Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Gods akkerwerk

Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks: de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken: Gij doet ze dalen in zijne voren: Gij maakt het week door de druppelen: Gij zegent zijn uitspruitsel. Gij kroont het jaar Uwer goedheid: en Uwe voetstappen druipen van vettigheid Psalm 65:10-12

De tekst bevat een erg zoete beschrijving van de wijze, waarop God de aarde vruchtbaar maakt, en deze voedsel doet voortbrengen ten nutte van de mens. Maar ik zou hier ver beneden de mening van de gezegende Geest blijven, indien ik de betekenis der woorden slechts zou beperken tot de natuurlijke voortbrengselen der aarde, en tot de wijze, waarop God die voortbrengselen doet uitspruiten. Ongetwijfeld ligt er een geestelijke betekenis in de woorden, gaat er onder het beeld een ader van geestelijke waarheid schuil. Ik ben altijd een vijand geweest en hoop, dat altijd te zijn, van wat ik ”een valse vergeestelijking” van Gods Woord moge noemen: want, zoals er een ware vergeestelijking is, zo is er ook een valse vergeestelijking. Doch wanneer wij tot de verklaring drie regels in acht nemen, dan geloof ik, dat er niet licht een valse vergeestelijking op welke tekst dan ook zal worden toegepast.

In de eerste plaats moet de geestelijke verklaring strikt zijn gebaseerd op en nauw overeenstemmen met de letterlijke verklaring. In de tweede plaats moet de verklaring op elk punt in overeenstemming zijn met het geloof en verenigbaar zijn met de onderwijzingen des Geestes in het hart van Gods kinderen. In de derde plaats moet er, in meerdere of in mindere mate, een zalving mede gepaard gaan en eruit voortvloeien in het hart van de predikant en vandaar eveneens in het hart van de toehoorder. Ik hoop, dat ik op één van deze drie regels niet in gebreke moge blijven, wanneer ik hier de zin en mening des Geestes tracht te verklaren: met andere woorden, dat mijn verklaring waarachtig, verenigbaar en bevindelijk moge zijn. Ik weet het, het is alleen de Heere, Die de zegen schenken kan.

In het spreken over deze woorden, zal ik geen formele onderverdeling maken, maar de tekst beschouwende, als een bevindelijke beschrijving van het werk Gods aan de ziel, zal ik de zaken verhandelen, zoals deze voor me staan opgetekend, te beginnen met de eerste verrichting en voortgaande tot het einde. Maar wij moeten onthouden, dat de Heilige Geest, hier sprekende van het werk der genade in het hart van Gods kinderen, die wijze van cultuur volgt, welke gekozen wordt in en gepast is voor de Oosterse landen. Wij moeten de landbouwmethode in dit land uit onze gedachten zetten en ons de wijze voor ogen houden, welke in het Oosten wordt gevolgd, teneinde de overeenstemming op te merken, tussen de werkwijze beschreven in de tekst en het werk der genade in het hart van Gods volk.

I. Het eerste punt, waarvoor ik uw aandacht zou willen vragen, is het onderwerp van de bewerkingen, dat in de tekst vermeld wordt onder het woord land: ”Gij bezoekt het land.” Het land, in natuurlijk opzicht, is niets anders dan de blote grond, waarin al zijn voortbrengselen groeien: en is op zichzelf totaal onbekwaam iets voort te brengen, dat gepast is tot voedsel voor de mens, tenzij het een bijzondere bewerking ondergaat.

Het stille, woeste land kan zonder bewerking nimmer voedsel tot gebruik voor de mens uit zijn schoot voortbrengen. Aldus is het in betrekking tot ’s mensen hart van nature: het is even onbekwaam iets aangenaams, hemels, geestelijks en iets, dat Gode welbehaaglijk is voort te brengen, als het natuurlijke land onbekwaam is uit zichzelf die vruchten en oogsten voort te brengen, welke tot onderhouding zijn van de mens.

Het land wordt in meer dan één Schriftplaats vermeld, als zinnebeeld van de ziel der mensen. Bijvoorbeeld: ’’Gods akkerwerk zijt gij:” dat wil zeggen: uw ziel staat in dezelfde betrekking tot God, de geestelijke Landman, als de aarde in betrekking staat tot de natuurlijke landman.

Voorts: ”o land, land, land, hoor des HEEREN woord.” Heeft het land oren om te horen? Richt God Zich tot het natuurlijke land? Neen: Hij spreekt tot de inwoners der aarde: tot de mens, wiens lichaam Hij formeerde uit het stof der aarde. Zodat wij grond hebben in de Schrift het woord ’’land” te verklaren als zinnebeeldig voor de ziel des mensen.

1. Maar wat is het eerste woord in de tekst, dat, om zo te zeggen, de gehele werkwijze inluidt? ”Gij bezoekt het land.” Het land, de mensenziel van nature, ligt woest en ledig, begroeid met doornstruiken, doornen en distelen, en is van nature onbekwaam geestelijke bebouwing te doen opkomen. ”Gij bezoekt het land:” ”Gij beschouwt het in zijn staat van woestheid: Gij aanschouwt het volslagen ontbloot van leven: Gij ziet, wat het van nature is, onbekwaam enig geestelijk goed voort te brengen.”

2. Doch God bezoekt het land niet alleen maar met Zijn oog, om het af te bakenen voor toekomstige bebouwing, maar Hij bezoekt het ook door de mededeling Zijner kostelijke genade. Hij bezoekt de ziel met ze te wederbaren door de werking des Heiligen Geestes: door haar een nieuwe en hemelse natuur deelachtig te maken. En het eerste aanraken der consciëntie van de Goddelijke vinger, de eerste inkomst van geestelijk licht, de eerste mededeling van hemels leven, is vervat in de uitdrukking: ”Gij bezoekt.”

Wat een uitdrukking vol van genade is dit! Hier is het land: volslagen onbekwaam in zichzelf iets te verwekken, dat aangenaam is voor God. Maar uit genade bezoekt Hij dit: ziet Hij vanuit de hoogte van Zijn heiligdom neder op de uitverkoren ziel, die dood in de zonde is: en in Zijn eigen barmhartigheid en genade, ongevraagd (want de Heere wordt niet gezocht, wanneer de aarde niets anders voortbrengt, dan hetgeen geschikt is voor het vuur), bezoekt Hij de ziel met het licht en leven des Geestes.

II. Maar de tekst luidt verder: ” Gij bezoekt het land, en doorvochtigt het: Gij verrijkt het grotelijks met de rivier Gods, welke vol water is: wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed: dat wil zeggen, alles gepast.

De eerste voorname verrichting in het Oosten, onmisbaar voor alle bebouwing, is de grond te bevloeien. Het meest kenmerkende in dit vochtige klimaat, is de vochtigheid: maar in die gloeiend hete luchtstreken is droogte het meest kenmerkende. In ons vochtige klimaat zijn wij genoodzaakt het land te draineren, om het een vruchtbare oogst te doen voortbrengen: doch in die warme landen zijn ze genoodzaakt dit te bevloeien en er stromen over te doen lopen, teneinde het geschikt te doen zijn voor de ploeg.

Het is zo hard, dor, zo afgebrand door de droogte, dat, tenzij het bevloeid en besproeid wordt, de ploeg niet door de grond kan heendringen. Aldus verstaan wij de noodzakelijke verrichting, hier aangeduid door de Geest Gods, met dit te doorvochtigen. ”Gij bezoekt het land, en doorvochtigt het.” Alvorens het dus wordt omgeploegd, voordat het zaad aan het zaaibed wordt toevertrouwd, wordt het bevloeid en besproeid. Maar hoe? Dit wordt verklaard in de tekst: ”Gij verrijkt het grotelijks met de rivier Gods, welke vol water is.” Deze ’’rivier Gods” is de rivier der barmhartigheid en genade, welke vloeit uit de boezem van een drieënige JEHOVAH. Het is dezelfde rivier, welke Ezechiël zag in zijn gezicht, die uit de tempel kwam, vlietende van het altaar, en uitkomende in de Zoutzee om de wateren gezond te maken. En wordt aan toegevoegd: ”Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.” (Ezech. 47:9) Het is dezelfde rivier, als waarvan de psalmist elders spreekt: ”De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.” (Ps. 46:5) Het is dezelfde rivier, welke Johannes zag in een gezicht, en welke hij beschrijft: ”En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods, en des Lams.” (Openb. 22:1)

Dus deze ’’rivier vol waters” is het eeuwige uitvloeien der barmhartigheid, genade, waarheid, en liefde uit de boezem van een drieënig God. En deze machtige rivier bevloeit en besproeit iedere ziel, welke God bezoekt. Ik bedoel niet te zeggen, dat de eerste mededelingen van genade aan de ziel openbaringen zijn van de genade der vergeving: maar de allereerste besproeiing, en verrijking der ziel door de rivier, die vol waters is, vloeit voort uit de verborgen barmhartigheid en genade, welke is opgelegd in de boezem Gods voor Zijn uitverkoren huisgezin.

Totdat de grond van het menselijk hart is bevochtigd, en week gemaakt door de invloeiingen van de vloed der genade: totdat er een zekere mate van deze overvloeiende en altijd-vloeiende Fontein der genade uit het hart van de Verlosser in de consciëntie van de zondaar stroomt, is er geen verbreking zijner ziel voor God, geen toebereiding en bekwaammaking ervan, om de waarheid te ontvangen in de liefde ertoe, is er geen zaaibed, waarin het Woord der waarheid moge ontkiemen. Daarom komt, nadat de Heere haar bezocht heeft, het besproeien, en bevloeien door deze ’’rivier, die de stad Gods verblijdt,” om haar toe te bereiden tot het ontvangen van het Woord des levens: zoals wij lezen: ’’wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.” Maar, voorafgaande aan de toebereiding en de bezaaiing ervan met koren, nadat het is bevloeid, moet het worden geploegd: de bevloeiing is om het geschikt te maken voor de ploeg. In de dorre, harde toestand ervan, zou de ploeg er niet doorheen kunnen komen. Er moet een vertedering des harten zijn, een verbreken van de vooroordelen, een verootmoediging van de ziel, een versmelting des geestes, voortkomende uit de Goddelijke besproeiing, om door te dringen tot de diepte van een mensenziel, alvorens de Goddelijke ploeg op de rechte wijze ingang kan vinden in zijn consciëntie, en deze kan omploegen, zodat het zaad een bed moge vinden, waarin het ontkiemen kan.

Ondervinden wij het niet aldus? Wordt niet de Wet vaak gepreekt in al zijn vloeken, zonder dat het hart van de zondaar wordt bereikt? Doch wanneer het hart van de zondaar is bezocht geworden door Gods genade, en wanneer dit is verootmoedigd, verbroken en toebereid, dan wordt de ploeg ingezet om de grond te scheuren en om een voor te trekken, waarin het zaad een bed moge vinden, en kan ontkiemen. Het is aldus, dat het hart gepast en toebereid wordt voor het Woord des levens. Het oogmerk van het ploegen is, zoals wij zullen opmerken, wanneer wij wat verder in de tekst komen, de aarde op te ploegen, en een voor te maken: zoals er wat verderop staat: ”Gij doet ze dalen in zijne voren.” Welnu, wanneer er geen ploeg door de consciëntie is gegaan, dan kan er geen opgeploegde aarde, en geen voor zijn.

Een voor betekent, dat er opgeploegde aarde is: en opgeploegde aarde betekent, dat er een voor is. Opgeploegde aarde en een voor worden beide teweeggebracht door de ploeg, welke door de consciëntie gaat. Dit scheuren van het hart van de mens: dit voor de dag brengen van de wormen en maden en van de zwarte grond, die eronder ligt, dit uitroeien van hele gewassen onkruid, dit sturen van de ploeg door al de doornen en distelen, welke het menselijk hart overdekken, maken de grond klaar voor het zaad, dat God alzo bereid heeft. Dit ’’koren”, of zaad, is het Woord des levens. De Heere Zelf verklaarde in de gelijkenis van de zaaier, dat het zaad, dat gezaaid werd, het Woord Gods was: middellijk gezaaid door de onderzaaiers, en werkzaam gemaakt tot zaligheid door God de Heilige Geest. Dit zaad is dus de waarheid, ontvangen in het hart: de waarheid aangaande de Persoon van Jezus, als de Godmens- Middelaar: ”God boven allen te prijzen in der eeuwigheid:” de waarheid, wat aangaat Zijn verzoenend bloed, als gestort om de zonde weg te nemen: de waarheid, in betrekking tot Zijn heerlijke gerechtigheid, welke is, ”tot allen, en over allen, die geloven:” de waarheid, zoals deze de inwendige werkingen van God de Heilige Geest betreft in het hart van het huisgezin Gods. Daarom omvat deze al hetgeen in de Schrift wordt genoemd: ”de waarheid, gelijk die in Jezus is.” En wanneer deze in het hart gezaaid wordt, wordt dit genoemd: ”een aannemen van de liefde der waarheid, om zalig te worden.” (2 Thess. 2:10) en een aannemen van Christus in het bijzonder, Die ”de Weg, de Waarheid, en het Leven is” (Coloss. 2:6-Joh. 14:6)

Welnu, totdat God in genade het hart bezocht heeft: totdat Hij dit bevloeid heeft met deze “rivier van het water des Levens,” die het grotelijks verrijkt door er haar vruchtbaar makende eigenschappen aan mede te delen: en totdat het is omgeploegd, en verbroken, en de opgeploegde aarde en de voor getrokken zijn tot een zaaibed voor het koren, kan er geen aannemen in liefde van de waarheid zijn. In de gelijkenis van de zaaier werd het zaad uitgestrooid en het viel op verschillende soorten grond: doch het vond alleen een zaaibed in het goede en oprechte hart. Er viel wat bij de weg, en de vogelen des hemels aten het op. Er viel wat van op het steenachtige, alwaar geen diepte van aarde was, want de ploeg was er niet doorgegaan. Er viel wat van in de doornen, waar de waterstroom niet was voorbijgegaan, om de grond week te maken en te bevloeien en er aldus een zaaibed te maken. Alleen het goede en oprechte hart, dat door Gods genade zodanig was gemaakt, had een zaaibed voor het koren, om erin te ontkiemen en op te wassen. Enig ander aannemen der waarheid dan dit, zal de ziel nimmer tot nut zijn. Wanneer de genade Gods nimmer onze ziel heeft bezocht, nimmer enige mededeling van leven en licht uit Jezus’ volheid heeft ontvangen; met andere woorden: wanneer deze rivier nimmer haar heilige stromen over onze ziel heeft uitgestort, en indien de ploeg der overtuiging niet onze consciëntie is binnengedrongen, om onze diepe verdorvenheden aan de oppervlakte te brengen, en om het hart toe te bereiden tot het aannemen van het woord, wat dan ook onze kennis, belijdenis, of beginselvastheid moge zijn, wij hebben de liefde der waarheid dan nog niet aangenomen. En hier ligt het ganse onderscheid tussen een kind van God, dat oprecht van hart is, geleerd van de Geest, en een belijder met een verharde consciëntie. Zij nemen dezelfde leer aan: maar de één neemt deze aan met een oprecht en goed hart, zodanig gemaakt door de genade Gods: en de ander neemt deze aan met zijn natuurlijke verstand, zonder enig Goddelijk leven of kracht in de consciëntie.

III. Maar nadat het zaad veilig aan de voren is toevertrouwd, is er nog een verrichting, aangeduid in de tekst: ”Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken: Gij doet ze dalen in zijne voren.” De bevloeiing heeft plaats bij twee gelegenheden. De aarde wordt eerst bevloeid om deze week te maken, teneinde de ploeg te ontvangen: dan wordt de ploeg er doorgehaald, om de voren te maken: en nadat het zaad aan de grond is toevertrouwd, vindt er nog een besproeiing plaats: ’’doet ze dalen in zijne voren,” en ’’zijne opgeploegde aarde dronken maken:” een tweede bevloeiing, nadat het zaad aan de voren is toevertrouwd, om het te doen ontkiemen en opwassen.

Dit wordt bevindelijk gewerkt in het hart van Gods volk. Wanneer wij aanvankelijk de liefde der waarheid aannemen, dan is dit door de gezegende Geest, Welke die waarheid in ons hart brengt. Maar is er niet een verder uitgieten van Zijn invloeiingen der genade en van de Goddelijke werkingen, om de opgeploegde aarde dronken te maken, en ze te doen dalen in de voren des harten, teneinde het zaad te bedekken, en het vochtig en zacht te maken om te ontkiemen? Tenzij deze vloed van dezelfde zuivere rivier over de opgeploegde aarde en voren stroomt, is het zaad niet behoorlijk bedekt, nóch is het in een gepaste toestand om nederwaarts te wortelen, en opwaarts vrucht voort te brengen. Wanneer wij de liefde der waarheid voor het eerst ontvangen, dan ontvangen wij deze met kracht. De apostel spreekt: ’’want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerdheid.” (1 Thess. 1:5) Maar hebben wij dezelfde Geest niet keer op keer nodig, om die waarheid, welke is geplant te besproeien en om ze te doen dalen in de voren der ziel, zodat ze tot een genieten en tot een vastberaden aanhangen komt van de waarheid, zoals die in Jezus is?

VI. Maar wij gaan over tot hetgeen plaatsheeft na de tweede bevloeiing: “Gij maakt het week door de druppelen.” Wij hebben twee bevloeiingen gehad: we hebben twee overvloedige bespoei- ingen gehad: wij hebben gezien hoe, door de rivier Gods, de grond volkomen is verzadigd. Doch in die brandend hete luchtstreken, zou de uitwerking spoedig voorbijgaan: daarom spreekt de Heere niet alleen maar van het water der rivier, maar Hij spreekt ook van de druppelen van omhoog. Evenals de rivier Gods, moeten de flessen des hemels hun werk doen.

Nadat zodoende het volk des Heeren de liefde der waarheid heeft ontvangen: en nadat zij een klaar getuigenis in hun consciëntie hebben ontvangen, mogen zij wellicht hun gehele leven lang nimmer meer zulk een zoete genieting hebben: mogen zij nimmer wederom ervaren, dat de rivier haar rijke stromen in hun hart uitgiet: de opgeploegde aarde moge nimmer zo algeheel en volkomen bevochtigd en verzadigd worden, als toen zij aanvankelijk de Heere leerden kennen. Maar zijn zij zonder besproeiing, omdat die vloed niet een even overvloedige stroom uitgiet? Neen: de Heere heeft een andere wijze om de ziel te besproeien, nadat ze de liefde der waarheid heeft ontvangen. ”Gij maakt het week door de druppelen.” Alle mededelingen der genade, die nu en dan plaatshebben, dalen in stille druppen in het hart neder, dat aldus vochtig, zacht, en week wordt gehouden, door de dauw en regen, die van boven valt. Hebt u, die de Heere door Goddelijk onderwijs kent, dit in uw bevinding niet ondervonden? U bent opgekomen, ernaar smachtende het woord te horen: uw ziel is droog, dor, en dodig geweest: maar de Heere heeft het woord met leven en gevoel voor uw ziel geopend. Toen regende het. Het kwam niet met die volle overstelpende zoetigheid, welke u in verleden dagen ondervond, nochtans werd er een vertedering medegedeeld, en uw smachtende ziel werd verkwikt, precies zoals de dorre, gescheurde grond verkwikt wordt, door het nederdruppen van de regen van boven.

V. Doch ”Hij zegent ook zijn uitspruitsel.” Hij maakt niet alleen maar de grond zacht met regen, maar zegent ook het uitspruitsel, nadat het zaad is toevertrouwd aan de voren. De eerste werking in de natuur, is het voortbrengen van een wortel, en die wortel verbergt zich nederwaarts in de grond. Aldus is het met het Woord van God, dat ontvangen wordt in het hart. Het ligt daar niet als een kiezel in de grond: even stijf en onbeweeglijk als een steen op straat. Het is een levend iets, precies zoals het zaai- koren in de aarde een levend iets is. Zoals het zaaikoren een wortel voortbrengt, zo brengt de waarheid, in de liefde ertoe ontvangen, een wortel voort in de ziel van Gods volk: haar tere, nochtans sterke bijwortels vervullen hart en consciëntie, en dringen zelfs door tot in iemand bestaan, om zijn consciëntie en genegenheden vast en onbeweeglijk aan te grijpen. En aldus is zijn uitspruitsel verbonden met, en afhankelijk van het nederwaarts wortelen.

Maar daarnaast is er het opwaarts vrucht vóórtbrengen: het uitspruiten van de ziel tot God: de uitgang der hemelse genegenheden: het opklimmen van het levende geloof tot de Auteur ervan: het uitbotten van de hoop op de Schenker ervan: en het uitspruiten der liefde en genegenheid jegens Degene, Die ze uitstort. En wat is het zoet, iets te ondervinden van het uitspruiten van Goddelijk leven in de ziel: der kracht der waarheid te voelen, die wij in ons hart hebben ontvangen, en in onze consciëntie hebben geloofd! En ofschoon het er vaak op lijkt, dat we geen godsdienst hebben, welke de naam waard is, en dat wij totaal ontbloot zijn van de levende godzaligheid, wat is het evenwel zoet, nu en dan, het uitspruiten van Goddelijk leven in de ziel te ondervinden! Indien wij dit uitspruiten in de ziel nimmer hebben ondervonden, welk recht hebben wij dan onszelf christenen te achten? Hebben wij, bijvoorbeeld, een uitspruiten van Goddelijke vreze? Zoals wij lezen: ”de vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods (Spr. 14:27). Wij weten, dat de eigenschap van een fontein is, te stromen. Als de zonde zich dan aandient, als de verzoekingen zich aanbieden, als satan een zekere strik spant om onze voeten te verwarren, dan zal de vreze des Heeren bij ogenblikken in de ziel uitspruiten. ”Hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” Soms is er ook een uitspruiten des geloofs. Er is een zien op Jezus, een aanschouwen door het oog des geloofs van Zijn heerlijke Persoon, Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigende gerechtigheid: er is het werpen van een verlangende, smachtende blik op Zijn stervende liefde. Soms is er een uitspruiten der hoop: ”een goede hoop in genade:” dat wanneer lichaam en ziel vanéénscheiden, wij bij de Heere zijn zullen: dat wij niet zullen omkomen in de woeste huilende wildernis: maar, dat, wanneer de dood komt, wij zullen heengaan, om bij Jezus te zijn. Wat is het bij ogenblikken aangenaam dit uitspruiten der hoop, dit gezegende anker, dat ingaat tot in de tegenwoordigheid Gods, te voelen! Hoe aangenaam is het ook, bij ogenblikken, het uitspruiten der liefde tot de Heere van leven en heerlijkheid te gevoelen, en op stille ogenblikken, wanneer geen oog het ziet, geen oor het hoort, de verborgen uitgangen van tedere liefde tot Hem te ondervinden!

Dan zijn er eveneens de verborgen uitspruitsels van tedere liefde tot Gods volk. Wanneer wij in hun gezelschap komen, en onze harten verenigen zich in een teder medegevoel, dan gevoelen wij een mate der liefde en genegenheid, en er spruit als vanzelf vereniging en gemeenschap met hen uit, in onze ziel. Insgelijks is er een uitspruiten van eerbied jegens de hoge majesteit Gods: een uitspruiten van ootmoed, om neder te vallen aan Zijn genade-troon: een uitspruiten van een verslagen geest, die vatbaar is voor onderwijs, om aan Jezus’ voeten te zitten, en Zijn woorden te horen, met de aard en gevoelens van een kindeke: een uitspruiten van hemelsgezindheid, om de genegenheden te richten op Jezus, ter rechterhand Gods: een uitspruiten van getrouwheid, om ijverig te zijn en vurig te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen is overgeleverd: het uitspruiten van een oog, dat eenvoudig is tot de ere Gods, zodat, hetgeen wij zeggen of doen, in meerdere of in mindere mate, gezegd of gedaan moge worden tot de ere Gods. Welnu, dit alles is het uitspruiten der waarheid in het hart, van dat zaad, hetwelk God aan de ziel heeft toevertrouwd, en dat Hij besproeit met Zijn genade, opdat het moge vruchtdragen tot Zijn eer. De Heere zegent het uitspruiten ervan. Wellicht zijn er enkelen van Gods volk, die in hun hart nauwelijks iets kunnen naspeuren van dit uitspruiten. Zij zijn ten diepste geoefend en beproefd door zonde en schuld op hun consciëntie: maar zij kunnen niet in oprechtheid zeggen, dat zij klare mededelingen der genade en der barmhartigheid hebben verkregen en dat ze de liefde der waarheid hebben ontvangen.

Zij durven zich nauwelijks kinderen Gods te noemen. Als wij evenwel beschouwen, hetgeen er plaatsheeft in de verborgen kameren van hun hart voor God, dan vinden we daar de uitspruitsels van een levend geloof, van hoop, en van liefde, en van iedere andere genade des Geestes, welke God Zelf in de ziel heeft geplant. De Heere zegent haar uitspruitsel. Indien de Heere het uitspruitsel niet zou zegenen, dan zou de tedere plant worden gedood door de snijdende wind, of opgegeten worden door de rups, niet zodra deze uit de grond zou opkomen: nimmer zou deze de helft van haar tijd meegaan, noch veel minder opwassen om goed vrucht te dragen. Maar de Heere houdt het uitspruitsel van al hetgeen goed en aangenaam is, dat Zijn eigen hand in het hart heeft geplant, in leven en zegent het.

Welk een genade is het, een uitspruiten van deze gezegende zaken van binnen te kunnen naspeuren! Want wij weten, dat wij totaal onbekwaam zijn deze in onszelf voort te brengen.

VI. Doch er wordt aan toegevoegd: ”Gij kroont het jaar Uwer goedheid.” Alsof hij wilde zeggen: ’’Laten wij de ganse seizoen- kringloop nemen. Laten wij niet alleen maar de lente beschouwen, wanneer het koren in de halm staat. Laten wij niet slechts zien op de zomer, wanneer het koren begint te rijpen. Laten wij de herfst, de oogsttijd beschouwen, wanneer het koren wordt ingezameld. Ja, laten wij de winter eens beschouwen, wanneer wij de vruchten des velds eten.” Aldus bemerken wij, dat de Heere een rondgang maakt in de genade. ”Gij kroont het jaar Uwer goedheid.” Dus als de heere haar uitspruitsel heeft gezegend, dan zal Hij de hierop volgende ontwikkelingen zegenen: Hij zal het rijpen van het koren, zowel als het eerste toevertrouwen ervan aan het zaaibed zegenen: Hij zal het inzamelen ervan, evenals het besproeien en de uitspruitsels ervan zegenen: en op deze wijze zal Hij geheel de voortrollende kringloop met een gezegende oogst bekronen. Duurt het niet een lange reeks van maanden, nadat het zaad is uitgesproten, alvorens het tot rijpheid is gekomen? ’’Eerst het kruid,” zoals de Heere spreekt, ’’daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.” Nadat de Heere de ziel heeft dronken gemaakt met Zijn barmhartigheid en genade, en nadat Hij haar uitspruitsel heeft gezegend, zouden wij verwachten, dat alles kalm voortgang zou vinden. Doch we merken op, dat het in de natuur niet zo is, en ik ben er zeker van, dat het in de genade niet zo is. Wij lezen (Ps. 74:16, 17): ”De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe: Gij hebt het licht en de zon bereid. Gij hebt al de palen der aarde gesteld: zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.” Welnu, de nacht in de natuur is even onmisbaar voor het rijpen van de vruchten der aarde, als de dag. De aarde is zo samengesteld, en de jaargetijden zijn er zo gepast voor in hun schone afwisseling, dat iedere verandering onmisbaar is voor de rijping van het zaad. De wisseling van nacht en dag is in het bijzonder noodzakelijk tot de groei ervan. Aldus is het geestelijkerwijs. Nadat de Heere het zaad der Waarheid aan de ziel heeft toevertrouwd, en nadat Hij haar uitspruitsel heeft gezegend, is dat dan alles? Moet er niet wat meer worden gedaan? Brengt het nu vrucht voort? Is er niet een verdere bewerking noodzakelijk? Voorzeker. Opdat er een rijp worden moge zijn, moet er een tijdswisseling zijn.

1. De nacht moet er, bijvoorbeeld, zijn. Wat is het pijnlijk voor de levende ziel, nadat ze wat van de schijnsels van het daglicht heeft genoten, een nacht van treurigheid te moeten doormaken! Maar ik geloof, dat al het volk des Heeren, in meerdere of in mindere mate, weet wat het betekent in de duisternis te wandelen. Zij gevoelen in hun ziel niet die zoete schijnsels, welke zij begeren te ervaren. Zij missen dat gezegende opgaan van de Zonne der gerechtigheid, waarnaar hun hart zo vuriglijk uitgaat. Zij moeten ’’wandelen in de duisternis, en hebben geen licht.” In deze toestand trekken wij vaak alles in twijfel, wat de Heere voor onze ziel heeft gedaan. Wij kunnen waarlijk niet geloven, dat de Heere heeft gedaan, hetgeen wij in verleden tijden geloofden, dat Hij gedaan had. Het werk der genade is zo verdonkerd, de blijken zijn zo bewolkt, de geest is zo twijfelmoedig en verward, dat, hoe klaar onze bevinding ook toentertijd moge zijn geweest, thans, nu duisternis de ziel bedekt, wij ons niet in staat gevoelen een juist oordeel te vormen, zelfs niet van onze eigen bevinding. Doch deze nacht is noodzakelijk tot versterking der ziel. Ware het alles dag, de plant zou op snelle wijze uitspruiten, en zo slap, weelderig, en rank opwassen, dat deze door zijn eigen weelderigheid zou knakken. Er is een zekere tijd, waarin het noodzakelijk is, dat deze versterkt wordt: en deze versterking wordt geschonken in het nachtelijk uur, door die invloed van de zon, welke ze te weelderig zou doen opwassen, te onttrekken.

Zo is het ook geesterlijkerwijs. Het is noodzakelijk, dat wij versterkt worden. Leerde de apostel niet deze les? Hoe leerde hij deze? Was het door zich te koesteren in de stralen van de Zonne der gerechtigheid? Was het door zoete openbaringen van de Heere van leven en heerlijkheid te genieten? Was het, doordat al zijn blijken werden opgehelderd, en uitblinkende werden gemaakt? Niet aldus: maar, doordat hij een doorn in het vlees had, een engel des satans om hem met vuisten te slaan. Aldus leerde hij zijn zwakheid en toen hij zijn zwakheid leerde, leerde hij ook, dat de kracht van Christus in zijn zwakheid werd volbracht: zodat hij kon roemen in zijn zwakheden, niet als zwakheden, maar omdat de heerlijkheid van Christus op zijn ziel rustte in zijn zwakheden. Aldus versterken deze geestelijke, nachtelijke uren evenwel de ziel, ofschoon ons dan alles schijnt tegen te zijn. Wij beginnen in het nachtelijk uur met meer opmerkzaamheid uit te zien naar het werk van God. Wij beginnen duidelijker het onderscheid tussen de onderwijzing Gods, en het onderwijs van de mens te gevoelen. Wij komen op deze plaats, dat in deze donkere uren alleen God ons licht kan geven, en dat in deze uren van koude en dodigheid alleen God ons leven kan schenken. Welnu, dit is ware kracht: wezenlijke kracht, omdat wij dit in onze zwakheid leren, en wel door datgene, waar onze ware kracht ligt. Het werk der genade in het hart moet worden beproefd. Wanneer het een zwak werk is, dan moet het op zwakke wijze worden beproefd: wanneer het een krachtig werk is, dan moet het op krachtige wijze worden beproefd. Maar wat ook de diepgang van het werk der genade in het hart moge zijn, het moet beproevingen hebben om aan te tonen, dat het echt is. Deze nachtelijke uren bewijzen dus of het werk in ons hart echt is, of niet. Wij kunnen bij dag zeer getroost voortreizen: maar wanneer de nacht komt, en wij zijn niet in staat onze weg te zien, dan moeten wij steunen op onze hemelse Leidsman, of wij moeten zeer zeker verdwalen. Onderwijl wij onze blijken kunnen waarnemen, kunnen wij opgeruimd voortgaan: maar als de duisternis deze bedekt, dan beginnen wij om te zien naar hulp en hebben wij behoefte aan de eeuwige armen, welke tot onze ondersteuning zijn uitgestrekt, opdat wij niet in valstrikken en moerassen vallen. Aldus leren wij het geheim van onze kracht in deze nachtelijke uren.

2. Voorts. In elk klimaat moeten er koude, zowel als warme dagen worden verdragen. Wij zijn, in onze dwaasheid, soms van mening, dat wij de jaargetijden beter zouden kunnen regelen dan de Heere. Soms zouden wij deze natte dagen niet willen hebben, en op andere tijden die droge dagen, of die koude nachten niet. Wij geloven, in de ijdelheid van ons hart, dat wij dit alles beter zouden kunnen regelen dan God. Maar als de oogst is ingezameld: en de gewassen zijn in de schuur opgelegd, dan zien wij, hoeveel wijzer God deze zaken heeft beschikt, dan wij dit gedaan zouden kunnen hebben. Juist de koude bewerkstelligt de voortreffelijkheid van de vrucht. Wanneer de Heere ”het jaar Zijner goedheid kroont,” dan moet iedere koude nacht, iedere dag storm, bijdragen tot het rijpingsproces van het koren, even zozeer als de warme stralen van de heerlijke zon.

Voelen wij niet vaak, op pijnlijke wijze, de kilheid van ons hart jegens God? Hebben wij niet vaak getreurd en gezucht vanwege de hardigheid, dorheid, en de magerheid van ons hart in geestelijke zaken? En kunnen wij geloven, dat dit ons waarlijk ten goede is? Doch ”alle dingen moeten medewerken ten goede:” en daarom moeten deze koude, droge, dorre tijden behoren tot de dingen, welke medewerken ten goede.

Wat goeds verkrijg ik dan door deze tijden van koude, dodigheid en gevoelloosheid door te maken? Ik word ontledigd van vleselijke godsdienst. Wanneer ik uit pijnlijke bevinding de kilheid, en dodigheid van mijn hart jegens God niet kende, dan zou ik een afgod maken van het eigen ik, vol zijn van verkeerde ijver, geloven, dat ik iets zou kunnen doen in mijn eigen blote kracht, spreken en handelen als een niet-ontledigde, onvernederde farizeeër en een ingebeelde kroon van schepselsheiligheid dragen. Maar, als ik me even koud gevoel jegens God, alsof ik niet één vonk genade zou bezitten, even dodig in mijn gevoelens, alsof het licht en leven Gods nimmer mijn consciëntie zou hebben bereikt, even volstrekt onbekwaam mijn ziel tot God op te heffen, als de aarde in de december-vorst onbekwaam is zich te bedekken met het juli-groen, dan leer ik deze voorname les: onderscheid te maken tussen de onderwijzingen Gods in het hart en de louter natuurlijke ijver en werkzaamheid. Is dit geen wezenlijke kracht? Is dit niet noodzakelijk tot de volle ontwikkeling en rijping der vruchten en genaden des Geestes in het hart? Door deze bijtend koude windvlagen te verdragen, leer ik, vanwaar al mijn vrucht wordt gevonden, al mijn kracht komt, en waaruit al mijn geloof vloeit. Ja, wanneer ik deze koude tijden doormaak, dan leer ik de zwakste straal warmte te waarderen, evenals ik leer dankbaar te zijn voor het geringste gunstbewijs. Ik leer eveneens, dat, als ik hemelse genegenheden en geestelijke verlangens heb, God er de Auteur en Schenker van is. Ook leer ik, geen gerechtigheid van mezelf bezittende, met een dankbaar hart mededelingen der genade en barmhartigheid uit de volheid van Jezus te ontvangen: en ik leer, dat deze vrij en soeverein zijn, omdat ze onverdiend zijn en omdat ik totaal onbekwaam ben deze in mijn eigen ziel te verwekken.

Doch er zijn ook stormen, evenals koude nachten en winterse dagen. Soms zien we, dat de storm de tere halm neerbeukt: maar we merken niet op, dat deze tezelfdertijd het ongedierte eraf vaagt, hetwelk de sappen opzuigt en het hart van het jonge koren zou verteren. De onweersstorm en de hagel dragen hun deel bij in het doden van die zaken, welke de rijping van de oogst zouden beletten. Aldus is het geestelijk. Als ik een christen ben, dan moet ik stormen doormaken, moet ik hevige beproevingen hebben van de duivel, en vervolgingen van de wereld: vele harde slagen van zondaren, en nog veel meer scherpe slagen van gelovigen: dan moet ik de liefdeloosheid van vijanden en wat pijnlijker is, de liefdeloosheid van vrienden verdragen. Ik zal geen troetelkind zijn, voor hetwelk zijn moeder zo liefdevol zorgt, door het altijd dichtbij de haard te houden, als ik een geharde, sterke man moet worden. Ik moet uitgaan in de storm: ik moet de doordringende koude van de winter, en de brandende hitte van de zomer verdragen: ik moet de wisseling der jaargetijden ten volle doorstaan, wanneer ik deze ongedeerd moet verdragen. Zo is het ook geestelijkerwijs. Moet ik tot rijpheid komen in het leven van een christen? Dan moet alle welige groei worden beteugeld. Het is als een jongeling, die vlug opgroeit, terwijl een dodelijke kwaal op het punt staat hem in de bloem van het leven af te snijden, en hem naar een vroegtijdig graf te slepen. Een waarlijk geharde en krachtige groei zal de plant in de diepte, en breedte, evenals in de hoogte doen groeien. Wij moeten dan ook door deze stormen, welke noodzakelijk zijn tot een tijdig rijpen van de vruchten des Geestes, heengaan. De tijden van storm, welke wij te doorstaan mogen hebben, zullen onze ziel goed doen, omdat deze van de Heere komen en een zeker oogmerk uitwerken. Laten we, bijvoorbeeld, stellen, dat ik te veel steun op de arm van een vriend. Wel, er zal een storm komen en mij van die vriend afscheiden. Doet me dat kwaad? Niet, als die mij ertoe brengt, meer op de arm van Jezus te steunen, en wanneer dit mij Hem nauwer doet volgen.

Dan heeft de storm, toen deze over mijn hoofd ging, me geen kwaad, maar waarlijk goed gedaan. Deze moge wellicht mijn godsdienst omver hebben geworpen, en mijn blijken hebben verdonkerd. Zelfs de bliksemen van de toorn Gods, de dreigende wolken van wraak en zware hagelbuien mogen er zijn. Maar wanneer deze stormen die begeerlijkheden wegspoelen en neerslaan, welke mijn ziel bekruipen en zich zo diep zouden indringen, dat ze het hart der levende godzaligheid zouden verteren, dan heb ik reden God dank te zeggen voor de storm, welke dit ongedierte wegslaat. Precies zo heb ik reden dankbaar te zijn, voor de vallende hagel en de slagregen, ofschoon het de gevoelens kwelt, zoals de hagel de plant kwetst, als deze die rupsen doden, welke anders het beste van de tarwe zouden wegvreten: en juist de kwaliteit van de oogst zouden te niet doen.

4. En als dan het koren is gerijpt door deze opeenvolging van dag en nacht, deze kringloop der jaargetijden, komt van alles de laatste slag: het inzamelen in de hemelse graanschuur. Wat deinst het volk des Heeren terug voor deze slag! De Heere Jezus heeft de prikkel weggenomen, en heeft de macht des doods teniet gedaan: en nochtans, wat brengt de vreze des doods Gods kinderen vaak tot dienstbaarheid! Maar kan het koren op enige andere wijze worden ingeoogst, dan door het van de halm af te snijden? Of kan onze ziel op enige andere wijze tot de boezem Gods worden genomen, dan door ons van de aarde af te snijden? Die slag, wanneer deze komt, kan misschien wel minder scherp zijn, dan wij nu denken. Maar hoe pijnlijk is deze bij het vooruitzicht, in betrekking tot de huisgezinnen, die we achterlaten, wat aangaat de betrekkingen, wier tranen wij bij dit vooruitzicht zien, wat betreft de weduwe of echtgenoot, voor wie wij het pijnlijker gevoelen, dan voor onszelf! Evenwel is die laatste pijnlijke slag onvermijdelijk noodzakelijk, om de ziel in te zamelen in de hemelse graanschuur.

”Gij kroont het jaar Uwer goedheid: en Uwe voetstappen druipen van vettigheid.” Al Uw voetstappen in de voorzienigheid, en al Uw voetstappen in de genade, ofschoon deze vaak in diepe wateren zijn, evenwel druipen al Uw voetstappen van vettigheid in de ziel, deze verrijkende en vruchtbaar makende, om vrucht voort te brengen tot de ere en verheerlijking Gods.

Welnu, de ware kinderen Gods mogen niet altijd in staat zijn de plaats na te gaan, waar zij verkeren, maar wanneer zij zich onder de Goddelijke onderwijzing bevinden, dan zullen zij op één bepaalde plaats zijn, welke is aangewezen in de tekst.

Sommigen zijn er, die de Heere nog maar pas heeft ’’bezocht”, wier hart Hij vertedert, met wier consciëntie Hij Zich inlaat, en in wier consciëntie Hij werkt, hen uitvoerende uit het eigen ik, hen verbindende aan het volk van God, en hen lerende te vragen naar de weg tot Zion, met hun aangezicht derwaarts. Zij hebben met vele zaken te strijden: rechterogen uit te graven, rechterarmen af te kappen: zij hebben nog vele doornen en distelen in hun hart groeien: vele wereldse begeerlijkheden verstrikken hun voet: twijfel en vrees werkt er in hun gemoed, of het ongeloof worstelt voortdurend van binnen. Evenwel, met dit alles, stellen zij hun aangezicht naar Zion: hoe ook ternedergeworpen, zij lijden geen schipbreuk: hoe zij ook vallen, nochtans staan zij weer op, met tranen en roepen, de Heere smekende genadig te zijn.

Wellicht zijn er weer anderen, die ’’besproeiingen” hadden. Zij hebben de inkomst gevoeld der Goddelijke vloed. Toen zij het Woord hoorden, toen zij de Schrift lazen, toen zij alleen op de knieën lagen: of toen zij aan Goddelijke zaken dachten, hebben zij een vloed gevoeld van onbeschrijflijke zaligheid, die alles voor zich heendreef: tranen zijn hen uit de ogen gevloeid, en hun hart is vertederd en versmolten geworden. Zij kunnen niet vertellen hoe, en vanwaar het kwam: evenwel het heeft hen vertederd, en het heeft hen volkomen uit de wereld gebracht en van dode belijders afgescheiden.

Dan zijn er wellicht nog anderen in deze vergadering, die een ander deel van de bewerkingen doormaken, aan wie de verdorvenheden van het hart, en de verborgen begeerlijkheden, die hen soms de baas worden, worden ontdekt. Wellicht zijn er weer anderen, die vol liefde zijn tot de waarheid, die Jezus verwachten, en voor wie Zijn Naam een uitgestorte olie is. Zij hebben begeerten, die uitspruiten, en zij hijgen naar de kennis van Hem en de kracht Zijner opstanding: verborgen uitgangen van vurige liefde, en een uitvloeien van het levende geloof. Deze hebben de liefde der waarheid ontvangen, en gevoelen van tijd tot tijd het uitspruiten van geloof en hoop in de Heere van leven en heerlijkheid, van de liefde tot Zijn Naam, vermengd met eerbied, ootmoed, en Goddelijke vreze.

Weer anderen mogen donkere tijden doormaken, in welke er geen licht is: door scherpe windvlagen, bijtend koude nachten, en koude dagen gaan, welke hun geloof tot op het hart ervan doen schudden. Evenwel kroont de Heere, alles wel beschouwd, het jaar met goedheid! En wanneer Hij de sikkel erin zet, en Zijn gelovigen in de graanschuur boven verzamelt, dan zal een ieder de Heere loven met een stem van vreugde, dan zal elk de Heere de ere geven, dat Hij het jaar met goedheid heeft gekroond: dat overvloeiende genade door de gerechtigheid heeft geheerst: dat onvergelijkelijke liefde over alles heeft getriomfeerd: dat in al Zijn verrichtingen, hoe pijnlijk ook, in al hetgeen zij hebben moeten doormaken, hoe schijnbaar tegenstrijdig, de goedertierenheid en de barmhartigheid hen evenwel al hun dagen hebben gevolgd, en zij zullen eeuwiglijk wonen in het huis Gods. Welgelukzalig de ziel, welke iets van haar bevinding in deze woorden kan aantreffen! De minste is even behouden, als de voornaamste, de zwakste, even verzekerd, in het voornemen Gods, als de sterkste. ’’Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat: welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.” Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.