vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Mijne genade is u genoeg; want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
2 Korinthe 12:9
Hoe ondoorgrondelijk zijn Gods wegen! Dat zulk een hoogst begenadigd man als Paulus van de „derde hemel” moest nederdalen tot voor de poorten der hel (deze uitdrukking is niet te sterk, want „de engel des satans” kwam van de hel); dat hij, als gevoelde zulks zijn ziel, moest zinken voor de poorten der hel, om daar door de „engel des satans” met vuisten geslagen te worden; en dat alles om hem een les te geven die de hemel hem niet leerde: de kracht Gods wordt in zwakheid volbracht! Gelooft gij niet dat, zo wij onze zwakheid moeten leren kennen, wij haar op dezelfde wijze moeten leren kennen? Hoe kwam Paulus tot die kennis? En moeten ook wij de onze niet verkrijgen, zij het ook in mindere mate, langs dezelfde wegen, door dezelfde middelen en door dezelfde inwendige onderwijzing?
Indien wij het geheim van de kracht van Christus willen leren, dan is dit niet door dagelijkse vorderingen in vleselijke heiligheid en door dagelijks in onszelf sterker te worden. Het is niet door de oude natuur te veranderen en te verbeteren, alsof zij nu en dan een afschaduwing van genade scheen, evenals de kleuren van de regenboog zo harmonieus ineensmelten dat men nauwelijks kan zien waar de ene eindigt en de andere begint. Want dit is het wat bedoeld wordt met „toeneming in heiligmaking”: dat de oude natuur zo trapsgewijs wordt verzacht en tot genade overgaat, dat men niet zeggen kan waar de oude mens ophoudt en de nieuwe natuur aanvangt. Leerde de apostel de kracht van Christus op deze wijze? Neen, maar door met vuisten geslagen te worden door de „engel des satans”, en door aldus zijn eigen kracht verslagen te zien, vond hij de kracht van Christus in zijn zwakheid volbracht.
Want goedertieren is de Heer,
Zijn goedheid eindigt nimmermeer.
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht
tot in het laatste nageslacht.
Psalm 100:4
Aan de lezer…
Deze woorden weerspreken wat u misschien gemeend hebt: dat u de kracht van Christus zou leren kennen door van dag tot dag sterker en heiliger in uzelf te worden. En vindt u in plaats daarvan dat u zwakker wordt, dat u geslagen wordt en uw eigen kracht ziet bezwijken? Denk dan niet dat de Heere u verlaten heeft. Ook Paulus moest van de derde hemel nederdalen tot voor de poorten der hel, om een les te leren die de hemel hem niet leerde.
Het is juist in die plaats van zwakheid dat het woord gaat leven: „Mijne genade is u genoeg.” Niet de verbeterde oude natuur, maar de genade van Christus, groot gemaakt in uw onmacht, is uw sterkte. Klaag dan niet alleen over uw zwakheid, maar breng haar tot Hem. Daar, waar uw eigen kracht verslagen ligt, wordt Zijn kracht volbracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijne genade is u genoeg; want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
2 Korinthe 12:9
Hoe ondoorgrondelijk zijn Gods wegen! Een zo hoog begenadigd man als Paulus moest uit de „derde hemel” neerdalen tot voor de poorten van de hel. Die uitdrukking is niet te sterk, want „de engel des satans” kwam uit de hel. Hij moest, zoals zijn ziel dat voelde, wegzinken tot voor de poorten van de hel, om daar door de „engel des satans” met vuisten geslagen te worden. En dat alles om hem een les te leren die de hemel hem niet leerde: de kracht van God wordt in zwakheid volbracht! Gelooft u niet dat wij, als wij onze zwakheid moeten leren kennen, haar op dezelfde manier moeten leren kennen? Hoe kwam Paulus tot die kennis? En moeten ook wij de onze niet verkrijgen, al is het in mindere mate, langs dezelfde wegen, door dezelfde middelen en door hetzelfde inwendige onderwijs?
Als wij het geheim van de kracht van Christus willen leren, dan is dat niet door dagelijkse vorderingen in vleselijke heiligheid en door dagelijks sterker te worden in onszelf. Het is niet door de oude natuur te veranderen en te verbeteren, alsof zij nu en dan iets van genade weerspiegelde, zoals de kleuren van de regenboog zo harmonieus in elkaar overlopen dat men nauwelijks kan zien waar de ene eindigt en de andere begint. Want dat is wat men bedoelt met „toenemen in heiligmaking”: dat de oude natuur zo geleidelijk verzacht wordt en in genade overgaat, dat men niet kan zeggen waar de oude mens ophoudt en de nieuwe natuur begint. Leerde de apostel de kracht van Christus op deze manier? Nee, maar door met vuisten geslagen te worden door de „engel des satans”, en door zo zijn eigen kracht verslagen te zien, vond hij de kracht van Christus in zijn zwakheid volbracht.
Want goedertieren is de Heer,
Zijn goedheid eindigt nimmermeer.
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht
tot in het laatste nageslacht.
Psalm 100:4
Aan de lezer…
Deze woorden spreken tegen wat u misschien gedacht hebt: dat u de kracht van Christus zou leren kennen door van dag tot dag sterker en heiliger te worden in uzelf. En merkt u in plaats daarvan dat u zwakker wordt, dat u geslagen wordt en uw eigen kracht ziet bezwijken? Denk dan niet dat de Heere u verlaten heeft. Ook Paulus moest van de derde hemel neerdalen tot voor de poorten van de hel, om een les te leren die de hemel hem niet leerde.
Juist op die plaats van zwakheid gaat het woord leven: „Mijne genade is u genoeg.” Niet de verbeterde oude natuur, maar de genade van Christus, groot gemaakt in uw onmacht, is uw sterkte. Klaag dan niet alleen over uw zwakheid, maar breng haar bij Hem. Daar waar uw eigen kracht verslagen ligt, wordt Zijn kracht volbracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My grace is sufficient for thee: for My strength is made perfect in weakness.
2 Corinthians 12:9
How mysterious are God’s dealings! That such a highly-favored man as Paul should come down from the “third heaven” to the very gates of hell (that is not too strong an expression, for “the messenger of Satan” came from hell), that he should sink in soul-feeling to the very gates of hell, there to be buffeted by “the messenger of Satan;” and all to teach him a lesson that heaven did not teach him—the strength of God made perfect in weakness! Do you not think, that if WE are to learn our weakness, we must learn it in the same way? How did Paul get his religion? And must we not get ours, in our feebler measure, through the same channels, by the same means, and by the same inward teachings?
If we are to learn the secret of Christ’s strength, it is not by making daily advances in fleshly holiness, and getting stronger in SELF day by day. It is not by old nature being so mended and improved, as bye and bye to be shaded off into grace, just as the colors in the rainbow are so harmoniously blended that you can scarcely tell where the one ends and the other begins. For this is what is really meant by “progressive sanctification,” that the old nature is so gradually softened and blended into grace, that we can scarcely tell where the old man ceases and the new nature commences. Did the Apostle learn Christ’s strength in that way? No; but by being buffeted by Satan’s messenger, and thus being beaten out of his own strength, he found Christ’s strength made perfect in his weakness.
To the reader…
These words go against what you may have thought: that you would come to know the strength of Christ by growing stronger and holier in yourself from day to day. And do you find instead that you are growing weaker, that you are being buffeted, and that your own strength is giving way? Then do not think that the Lord has forsaken you. Paul too had to come down from the third heaven to the very gates of hell, to learn a lesson that heaven did not teach him.
It is precisely in that place of weakness that the word comes alive: “My grace is sufficient for thee.” Not the improved old nature, but the grace of Christ, made great in your helplessness, is your strength. So do not only complain about your weakness, but bring it to Him. There, where your own strength lies beaten, His strength is made perfect.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bástate Mi gracia; porque Mi potencia en la flaqueza se perfecciona.
2 Corintios 12:9
¡Qué misteriosos son los tratos de Dios! ¡Que un hombre tan altamente favorecido como Pablo tuviera que descender del “tercer cielo” hasta las mismas puertas del infierno (no es una expresión demasiado fuerte, porque “el mensajero de Satanás” vino del infierno), que tuviera que hundirse en el sentir de su alma hasta las mismas puertas del infierno, para ser allí abofeteado por “el mensajero de Satanás”; y todo para enseñarle una lección que el cielo no le enseñó: la potencia de Dios perfeccionada en la flaqueza! ¿No cree usted que, si NOSOTROS hemos de aprender nuestra flaqueza, tenemos que aprenderla de la misma manera? ¿Cómo obtuvo Pablo su religión? ¿Y no hemos de obtener la nuestra, en nuestra medida más débil, por los mismos cauces, por los mismos medios y por las mismas enseñanzas interiores?
Si hemos de aprender el secreto de la fuerza de Cristo, no es haciendo avances diarios en una santidad carnal y haciéndonos cada día más fuertes en el YO. No es porque la vieja naturaleza sea tan reparada y mejorada que poco a poco se vaya difuminando en gracia, así como los colores del arco iris se mezclan tan armoniosamente que apenas se puede decir dónde termina uno y comienza el otro. Porque esto es lo que realmente se quiere decir con “santificación progresiva”: que la vieja naturaleza se va suavizando y fundiendo con la gracia tan gradualmente que apenas podemos decir dónde cesa el viejo hombre y comienza la nueva naturaleza. ¿Aprendió el apóstol de esa manera la fuerza de Cristo? No; sino que, siendo abofeteado por el mensajero de Satanás, y siendo así despojado a golpes de su propia fuerza, halló la fuerza de Cristo perfeccionada en su flaqueza.
Al lector…
Estas palabras van contra lo que quizá usted ha pensado: que llegaría a conocer la fuerza de Cristo haciéndose cada día más fuerte y más santo en sí mismo. ¿Y halla, en cambio, que se está volviendo más débil, que es abofeteado y que su propia fuerza cede? No piense entonces que el Señor le ha desamparado. También Pablo tuvo que descender del tercer cielo hasta las mismas puertas del infierno, para aprender una lección que el cielo no le enseñó.
Es precisamente en ese lugar de flaqueza donde la palabra cobra vida: “Bástate Mi gracia”. No la vieja naturaleza mejorada, sino la gracia de Cristo, engrandecida en su impotencia, es su fuerza. No se queje, pues, solamente de su flaqueza, sino llévela a Él. Allí, donde su propia fuerza yace abatida, Su potencia se perfecciona.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis.
Deuteronomium 32:10
Over het algemeen, denk ik, kunnen de meeste mensen die iets van Gods omgang met hun ziel weten, bepaalde duidelijke, wonderbaarlijke omstandigheden nagaan waardoor de voorzienigheid als het ware gekoppeld werd aan de genade. Zo kan het ene uiteinde van de ketting van ijzer zijn en het andere van goud; maar er is een punt waarop de schakels aan elkaar verbonden zijn, en dat is gewoonlijk de plek waar het genadewerk in de ziel aanvangt. Meestal gaat er een duidelijke voorzienigheid vooraf aan het begin van het genadewerk.
Een opvallende omstandigheid, een ramp in de familie, een huiselijke beproeving, een lichamelijke ziekte of een ongebruikelijke loop der gebeurtenissen leidde tot dat gedenkwaardige punt waarop het de Heere voor het eerst behaagde door middel van Zijn Geest het geweten aan te raken. Sommigen hebben reden God te danken voor een ziekte; anderen voor een verhuizing, anderen voor een nieuwe betrekking, anderen voor een bijzondere omstandigheid die hen ertoe aanzette een bepaald boek te lezen of naar een bepaalde predikant te luisteren.
Weer anderen zien Gods wonderdoende hand in zware verliezen of pijnlijke zakelijke tegenslagen, omstandigheden waardoor zij op de knieën werden gedwongen, wellicht ontdaan werden van wereldse goederen, of zelfs tot werkelijke armoede en ellende vervielen. En al deze ongewone voorzienigheden of voorvallen zijn zo verbonden met Gods werk aan de ziel, dat ze, ofschoon zelf geen genade, hetzelfde resultaat hadden als Ruths komst naar Kanaän, die haar huwelijk met Boaz tot resultaat had, of als het zitten van Mattheüs in het tolhuis, dat tot gevolg had dat hij geroepen werd om een leerling van de Heere Jezus te worden.
Lezen: Ruth 2:1-14
Aan de lezer…
Wanneer u terugziet op een ziekte, een verlies, een huiselijke beproeving of een tegenslag die u op de knieën dwong, hebt u die dag misschien alleen maar als een donkere bladzijde in uw leven beschouwd. Maar zou het niet kunnen zijn dat juist daar de ijzeren schakel aan de gouden werd verbonden, en dat de Heere u in een land der woestijn, in een woeste, huilende wildernis, gevonden heeft?
De voorzienigheid is zelf geen genade, maar Hij, Die alle dingen bestuurt, kan haar dienstbaar maken aan Zijn werk in de ziel. Zoals Ruth naar Kanaän kwam en Mattheüs in het tolhuis zat zonder te weten wat de Heere voorhad, zo kan ook uw zwaarste weg de plaats zijn waar Hij door Zijn Geest uw geweten aanraakt. Dank Hem dan ook voor de omwegen. Die u in de wildernis vond, weet ook de weg die Hij met u gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis.
Deuteronomium 32:10
Over het algemeen, denk ik, kunnen de meesten die iets weten van Gods handelen met hun ziel, bepaalde duidelijke, opmerkelijke omstandigheden aanwijzen waardoor de voorzienigheid als het ware aan de genade gekoppeld werd. Het ene eind van de ketting kan van ijzer zijn en het andere van goud, maar er is een punt waarop de schakels aan elkaar verbonden zijn, en dat is gewoonlijk de plek waar het werk van de genade in de ziel begint. Meestal gaat er een duidelijke voorzienigheid vooraf aan het begin van het werk van de genade.
Een opvallende gebeurtenis, een ramp in de familie, een huiselijke beproeving, een lichamelijke ziekte of een ongewone loop van de omstandigheden leidde tot dat gedenkwaardige punt waarop het de Heere voor het eerst behaagde door Zijn Geest het geweten aan te raken. Sommigen hebben reden God te danken voor een ziekte; anderen voor een verhuizing; anderen voor een nieuwe betrekking; anderen voor een bijzondere omstandigheid die hen ertoe bracht een bepaald boek te lezen of naar een bepaalde predikant te luisteren.
Weer anderen zien Gods wonderdoende hand in zware verliezen of pijnlijke tegenslagen in hun zaken, omstandigheden waardoor zij op de knieën werden gebracht, misschien hun wereldse goederen kwijtraakten, of zelfs tot werkelijke armoede en ellende vervielen. En al deze ongewone voorzienigheden of gebeurtenissen zijn zo verbonden met Gods werk in de ziel, dat ze, hoewel ze zelf geen genade zijn, hetzelfde gevolg hadden als Ruths komst naar Kanaän, die uitliep op haar huwelijk met Boaz, of als het zitten van Mattheüs in het tolhuis, dat ertoe leidde dat hij geroepen werd om een discipel van de Heere Jezus te worden.
Lezen: Ruth 2:1-14
Aan de lezer…
Wanneer u terugziet op een ziekte, een verlies, een huiselijke beproeving of een tegenslag die u op de knieën bracht, hebt u die dag misschien alleen maar als een donkere bladzijde in uw leven beschouwd. Maar zou het niet kunnen zijn dat juist daar de ijzeren schakel aan de gouden werd verbonden, en dat de Heere u in een land der woestijn, in een woeste, huilende wildernis, gevonden heeft?
De voorzienigheid is zelf geen genade, maar Hij Die alle dingen bestuurt, kan haar dienstbaar maken aan Zijn werk in de ziel. Zoals Ruth naar Kanaän kwam en Mattheüs in het tolhuis zat zonder te weten wat de Heere voorhad, zo kan ook uw zwaarste weg de plaats zijn waar Hij door Zijn Geest uw geweten aanraakt. Dank Hem dan ook voor de omwegen. Hij Die u in de wildernis vond, kent ook de weg die Hij met u gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He found him in a desert land, and in the waste howling wilderness.
Deuteronomy 32:10
As a general rule, I think, most who know anything of God’s dealings with their souls can point to certain clear and remarkable circumstances by which providence was, as it were, linked on to grace. The one end of the chain may be of iron and the other of gold, but there is a point where the links are joined together, and that is usually the place where the work of grace in the soul begins. Most commonly some marked providence goes before the beginning of the work of grace.
Some striking event, some calamity in the family, some domestic trial, some bodily affliction, or some unusual course of circumstances led to that memorable point when it first pleased the Lord by His Spirit to touch the conscience. Some have reason to thank God for an illness; others for a removal from one place to another; others for a new situation; others for some particular circumstance that led them to read a certain book or to hear a certain minister.
Others again see God’s wonder-working hand in heavy losses or painful reverses in business, circumstances by which they were brought down upon their knees, perhaps lost their worldly goods, or even sank into actual poverty and distress. And all these unusual providences or events are so connected with God’s work upon the soul that, though not grace in themselves, they had the same effect as Ruth’s coming into Canaan, which ended in her marriage with Boaz, or as Matthew’s sitting at the receipt of custom, which led to his being called to become a disciple of the Lord Jesus.
Reading: Ruth 2:1-14
To the reader…
When you look back on an illness, a loss, a trial at home or a setback that brought you to your knees, you may have regarded that day as nothing more than a dark page in your life. But could it not be that just there the iron link was joined to the golden one, and that the Lord found you in a desert land, in the waste howling wilderness?
Providence is not grace in itself, but He Who orders all things can make it serve His work in the soul. Just as Ruth came into Canaan and Matthew sat at the receipt of custom without knowing what the Lord had in view, so your hardest road may be the very place where He touches your conscience by His Spirit. Thank Him, then, for the winding ways. He Who found you in the wilderness also knows the way He is leading you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Hallólo en tierra de desierto, y en desierto horrible y yermo.
Deuteronomio 32:10
Por regla general, creo yo, la mayoría de los que saben algo de los tratos de Dios con sus almas pueden señalar ciertas circunstancias claras y notables por las cuales la providencia quedó, por así decirlo, enlazada con la gracia. Un extremo de la cadena puede ser de hierro y el otro de oro, pero hay un punto donde los eslabones se unen, y ese es por lo general el lugar donde comienza la obra de la gracia en el alma. Lo más común es que alguna providencia señalada preceda al comienzo de la obra de la gracia.
Algún suceso notable, alguna calamidad en la familia, alguna prueba doméstica, alguna aflicción corporal o algún curso de circunstancias fuera de lo común condujo a aquel punto memorable en que por primera vez plugo al Señor tocar la conciencia por Su Espíritu. Algunos tienen motivo para dar gracias a Dios por una enfermedad; otros por un traslado de un lugar a otro; otros por un nuevo empleo; otros por alguna circunstancia particular que los llevó a leer cierto libro o a oír a cierto ministro.
Otros, a su vez, ven la mano maravillosa de Dios en grandes pérdidas o dolorosos reveses en los negocios, circunstancias por las cuales fueron puestos de rodillas, quizá perdieron sus bienes terrenales, o incluso cayeron en verdadera pobreza y angustia. Y todas estas providencias o sucesos fuera de lo común están tan unidos a la obra de Dios en el alma que, aunque no son gracia en sí mismos, tuvieron el mismo efecto que la venida de Rut a Canaán, que terminó en su casamiento con Booz, o que el estar Mateo sentado al banco de los públicos tributos, que le llevó a ser llamado a ser discípulo del Señor Jesús.
Lectura: Rut 2:1-14
Al lector…
Cuando usted mira atrás a una enfermedad, una pérdida, una prueba en casa o un revés que le puso de rodillas, quizá haya considerado aquel día como nada más que una página oscura de su vida. Pero ¿no podría ser que precisamente allí el eslabón de hierro se uniera al de oro, y que el Señor le hallara en tierra de desierto, en desierto horrible y yermo?
La providencia no es gracia en sí misma, pero Aquel que ordena todas las cosas puede hacer que sirva a Su obra en el alma. Así como Rut vino a Canaán y Mateo estaba sentado al banco de los públicos tributos sin saber lo que el Señor tenía en vista, así su camino más duro puede ser precisamente el lugar donde Él toca su conciencia por Su Espíritu. Dele gracias, pues, por los caminos sinuosos. Aquel que le halló en el desierto conoce también el camino por el cual le guía.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Psalm 42:2
Welk een treffend zinnebeeld gebruikt David in deze woorden! Stel u voor een verwond hert, met een pijl in zijn zijde en vervolgd door een troep jagers en honden, alle begerig om te doden. Veronderstel dat het een geruime tijd is achtervolgd onder een brandende zon en over hopen zand, en denk daarbij dat dit arme, verwonde en aangeschoten dier op een afstand een helder vloeiend water bemerkt. O, wat begeert het daarnaar! Hoe hijgt zijn borst en verlangt het naar de frisse waterstroom, niet slechts om enige grote teugen van dit water te mogen genieten en zijn vermoeide leden te mogen verkwikken, maar ook om dit water te mogen oversteken, teneinde de jagers en honden te ontkomen.
Hoe treffend en sprekend is dit zinnebeeld! En toch, hoe treffend dit op zichzelf ook is, David brengt het slechts naar voren om het sterke verlangen zijner ziel naar God uit te drukken. Wij kunnen misschien de volle waarde van het zinnebeeld niet vatten; wij kunnen en durven ons niet met David te meten, of gebruik te maken van dezelfde uitdrukkingen, die de brandende, hevige en vurige begeerten uitdrukken, maar wij kunnen er althans uit zien wat de heiligen van ouds in tijden van verzoeking en beproeving hebben beleefd. En wij kunnen in enig opzicht de bevinding onzer ziel met de hunne vergelijken. Somtijds vervult dit ons met schaamte en verlegenheid over onze tekortkomingen, en somtijds worden wij erdoor bemoedigd en opgewekt, voor zover wij enigermate onze bevinding daarin aantreffen.
Want deze dingen zijn geschreven tot lering voor ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo mogen wij in velerlei opzicht en tot verschillende einden, met Gods hulp en zegen, acht geven op zulke gezegden als wij vinden in de woorden van David, en in de vreze Gods onze harten onderzoeken, of wij daarin iets kunnen aantreffen dat overeenkomst heeft met het werk der genade, hetwelk de Heilige Geest beschrijft als in zijn ziel levend. Weest niet geheel terneergeworpen, noch geheel ontmoedigd, wanneer gij geen volle overeenkomst met Davids leven kunt vinden. Kunt gij er iets van ontdekken? Zo ja, grijpt dan moed, want de Heere veracht de dag der kleine dingen niet.
Het is Zijn eigen werk in het hart, en het is Zijn eigen werk alleen, dat Hij beschouwt, gelijk David zegt in Psalm 138:8: „De Heere zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.” En dat werk zal te allen tijde een volledig afschrift zijn, zij het dan op kleine schaal, een volmaakt of verkleind portret van het werk der genade dat in het Woord beschreven is, zoals de Geest dit werkte in de harten van Gods kinderen van de oude tijd.
Aan de lezer…
Kent u iets van dat hijgen van het verwonde hert, lezer? Niet in de volle maat van David misschien; u durft u met hem niet te meten, en wanneer u zijn brandende woorden leest, beschaamt u de koelheid van uw eigen hart. Toch is er soms een zucht, een verlangen naar God Zelf, dat niets anders kan stillen. Is dat er, al is het nog zo zwak, weest dan niet geheel terneergeworpen.
De Heere veracht de dag der kleine dingen niet. Wat Hij in u werkt, is Zijn eigen werk, en dat beschouwt Hij met welgevallen, al is het slechts een verkleind portret van wat Hij in Zijn heiligen van ouds gewerkt heeft. Grijp dan moed, arme, vervolgde ziel. Hij Die het werk begon, zal het voor u voleinden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, en de werken Zijner handen laat Hij niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Psalm 42:2
Wat een treffend beeld gebruikt David in deze woorden! Stel u een gewond hert voor, met een pijl in zijn zijde en achtervolgd door een troep jagers en honden, die het allemaal willen doden. Stel dat het al geruime tijd is opgejaagd onder een brandende zon en over hopen zand, en bedenk daarbij dat dit arme, gewonde en aangeschoten dier in de verte helder stromend water ziet. O, wat verlangt het daarnaar! Hoe hijgt zijn borst en verlangt het naar de frisse waterstroom, niet alleen om een paar grote teugen van dat water te drinken en zijn vermoeide leden te verkwikken, maar ook om dat water over te steken en zo aan de jagers en honden te ontkomen.
Wat is dit beeld treffend en sprekend! En toch, hoe treffend het op zichzelf ook is, David gebruikt het alleen om het sterke verlangen van zijn ziel naar God uit te drukken. Wij kunnen de volle betekenis van het beeld misschien niet bevatten. Wij kunnen en durven ons niet met David te meten, of dezelfde uitdrukkingen te gebruiken die zulke brandende, hevige en vurige begeerten uitdrukken; maar wij kunnen er in elk geval uit zien wat de heiligen van vroeger in tijden van verzoeking en beproeving hebben doorgemaakt. En wij kunnen in zekere zin de bevinding van onze ziel met die van hen vergelijken. Soms vervult dat ons met schaamte en verlegenheid over onze tekortkomingen, en soms worden wij erdoor bemoedigd en opgewekt, voor zover wij er in zekere mate onze eigen bevinding in terugvinden.
Want deze dingen zijn geschreven tot lering voor ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo mogen wij in veel opzichten en met verschillende doelen, met Gods hulp en zegen, letten op zulke uitspraken als wij vinden in de woorden van David. En wij mogen in de vreze Gods ons hart onderzoeken, of wij daarin iets vinden dat overeenkomt met het werk van de genade dat de Heilige Geest beschrijft als levend in zijn ziel. Wees niet helemaal terneergeslagen en niet helemaal ontmoedigd wanneer u geen volledige overeenkomst met het leven van David kunt vinden. Kunt u er iets van ontdekken? Zo ja, grijp dan moed, want de Heere veracht de dag der kleine dingen niet.
Het is Zijn eigen werk in het hart, en alleen Zijn eigen werk, waar Hij naar ziet, zoals David zegt in Psalm 138:8: „De Heere zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.” En dat werk zal altijd een volledig afschrift zijn, al is het op kleine schaal, een volmaakt maar verkleind portret van het werk van de genade dat in het Woord beschreven is, zoals de Geest dat werkte in de harten van Gods kinderen in vroeger tijden.
Aan de lezer…
Kent u iets van dat hijgen van het gewonde hert? Misschien niet in de volle maat van David; u durft zich niet met hem te meten, en wanneer u zijn brandende woorden leest, beschaamt de koelheid van uw eigen hart u. Toch is er soms een zucht, een verlangen naar God Zelf, dat niets anders kan stillen. Is dat er, al is het nog zo zwak, wees dan niet helemaal terneergeslagen.
De Heere veracht de dag der kleine dingen niet. Wat Hij in u werkt, is Zijn eigen werk, en daar ziet Hij met welgevallen naar, al is het maar een verkleind portret van wat Hij in Zijn heiligen van vroeger gewerkt heeft. Grijp dan moed, arme, opgejaagde ziel. Hij Die het werk begon, zal het voor u voleinden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, en de werken van Zijn handen laat Hij niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“As the hart panteth after the water brooks, so panteth my soul after thee, O God.”
Psalm 42:1
What a striking figure has David made use of in these words. Conceive a wounded stag, with the arrow in his flank or pursued by a crowd of hunters and hounds, all eager to pull him down; conceive him to have run for some space of time under a burning sun and over heaps of sand; and conceive that at a distance this poor wounded or hunted animal sees water gently flowing along. Oh, how it pants! How its heaving sides gasp, and how it longs for the cooling stream, not only that it may drink large draughts of the fresh waters and lave its panting flanks and weary, parched limbs—but, by swimming across, may haply escape the dogs and hunters at its heels. How strong, how striking the figure.
And yet strong as it is, how earnestly does David employ it to set forth the panting of his soul after God. We cannot, perhaps, rise up into the fullness of this figure; we cannot, we dare not lay our feelings stretched fully out side by side with his, or use the same burning, vehement, ardent expressions. But we may at least see from them what the saints of God have experienced in times of temptation and trial in days of old; and we may in some measure compare the feelings of our soul with theirs—sometimes to fill us with shame and confusion at our short-comings, sometimes to stimulate and encourage us so far as we experience a degree of similar teachings; for these things are written for our instruction, “upon whom the ends of the world are come.”
Thus in various ways and to various ends we may, with God’s help and blessing, look at and into such expressions as we find in the words of David, and in the fear of God search our hearts to see if we can find anything there corresponding to the work of grace that the Holy Spirit describes as existing in his soul. Nor be utterly cast down nor wholly discouraged if you cannot find a full or close similarity. Can you find any? If so, take encouragement, for the Lord despises not the day of small things.
It is His own work upon the heart and His own work alone to which He has regard, as David felt when he said, “The Lord will perfect that which concerns me—Your mercy, O Lord, endures forever; forsake not the works of Your own hands” (Psalm 138:8). And that work will ever be a copy in full or in miniature, a complete or reduced photograph, of the work of grace described in the Scripture as carried on by the Spirit in the hearts of God’s saints of old.
To the reader…
Do you know something of that panting of the wounded deer? Perhaps not in David’s full measure; you dare not measure yourself against him, and when you read his burning words, the coolness of your own heart puts you to shame. Yet there is at times a sigh, a longing for God Himself, that nothing else can still. If that is there, however faint it may be, then do not be wholly cast down.
The Lord does not despise the day of small things. What He works in you is His own work, and He looks upon it with delight, even if it is only a reduced portrait of what He wrought in His saints of old. Take courage, then, poor hunted soul. He Who began the work will perfect it for you, for His mercy endures forever, and He will not forsake the works of His own hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Como el ciervo brama por las corrientes de las aguas, así clama por ti, oh Dios, el alma mía.”
Salmo 42:1
¡Qué figura tan impresionante ha empleado David en estas palabras! Imagine usted un ciervo herido, con la flecha en el costado, o perseguido por una multitud de cazadores y perros, todos ansiosos por derribarlo; imagine que ha corrido durante algún tiempo bajo un sol abrasador y sobre montones de arena; e imagine que a lo lejos este pobre animal herido o perseguido ve agua que corre mansamente. ¡Oh, cómo jadea! ¡Cómo boquean sus costados agitados, y cómo anhela la corriente refrescante, no solo para beber grandes tragos de las aguas frescas y bañar sus flancos jadeantes y sus miembros cansados y resecos, sino para escapar quizás, cruzándola a nado, de los perros y cazadores que le pisan los talones! ¡Qué fuerte, qué impresionante es la figura!
Y sin embargo, fuerte como es, ¡con cuánto fervor la emplea David para expresar el anhelo de su alma por Dios! Quizás no podamos elevarnos a la plenitud de esta figura; no podemos, no nos atrevemos a poner nuestros sentimientos plenamente extendidos junto a los suyos, ni a usar las mismas expresiones ardientes, vehementes y fervorosas. Pero al menos podemos ver por ellas lo que los santos de Dios experimentaron en tiempos de tentación y prueba en los días antiguos; y podemos en alguna medida comparar los sentimientos de nuestra alma con los suyos: a veces para llenarnos de vergüenza y confusión por nuestras faltas, a veces para estimularnos y animarnos en la medida en que experimentamos un grado de enseñanzas semejantes; porque estas cosas están escritas para nuestra instrucción, “en quienes los fines de los siglos han parado”.
Así, de diversas maneras y con diversos fines, podemos, con la ayuda y la bendición de Dios, mirar y escudriñar expresiones como las que hallamos en las palabras de David, y en el temor de Dios examinar nuestros corazones para ver si hallamos allí algo que corresponda a la obra de gracia que el Espíritu Santo describe como existente en su alma. Y no se abata del todo ni se desanime por completo si no puede hallar una semejanza plena o estrecha. ¿Puede hallar alguna? Si es así, cobre ánimo, porque el Señor no menosprecia el día de las pequeñeces.
Es a Su propia obra en el corazón, y solo a Su propia obra, a la que Él mira, como sintió David cuando dijo: “Jehová cumplirá por mí: tu misericordia, oh Jehová, es para siempre; no dejarás la obra de tus manos” (Salmo 138:8). Y esa obra será siempre una copia, completa o en miniatura, una fotografía de tamaño completo o reducido, de la obra de gracia que la Escritura describe como llevada adelante por el Espíritu en los corazones de los santos de Dios de antaño.
Al lector…
¿Conoce usted algo de ese jadear del ciervo herido? Quizás no en la plena medida de David; no se atreve a medirse con él, y cuando lee sus palabras ardientes, la frialdad de su propio corazón le avergüenza. Sin embargo, hay a veces un suspiro, un anhelo de Dios mismo, que ninguna otra cosa puede calmar. Si eso está ahí, por débil que sea, no se abata del todo.
El Señor no menosprecia el día de las pequeñeces. Lo que Él obra en usted es Su propia obra, y la mira con agrado, aunque solo sea un retrato reducido de lo que obró en Sus santos de antaño. Cobre ánimo, pues, pobre alma perseguida. El que comenzó la obra la cumplirá por usted, porque Su misericordia es para siempre, y no dejará la obra de Sus manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl