Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het ijzer en het staal van het noorden

Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? Jeremia 15:12

Sommige mensen maken erg veel bezwaar tegen het gebruik van beelden in de prediking van het Evangelie van Jezus Christus. Zij zeggen, dat de Evangeliewaarheden zulk een toelichting niet behoeven: dat het gebruik van natuurlijke beelden eerder ertoe leidt, zulke heerlijke onderwerpen te verzinnelijken, en te verlagen, dan er enig licht op te werpen: en dat deze op zichzelf duidelijk genoeg zijn, om zulk een ontleende toelichting te vereisen. Ik geef toe, dat wanneer beelden gewrongen, of ongeschikt zijn, of te veelvuldig worden gebruikt, ze deze strekking hebben kunnen. Maar dat is het misbruiken, niet het gebruiken ervan. Wij mogen een zaak niet tegenspreken, omdat de mensen er misbruik van maken. Zo ben ik van mening, dat een matig gebruik van gepaste beelden, er veel toe bijdraagt het Woord van God, en de bevinding der gelovigen uit te leggen en te verklaren.

Twee zaken zijn, naar mijn mening, in elk geval duidelijk. In de eerste plaats, dat beelden veel licht werpen op waarheden, die anders niet op zulk een klare wijze zouden worden uiteengezet: dat ze indruk maken op de geest, en merendeels erg sterk in herinnering blijven. In de tweede plaats is het, naar mijn mening, volmaakt duidelijk, dat de gezegende Geest veel gebruik heeft gemaakt van beelden in het Woord der waarheid. De taal der profeten is in hoge mate beeldrijk. En moet ik het voorbeeld noemen van de gezegende Heere Zelf, Die veel in beelden sprak, en Die zonder een gelijkenis (hetgeen niets anders is dan een beeld) nauwelijks Zijn mond opende?

We hebben een beeld voor ons opgeslagen liggen, en dat beeld in de mond van JEHOVAH Zelf, is gericht tot Zijn dienstknecht Jeremfa, onder bijzondere omstandigheden.

In het overdenken van de tekstwoorden zal ik met Gods zegen:

I. In de eerste plaats trachten de letterlijke betekenis ervan aan te tonen, en de toepasselijkheid ervan voor de zaak, waartoe deze werden gesproken: en

II. In de tweede plaats, de geestelijke en bevindelijke betekenis ervan vanuit een breder gezichtspunt, als omvattende het ganse huisgezin Gods.

De Heere schenke de zegen!

I. Jeremia, zo moeten wij in gedachten houden, verkeerde op dat tijdstip in een toestand van bijzondere moedeloosheid. De Heere had hem tot het profetisch ambt geroepen, had woorden in zijn mond gelegd, en had hem met grote getrouwheid begiftigd, om een boodschap te brengen, welke Hijzelf hem had gegeven. De vervulling, de getrouwe vervulling van zijn profetisch ambt, bracht grote vervolging over hem. In uiterste bitterheid en angst zijner ziel roept hij uit: ”wee mij, mijne moeder, dat gij mij gebaard hebt, eenen man van twist en enen man van krakeel den gansen lande: ik heb hun niet op woeker gegeven: ook hebben zij mij niet op woeker gegeven: nog vloekt mij een ieder van hen.” Zijn tedere gevoelens bezweken onder de last van deze algemene vijandschap.

Maar er was meer dan dit. De Heere toefde te verschijnen, en verborg Zijn gezegend aangezicht voor hem: en daar zodoende de verdorvenheid van zijn hart was opgewekt, brak de drift en opstand van zijn vleselijk gemoed uit in die ongepaste taal: ’’waarom is mijne pijn steeds durende, en mijne plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden: zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?” Zijn gehele boezem was één zee, die beroerd was van smart, en hier zien wij het deinen en kolken van haar rusteloze golven. Maar hoe treedt de Heere deze omstandigheden tegemoet? Welke zijn de woorden, waarvan Hij gebruik maakt om olie op deze beroerde wateren te storten? Hij zegt: ”zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?”

Alsof Hij hem aldus tegensprak: “ofschoon uw vervolgingen, ellenden, bezoekingen, en alle zwoegen van uw door de storm geslingerde boezem, voor u even sterk, even hard, en even onoverwinnelijk zijn als ijzer, zullen deze evenwel datgene verbreken, dat sterker is? Is niet Mijn almachtige kracht, Mijn eeuwige liefde en Mijn verlossende hand veel sterker dan de ijzeren hand der vervolging, welke tegen u is uitgegaan, en de ijzeren droefenissen, welke gij te verduren hebt, als het ijzer en het staal van het noorden (Eng.Vert.) sterker zijn, dan het gewone metaal?”

En dat dit de geestelijke betekenis is der woorden, is klaarblijkelijk uit hetgeen wij lezen in het 20ste vers: ’’want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur: zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen: want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.” Alsof de HEERE had gezegd: ”ja, gij zult een ijzeren juk te dragen hebben: gij zult ijzeren vervolgingen te lijden hebben: zij zullen tegen u strijden, zoals ijzer tegen ijzer strijdt: doch zij zullen tegen u niet vermogen. Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vaste muur. Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.” En zou een zoetere en meer gepaste belofte kunnen worden gevonden? De HEERE verkleinde de wezenlijkheid van Jeremia’s ellende niet. De HEERE vertelde hem eenvoudig, dat de beproevingen en oefeningen, welke hij moest doormaken voor hem even sterk, even hard, en even onoverwinnelijk zouden zijn als ijzer. Maar tezelfdertijd verzekerde Hij hem, dat er een sterkere macht was, die in levende oefening zou worden gebracht om hem uit deze zaken uit te rukken, om deze in hem en voor hem te overwinnen.

II. En dit voert met tot het tweede deel van mijn onderwerp, waarbij ik, met Gods zegen, meer in het bijzonder zal stilstaan: en ik zal daarom de woorden uitbreiden door te proberen aan te tonen, voor zover de Heere me ertoe zal in staat stellen, hoe gepast deze niet alleen maar voor het geval van Jeremia zijn: maar ook voor het volk des Heeren in het algemeen, en voor die omstandigheden en toestanden, waarin het huisgezin Gods voortdurend verkeert. Dit zal dus het voornaamste punt zijn onzer verhandeling, zo God ertoe bekwame: in de eerste plaats aan te tonen hoe de beproevingen en oefeningen van het huisgezin des Heeren voor hen zijn als ’’ijzer”: en in de tweede plaats hoe de kracht, de sterkte, en de hulp des Heeren zijn als ”het ijzer en het staal van het noorden,” welke deze op een doeltreffende en onoverwinnelijke wijze zullen te boven komen.

A. Het volk des Heeren is een bezocht volk. Dit is Gods eigen getuigenis aangaande hen: Hij zegt: ”Ik heb u gekeurd in de smeltkroes der ellende.” (Jes. 48:10) Een ’’derde deel zal in het vuur worden gebracht.” (Zach. 13:9) Hij doet in het midden van hen ”een ellendig en arm volk” overblijven (Zef. 3:12): en zij zijn het, en zij alleen, die ”op de Naam des HEEREN zullen betrouwen.” De bezoekingen, welke het volk des Heeren moet doormaken, zijn niet bedoeld lichte bezoekingen te zijn. De Heere legt geen lichte lasten op de schouders van Zijn volk. Zijn voornemen is hen op een zekere plaats te brengen, een zeker werk in hun ziel tot stand te brengen: hen tot die hulpeloosheid, zwakheid, en machteloosheid te brengen, waarin Zijn kracht wordt openbaar gemaakt. Aldus, toen de Heere een beeld wilde kiezen, dat gepast is om de bezoekingen van Zijn volk te beschrijven, vestigde Hij Zijn keus op het metaal ijzer: en zo vergelijkt Hij deze bij het hardste, sterkste, stevigste, onbuigzaamste en het taaiste aller metalen.

1. Sommigen van het volk des Heeren moeten diepe en zware beproevingen in de voorzienigheid

doormaken: en deze hebben voor hen vaak een ’’ijzeren” karakter. Die beproevingen in de voorzienigheid, welke niet zwaar wegen, welke niet erg drukken, en welke niet worden gevoeld van een aard te zijn, dat wij ze uit onszelf niet kunnen overwinnen, zijn geen ijzeren beproevingen. Maar die bezoekingen, welke de Heere over Zijn volk brengt, waarop, naar zij ervaren, hun eigen inspanningen niet de overhand kunnen hebben, welke alle menselijke wijsheid beschamen, die lachen om schepsels kracht en ieder vermogen in de mens om deze weg te nemen, of te overwinnen nietig verklaren, mogen wel worden vergeleken bij dat harde, sterke, onbuigzame, taaie metaal: ’’ijzer.”

2. Anderen van het volk des Heeren hebben diepe en zware beproevingen in de genade. Het ganse uitverkoren huisgezin maakt niet dezelfde mate van scherpe bezoekingen in de voorzienigheid door: maar in de genade is geen van hen vrij van beproevingen. Moeten wij niet met Christus verdragen, opdat wij het Hem mogen heersen? Moeten wij niet met Hem sterven, opdat wij met Hem leven mogen? Zijn wij niet verordineerd Zijn beeld gelijkvormig gemaakt te worden? En is niet dat beeld een beeld van lijden? Moeten wij hier niet worden gekruisigd met Christus, opdat wij Hem mogen zien, zoals Hij is in het hiernamaals? Wie zal dan het kruis ontgaan? Wie zal door het leven gaan zonder zware geestelijke beproevingen? Bastaarden, geen zonen: ’’Bastaarden mogen de roede ontgaan.

Verzonken is ’s werelds ijdel genot,
Maar het waarachtig geboren kind van God,
Kan, noch zou willen, zo dit kon, ontkomen hieraan.

Aldus moet het volk des Heeren (ofschoon er ongetwijfeld maten zijn van geestelijk, zoals er trappen van tijdelijk lijden zijn), een bepaalde mate van geestelijke droefenissen, oefeningen, en smarten doormaken. En deze moeten voor hen als ’’ijzer” zijn. Indien deze maar als hout zijn, dat ik met mijn handen in stukken kan breken, dan zijn het niet zulke beproevingen als de Heere Zelf zendt. Wanneer ik lasten heb, welke ik zelf kan wegnemen: wanneer ik beproevingen heb, waaruit ik mezelf kan verlossen: wanneer ik verzoekingen heb, waaruit ik mijn eigen ziel kan redden, dan heb ik een klaar getuigenis, dat ik niet wandel op dat pad der verdrukking, waarop het volk des Heeren voortgaat. Indien ik geloof kan oefenen op Christus: indien ik God op Zijn Woord kan aannemen: indien ik iedere belofte kan geloven: en aldus iedere last uit de weg kan ruimen, wanneer en hoe dit mij goeddunkt, dan kan ik er wel zeker van zijn, dat God die last nimmer op mijn schouders gebonden heeft: die bezoeking nimmer op mijn hart heeft gelegd, en dat Zijn hand niet in die ellende is. Maar wanneer onze beproevingen van zulk een aard zijn, dat deze voor ons als ’’ijzer: zijn: even onmogelijk voor ons om te buigen of te verbreken als de ijzeren pilaar, welke die galerij draagt, dan hebben wij enig bewijs, dat deze beproevingen de beschikking des Heeren zijn, en dat de gezegende Geest onze zaak hier getekend heeft, wanneer Hij de beproevingen, welke wij moeten doormaken, vergelijkt bij dit stevige, onbuigzame en strakke metaal.

Kind van God, is niet dit het zwaarste deel uwer beproeving geweest, de scherpste kant van de smartelijke bezoeking, dat u zich door welke schepsels pogingen dan ook, niet hiervan kon ontslaan? Maar deze zelfde zaak, welke zo vaak uw geest beproeft, is juist het bewijs, dat deze van God komt: want als de Heere bindt, dan kan niemand ontbinden: als de Heere sluit, dan kan niemand openen. Als de Heere iemand in een beproeving brengt, dan kan niemand, dan de hand des Heeren verlossen. Zodat de scherpe kant van de beproeving, welke zo vaak uw hart doorstoken heeft: de zware last, welke zo vaak uw schouders heeft terneergebogen, dat u zichzelf niet kon verlossen, juist deze omstandigheid, welke zo menig zuchten en roepen uit uw hart heeft doen opgaan, en u bij ogenblikken heeft vervuld van droefheid, een bewijs is, dat de bezoeking van God is.

3. Sommigen van het volk des Heeren moeten gebukt gaan onder zware lasten van schuld. De Wet wordt toegepast in hun consciëntie in haar geestelijkheid, uitgebreidheid, veroordeling en in haar vloek: en dit is voorwaar voor hen een ’’ijzeren” juk, dat zij niet kunnen buigen of verbreken. Overtuigingen, die wij kunnen wegnemen en lasten van schuld, die wij terzijde kunnen werpen, zoals een drager zijn last op een stapel deponeert, dat is niet de toepassing van de Wet Gods in de consciëntie, dat is niet het openleggen van de geestelijkheid der Wet voor de ziel. Het is niet uit God, indien wij dit kunnen wegnemen, of indien iemand het voor ons kan wegnemen. Doch is niet dit één van de scherpste en smartelijkste zaken in de geestelijkheid van de Wet Gods, toegepast in de consciëntie, dat wij de schuld niet kunnen wegdoen, de vloek niet kunnen wegnemen, onszelf geen verlichting van de last kunnen geven, hoewel deze tot het hart doordringt en de ziel terneerdrukt? Ja, ditzelfde kenmerk bewijst, dat het uit God is, omdat het een ’’ijzeren” karakter draagt.

4. Sommigen van het volk des Heeren moeten scherpe en schrijnende verzoekingen doormaken. Het wordt satan toegestaan hen van tijd tot tijd met zijn vurige pijlen te kwellen: hem wordt toegestaan te werken op de boosheden van hun gevallen natuur, en hem wordt toegelaten het verderf van dat verdorven hart, dat zij in hun boezem omdragen, op te wekken.

En zij gevoelen zich totaal onbekwaam deze verzoekingen weg te nemen. Als vurige pijlen in uw hart worden geschoten, kunt u deze dan verwijderen? Als godslasterlijke voorstellingen in uw vleselijke hart worden verwekt, kunt u deze dan kwijtraken? Als de satan uw geest al hetgeen hatelijk en gruwelijk is voorstelt, kunt u hem dan gebieden van u te gaan, of kunt u deze gedachten verdrijven? Indien wij dat zouden kunnen, wat zouden we dan gelukkig zijn. Maar wij kunnen deze verzoekingen niet verbreken of buigen: deze zijn voor ons als ’’ijzer”.

5. Voorts. Hoevelen van het huisgezin des Heeren zijn verward in verborgen strikken, waarvan alleen zijzelf kennis dragen! En wat roepen, zuchten en kermen zij onder deze strikken, welke satan voortdurend voor hun voeten legt! Hoe vaak zijn ze verstrikt door boezemlusten! Hoe vaak ternedergeworpen door de trots huns harten! Hoe vaak overwonnen door de hebzucht van hun verdorven natuur! Hoe voortdurend verward in de één of andere strik, welke zij op hun pad ontmoeten! Doch kunnen zij zichzelf verlossen? Het zou geen ’’ijzeren” strik zijn, indien zij deze zouden kunnen verbreken. Het zouden zulke verse zelen zijn, als, naar Simson aan Delila vertelde, hem zouden vastbinden: puur vezel, dat in stukken breekt, wanneer het kennis maakt met het vuur. Als u en ik in een zekere strik zijn verward, en wij kunnen deze verbreken en eraan ontkomen, zou dat een strik voor ons zijn? Neen: juist het karakter van een strik is, dat deze stevig om de nek zit van het ongelukkige dier, dat erin is gevangen. Het is het ’’ijzer” van de strik, de draad, welke het ongelukkige dier, dat erin loopt, doodt. En hebben u en ik soms niet ondervonden, dat onze strikken even onontwarbaar waren door schepsels kracht, als de arme haas, welke gevangen is in de strik van de stroper? Ja, even onbekwaam onszelf te verlossen en de handen van een ander vereisend, om onze nek uit die strik te bevrijden.

6. Anderen van het volk des Heeren worden in dienstbaarheid gehouden, omdat zij geen klare openbaringen van de liefde des Heeren aan hen bezitten. Zij zijn niet in staat te roepen: ”Abba Vader,” zij kunnen hun naam niet onderscheiden in het boek des Levens: zij hebben niet het getuigenis des Geestes Gods gevoeld: zij hebben niet de zoete uitstortingen der stervende liefde verkregen: zij hebben de vergeving hunner zonden, niet klaarlijk geopenbaard gekregen in hun consciëntie. En zij bezitten een gevoelig besef in hun eigen conciëntie, dat deze dingen tot de zaligheid onmisbaar zijn: dat deze in hun hart moeten worden gebracht door de kracht Gods, of dat ze in hun zonden moeten sterven.

Zijn dit geen ’’ijzeren” beproevingen voor sommigen van des Heeren levende huisgezin? Buigen deze zaken hen niet vaak terneder in hun gemoed, bezwaren deze niet vaak hun hart, en bedroeven ze niet vaak hun consciëntie, omdat zij niet kunnen uitkomen tot de vrijheid van het Evangelie, omdat zij zich niet kunnen verblijden in de Heere als hun Zaligheid, omdat zij God niet met een onwankelbaar vertrouwen ’’Vader” kunnen noemen. Maar, indien zij in deze zaak geen beproevingen zouden hebben, indien er geen scherpe en harde oefeningen met deze gevoelens in hun hart verbonden zouden zijn: wanneer deze niet tot een last zouden zijn, geen droefheid zouden teweegbrengen, soms niet als een juk om hun hals zouden zijn, dan zou het in ‘t geheel geen beproeving voor hen zijn. Maar het is, omdat deze overtuigingen van hun tekortkomingen, van hun ongeloof en hulpeloosheid zo scherp en zo zwaar zijn, dat deze het karakter in zich hebben van het stijve, strakke, onbuigzame metaal ’’ijzer”.

6. Anderen van het huisgezin des Heeren hebbenscherpe vervolgingen te verduren: de vijandschap van betrekkingen, de verachting van belijders, de haat van de wereld, die in het boze ligt. Was dit niet Jeremia’s deel? Sprak hij niet, dat iedereen hem haatte? En iedereen zal u en mij haten, indien wij even getrouw zijn als Jeremia. Een predikant, die aan de vijandschap, hoon en laster ontkomt! Wijs me de man, die dit doet, en ik zal u een trouweloos man aanwijzen, een lafaard in het legerkamp van Christus, en iemand, die zijn mond niet op een moedige wijze durft te openen in Naam van de Verlosser. Maar wijs me een getrouw man, iemand die het Evangelie predikt met de Heilige Geest, nedergezonden van de hemel: iemand die niet de afkeuring van de mens vreest en die niet de toelaching des mensen zoekt: die slechts de goedkeuring van de gezegende Geest in zijn eigen consciëntie zoekt, en ik zal u een man wijzen, die gehaat, gesmaad, vervolgd, tegengestaan en belasterd wordt: iemand, die in verhouding tot zijn getrouwheid iets kent van Jeremia’s uitwendige weg, en ook iets van zijn inwendig lijden.

Wij zijn hier vanavond in een grote vergadering bijeen: en er zijn vele belijders van de waarheid onder dit dak. Hoe bent u tot de godsdienst gekomen? Sommigen van u hebben deze vele jaren beleden. Wat is uw pad geweest? U bent hier gekomen uit verschillende delen van de stad: u kunt vertellen door welke straten u gekomen bent, of deze schoon of smerig, breed of nauw waren, of ze overstroomd waren met mensen, of dat ze betrekkelijk leeg waren. U kunt nauwkeurig de weg beschrijven, welke u gekomen bent. Wel, u hebt zich zovele jaren voortbewogen op het pad der godsdienst, en hoe hebt u dat bevonden te zijn? Is het een erg oneffen pad geweest? Een erg ruwe weg, een weg van op en neer? Vele beproevingen en vervolgingen, vele verzoekingen, droefenissen, bezoekingen en vele hevige en scherpe overtuigingen, die voor u even star en even onbuigzaam zijn geweest als het metaal ’’ijzer”? Indien dit zo is, dan hebt u enig getuigenis, dat de Heere u geleid heeft: dat u tot Zijn arm en ellendig volk behoort: dat u in de smeltkroes bent geweest, waarin de Heere Zijn Zion keurt. Aldus hebt u enig getuigenis, dat de Heere u leidt langs een rechte weg, ofschoon het een ruwe en oneffen weg moge zijn, om u tot een stad ter woning te brengen. En verwacht nimmer enig ander pad dan een pad van ijzer, verwacht nooit andere dan ’’ijzeren” beproevingen, hoop nooit op enige andere, dan “ijzeren” verzoekingen: op enige andere, dan “ijzeren” strikken, op enige andere, dan ’’ijzeren” vijanden, nóch op enige andere, dan ’’ijzeren” droefenissen.

Wel, en hoe moeten wij deze verbreken? De veroordeelde misdadiger in de cel van Newgate, zou evengoed door die stenen muren en ijzeren poorten kunnen breken, als dat één van het verzochte en beproefde volk des Heeren zelf de droefenissen en beproevingen, die de Heere over hem brengt, zou kunnen verbreken. Neen, deze zouden niet door de Heere zijn beschikt, door Hem zijn teweeggebracht, wanneer hij er zichzelf van zou kunnen bevrijden: wanneer hij deze in stukken zou kunnen breken als een stok, die vergaan is: wanneer hij door zijn eigen blote kracht dit alles zou kunnen doorbreken, en zijn eigen ziel licht, leven en vrijheid zou kunnen verkondigen.

B. Maar deed de Heere Jeremia hier blijven? Wat zijn de tekstwoorden? O hoe gepast en veelzeggend voor zijn bezwijkende geest! ”Zal ijzer het ijzer en het staal van het noorden verbreken?” (Eng.Vert.)

Het schijnt, dat de Joden gebruik maakten van ’’ijzer van het noorden”, om er hun snijgereedschap van te vervaardigen: en het is een zonderlinge samenloop van omstandigheden, dat ook dit land, waarin wij leven Zweeds ijzer, of ’’ijzer van het noorden” krijgt geleverd, om er al zijn snijwerktuigen van te vervaardigen. Het mes, dat u op zak hebt, de schaar, die u vandaag hebt gebruikt, zijn van ’’ijzer van het noorden.” Het ijzer, dat uit Zweden komt, is van zulk een zuivere, sterke en taaie aard, dat het is uitgekozen, teneinde er snijwerktuigen van te vervaardigen. U ziet, dat de Heere, wanneer Hij de beproevingen, welke Zijn volk doormaakt, aanduidt, deze vergelijkt bij ’’ijzer”. Hij verkleint de zwaarte ervan niet: Hij vermindert de benauwende strekking ervan in het geheel niet. Doch dan, teneinde een gepast geneesmiddel voor de ziel van Jeremia te verschaffen, brengt Hij iets naar voren, dat veel sterker is. ”Zal ijzer,” zegt Hij, ”het ijzer en het staal van het noorden verbreken?” Neen, gewis niet: het ’’ijzer en het staal van het noorden” zal dat verbreken.

Het gewone ijzer kan het ijzer van het noorden, dat een metaal is met een zodanig karakter, dat het veruit voortreffelijker is, nimmer verbreken: nog minder kan het zegevieren over dat scherpe goed- geharde staal, dat door alles kan heensnijden, waarmede het in aanraking komt.

Doch hoe moet dit geestelijk worden verklaard? Op dezelfde wijze als wij hebben gezien, dat de beproevingen, smarten, oefeningen en verzoekingen van het volk des Heeren vergeleken worden bij ’’ijzer”: wij moeten dus uitzien naar iets, dat deze beproevingen, verzoekingen, oefeningen en droefenissen de baas is, indien wij het beeld geestelijk zouden willen verklaren en uitleggen. ”Het ijzer en het staal van het noorden” geeft de kracht Gods te kennen: de kracht Gods, aangewend in de zwakheid van het schepsel. En in verscheidene gevallen kunnen wij hetgeen God is en doet tot steun van Zijn volk, vergelijken bij dit ’’ijzer en staal van het noorden.” Bijvoorbeeld:

1. Er is het eeuwige verbond, ”dat in alles wel geordineerd en bewaard is.” Kan dit eeuwige verbond worden verbroken? Kan dit eeuwige verbond voorbijgaan, en tot een zaak van niets worden? Stel, dat u een aandeel hebt in dit verbond, kunnen uw beproevingen, verzoekingen, droefenissen, ik zal er nog een woord aan toevoegen: uw zonden, dit eeuwige verbond, dat tussen de drie Personen der heerlijke Godheid te uwen behoeve werd aangegaan, aan stukken breken? Het gewone ijzer zou evengoed ”het ijzer en staal van het noorden” kunnen verbreken, als dat uw beproevingen, droefenissen, smarten, oefeningen en verzoekingen dat eeuwige verbond, dat God de Vader te uwen behoeve met de Zoon en de Heilige Geest heeft gemaakt, zou kunnen verbreken.

2. De besluiten, de absolute voornemens en eeuwige beschikkingen Gods, welke voortvloeien uit Zijn eeuwig verbond, zijn ook een onderdeel van dit ’’ijzer en staal van het noorden,” dat al hetgeen ervoor komt aan stukken breekt, doch hetwelk deze niet kan aantasten. Ik herinner me te hebben gelezen, dat er in onze fabrieken reusachtige stalen scharen worden gebruikt, om ijzeren platen aan stukken te knippen, even gemakkelijk als u, die vandaag met de naald bent bezig geweest, een stuk linnen hebt doorgeknipt, en veel gemakkelijker dan een kind een gewone kaart doorknipt. Aldus kunnen de voornemens en de eeuwige beschikkingen Gods, welke hier worden vergeleken bij staal, vervaardigd van ’’ijzer van het noorden,” al uw bezoekingen, beproevingen en oefeningen aan stukken snijden, met hetzelfde gemak als de stalen schaar, welke door stoom wordt aangedreven, de ijzeren platen kan doorknippen.

Maar wat anders kan deze aantasten? Niets dan staal kan ijzeren platen doorknippen: en zo kan niets dan de grote kracht Gods de beproevingen, verzoekingen, bezoekingen en droefenissen waarmede u van tijd tot tijd wordt geoefend, doorbreken.

3. De beloften Gods, opgetekend door de gezegende Geest in het onfeilbare Woord der waarheid, maken ook deze geen deel uit van “het ijzer en staal van het noorden”? Wat is zo onwrikbaar als deze? Zijn niet dit de woorden van Jezus Zelf: ”de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan?” (Matth. 24:35) Zullen Gods beloften niet standhouden tot in alle eeuwigheid? Zijn deze niet alle ”ja, en in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons”? (2 Cor. 1:20)

Welnu, de Heere heeft beloofd de rechtvaardige uit de benauwdheid te bevrijden. Hij heeft beloofd het kermen en roepen van de treurenden te horen: hun tranen in Zijn fles te doen: hen ten goede te gedenken: Zijn oor te neigen, en hen te horen, als ze Hem aanroepen. Hij zegt: ”en roep Mij aan in de dag der benauwdheid: Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.” (Ps. 50:15)

Is niet dit ”het ijzer van het noorden”? Wat sterk! Wat hard! Hoe onmogelijk te verbreken, hoe onmogelijk te buigen! Hoe zal het door de bezoekingen heensnijden en deze als vaneenscheuren, zoals het staal de ijzeren platen vaneensnijdt!

4. Het bloed, dat is gestort voor een uitverkoren volk: de verzoening en de offerande, die de Zone Gods eenmaal op het kruis van Calvarië heeft aangebracht en geofferd voor de zonde, maakt ook dit geen deel uit van die kracht Gods, welke Hij hier vergelijkt bij ”het ijzer en het staal van het noorden”? Stel, uw consciëntie is terneergebogen vanwege de schuld: uw zonden rijzen voor uw oog op als bergen: u bent bedroefd vanwege de boosheden, welke zich voor uw oog openbaren.

Maar zullen deze u in de hel doen wegzinken? Zullen deze zonden en deze schuld van ijzer om uw nek worden gelaten, teneinde u in het eeuwige verderf te doen ondergaan?

Niet als u iemand bent van het uitverkoren zaad: niet indien het bloed van Jezus voor u aan het kruis werd gestort. Dat is in staat, als het wordt toegepast, de sterkste ketenen, welke u mogen insluiten, weg te nemen: dat is in staat, wanneer dit in de consciëntie wordt geopenbaard, deze te reinigen, hoe schuldig, of hoe bezoedeld door de zonde en de onreinheid u zich ook gevoelt.

5. De heerlijke gerechtigheid van de Godmens: Zijn vlekkeloze gehoorzaamheid aan de heilige Wet Gods: Zijn volkomen vervulling ervan door Zijn werken en lijden, welke Hij verrichte en hetgeen Hij volbracht in de dagen Zijns vleses: maakt ook dit geen deel uit van de kracht Gods, en van wat God in het hart van Zijn volk openbaart als een mantel der gerechtigheid, die hen beschut voor de verdiende toorn?

6. De liefde van Jezus, ”die de kennis te boven gaat,” die ’’sterk is als de dood,” en nimmer kan tekortschieten: is ook dit niet een deel van het ’’ijzer en het staal van het noorden”? En als u persoonlijk aandeel hebt in het bloed en de liefde van Jezus: ofschoon u van tijd tot tijd droefenissen, zonden, verzoekingen van ijzer moogt hebben: nochtans, wanneer u persoonlijk aandeel hebt in het heerlijke werk van de God-Mens, dan zal het dit alles aan stukken breken: het zal ”de koperen deuren verbreken, en de ijzeren grendelen in stukken slaan:” en uw ziel uit iedere ellende, verzoeking, en uit iedere droefenis voeren.

Maar is het voldoende, dat het ’’ijzer en staal” naast elkaar zouden liggen? Moet er niet een zekere toepassing van het staal op het ijzer zijn, alvorens dit het aan stukken kan snijden, voordat dit het vaneen kan scheuren? Stel, dat u vele beproevingen, verzoekingen, droefenissen hebt, en dat er te uwen behoeve de liefde Gods, het eeuwige verbond, het verzoenende bloed van Christus, de rechtvaardigende gerechtigheid en de stervende liefde is, dat de God- Mens er als Middelaar is tussen de onkreukbare gerechtigheid en uw ziel. Doch bent u nog altijd verre? Bent u niet tot nabij God gebracht en is Hij u niet nabij gebracht? Wat kan de staalschaar doen, tenzij deze op het ijzer wordt toegepastt Is het geestelijk en bevindelijk niet zo in de consciëntie van een zondaar? Zal de leer genoegzaam zijn? In een fabriek zou het niet voldoende zijn.

De leer, dat de staalschaar ijzeren platen doorsnijdt, zou het werk niet verrichten. Als de baas zou kijken, om na te gaan, welk werk er was verricht, dan zou de werkman op een erg klare en geleerde wijze kunnen bespreken, wat een wonderbaarlijke scharen er wel in de fabriek waren, doch de patroon zou willen weten, hoeveel ijzeren platen deze over de gehele dag in stukken hadden gesneden. Hij zou niet zijn tevredengesteld met de leer: hij zou willen weten wat de ondervinding van de werking der staalschaar was geweest. Is het geestelijkerwijs niet zo? Zullen de leerstukken ons enig goed doen, tenzij er een toepassing dezer leerstukken met kracht aan onze ziel is? Ik weet, dat zij dit niet kunnen. Zij kunnen ons niet meer goed doen, dan bespiegelingen te houden over de natuur van staal, vergeleken bij ijzer, zonder de theorie te ondervinden en in praktijk te brengen.

En hier is het volk des Heeren onderscheiden van degenen, die dood zijn in de goddeloosheid, en van degenen, die dood zijn in een belijdenis, met een helder hoofd en een onvernederd hart. Deze kunnen bij de haard zitten, of soms aan de thee en op een erg vloeiende en welsprekende wijze redeneren, welke kracht er schuilt in ’’staal”, en ze kunnen alle zijden ervan belichten, en op de meest bewonderenswaardige wijze beschrijven, wat het eeuwige verbond is, wat de besluiten Gods zijn, wat het bloed van Jezus, en wat Zijn heerlijke gerechtigheid is. Maar heeft er ooit een toepassing dezer leerstukken, die ze zo vloeiend kunnen beredeneren en waarover zij zo schriftuurlijk kunnen spreken, in hun consciëntie plaatsgehad? Het zal hen geen goed doen erover te spreken, tenzij deze op een zekere wijze in hun hart en consciëntie worden toegepast. Dit is hetgeen, waaraan het volk des Heeren behoefte heeft: en dit is hetgeen Hij hun allen schenkt.

Dit is dan ook één der voornaamste redenen, waarom de Heere Zijn volk in zulke ’’ijzeren” moeilijkheden brengt, opdat Hij het heerlijke voorrecht moge hebben, deze in stukken te breken. Indien u geen ijzeren beproevingen, ijzeren verzoekingen, ijzeren smarten, ijzeren droefenissen hebt, waarvoor hebt u dan behoefte aan het ’’ijzer en het staal van het noorden”? Om het te beschouwen, ermede te spelen, en het te bewonderen, zoals u de etalage van een zaak, waar men messen en scharen verkoopt, moge voorbijgaan en de rijen messen en scharen, die u daar ziet hangen, moge bewonderen? Niet, indien uw hart geoefend is met ijzeren droefenissen, verzoekingen, beproevingen en twijfelmoedigheden. Ik ben ervan overtuigd, dat u behoefte zult hebben aan de almachtige kracht Gods in uw ziel om deze in stukken te snijden. En God kan dit. Bent u een arme, vervolgde gelovige? God kan in een ogenblik die vijandschap, welke u zo vervolgt, tenietdoen. Wordt u verzocht door satan? Hij kan in een ogenblik zijn vurige pijlen aan stukken breken.

Gaat u door een zware beproeving? Door de toepassing van een zekere dierbare belofte, kan de Heere in een ogenblik de beproeving aan stukken breken. Bent u verward in een zekere smartelijke strik, welke u dag en nacht gevoelt en waaronder u het uitschreeuwt, en bent u evenwel onbekwaam u eruit te bevrijden? De Heere kan in een ogenblik, door de toepassing van Zijn dierbaar Woord in uw ziel, die strik aan stukken breken. Hij heeft het ’’ijzer en het staal van het noorden” er maar tegen aan te wenden, en het is in een ogenblik geschied. En wat merken we hier de heerlijkheid Gods op! Wat brengt de Heere Zijn volk in toestanden en omstandigheden, waarin Hij zal worden verheerlijkt! Indien ik geen zonde gevoel, dan heb ik geen behoefte aan vergeving. Indien ik geen schuld heb, dan heb ik geen behoefte aan de toepassing van het verzoenende bloed. Indien ik geen lasten heb, dan heb ik geen behoefte aan een zoete verademing. Indien ik geen verzoekingen heb, dan heb ik geen behoefte aan dierbare verlossingen. Indien ik geen beproevingen heb, dan heb ik geen behoefte aan de krachtige toepassing van het Woord Gods in mijn ziel.

Hoe was het met Jererma? Sprak hij niet: ”als Uwe woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten”? Waarom? Omdat zware vervolging, scherpe beproevingen, krachtige verzoekingen hem honger hadden geschonken, dat was de reden, waarom ”het woord gevonden werd.” Hij viel erop aan, als een hongerig mens op een korst. Het was zijn ziel aangenaam, omdat het een dierbare verlossing van de verzoekingen, en van de droefenissen, waaronder zijn ziel kermende was, met zich bracht. Is er dus niet een noodzaak voor uw beproefd, verzocht en bedroefd zijn? Spreek de apostel niet: ”in welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen”? (1 Petr. 1 : 6)

Was niet dat de weg van Christus? En ook die van de eerste christenen? Zij volgden Hem op deze weg. En nodigt de Heere de gemeente van Laodicea niet van Hem te kopen ”goud, beproefd komende uit het vuur”? (Openb. 3:18)

Zegt niet Jacobus: ’’zalig is de man, die verzoeking verdraagt”? (1:12) En voorts: ’’acht het voor grote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”? (vers 2) Waarom? In enig opzicht vreugde in beproevingen, vermaak in droefheid?

Neen, niets van dit alles. Maar in de verlossingen door de Heere: in de kracht Gods, die wordt aangewend om de ziel uit te voeren: daarin ligt vreugde. En daarom moeten wij een duistere weg bewandelen om het licht dierbaar te doen zijn voor ons oog: moeten wij door beproevingen gaan, om de zoetigheid der beloften, wanneer deze met kracht worden toegepast te smaken: moeten wij verzoekingen verdragen, opdat wij ons in de zoetigheid der verlossing mogen verblijden. En dit is de wijze, wees daarvan zeker, waarop God met Zijn volk handelt. Is uw consciëntie eerlijk gemaakt? Spreekt die vermaner in uw boezem de waarheid? Vertel me wat deze spreekt? Zeg deze niet: ’’weinig beproevingen, weinig vertroostingen: weinig droefenissen, weinig blijdschap: weinig moeilijkheden, weinig getuigenissen Gods: weinig lijden, weinig ontdekkingen van de liefde en van het bloed?

Spreekt de apostel niet: ’’want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig”? (2 Cor. 1:5) En zegt hij niet: ”en onze hoop van u is vast, als die weten, dat, gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting.” (vers 7) En vertelt ons de apostel Paulus niet gedachtig te zijn, en niet te vergeten, hetgeen de Heere zegt, wanneer Hij tot Zijn volk spreekt, dat het deel van een kind is de kastijding te verdragen? Hij spreekt: ’’Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet, als gij van Hem bestraft wordt. Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon, dien Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) Maar indien gij zonder kastijding zijt” (O, wat een ernstvol woord! O, hoe toepasselijk op duizenden!), ’’welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden en niet zonen.” (Hebr. 12:5-8)

De Heere leidt ons, door Zijn eigen gezegende Geest, op de rechte weg! Dit mogen, dit moeten wegen van beproeving zijn. Wij moeten worden gedoopt met Zijn lijden en sterven, als wij Zijn heerlijke opstanding zullen deelachtig worden. Wij moeten het kruis opnemen en onszelf verloochenen, en Hem volgen in de wedergeboorte, wanneer wij Hem in heerlijkheid zullen aanschouwen. ”En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijne verzoekingen. En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft: opdat gij eet en drinkt aan Mijne tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.” (Lucas 22 : 28-30)

Aldus zien wij, dat naarmate wij de ijzeren natuur der beproevingen en droefenissen gevoelen, wij ”het ijzer en het staal van het noorden” van de almachtige kracht en de genade Gods zullen ondervinden tot verlossing.

Welgelukzalig is het volk, dat in zulk een toestand verkeert! Welgelukzalig is het volk, dat deze Heere heeft tot hun geopenbaarde God! Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.