaarheid onderworpen zijt. Hij zal de prikkel des doods wegnemen en het graf van de overwinning beroven en u doen roepen: „Zaligheid!” door Zijn bloed, zelfs op het ogenblik dat de natuur het laagst wegzinkt en de laatste vijand zich het meest nabij vertoont.
O, wat een dierbare Jezus hebben wij; wat een hemelse Vriend, wat een Goddelijke Middelaar tussen een heilig God en onze schuldige zielen! Wat een liefde heeft Hij betoond in het aannemen van ons vlees en bloed, wat een onvriendelijkheid Zich laten welgevallen, wat een wonderlijke diepten van onuitsprekelijke genade! Hij beminde ons volkomen, om Zijn leven voor ons af te leggen. Verdroeg Hij niet om onzentwil de smarten van het kruis, de verberging van Gods aangezicht, de last der zonden, de angsten der hel? En waar Hij dit alles heeft willen doorstaan hier op aarde, zal Hij dan Zijn werk laten steken in de hemel?
Hij heeft u levend gemaakt, gaf u gevoel van uw zonden, onderwees u om naar genade te zien, verwekte een goede hoop in uw ziel, paste een belofte aan uw ziel toe, gaf u een getuigenis. Hij kan dit alles aan u gedaan hebben en toch kan uw consciëntie in dienstbaarheid en gevangenschap gehouden worden. Doch dit alles is slechts om Zijn genade des te meer te ontsluiten; om meer en meer Zijn gewilligheid en bekwaamheid om uit de grootste nood te redden te openbaren aan degenen die door Hem tot God gaan. Het is alleen om Zichzelf meer dierbaar voor uw ziel te doen zijn, u meer te tonen van Zijn volbracht werk, meer van Zijn stervende liefde en verzoenend bloed, en meer van hetgeen waartoe Hij tot wegneming van al uw vrezen in staat is.
Dus, gelijk de val van Adam overschaduwd werd door de wijsheid Gods tot openbaring van de rijkdommen Zijner eeuwige liefde, barmhartigheid en genade, zo zullen uw twijfelingen, vrees en dienstbaarheid dierbaar overschaduwd worden, om u verdere ontdekking van Christus te geven, om u meer en meer te spenen van een vlezen arm, en om u meer bevindelijk te doen verstaan wat de Heere Jezus is voor degenen die Zijn aangezicht zoeken, van Hem afhangen en op Hem vertrouwen, en op Hem alleen. Iemand die gelooft dat hij veilig leven en sterven kan, en dat zonder dat hij bevindelijke kennis van Christus heeft, zal nooit Zijn Naam aanroepen en niet verlangen naar de openbaringen Zijner liefde.
Maar hij die gevoelt dat hij niet leven en sterven kan zonder Hem; die weet dat hij een ziel heeft die Christus alleen kan redden; die zonden heeft welke alleen door Christus’ bloed kunnen vergeven worden, en ongerechtigheden die alleen door Christus’ gerechtigheid kunnen bedekt worden, die zal menigmaal tot de Heere uitschreeuwen om zijn ziel te bezoeken met Zijn zaligheid, en hij zal geen rust vinden tenzij Christus verschijnt. Doch wanneer Christus verschijnt tot blijdschap zijner ziel, zal hij Hem zegenen en roemen met vrolijk zingende lippen. En o, welk een heerlijk zegeteken zal die man zijn van Christus’ eeuwige overwinning over de zonde en satan, wanneer hij met Hem en met Zijn vergaderde heiligen zal heersen in de gewesten der eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Wie met schrik naar de dood ziet, vreest soms dat juist die vrees bewijst dat hij geen kind van God is. Hoor dan: het zijn de kinderen die de dienstbaarheid gewaarworden. Was er geen gevoel van zonde, geen tedere consciëntie, u zou even zorgeloos zijn als de wereld. Uw zuchten en roepen om verlossing zijn geen tekenen des doods, maar kenmerken van het leven.
Hij Die de smarten van het kruis en de verberging van Gods aangezicht om Zijn volk verdroeg, zal Zijn werk niet laten steken. Hij laat u misschien nog in vrees, maar dat is om u te spenen van een vlezen arm en u meer te tonen van Zijn stervende liefde en verzoenend bloed. Roep dan tot Hem, en rust niet voordat Hij verschijnt. Wanneer u aan de oever der Jordaan komt, zal Hij u nabij zijn, en dan zult u, waar de natuur het laagst wegzinkt, mogen roepen: „Zaligheid!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En verlossen zoude al degenen, die met vrees des doods door al hun leven de dienstbaarheid onderworpen waren.
Hebreeën 2:15
Het bewijst niets tegen u als u aan dienstbaarheid onderworpen bent, en het is ook geen bewijs tegen u als u de dood niet zonder schrik en vrees in de ogen kunt zien. Zijn het niet juist de „kinderen” die de dienstbaarheid voelen? En is de Heere niet gekomen om hen daarvan te verlossen? Zou u dan geen kind zijn omdat u de dood vreest? Als u geen besef van zonde had en geen teder geweten, zou u net zo zorgeloos over de dood zijn als alle andere mensen. Zo zijn uw dienstbaarheid en vrees dus kenmerken van het leven, als zij u doen zuchten en roepen om verlossing.
En de dag zal zeker komen dat de Heere een einde maakt aan deze koude vrezen en deze dodende twijfels. Wanneer u bij de oever van de Jordaan gekomen bent, zal de Heere u nabij zijn om u te verlossen, u die nu door vrees voor de dood aan dienstbaarheid onderworpen bent. Hij zal de prikkel van de dood wegnemen, het graf van de overwinning beroven en u door Zijn bloed doen roepen: „Zaligheid!”, juist op het ogenblik dat de natuur het diepst wegzinkt en de laatste vijand het dichtst nadert.
O, wat een dierbare Jezus hebben wij; wat een hemelse Vriend, wat een goddelijke Middelaar tussen een heilig God en onze schuldige zielen! Wat een liefde heeft Hij getoond door ons vlees en bloed aan te nemen, wat een onvriendelijkheid heeft Hij Zich laten welgevallen, wat een wonderlijke diepten van onuitsprekelijke genade! Hij had ons zo volkomen lief dat Hij Zijn leven voor ons aflegde. Heeft Hij niet om onzentwil de smarten van het kruis, de verberging van Gods aangezicht, de last van de zonden en de angsten van de hel verdragen? En als Hij dit alles hier op aarde heeft willen doorstaan, zal Hij dan Zijn werk in de hemel laten steken?
Hij heeft u levend gemaakt, u besef van uw zonden gegeven, u geleerd naar genade uit te zien, een goede hoop in uw ziel gewekt, een belofte aan uw ziel toegepast en u een getuigenis gegeven. Hij kan dit alles aan u gedaan hebben, en toch kan uw geweten in dienstbaarheid en gevangenschap gehouden worden. Maar dit alles is alleen om Zijn genade des te meer te ontsluiten, en om steeds meer Zijn gewilligheid en bekwaamheid te openbaren om uit de grootste nood te redden wie door Hem tot God gaan. Het is alleen om Zich dierbaarder te maken voor uw ziel en u meer te laten zien van Zijn volbrachte werk, meer van Zijn stervende liefde en verzoenend bloed, en meer van wat Hij vermag om al uw vrezen weg te nemen.
Zoals dus de val van Adam door de wijsheid van God overschaduwd werd tot openbaring van de rijkdommen van Zijn eeuwige liefde, barmhartigheid en genade, zo zullen uw twijfels, vrees en dienstbaarheid op een kostbare manier overschaduwd worden. Ze zullen dienen om u Christus verder te laten ontdekken, u steeds meer te spenen van een vleselijke arm, en u bevindelijk beter te laten verstaan wat de Heere Jezus is voor hen die Zijn aangezicht zoeken, van Hem afhangen en op Hem vertrouwen, en op Hem alleen. Iemand die gelooft dat hij veilig kan leven en sterven zonder bevindelijke kennis van Christus, zal nooit Zijn Naam aanroepen en niet verlangen naar de openbaringen van Zijn liefde.
Maar wie voelt dat hij niet kan leven en sterven zonder Hem; wie weet dat hij een ziel heeft die alleen Christus kan redden, zonden die alleen door Christus’ bloed vergeven kunnen worden, en ongerechtigheden die alleen door Christus’ gerechtigheid bedekt kunnen worden, die zal menigmaal tot de Heere roepen om zijn ziel te bezoeken met Zijn zaligheid. Hij zal geen rust vinden tenzij Christus verschijnt. Maar wanneer Christus verschijnt tot blijdschap van zijn ziel, zal hij Hem zegenen en roemen met vrolijk zingende lippen. En o, wat een heerlijk zegeteken van Christus’ eeuwige overwinning over de zonde en satan zal die man zijn, wanneer hij met Hem en met Zijn vergaderde heiligen zal heersen in de gewesten van de eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Wie met schrik naar de dood kijkt, vreest soms dat juist die vrees bewijst dat hij geen kind van God is. Hoor dan: het zijn de kinderen die de dienstbaarheid voelen. Was er geen besef van zonde, geen teder geweten, dan zou u net zo zorgeloos zijn als de wereld. Uw zuchten en roepen om verlossing zijn geen tekenen van de dood, maar kenmerken van het leven.
Hij Die de smarten van het kruis en de verberging van Gods aangezicht voor Zijn volk verdroeg, zal Zijn werk niet laten steken. Hij laat u misschien nog in vrees, maar dat is om u te spenen van een vleselijke arm en u meer te laten zien van Zijn stervende liefde en verzoenend bloed. Roep dan tot Hem, en rust niet voordat Hij verschijnt. Wanneer u bij de oever van de Jordaan komt, zal Hij u nabij zijn, en dan zult u, juist waar de natuur het diepst wegzinkt, mogen roepen: „Zaligheid!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And deliver them who through fear of death were all their lifetime subject to bondage.”
Hebrews 2:15
It is no evidence against you if you are subject to bondage; it is no mark against you if you cannot look death in the face without doubt or fear. Is it not “the children” who feel the bondage? And did not the Lord come to deliver them from it? Are you then not a child because you fear death? If you had no sense of sin, no tenderness of conscience, you would be as careless about death as most other people are.
Thus your very bondage, your very fears, if they make you sigh and cry for deliverance, are marks of life. And the day will surely come when the Lord will remove these chilling fears and put an end to these killing doubts. As you draw near to the brink of Jordan, the Lord will be with you to deliver you, who, through fear of death, are now subject to bondage; He will extract its sting, and rob the grave of its victory, enabling you to shout “Salvation!” through His blood, even at the moment when nature sinks lowest and the last enemy appears nearest in view.
Oh, what a blessed Jesus we have; what a heavenly Friend; what a divine Mediator between a holy God and our guilty souls! What love He displayed in taking our flesh and blood; what kind condescension, what wondrous depths of unspeakable grace! He loved us sufficiently to lay down His life for us. Did He not for our sakes endure the agony of the cross, the hidings of God’s face, the burden of sin, the pangs of hell? And if He has done all this for us on earth, will He leave His work undone in heaven?
Has He quickened you into life, made you feel your sin, taught you to seek for mercy, raised up a good hope in your heart, applied a promise to your soul, given you a testimony? He may have done all this, and yet at times your conscience may be held down in bondage and imprisonment. But it is only to make further way for His grace; to open up more and more of His willingness and ability to save to the uttermost all that come unto God by Him. It is only to make Himself in the end more precious to you; to show you more of His finished work, more of His dying love and atoning blood, and more of what He is able to do in delivering you from all your fears.
Thus, as the Adam fall was overruled by the wisdom of God to make manifest the riches of His eternal love, mercy, and grace, so your very doubts, fears, and bondage will be blessedly overruled to give you further discoveries of Christ, to wean you more from an arm of flesh, and to make you know more experimentally what the Lord Jesus Christ is to those who seek His face and hang upon and trust Him and Him alone.
A man who believes that he may live and die, and that safely, without an experimental knowledge of Christ, will never seek His face, never call upon His Name, never long for the manifestations of His love. But he who feels that he can neither live nor die without Him, who knows that he has a soul that only Christ can save, who has sins which only Christ’s blood can pardon, iniquities that only Christ’s righteousness can cover, will be often crying to the Lord to visit his soul with His salvation, and will find no rest till Christ appears; but when Christ appears to the joy of his soul, will bless and praise Him with joyful lips. And oh, what a glorious trophy will that man be of Christ’s eternal victory over sin and Satan, when he will reign with Him and with His assembled saints in one immortal day!
To the reader…
Whoever looks at death with dread sometimes fears that this very fear proves he is not a child of God. Then hear this: it is the children who feel the bondage. If there were no sense of sin, no tender conscience, you would be just as careless as the world. Your sighs and cries for deliverance are not signs of death, but marks of life.
He Who bore the agonies of the cross and the hiding of God’s face for His people will not leave His work unfinished. He may still leave you in fear, but that is to wean you from an arm of flesh and to show you more of His dying love and atoning blood. Cry to Him, then, and do not rest until He appears. When you come to the brink of Jordan, He will be near you, and then, just where nature sinks lowest, you will be able to cry, “Salvation!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y librar a los que por el temor de la muerte estaban por toda la vida sujetos a servidumbre.”
Hebreos 2:15
No es prueba contra usted el que esté sujeto a servidumbre; no es señal contra usted el que no pueda mirar la muerte cara a cara sin duda ni temor. ¿No son acaso “los hijos” quienes sienten la servidumbre? ¿Y no vino el Señor a librarlos de ella? ¿Deja usted, pues, de ser hijo porque teme la muerte? Si no tuviera sentido del pecado, ni ternura de conciencia, estaría tan despreocupado de la muerte como lo está la mayoría de la gente.
Así, su misma servidumbre, sus mismos temores, si le hacen suspirar y clamar por liberación, son señales de vida. Y el día vendrá ciertamente en que el Señor quitará estos temores que hielan y pondrá fin a estas dudas que matan. Cuando usted se acerque a la orilla del Jordán, el Señor estará con usted para librarle a usted, que por el temor de la muerte está ahora sujeto a servidumbre; Él le quitará su aguijón y robará al sepulcro su victoria, capacitándole para exclamar “¡Salvación!” por Su sangre, aun en el momento en que la naturaleza se hunda más y el postrer enemigo aparezca más cercano a la vista.
¡Oh, qué Jesús tan bendito tenemos; qué Amigo celestial; qué Mediador divino entre un Dios santo y nuestras almas culpables! ¡Qué amor mostró al tomar nuestra carne y sangre; qué bondadosa condescendencia, qué profundidades maravillosas de gracia inefable! Nos amó lo bastante para poner Su vida por nosotros. ¿No soportó por nosotros la agonía de la cruz, el ocultamiento del rostro de Dios, la carga del pecado, los dolores del infierno? Y si ha hecho todo esto por nosotros en la tierra, ¿dejará sin acabar Su obra en el cielo?
¿Le ha vivificado a usted, le ha hecho sentir su pecado, le ha enseñado a buscar misericordia, ha levantado una buena esperanza en su corazón, ha aplicado una promesa a su alma, le ha dado un testimonio? Puede haber hecho todo esto, y aun así a veces su conciencia puede verse sujeta en servidumbre y prisión. Pero es solo para abrir más camino a Su gracia; para descubrir más y más Su voluntad y Su poder de salvar perpetuamente a todos los que por Él se allegan a Dios. Es solo para hacerse al fin más precioso para usted; para mostrarle más de Su obra consumada, más de Su amor agonizante y de Su sangre expiatoria, y más de lo que Él es capaz de hacer al librarle de todos sus temores.
Así como la caída de Adán fue dirigida por la sabiduría de Dios para manifestar las riquezas de Su eterno amor, misericordia y gracia, así sus mismas dudas, temores y servidumbre serán dirigidos benditamente para darle nuevos descubrimientos de Cristo, para apartarle más del brazo de carne y para hacerle conocer más experimentalmente lo que el Señor Jesucristo es para aquellos que buscan Su rostro, se aferran a Él y confían en Él y solo en Él.
El hombre que cree que puede vivir y morir, y eso con seguridad, sin un conocimiento experimental de Cristo, nunca buscará Su rostro, nunca invocará Su Nombre, nunca anhelará las manifestaciones de Su amor. Pero aquel que siente que no puede vivir ni morir sin Él, que sabe que tiene un alma que solo Cristo puede salvar, que tiene pecados que solo la sangre de Cristo puede perdonar, iniquidades que solo la justicia de Cristo puede cubrir, clamará a menudo al Señor que visite su alma con Su salvación, y no hallará descanso hasta que Cristo aparezca; pero cuando Cristo aparezca para gozo de su alma, le bendecirá y alabará con labios de júbilo. ¡Y oh, qué glorioso trofeo será ese hombre de la eterna victoria de Cristo sobre el pecado y Satanás, cuando reine con Él y con Sus santos reunidos en un día inmortal!
Al lector…
Quien mira la muerte con pavor teme a veces que precisamente ese temor demuestre que no es hijo de Dios. Oiga, pues, esto: son los hijos quienes sienten la servidumbre. Si no hubiera sentido del pecado ni conciencia tierna, usted estaría tan despreocupado como el mundo. Sus suspiros y clamores por liberación no son señales de muerte, sino señales de vida.
Aquel que llevó las agonías de la cruz y el ocultamiento del rostro de Dios por Su pueblo no dejará Su obra sin acabar. Puede que todavía le deje en temor, pero es para apartarle del brazo de carne y mostrarle más de Su amor agonizante y de Su sangre expiatoria. Clame, pues, a Él, y no descanse hasta que Él aparezca. Cuando llegue a la orilla del Jordán, Él estará cerca de usted, y entonces, precisamente donde la naturaleza se hunde más, podrá exclamar: “¡Salvación!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl