6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hope vast te houden.
Hebreeën 6:18
Indien er ooit in uw levenservaring een tijd was van onvergetelijke onrust, van vrees, van schrik, van schuld, en als gij toen nauwelijks wist wat te doen, te denken of te zeggen, werd u een blik vergund op een toevlucht in de Persoon, het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere het Lam. Indien gij als voortgedreven of voortgetrokken daarheen vluchttet, vriendelijk ontvangen werdt en een schuilplaats vondt tegen schuld en twijfel en vrees, dan weet gij ook zekerlijk wat het zegt, de toevlucht genomen te hebben om de voorgestelde hoop vast te houden. Zij en zij allen zijn erfgenamen der belofte, en van hoe groot belang is het dan deze dingen persoonlijk bij ervaring te kennen. Hoe kunnen wij weten of wij het leven Gods in onze ziel, de genade Gods in ons hart hebben, zo er niet zulk een toevlucht nemen en een vasthouden geweest is?
Zie dus of gij deze twee zaken in uw ziel kunt ontdekken. Ten eerste: of er ooit bij u een tijd was dat gij vreesdet en beefdet voor de toekomende toorn en gedwongen werdt een schuilplaats te zoeken om die te ontvlieden. Maar ten tweede: zo gij geen schuilplaats vondt in uzelf en zaagt dat uw bed te kort en uw dek te smal was, vluchttet gij tot Jezus als uw enige hoop? En zo er toen aan het oog uws geloofs een gezegende opening vergund werd op een schuilplaats, toebereid in de Heere het Lam, waart gij in staat Hem vast te houden in Zijn bondskarakter, en vondt gij rust en vrede in Hem? Zo gij nu deze twee trekken van het Goddelijk leven in uw ziel kunt ontdekken, zijt gij van degenen van wie onze tekst spreekt: gij hebt de toevlucht genomen om eens de in het eeuwig Evangelie voorgestelde hoop vast te houden.
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
o God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.
Mijn steenrots, burg en helper is de Heer,
mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.
Ps. 18, voorzang
Aan de lezer…
Soms denkt u terug aan die tijd van onrust, toen u nauwelijks wist wat te doen, te denken of te zeggen; toen de toekomende toorn u deed beven, en u zocht en zocht, maar uw bed was te kort en uw dek te smal. Misschien bent u daar nu nog, en ziet u nergens een schuilplaats. Dan is het goed dat u uzelf niets meer kunt aanbieden, want juist zulken worden voortgedreven naar de enige toevlucht.
Die toevlucht is de Persoon, het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere het Lam. Daar worden vluchtelingen vriendelijk ontvangen; daar is een schuilplaats tegen schuld en twijfel en vrees. En hebt u Hem al eens aangegrepen, laat dan niet los. Het is onmogelijk dat God liege; Zijn onveranderlijke dingen staan vast, en daarin ligt een sterke vertroosting voor allen die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hope vast te houden.
Hebreeën 6:18
Was er ooit in uw leven een onvergetelijke tijd van onrust, van vrees, van schrik en van schuld, waarin u nauwelijks wist wat u moest doen, denken of zeggen? En werd u toen een blik gegund op een toevlucht in de Persoon, het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere, het Lam? Bent u daarheen gevlucht, als voortgedreven of voortgetrokken, en werd u er vriendelijk ontvangen en vond u een schuilplaats tegen schuld, twijfel en vrees? Dan weet u ook zeker wat het betekent de toevlucht genomen te hebben om de voorgestelde hoop vast te houden. Zij, en zij allen, zijn erfgenamen van de belofte. Hoe belangrijk is het dan om deze dingen persoonlijk, uit bevinding, te kennen! Hoe kunnen wij weten of wij het leven van God in onze ziel en de genade van God in ons hart hebben, als er niet zo’n toevlucht nemen en zo’n vasthouden geweest is?
Ga dus na of u deze twee zaken in uw ziel kunt ontdekken. Ten eerste: was er ooit een tijd dat u vreesde en beefde voor de toekomende toorn, en gedwongen werd een schuilplaats te zoeken om die te ontvluchten? En ten tweede: toen u in uzelf geen schuilplaats vond en zag dat uw bed te kort en uw deken te smal was, vluchtte u toen tot Jezus als uw enige hoop? En toen er aan het oog van uw geloof een gezegende opening gegund werd naar een schuilplaats die in de Heere, het Lam, bereid is, kon u Hem toen vasthouden in Zijn verbondskarakter, en vond u rust en vrede in Hem?
Als u nu deze twee trekken van het Goddelijk leven in uw ziel kunt ontdekken, dan behoort u tot hen over wie onze tekst spreekt: u hebt de toevlucht genomen om de hoop vast te houden die eens in het eeuwige Evangelie is voorgesteld.
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
o God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.
Mijn steenrots, burg en helper is de Heer,
mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.
Ps. 18, voorzang
Aan de lezer…
Soms denkt u terug aan die tijd van onrust, toen u nauwelijks wist wat u moest doen, denken of zeggen; toen de toekomende toorn u deed beven, en u zocht en zocht, maar uw bed te kort was en uw deken te smal. Misschien bent u daar nu nog, en ziet u nergens een schuilplaats. Dan is het goed dat u uzelf niets meer kunt aanbieden, want juist zulke mensen worden voortgedreven naar de enige toevlucht.
Die toevlucht is de Persoon, het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere, het Lam. Daar worden vluchtelingen vriendelijk ontvangen; daar is een schuilplaats tegen schuld, twijfel en vrees. En hebt u Hem al eens aangegrepen, laat Hem dan niet los. Het is onmogelijk dat God liegt; Zijn onveranderlijke dingen staan vast, en daarin ligt een sterke vertroosting voor allen die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That by two immutable things, in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us.
Hebrews 6:18
If ever there was in your experience a season never to be forgotten of alarm, of fear, of terror, of guilt, of apprehension; and then when you scarcely knew what to do, think or say, there was a view opened up to you of a refuge in the Person and work, blood and righteousness of the Lord the Lamb; if as driven or drawn you fled to it, were kindly received, and found safe harborage from guilt and doubt and fear, then you surely know what it is to have fled for refuge to lay hold upon the hope set before you. It is these, and these only, who are heirs of promise; and therefore how important it is to have had some personal experience of these things.
How are we to know whether we possess the life of God in our soul, the grace of God in our heart, unless there has been some such fleeing and some such laying hold? Do see, then, if you can trace these two things in your breast—first, if there ever was a season with you when you feared, and trembled at the wrath to come, and were compelled to flee for refuge from it.
But, secondly, finding no refuge in self, and that all your own righteousness was a bed too short and a covering too narrow, you fled to Jesus as your only hope; and as there was a sweet opening up to the eye of your faith of a refuge provided in the Lord the Lamb, you were enabled to take hold of Him in His covenant characters and blessed relationships, and found in Him rest and peace. If, then, you can find these two features of divine life in your soul, you are one of the characters of whom our text speaks; you have fled for refuge to lay hold upon the hope set before you in the everlasting gospel.
To the reader…
Sometimes you think back to that time of unrest, when you hardly knew what to do, think or say; when the wrath to come made you tremble, and you searched and searched, but your bed was too short and your covering too narrow. Perhaps you are still there now, and see no refuge anywhere. Then it is good that you have nothing more to offer yourself, for it is precisely such people who are driven on to the only refuge.
That refuge is the Person, the work, the blood and the righteousness of the Lord the Lamb. There fugitives are kindly received; there is a shelter from guilt, doubt and fear. And if you have ever laid hold of Him, do not let Him go. It is impossible for God to lie; His immutable things stand firm, and in them lies a strong consolation for all who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before them.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que por dos cosas inmutables, en las cuales es imposible que Dios mienta, tengamos un fortísimo consuelo, los que nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta.
Hebreos 6:18
Si alguna vez hubo en su experiencia una temporada inolvidable de alarma, de temor, de terror, de culpa, de aprensión; y luego, cuando apenas sabía qué hacer, pensar o decir, se le abrió una vista de un refugio en la Persona y la obra, la sangre y la justicia del Señor, el Cordero; si, empujado o atraído, huyó a él, fue recibido con bondad y halló puerto seguro frente a la culpa, la duda y el temor, entonces sin duda sabe lo que es haberse acogido a trabarse de la esperanza propuesta. Son estos, y solo estos, los herederos de la promesa; y por eso, cuán importante es haber tenido alguna experiencia personal de estas cosas.
¿Cómo hemos de saber si poseemos la vida de Dios en nuestra alma, la gracia de Dios en nuestro corazón, a menos que haya habido algún huir semejante y algún trabarse semejante? Vea, pues, si puede trazar estas dos cosas en su pecho: primero, si alguna vez hubo para usted una temporada en que temió y tembló ante la ira venidera, y se vio obligado a huir en busca de refugio frente a ella.
Pero, en segundo lugar, si, no hallando refugio en sí mismo, y viendo que toda su propia justicia era una cama demasiado angosta y una cubierta demasiado estrecha, huyó a Jesús como su única esperanza; y si, al abrirse dulcemente al ojo de su fe un refugio provisto en el Señor, el Cordero, se le concedió asirse de Él en Sus caracteres de pacto y Sus benditas relaciones, y halló en Él descanso y paz. Si, pues, puede hallar estos dos rasgos de la vida divina en su alma, usted es uno de aquellos de quienes habla nuestro texto; se ha acogido a trabarse de la esperanza propuesta en el evangelio eterno.
Al lector…
A veces usted recuerda aquel tiempo de inquietud, cuando apenas sabía qué hacer, pensar o decir; cuando la ira venidera le hacía temblar, y buscaba y buscaba, pero su cama era demasiado angosta y su cubierta demasiado estrecha. Quizá todavía esté ahí ahora, y no vea refugio en ninguna parte. Entonces es bueno que ya no tenga nada que ofrecerse a sí mismo, porque precisamente a personas así se las empuja hacia el único refugio.
Ese refugio es la Persona, la obra, la sangre y la justicia del Señor, el Cordero. Allí los fugitivos son recibidos con bondad; allí hay amparo frente a la culpa, la duda y el temor. Y si alguna vez se ha asido de Él, no le suelte. Es imposible que Dios mienta; Sus cosas inmutables permanecen firmes, y en ellas hay un fortísimo consuelo para todos los que se han acogido a trabarse de la esperanza propuesta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
We lijden van nature aan de afschuwelijke ziekte van doofheid. We zijn doof voor alle vermaningen van Gods Woord, doof voor al Zijn dreigingen en straffen, doof voor al Zijn aangename beloften; nog niet alle preken ter wereld kunnen op zichzelf onze doofheid genezen. Maar het is de taak van de Heere om de dove oren te openen. En als we beginnen te merken hoe doof we zijn, en het betreuren dat we Gods waarheid niet met leven en gevoel kunnen horen, dan verwekt dit een uitroep in ons hart naar God, of Hij Zijn kostbare Woord met goddelijke kracht wil zegenen en aan onze ziel wil toepassen.
Komt u niet soms naar de kerk met die afschuwelijke ziekte van doofheid? U kunt op elke dag des Heeren komen, en toch gaat, door deze doofheid, wat u hoort niet gepaard met kracht. U hoort niet tot volle tevredenheid van uw ziel: het hart en de geest smelten niet en worden niet zachter onder het woord. Het lijkt alsof er, ofschoon u met uw uitwendige oor luisterde, een ander oor ontbrak — het oor van uw hart. En tot het de Heere belieft dat oor te openen, is alles wat u met uw uitwendige oor hoort vruchteloos.
Als we nu beginnen uit te roepen tot de Heere, of Hij Zijn Woord aan ons hart wil toepassen, Zijn kostbare waarheid in onze ziel wil brengen en als regen op onze geest wil doen vallen — dan is dat in feite de uitroep tot de Heere om deze ziekte van doofheid te genezen.
Lezen: Markus 7:31-37
Aan de lezer…
Bedroefde hoorder, gaat u soms naar huis met een zwaar hart, omdat het woord u voorbijging? U hebt geluisterd, maar het hart smolt niet; de waarheid klonk, maar zij bleef buiten. Dan kent u iets van die afschuwelijke ziekte van doofheid. Wees er echter niet bevreesd om dat te erkennen, want een ziel die haar doofheid betreurt, is al niet meer geheel doof. Dat gemis, dat klagen, is zelf een teken dat de Heere aan het werk is.
Laat dan dat klagen een roepen worden. Breng het niet naar uzelf, maar tot Hem, Die alleen de dove oren opent: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” Vraag of Hij Zijn kostbare Woord als regen op uw geest wil doen vallen en het oor van uw hart wil openen. Het is Zijn taak, niet de uwe, en Hij is de Heelmeester voor allen die zo tot Hem roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
We lijden van nature aan de afschuwelijke ziekte van doofheid. We zijn doof voor alle vermaningen van Gods Woord, doof voor al Zijn dreigingen en straffen, en doof voor al Zijn aangename beloften. Zelfs alle preken ter wereld kunnen op zichzelf onze doofheid niet genezen. Maar het is het werk van de Heere om de dove oren te openen. En als we beginnen te merken hoe doof we zijn, en betreuren dat we Gods waarheid niet met leven en gevoel kunnen horen, dan wekt dat in ons hart een roepen tot God op, of Hij Zijn kostbare Woord met goddelijke kracht wil zegenen en aan onze ziel wil toepassen.
Komt u niet soms naar de kerk met die afschuwelijke ziekte van doofheid? U kunt elke dag des Heeren komen, en toch gaat wat u hoort door deze doofheid niet met kracht gepaard. U hoort niet tot volle voldoening van uw ziel: uw hart en geest smelten niet en worden niet zachter onder het woord. Het lijkt alsof er, hoewel u met uw uiterlijke oor luisterde, een ander oor ontbrak — het oor van uw hart. En totdat het de Heere behaagt dat oor te openen, is alles wat u met uw uiterlijke oor hoort vruchteloos.
Als we nu tot de Heere beginnen te roepen, of Hij Zijn Woord aan ons hart wil toepassen, Zijn kostbare waarheid in onze ziel wil brengen en als regen op onze geest wil laten vallen — dan is dat in feite het roepen tot de Heere om deze ziekte van doofheid te genezen.
Lezen: Markus 7:31-37
Aan de lezer…
Bedroefde hoorder, gaat u soms met een zwaar hart naar huis, omdat het woord aan u voorbijging? U hebt geluisterd, maar het hart smolt niet; de waarheid klonk, maar zij bleef buiten. Dan kent u iets van die afschuwelijke ziekte van doofheid. Wees echter niet bang om dat te erkennen, want een ziel die haar doofheid betreurt, is al niet meer helemaal doof. Dat gemis en dat klagen zijn zelf een teken dat de Heere aan het werk is.
Laat dat klagen dan een roepen worden. Breng het niet naar uzelf, maar naar Hem, Die alleen de dove oren opent: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” Vraag of Hij Zijn kostbare Woord als regen op uw geest wil laten vallen en het oor van uw hart wil openen. Het is Zijn werk, niet het uwe, en Hij is de Heelmeester voor allen die zo tot Hem roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
We labour by nature under the dreadful disease of deafness. We are deaf to all the admonitions of God’s Word, deaf to all His threatenings and chastisements, and deaf to all His sweet promises. Even all the sermons in the world cannot of themselves cure our deafness. But it is the work of the Lord to open the deaf ears. And when we begin to feel how deaf we are, and grieve that we cannot hear God’s truth with life and feeling, this raises up in our heart a cry to God that He would bless His precious Word with divine power and apply it to our soul.
Do you not sometimes come to the house of God with that dreadful disease of deafness? You may come every Lord’s day, and yet through this deafness what you hear is not attended with power. You do not hear to the full satisfaction of your soul: your heart and spirit do not melt and grow soft under the word. It seems as though, although you listened with your outward ear, another ear was wanting—the ear of your heart. And until it pleases the Lord to open that ear, all that you hear with your outward ear is fruitless.
When we now begin to cry to the Lord that He would apply His Word to our heart, bring His precious truth into our soul and let it drop as the rain upon our spirit—that is in fact crying to the Lord to heal this disease of deafness.
Reading: Mark 7:31-37
To the reader…
Sorrowing hearer, do you sometimes go home with a heavy heart because the word passed you by? You listened, but the heart did not melt; the truth sounded, but it stayed outside. Then you know something of that dreadful disease of deafness. Yet do not be afraid to own it, for a soul that grieves over its deafness is already no longer altogether deaf. That sense of want and that complaint are themselves a token that the Lord is at work.
Then let that complaint become a cry. Do not take it to yourself, but to Him Who alone opens the deaf ears: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.” Ask Him to let His precious Word drop as the rain upon your spirit and to open the ear of your heart. It is His work, not yours, and He is the Physician for all who cry to Him in this way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Padecemos por naturaleza la terrible enfermedad de la sordera. Somos sordos a todas las amonestaciones de la Palabra de Dios, sordos a todas Sus amenazas y castigos, y sordos a todas Sus dulces promesas. Ni siquiera todos los sermones del mundo pueden por sí mismos curar nuestra sordera. Pero es obra del Señor abrir los oídos sordos. Y cuando comenzamos a sentir cuán sordos somos, y nos afligimos porque no podemos oír la verdad de Dios con vida y sentimiento, esto suscita en nuestro corazón un clamor a Dios para que bendiga Su preciosa Palabra con poder divino y la aplique a nuestra alma.
¿No viene usted a veces a la casa de Dios con esa terrible enfermedad de la sordera? Puede venir cada día del Señor, y sin embargo, por esta sordera, lo que oye no va acompañado de poder. No oye para plena satisfacción de su alma: su corazón y su espíritu no se derriten ni se ablandan bajo la palabra. Parece como si, aunque escuchara con el oído exterior, faltara otro oído: el oído de su corazón. Y hasta que place al Señor abrir ese oído, todo lo que oye con el oído exterior es infructuoso.
Cuando ahora comenzamos a clamar al Señor para que aplique Su Palabra a nuestro corazón, traiga Su preciosa verdad a nuestra alma y la haga gotear como la lluvia sobre nuestro espíritu, eso es de hecho clamar al Señor para que sane esta enfermedad de la sordera.
Lectura: Marcos 7:31-37
Al lector…
Oyente afligido, ¿vuelve usted a veces a casa con el corazón apesadumbrado porque la palabra pasó de largo junto a usted? Escuchó, pero el corazón no se derritió; la verdad sonó, pero se quedó fuera. Entonces conoce algo de esa terrible enfermedad de la sordera. Sin embargo, no tema reconocerlo, porque un alma que se aflige por su sordera ya no es del todo sorda. Ese sentido de necesidad y esa queja son en sí mismos una señal de que el Señor está obrando.
Deje, pues, que esa queja se convierta en clamor. No la lleve a sí mismo, sino a Aquel que es el único que abre los oídos sordos: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”. Pídale que haga gotear Su preciosa Palabra como la lluvia sobre su espíritu y que abra el oído de su corazón. Es obra Suya, no suya, y Él es el Médico para todos los que claman a Él de esta manera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm, die is Mijn eerstgeborene.
Jeremia 31:9
O, wat wordt er veel vereist om de ziel tot haar enige rust- en middelpunt te brengen! Wat al beproevingen en verdrukkingen, wat ovens, vloeden, roeden en slagen, zowel als toelachingen, beloften en zoete trekkingen! Wat moet er een hoogmoed en eigen ik ten onder gebracht worden! Welk een liefde en bloed moet ons worden toegebracht! Welke lessen te leren van de vrijheid en volheid der zaligheid! Wat een schuld en veroordeling vanwege de zonde; wat een walgen en vernederen van onszelf!
Wat een mistrouwen van het eigen ik, wat een vrezen voor vallen, wat een gebeden en begeerten om bewaard te worden, wat een aankleven aan Christus, wat een opzien en uitzien tot Zijn Goddelijke majesteit, wanneer het geloof Hem aanschouwt aan de rechterhand des Vaders! Wat een begeerten om nooit meer tegen Hem te zondigen, maar om te leven, zich te bewegen en te handelen in de heilige vreze Gods, vinden wij dagelijks min of meer in een levende ziel.
En vanwaar komen al deze inwendige werkzaamheden dan alleen uit de vriendschap en gemeenschap die er is tussen Christus en de ziel? „Wij zijn leden,” zegt de apostel, „van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen.” En daaruit volgt een wederzijds delen in droefheid en blijdschap. Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij werd in alle dingen verzocht als wij, doch zonder zonde. Daarom kan Hij met onze zwakheden geduld hebben; en wanneer wij derhalve, als het geloof ons daartoe in staat stelt, onze zonden en droefheden op Hem werpen, dan kan Hij uit Zijn volheid die genade en kracht mededelen, waardoor wij meer dan overwinnaars kunnen zijn.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zich verwondert over de ovens en vloeden, de roeden en slagen die over uw weg gaan. Meent u soms dat de Heere u vergeten heeft, omdat er zoveel geween en zo weinig vreugde is? Zie dan naar de tekst: „Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren.” Het geween is geen teken dat Hij u verlaten heeft, maar de weg waarlangs Hij Zijn kinderen tot hun enige rust- en middelpunt brengt.
Al het ten onder brengen van hoogmoed, al het walgen van uzelf, al het aankleven aan Christus, komt voort uit de gemeenschap tussen Hem en uw ziel. Hij heeft uw krankheden op Zich genomen en weet wat verzocht te worden is. Werp dan, zo het geloof u daartoe in staat stelt, uw zonden en droefheden op Hem. Hij is Israël tot een Vader, en uit Zijn volheid kan Hij u genade en kracht geven om meer dan overwinnaar te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm, die is Mijn eerstgeborene.
Jeremia 31:9
O, wat is er veel nodig om de ziel tot haar enige rustpunt en middelpunt te brengen! Wat een beproevingen en verdrukkingen, wat een ovens, vloeden, roeden en slagen, maar ook glimlachen, beloften en zoete trekkingen! Wat een hoogmoed en eigen ik moeten er onderworpen worden! Wat een liefde en bloed moeten ons worden toegepast! Wat een lessen moeten er geleerd worden over de vrijheid en volheid van de zaligheid! Wat een schuld en veroordeling vanwege de zonde; wat een walging van onszelf en vernedering van onszelf!
Wat een wantrouwen tegenover het eigen ik, wat een vrees om te vallen, wat een gebeden en verlangens om bewaard te worden, wat een aankleven aan Christus, wat een opzien en uitzien naar Zijn Goddelijke majesteit, wanneer het geloof Hem aanschouwt aan de rechterhand van de Vader! Wat een verlangens om nooit meer tegen Hem te zondigen, maar om te leven, te bewegen en te handelen in de heilige vreze Gods: dat alles vinden wij dagelijks min of meer in een levende ziel.
En waar komen al deze inwendige werkzaamheden anders vandaan dan uit de vriendschap en gemeenschap die er is tussen Christus en de ziel? „Wij zijn leden,” zegt de apostel, „van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen.” En daaruit volgt een wederzijds delen in droefheid en blijdschap. Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij werd in alle dingen verzocht zoals wij, maar zonder zonde. Daarom kan Hij met onze zwakheden geduld hebben. En wanneer wij dus, als het geloof ons daartoe in staat stelt, onze zonden en droefheden op Hem werpen, kan Hij uit Zijn volheid de genade en kracht geven waardoor wij meer dan overwinnaars kunnen zijn.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zich verwondert over de ovens en vloeden, de roeden en slagen die over uw weg gaan. Denkt u soms dat de Heere u vergeten heeft, omdat er zoveel geween en zo weinig vreugde is? Zie dan naar de tekst: „Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren.” Het geween is geen teken dat Hij u verlaten heeft, maar de weg waarlangs Hij Zijn kinderen tot hun enige rustpunt en middelpunt brengt.
Al het onderwerpen van de hoogmoed, al het walgen van uzelf, al het aankleven aan Christus komt voort uit de gemeenschap tussen Hem en uw ziel. Hij heeft uw krankheden op Zich genomen en weet wat het is om verzocht te worden. Werp dan, als het geloof u daartoe in staat stelt, uw zonden en droefheden op Hem. Hij is Israël tot een Vader, en uit Zijn volheid kan Hij u genade en kracht geven om meer dan overwinnaar te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“They shall come with weeping, and with supplications will I lead them: I will cause them to walk by the rivers of waters in a straight way, wherein they shall not stumble: for I am a father to Israel, and Ephraim is my firstborn.”
Jeremiah 31:9
Oh how much is needed to bring the soul to its only rest and center! What trials and afflictions; what furnaces, floods, rods, and strokes, as well as smiles, promises, and gracious drawings! What pride and self to be brought out of! What love and blood to be brought unto! What lessons to learn of the dreadful evil of sin! What lessons to learn of the freeness and fullness of salvation! What sinkings in self! What risings in Christ!
What guilt and condemnation on account of sin; what self-loathing and self-abasement; what distrust of self; what fears of falling; what prayers and desires to be kept; what clinging to Christ; what looking up and unto His divine Majesty, as faith views Him at the right hand of the Father; what desires never more to sin against Him, but to live, move, and act in the holy fear of God, do we find, more or less daily, in a living soul!
And whence springs all this inward experience but from the fellowship and communion which there is between Christ and the soul? “We are members,” says the Apostle, “of His body, of His flesh, and of His bones.” As such there is a mutual participation in sorrow and joy. “He has borne our griefs, and carried our sorrows.” “He was in all points tempted like as we are, yet without sin.” He can, therefore, “be touched with the feelings of our infirmities,” can pity and sympathize; and thus, as we may cast upon Him our sins and sorrows, when faith enables, so can He supply, out of His own fullness, that grace and strength which can bring us off eventually more than conquerors.
To the reader…
It may be that you wonder at the furnaces and floods, the rods and strokes that pass over your way. Do you sometimes think the Lord has forgotten you, because there is so much weeping and so little joy? Look, then, at the text: “They shall come with weeping, and with supplications will I lead them.” The weeping is no sign that He has forsaken you, but the way by which He brings His children to their only rest and center.
All the subduing of pride, all the loathing of yourself, all the clinging to Christ springs from the communion between Him and your soul. He has borne your infirmities and knows what it is to be tempted. Cast, then, when faith enables you, your sins and sorrows upon Him. He is a Father to Israel, and out of His fullness He can give you grace and strength to be more than a conqueror.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Irán con lloro, mas con misericordias los haré volver, y los haré andar junto a arroyos de aguas, por camino derecho en el cual no tropezarán: porque soy a Israel por padre, y Efraín es mi primogénito.
Jeremías 31:9
¡Oh, cuánto se necesita para llevar al alma a su único reposo y centro! ¡Qué pruebas y aflicciones; qué hornos, inundaciones, varas y golpes, así como sonrisas, promesas y atracciones llenas de gracia! ¡De cuánto orgullo y cuánto yo hay que ser sacado! ¡A cuánto amor y cuánta sangre hay que ser llevado! ¡Qué lecciones que aprender sobre el terrible mal del pecado! ¡Qué lecciones que aprender sobre la gratuidad y plenitud de la salvación! ¡Qué hundimientos en uno mismo! ¡Qué levantamientos en Cristo!
¡Qué culpa y condenación a causa del pecado; qué aborrecimiento y humillación de sí mismo; qué desconfianza de uno mismo; qué temores de caer; qué oraciones y deseos de ser guardado; qué aferrarse a Cristo; qué mirar arriba y hacia Su divina Majestad, al contemplarle la fe a la diestra del Padre; qué deseos de no pecar nunca más contra Él, sino de vivir, moverse y obrar en el santo temor de Dios, hallamos, más o menos cada día, en un alma viviente!
¿Y de dónde brota toda esta experiencia interior sino de la comunión y el trato que hay entre Cristo y el alma? “Somos miembros”, dice el Apóstol, “de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos.” Como tales, hay una participación mutua en la tristeza y en el gozo. “Ciertamente llevó Él nuestras enfermedades, y sufrió nuestros dolores.” “Fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado.” Él puede, por tanto, “compadecerse de nuestras flaquezas”, puede tener piedad y simpatizar; y así, como nosotros podemos echar sobre Él nuestros pecados y penas cuando la fe nos capacita, así puede Él suplir, de Su propia plenitud, aquella gracia y fuerza que pueden hacernos salir al fin más que vencedores.
Al lector…
Puede ser que usted se asombre de los hornos e inundaciones, de las varas y los golpes que pasan por su camino. ¿Piensa a veces que el Señor le ha olvidado, porque hay tanto llanto y tan poco gozo? Mire, entonces, el texto: “Irán con lloro, mas con misericordias los haré volver.” El llanto no es señal de que Él le haya abandonado, sino el camino por el cual lleva a Sus hijos a su único reposo y centro.
Todo el quebrantamiento del orgullo, todo el aborrecimiento de sí mismo, todo el aferrarse a Cristo brota de la comunión entre Él y su alma. Él ha llevado sus enfermedades y sabe lo que es ser tentado. Eche, pues, cuando la fe le capacite, sus pecados y penas sobre Él. Él es Padre para Israel, y de Su plenitud puede darle gracia y fuerza para ser más que vencedor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl