Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het gereedschap van een dwaze herder

Predikatie over Zacharia 11:15,16

Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u nog eens dwazen herders gereedschap. Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en derzelver klauwen zal hij verscheuren.

Wij vinden de profeten van het Oude Testament gedurig door de Heilige Geest bestuurd om voorbeeldende karakters op te houden, en typische daden te verrichten. Zo werd de profeet Hosea bevolen: “Neem u een vrouw der hoererijen,” (hoofdstuk 1:2); waardoor wij, mijns inziens, niet moeten verstaan, dat hij een vrouw tot het huwelijk nemen moest, die in zo’n staat leefde. Maar iemand die een bandeloos leven had geleid, maar nu verbeterd was. Zo werd Jeremia bevolen, banden en jukken te maken en die aan zijn hals te doen. (Jer. 17:2.) Dit was een typische voorstelling, dat de volken, tot welke de jukken gezonden werden, zich aan de koning van Babel moesten onderwerpen.

Op gelijke wijze wordt de profeet Zacharia in de tekst bevolen een typisch karakter op te houden, en dat wel zo een, waarvan hij inderdaad het tegenovergestelde was. Hij moest eens “dwazen herders gereedschap nemen,” als een typische voorstelling van zo’n karakter, als in het land zou opstaan, opdat door deze zichtbare en betekenisvolle zinnebeelden een levendiger en krachtiger voorstelling gegeven mocht worden, dan door woorden uitgedrukt kon worden. Hij moest geen dwaze herder worden, maar er een voorstellen, en zich voor het volk vertonen als een zichtbaar zinnebeeld van zo iemand.

Maar wij moeten opmerken, dat hij in dit hoofdstuk reeds vroeger twee typische karakters opgehouden heeft. Het ene dat van een goede herder, en het andere dat van Christus. Dat hij type was van de Laatste is allerduidelijkst uit wat wij lezen in vers 12 en 13: “Want ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen. Doch de Heere zeide tot mij: Werp ze henen voor den pottenbakker: een heerlijken prijs, dien ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des HEEREN, voor den pottenbakker.”

Deze profetie werd vervuld, toen Judas Iscarioth zijn Meester verried voor dertig zilverlingen. En toen hij in zijn wroegende doodsangst ze in de tempel neerwierp, werd de akker van de pottenbakker daarvoor gekocht. En opdat wij de letterlijke zin van de waardschatting van de profeet tot die prijs begrepen mogen, moeten wij opmerken, dat het de gewone waarde was van een slaaf. En zo schaduwt het niet slechts af, dat Jezus voor een slavenprijs verkocht werd, maar dat de profeet, in zijn karakter van een goede herder, dat hij schijnt opgehouden te hebben als een voorstelling van Christus, door het volk geschat werd op “de heerlijke prijs” van een slaaf. Dit is een geschikte voorstelling van de waarde die gewoonlijk gesteld op de diensten van iemand die arbeidt in woord en leer.

Maar wij vinden, dat de profeet, voordat hem bevolen werd het gereedschap van een dwaze herder te nemen, voor zich twee stokken genomen had, die hij beide verbrak. Het schijnt, dat dit een typische voorstelling was van een zeker werk, dat gedaan moest worden, om als een wijze herder bij de armen van de kudde bekend te zijn. Zijn eerste staf was “Lieflijkheid”. Het komt mij voor dat deze figuurlijk voorstelt de schoonheid van de heiligheid van het schepsel.

Deze stok, waarop honderden van valse herders leunen, en waarmee ze hun kudden proberen te besturen, verbrak hij, als zinnebeeld van het doen ophouden van alle schoonheid en vleselijke heiligheid van het schepsel. En deze stok moest zichtbaar verbroken worden, om aan te wijzen, dat een dienaar moest opstaan, niet in de heiligheid van het schepsel, met een geheiligd gezicht en stemmige tong, alsof hij op de kansel een heilige was, en het volk voor hem zondaren waren, maar voor hen te staan als een verloren ellendeling, zonder hulp of kracht, wijsheid of gerechtigheid, behouden door het bloed en de liefde van het Lam. Zijn stok, “Lieflijkheid” moest voor hun ogen gebroken worden, opdat zij in zijn hart een afbeeldsel konden zien van hun eigen, even laag, even slecht, even allerbedrieglijkst en bovenmate goddeloos hart, en zo in stukken gebroken en in zijn handen vermorzeld, dat hij er nooit tot ondersteuning op kan leunen, of er als een staf mee besturen.

Maar de ellendigen onder de schapen, die tot nut en onderwijzing op hem wachten, weten, dat dit het woord van de Heere was in zijn mond. De algehele verlorenheid van de mens, en de volkomen behoudenis door de Middelaar, de gehele vernieling van de heiligheid van het schepsel en de volmaaktheid van de gerechtigheid van de Zaligmaker, vuilheid, bederf en bevlekking uitgedrukt op elke gedachte, op elk woord en werk van de zondaar; en boetedoening, vergiffenis en vereniging, uitgedrukt op elke gedachte, woord en werk van de vleesgeworden Zoon van God, was een bediening die goed paste voor die slachtschapen, die de profeet geboden werd om te weiden. Omdat hun eigen geweten gedood was, hebben de ellendigen onder de schapen bekend, dat dit het woord van de Heere was.

De andere stok, die hij nam en ook verbrak, was genaamd “Samenbinders,” en betekent geestelijk, het verbreken van een valse vereniging. Want wij lezen: “Toen verbrak ik mijn tweeden stok, Samenbinders, te niet doende de broederschap tussen Juda en tussen Israël.” Juda stond vast met de Heere, toen Israël, onder koning Jerobeam, afvallig werd en het gouden kalf, dat te Bethel en Dan opgericht was, aanbad. 1 Kon. 12:28,29. Daarom lezen wij: “Die van Efraïm hebben mij omsingeld met leugen, en het huis Israëls met bedrog; meer Juda heerste nog met God, er was met de heiligen getrouw. Hos. 11:12. En opnieuw, “Zo gij, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde.”

Hos. 4:15. De stok “Samenbinders” dan, stelt typisch voor, een valse vereniging, een onheilige broederschap, een onschriftmatig bondgenootschap, een vermenging van schapen en bokken in één stal; een opeenhoping van koren en kaf op dezelfde vloer; een samenvoegen van het getrouwe Juda met het afgodisch Israël, op de voet van gelijkheid van gevoelens, leerstellingen en inzettingen, zonder vereniging van de Geest in goddelijke onderwijzing. Hier is dan een stok, waarmee valse herders hun kudden besturen, alleen op de grond van het Calvinisme, of de doop, of het lidmaatschap van de kerk, of “ons geloof en regel” of enig ander menselijk cement om, als het mogelijk was, levende stenen en dode stenen tot één gebouw te verenigen. Maar dit cement moet verbroken worden, “want de” levende “steen uit de muur roept,” neergedrukt door de dode reeks van blokken van boven, en “de” levende “balk uit het hout antwoordt dien,” Hab. 2:11, van zijn plaats tussen de vermolmde daksparren; en het geroep van de een en de weerklank van de andere zal zijn: “gaat uit het midden van hen, en scheidt u af.” Wanneer dan deze stok van een onheilige broederschap verbroken is, en geen vereniging toegestaan of erkend wordt, dan die welke op het werk van de Geest in de ziel gegrond is, dan worden de ellendige schapen geweid met de slachtschapen, en bekennen dat dit het woord van de Heere is.

Maar ik gevoel, dat ik enigszins van de tekst gedwaald ben, en daarom keer ik zonder verdere voorafspraak tot de tekst terug. Het bevel, dat tot de profeet gericht werd, was, “neem u nog eens dwazen herders gereedschap.” Daar is, geloof ik, veel betekenis vervat in het woord “nog,” dat is: “opnieuw,” “nog eens.” En ik besluit er uit, dat de stokken “Lieflijkheid” en “Samenbinders” daarom gereedschappen waren van een dwaze herder, maar hij moest “nog,” nog eens, nog verder zulke gereedschappen nemen, om meer zichtbaar en treffend openbaar te maken, wat een dwaze herder is. Door “dwaas” versta ik “goddeloos,” “onwedergeboren,” zoals het woord in andere plaatsen van de Schrift gebruikt wordt. Dat is: verstoken van hemelhoge meegedeelde wijsheid, en daarom in Gods schatting een dwaas. “De dwaas zegt in zijn hart, daar is geen God.”

“De dwazen sterven door gebrek van verstand.” “Want ook wij waren eertijds” (dat is, in vorige tijden) “onwijs, ongehoorzaam, dwalende,” enz. Tit. 3:3. Ons wordt daarom verboden tot een broeder te zeggen, gij “dwaas,” dat is, hem een onwedergeborene te noemen, en hem af te snijden als ontbloot van het geestelijk leven. De “dwaze herder” is daarom een natuurlijk mens, door opvoeding, hoogheid, begeerlijkheid, verwaandheid, tot de predikstoel verheven, en ontbloot van geestelijke verlichting en hemelse wijsheid. Hij bezit zekere gereedschappen, die de profeet als zinnebeelden van zijn karakter genomen heeft. Welke die waren, heeft de Heilige Geest ons hier niet geleerd. Maar omdat wij ze uit andere gedeelten van de Schrift kunnen opmaken, zal ik de vrijheid nemen hem die ter hand te stellen.

Het eerste gereedschap en kenteken van deze dwazen herder zal dan een masker zijn. De zaak zelf mag misschien bij de Joden niet bekend geweest zijn, hoewel bij de Grieken en Romeinen wel. Maar de zaak die het voorstelt, namelijk list, en bedrog, was zo oud als de tijden van Jannes en Jambres, de Egyptische tovenaars, die Mozes weerstonden, 2 Tim. 3:5; bloeide krachtig aan het hof van Achab, in de dagen van de rechtschapen Micha, 2 Kron. 18:5; en zwaar geplaagde arme Jeremia, hoofdstuk 28:10,11, hoofdstuk 29:26,27. Paulus spreekt van dezen, wanneer hij zegt: “zulke valse apostelen zijn bedrieglijke arbeiders, zich veranderend in apostelen van Christus.” 2 Kor. 11:13.

Zo lezen wij dat de profeten niet meer “een haren mantel zullen aandoen om te liegen.” Zach. 13:4. Een masker te dragen is een valse rol te spelen, een verdacht karakter aan te nemen, een toneelspeler te zijn. Want in oude tijden verschenen de toneelspelers nooit, dan van een masker voorzien, waarvan de gelaatstrekken leken op de persoon die het voorstelde. Zo maakt deze dwaze herder de preekstoel tot zijn toneel, Zijn heilig voorkomen het masker, en zijn valse ijver, luidruchtige rede, en hartstochtelijk snoeven zijn klerenkamer van hem. En zo verstrikt hij door kracht en behendigheid de eenvoudige in zijn net.

Het volgende werktuig, dat ik hem ter hand zal stellen, zal een scepter zijn. Het kenteken van macht en gezag. Om te tonen, dat hij “heerschappij voert over het erfdeel des Heeren”, 1 Petr. 5:3; en “de schapen weidt met strengheid en hardigheid”, Ezech. 34:4. Het derde gereedschap zal een scherpe schaar zijn. Want wij lezen “ze bekleden zich met de wol.” Ezech. 34:3. En natuurlijk moet hij iets hebben, om de wol mee af te scheren. Niet dat de dienaar geen eerlijk en voldoende onderhoud zou nodig hebben, want “wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht, of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde?” 1 Kor. 9:7. “Alzo heeft ook de Heere verordend dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.” Maar te ontvangen, wat vrijwillig gegeven wordt, is een andere zaak dan zoveel wol af te scheeren als mogelijk is, of zo dicht af te nemen dat er bloed komt, en er iets van het vel weggenomen wordt. Zijn vierde gereedschap zal een lange zweep zijn, die reiken zal tot elke hoek van de kooi, om alles te slaan wat de vijandschap van zijn vleselijk gemoed gaande maakt, door wat hij noemt een misnoegde geest, en dat heeft ingezogen wat hij noemt Antinomiaanse en gevaarlijke grondbeginsels.

Wee allen, die niet onder zijn gezag willen buigen, of zich aan zijn onderwijzing willen onderwerpen. Op die wijze zijn waardigheid te kwetsen zal de lange zweep op de schouders van de overtreder doen nederdalen. Zoals de apostel zegt: “gij verdraagt het, zo u iemand, (dat is, een leraar) dienstbaar maakt, zo u iemand in het aangezicht slaat”, 2 Kor. 11:20. Zo sloeg Zedekia, de zoon van Kenaäna Micha op het kinnebakken,” 1 Kon. 22:24. En zo, hoewel ze beschermd zijn door wet en zedelijke welvoeglijkheid om nu “goddelooslijk met de vuist geslagen te worden,” hebben de geoefende kinderen van God echter nog te lijden van de “gesel der tong.” Zijn vijfde en laatste gereedschap zal zijn een boog en pijlkoker vol pijlen, om op een afstand te treffen die buiten het bereik van de zweep zijn. De pijl is voor hen, die in de verte zijn, wat de zweep is voor hen, die nabij zijn. De laatste wordt binnen de muren van de kerk gebezigd, de eerste wordt gericht op die buiten haar zijn. Deze pijlen zijn bittere woorden, zoals de Schrift zegt: “Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl; om in verborgene plaatsen de oprechten te schieten, haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet”. Ps. 64:3,4.

En opnieuw: “En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen.” “Hun tong is een moordpijl.” Jer. 9:3,8. En tegen wie zijn deze pijlen hoofdzakelijk gericht? Op de beproefden, verdrukten en geoefenden; op hen die zuchten en klagen over schuld en bederf; op hen die gekweld worden door veel twijfelingen en veel vrees; op hen, die beven voor Gods woord, en soms bijna verteerd worden door schrik. Iedereen die worstelt om de kracht van wezenlijke godsvrucht, bij wie “verandering is,” Ps. 55:19; die niet kan zonder een bevindelijke godsdienst, die niet rusten kan op leerstellingen en de letter van de waarheid zonder de ondervinding daarvan. En hij die stoutmoedig zijn kleuren toont als staande in de rijen van levende, geestelijke, ondervindelijke waarheid, bijzonder als hij een standaarddrager is, moet verwachten het doelwit te zijn voor deze vergiftige pijlen.

Zoveel van “de gereedschappen van de dwaze herder,” de kentekens van zijn ambt, de zinnebeelden en zichtbare tekens, waardoor hij opeens te herkennen is. Maar wij zullen nu komen tot zijn karakter, dat de Heilige Geest hier beschreven heeft. En omdat wij veel door tegenstellingen kunnen leren, zal het ons gelegenheid verschaffen, om uit het tegendeel te zien wat een wijze herder is. De Heilige Geest heeft vier ontkennende en twee stellige kentekenen gegeven. Dat wil zeggen, Hij heeft vier dingen beschreven, die de dwaze herder niet, en twee dingen die hij wel doet. De wijze herder zal bijgevolg juist het tegendeel zijn. En er zullen vier dingen zijn, die hij doet en twee die hij niet doet. Deze vier dingen zijn het, die de dwaze herder niet doet. “Dat gereed is om afgesneden te worden, bezoekt hij niet, het jonge zoekt hij niet, het verbrokene heelt hij niet, het stilstaande voedt hij niet.” Deze twee dingen doet hij: “het vlees van het vette eet hij”—”en derzelver klauwen verscheurt hij”.

De Heere zegt: “Ik zal een herder verwekken,” dat is: Hij wil in Zijn voorzienigheid en als een daad van Zijn rechterlijk mishagen, zo iemand verwekken om een model en voorbeeld te zijn van wat een dwaze herder is. Zo lezen wij: “Ik zal verkiezen het loon hunner handelingen” Jes. 66:4; en “God zal hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven.” 2 Thess. 2:11. Als een daad van rechterlijk mishagen, om het volk te straffen, dat hun oren van de ware profeten afkeerde, zou de Heere hun een van deze tekenen zenden.

I. Het eerste nu, dat van de dwaze herder gezegd wordt, is, “dat gereed is om afgesneden te worden zal hij niet bezoeken.” Wie zijn dit, van wie gezegd wordt, “dat zij gereed zijn om afgesneden te worden”? Zij zijn het, van wie wij de droevige klacht horen, Ezech. 37:11: “onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.” Dat is, zij zijn zulken, die door het werk van de wet in hun geweten afgesneden zijn van alle geestigheid van het schepsel, alle valse toevluchten, alle bedrieglijke hoop en vermolmde steunsels, om enig goed in zichzelf te vinden of op het getuigenis van de mens te rusten. Wij lezen, Rom. 11:24, van de tak die afgehouwen is van de wilde olijfboom, en ingeënt wordt in de goede olijfboom, dat een treffend beeld is van de weg waarin een vat der barmhartigheid afgesneden wordt van de oorspronkelijke stam, en in Christus ingeënd wordt door de weg van vereniging. De wet die toorn, schuld, veroordeling en vrees werkt, is het mes in de hand van de hemelse Landman, Die de ent geheel en al van de natuurlijke boom afsnijdt.

En voordat deze bloedende tak in de goede olijfboom kan ingelast worden, moet hij op de grond liggen, totdat al het natuurlijk sap zachtjes wegloopt en uitdroogt. Zo moet een ziel hulpeloos en wel dikwijls hopeloos neerliggen, totdat de hemelse Landman deze bloedende tak opneemt en in Christus inlijft door een klaarblijkelijke vereniging. Want het wordt “de wortel en de vettigheid van de olijfboom mede deelachtig.” De geestelijke inenting verschilt van de natuurlijke inenting hierin, dat in de natuurlijke enting de vruchtbare ent wordt ingevoegd in de wilde stam, maar in de geestelijke enting de wilde ent wordt ingevoegd in de vruchtbare stam. Maar beide bevatten deze grote waarheid dat er twee onderscheiden en op elkaar volgende handelingen zijn: de gehele verwijdering van de oude stam, en de volkomen vereniging met de nieuwe.

Maar de kanttekening geeft een andere vertaling, “zij die verborgen zijn.” Het volk van God is een verborgen volk. Zij worden daarom genoemd Ps. 83:3: “Gods verborgenen;” dat is niet slechts verborgen in Zijn hand van eeuwigheid, “en verbergt hen in het verborgene van Zijn aangezicht voor de hoogmoedigheden des mans”, Ps. 31:21; maar verborgen voor het algemeen gezicht en de opmerking. Zij zijn niet degenen die veel gerucht maken in een valse glans van een schitterende belijdenis, en ook niet die vermetel voorwaarts snellen om de hoogste plaats te bezitten; maar door een diep gevoel van geestelijke armoede, nood, schuld en behoefte, reikhalzen zij om zich geheel en al te verbergen voor een hartdoorzoekend God. Zo “verbergen zij de rede van God in hun hart,” Ps. 119:11. En het Woord van God is in hen gelijk het zuurdeeg in de drie maten meel, Matth. 13:33; verborgen voor het algemene oog, maar dat krachtig werkt in het verborgen. Deze afgesnedene, of verborgene, dan, “bezoekt” de dwaze herder “niet.” U moet door dit woord “bezoeken,” niet verstaan een gaan van huis tot huis. De oude Geneefse vertaling heeft “zal niet zoeken.” In deze zogenaamde bezoeken is dikwijls meer lafheid en laster, dan zalving en kracht, meer schadelijke samenspreking dan redenen met zout besprengd, en wij scheiden meer belast dan bevoordeeld. Het beeld is duidelijk ontleend van een herder, die in de schaapskooi rondgaat, en elk schaap onderzoekt, als ze daar samen vergaderd zijn. De schapen zijn niet verspreid, de een hier en de andere daar, maar in een kooi verzameld, om allen in een plaats onder zijn ogen te zijn.

Hij bezoekt ze dan, wanneer hij door de kooi gaat en stilstaat, om met bijzondere aandacht te zien wie zijn zorg nodig heeft. Zo in het geestelijke bezoekt de herder zijn kooi het best, wanneer zij allen voor hem verzameld zijn, en hij neemt hen van de preekstoel in ogenschouw, als zij naar hem opzien om voeding en onderwijs. Hij bezoekt de afgesnedenen, wanneer hij afdaalt tot hun oefeningen, beproevingen en verzoekingen, wanneer hij hen niet voorbij gaat, maar woorden laat vallen van aanmoediging en vertroosting, overeenkomstig hun toestand. Maar dit doet de dwaze herder niet. Hij mag, weliswaar, ijveriger zijn in dat wat genoemd wordt, bezoeken van huis tot huis, en mag rondom vliegen met vleugels van valse ijver, of een wekelijkse krans van godsdienstige theebezoeken doorlopen, en, om kort te gaan, slechts een van die zijn, “welke in de huizen insluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn.” Maar hij bezoekt hen nooit van de kansel, die in hun gewaarwording afgesneden zijn van het eeuwig leven.

Nee, hij schiet er op in en wondt zulken. “Weg met uw twijfel en vrees. U moet niet blijven staan om uw bedorvenheid nauwkeurig te beschouwen. Zie op Jezus, houd God bij Zijn Woord, houd de beloften vast. De godsdienst is niet zwaarmoedig en droefgeestig, maar vrolijkheid en vrede.” Zo wondt en rijt de dwaze herder het tere geweten van iemand, in plaats van die te verbinden. Maar de wijze herder ontdekt en bezoekt zulken, en beschrijft de bevindingen van een afgesnedene ziel, omdat hij zelf door ondervinding deze weg bewandeld heeft. En als hij zijn ondervinding afschetst en hun stenen van aanstoot verwijdert, wordt dit dikwijls gezegend tot hun verlossing, of tenminste tot hun vertroosting. Mijn gemeente ligt zo ver uiteen, sommigen op twaalf en veertien mijl afstand, dat, wat dit punt aangaat en wat mijn zwakke gezondheid betreft, het niet mogelijk zou zijn al mijn geestelijke hoorders persoonlijk te bezoeken. Maar de begeerte van mijn hart is hen van de preekstoel te bezoeken, door rond te gaan tot de omstandigheden van elk en een ieder.

“Het jonge zal hij niet zoeken.” Dit is het tweede zwarte merk waarmee de Heilige Geest een dwaze herder heeft getekend. Deze “jonge” is ongetwijfeld een van de “nieuw geboren kindertjes,” waarvan gesproken wordt, 1 Petr. 2:2. Van hen wordt gezegd dat ze “begerig zijn naar de redelijke en onvervalste melk, opdat zij door dezelve mogen opwassen.” Het onderscheidend kenmerk van zulken is, dat zij “gesmaakt hebben, dat de Heere goedertieren is.” Zij zijn niet zulken die in de volle vrijheid van het evangelie staan. Zij hebben gesmaakt, niet overvloedig gedronken. Zij hebben een kruimeltje en een druppel gehad, maar zijn niet gebracht tot de maaltijd en de fontein. De dwaze herder dan zoekt “het jonge niet.” Bij hem is het alles vermetel vertrouwen en onwankelbare verzekering. En hij die niet op deze hoge berg staat, gelooft hij dat geen standplaats heeft.

De vroege bloesem van geloof, hoop en liefde, wanneer de groene spruiten in blad en bloem voortschuiven, de lente van de ziel, als het lachend seizoen, wanneer alles helder en bloeiend is, de dagen van onze geestelijke jeugd, wanneer Gods verborgenheid over onze tent was, toen daar een geest van gebed was, en een honger naar het Woord, en een ijver voor Gods eer, en een zuivere genegenheid tot Zijn volk—van dat zoete, hoewel gewoonlijk korte seizoen weet de dwaze herder niets. Hij komt opeens tot volle verzekerdheid, en wordt een man, zonder dat hij de tijdperken van de kindsheid en jeugd doorloopt. Zo zoekt hij dat “jonge” nooit. Hij weet niets van hun gewaarwordingen, en daarom kan hij hun toestand niet beschrijven. Hij heeft geen melk voor zulke zuigelingen, en kan niet afdalen tot hen die in zo’n lage staat zijn.

Maar de wijze herder zoekt zulken ook. Hij weet juist waar zij zijn. Beide hun hoop en hun vrees, hun standplaats en hun gevaren. Dus, als hij zijn schaapskooi doorgaat, zoekt hij het werk van de genade in zulken op te sporen. Hij slaat hun hoop niet neer, en ook stoot hij ze niet van hun wezenlijk standpunt, maar versterkt al hun geestelijke bemoedigingen. En echter drijft hij ze niet vermetel voorwaarts. Hij houdt ze onder de lammeren, en voegt ze niet bij de hardnekkige rammen en werkende ooien. Hij zal zoeken zulken te waarschuwen tegen het beuzelen met overtuigingen, die opgevuld zijn met hoogmoed, en geeft acht op elke toestemmende belijder, die verward is in de strikken van de satan en de lusten van het vlees. Hier en daar loopt hij met hun vertroostingen, totdat zij alles hebben weg laten druppelen. En als een teer opvoedend vader, wil hij hun raden en onderwijzen tot het uiterste van zijn vermogen aangaande al de gevaren en zwarigheden die hun weg belemmeren.

Het derde stellige duistere merk tegen deze dwazen herder is, dat “hij het verbrokene niet zal helen.” Ik denk dat wij in deze onderscheiden karakters, waarvan in het volgende vers gewag gemaakt wordt, trappen van ondervinding hebben. Wij hebben vooreerst de afgesnedene, dat is, zij die onder veroordeling van schuld en verdoemenis zijn; dan “de jongen,” zij die door enige aangename ontdekking van Zijn liefde, gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is. En nu komen wij tot de “verbrokenen;” dezen schijnen voor te stellen, die hun eerste liefde verlaten hebben, die inwendig afgevallen zijn van hun God, die verward zijn in eeltige strikken, die voor hun voeten gespreid zijn, die afgeweken zijn in wereldzin, vleselijkheid en hoogmoed, en zo afgezworven van de eenvoudigheid van het evangelie, van de ijver van hun warme genegenheden, van de oprechtheid van hun kinderlijke gehoorzaamheid en van hun onderdanig overgeven van zichzelf om gevormd te worden als leem in de hand van de hemelse Pottenbakker.

Zo schijnen hun genegenheden, hoop en begeerten, hun eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid, hun geestelijke bevalligheid en oprechtheid bezoedeld en verwoest. Hun sterke gezondheid is verbroken; en zij zijn in plaats van vrolijke lammeren die de tere blaadjes afbijten en de kooi op en neer springen, zwak en ongesteld geworden. Ze zijn nu waar Job beschrijft dat hij zelf is—”Mijn gedachten zijn uitgerukt, de bezittingen mijns harten.” (17:11.) Zo zijn hun gedachten om tot Gods eer te leven, of Hem met zuivere genegenheid te beminnen, of met Hem in gemeenschap te wandelen, of Hem te dienen, alle verbroken en verwoest. Hun te groot oordeel is verbroken, zoals van Efraïm gezegd wordt “Hij is verpletterd met recht.” Hos. 5:11. Niet dat zij twijfelen aan de waarheid en wezenlijkheid van de leer van de genade, maar hun oordeel over zichzelf, of zij het goddelijke leven bezitten, hun eigen toestand voor God, de vreselijkheid van hun eigen ondervinding, de zekerheid van hun eigen behoudenis,—in deze diepe zielservaringen zijn ze verbroken in enig oordeel, dat zij kunnen vormen over zichzelf. In één woord, al hun godsdienst schijnt opgebroken en zij zelf afgebroken te zijn. Nu, dit verbroken schaap wordt door de dwaze herder nooit werkelijk geheeld.

Hij weet nooit de kwaal of het passend middel. Zijn oordeel is nooit verbroken. Want omdat hij de waarheid duidelijk in de letter kent, heerst er geen verwarring in zijn hoofd, de zetel van al zijn godsdienst. Zijn armen zijn nog niet verbroken, want hij kan God altijd houden bij Zijn Woord; zijn benen zijn nog niet verbroken, want hij kan gaan wanneer en waar hij wil, hoewel God hem nooit gezonden heeft. Zijn rug is nooit verbroken, want hij staat nog rechtop, en heeft nooit zijn mond in het stof gestoken. En zijn hart is niet verbroken want de hamer van Gods Woord is nooit op die steenrots gevallen, Jer. 23:29. Daarom kan hij nooit werkelijk genezen dat, wat verbroken is. Maar de wijze herder heeft meer of minder deze lessen door smartelijke ondervinding geleerd. Hij is verbroken als een vat waarin God toont geen welbehagen te hebben, en enigermate verbonden. Daarom kan hij passende geneesmiddelen aanwenden voor de verbrokenen van de kooi. Het verzoenend bloed van de Zaligmaker, het tere medelijden van Zijn hart, Zijn heerlijke rechtvaardigende gerechtigheid, de vrijwilligheid van de genade overvloeiende over de overvloedigheid van de zonde, de onveranderlijkheid van Gods genade en liefde—deze en dergelijke geneesmiddelen, brengt de wijze herder voor de verbrokenen van de kudde. En wanneer zij goddelijk toegepast worden, genezen zij hun wonden.

Maar wij komen tot de vierde zaak, die de dwaze herder niet doet. “Het stilstaande” zal hij niet voeden. Sommigen van de levend gemaakte kinderen van de Heere worden tot zulke engten van zielsondervindingen gebracht, dat zij niet bekwaam zijn om voor of achterwaarts te gaan. Zij durven niet voorwaarts gaan opdat zij niet vermetel worden. Zij durven niet achterwaarts te keren opdat zij niet in wanhoop neerstorten. Ook durven ze zich niet tot de rechter-, en ook niet tot de linkerhand te keren, opdat zij niet van de koninklijke weg zwerven. Zo worden zij genoodzaakt tot stilstaan, niet uit lafhartigheid, niet uit luiheid, niet uit onwilligheid, maar louter uit onmacht om zich te bewegen. Zij zijn omver geworpen, en kunnen niet op hun benen gaan. Nu, voor dit schaap moet voedsel aangebracht worden.

Hij moet niet als een luie geschopt, en ook niet met de herderstaf geslagen worden, als hardnekkig, of als dood, over de tenen horden geduwd, maar hij moet “gevoed” worden. Aan hen moet geen onkruid, netels en distels gebracht worden, maar zoals Agur bad: “voed mij met het brood mijns bescheiden deels,” dat is, voedsel overeenkomstig zijn staat en toestand. Het teerste gras, en het vloeiendste en helderste water moest bij hem gebracht worden, niet dat met de voeten vertreden en vermodderd is door de vette en de sterke, Ezech. 34:18, maar “het nagras” (dat is, het lenteuitspruitsel, de Hebreeërs beginnen het jaar met de herfst), “na des konings afmaaiingen,” Amos 7:1. Maar de dwaze herder heeft geen voedsel voor hen die stilstaan. Als het schaap zichzelf niet in het leven kan bewaren, hij wil geen voedsel geven aan wat hij noemt “een lui Antinomianisme,” omdat hij geen ogen heeft om ziekte van luiheid, geestelijke onbekwaamheid van vleselijke onwilligheid te onderscheiden, en om stil te staan uit godvruchtige vrees voor dood en zonde.

Dit zijn de vier ontkennende tekens van een dwaze herder—dat is, de dingen die hij niet doet. Maar er worden door de Heilige Geest twee stellige tekens bijgevoegd, dat is, er zijn twee dingen die hij doet. “Het vlees van het vette zal hij eten”, dat is, hij zal niet nemen wat tot hem komt, dat wat hem aangeboden wordt, maar hij zou door de kooi gaan, en het vetste voor zijn eigen eten verkiezen. Aan het priesterlijk geslacht behoorde de borst en de schouder, Exod. 29:27,28, niet het bout en de nier. Hij moest goed voedsel en genoeg voedsel hebben maar niet het vetste en beste deel van het geheel. Het Woord van God bepaalde een eerlijk en voldoend onderhoud voor een dienaar, maar het moet vrijwillig en gewillig gegeven worden. Maar de dwaze herder verraadt een grijpende, geldgierige, onverzadigbare geest. Hij zoekt niet de kudde maar de vacht, en hij wil de waarheid opofferen, het evangelie vaneen scheuren, en prediken om belijders te behagen, enkel om zijn zak te vullen. Dankbaar aan te nemen wat vrijwillig gegeven wordt is iets; ontevreden te zijn, met wat gegeven wordt en te schreeuwen om meer, is een ander ding. Het vlees te eten wordt toegestaan, te grijpen naar het vlees en vet is verachtelijk; de kudde te weiden als een herder, en te eten van de melk van de kudde, 1 Kor. 9:7, is eerlijk; de kudde te weiden als een vetweider is schandelijk. “En derzelver klauwen zal hij verscheuren.” Dit is het tweede stellige kenmerk van een dwaze herder.

Schapen hebben dus klauwen! Ja, en sommigen van ons zijn er zeker wel eens door gekrabd. En deze klauwen willen zij soms proberen op de herder. Wanneer dan de dwaze herder de schrammen van deze klauwen voelt, beproeft hij voorts al zijn kracht en verscheurt ze. Hij bestuurt ze niet met vriendelijkheid en zachtheid, hij leidt ze niet met de zoete dwang van de liefde en genegenheid, maar eerst doet hij de wedergeborene kinderen Gods gebrek lijden, en dan, als zij hem met hun klauwen krabben, verscheurt hij ze. Hun klauwen zijn het voorwerp waarop hij aanvalt—dat is, hij houdt enige van hun uitdrukkingen aan die tegen hem gericht waren, enige strenge opmerkingen omtrent hem gemaakt, enige twijfelingen omtrent zijn christendom, enige tegenwerpingen omtrent zijn Arminianisme, enige beoordelingen van zijn gedrag.

Deze klauwen hebben hem gekrabd, en zijn hoogmoed en belangrijkheid gekwetst. Hij moet daarom vergelden, en die klauwen wil hij verwijderen, door elk woord aan te halen dat tegen hem of tegen zijn bediening gezegd is, en verscheurt ze, daar zij, zoals hij zegt, een bittere en onchristelijke geest ademen. Een wijze herder zal niet zo handelen. Hij zal geen slagen met slagen vergelden, en geen striemen met striemen. Als hij gekrabd is door de klauwen van enige van zijn schapen, dan wil hij het liever in stilheid dragen, dan verdeeldheid en twist te maken en de kudde vaneen te scheuren. Hij zal niet elke barsheid tegen hemzelf of zijn bediening gezegd, opnemen, zijn eigen zaak en eer op de predikstoel brengen, in plaats van de zaak van God en de eer van Christus, maar zal meer of minder werkzaam zijn door de Geest van Hem, Die, wanneer Hij gescholden werd, niet weder schold.

Wij zien dan, door de pen van de Heilige Geest, de kenmerken van een dwaze en wijze herder getekend. Houd ze in het oog. U wordt bevolen de geesten te beproeven of zij uit God zijn. U moet rechters zijn van elke dienaar die als een gezant van de Heere komt. Beproef hem goed, onderzoek zijn gelaatstrekken zorgvuldig, weeg hem nauwkeurig. God heeft u zijn beeltenis gegeven — vergelijk de man en zijn afbeelding. Heeft hij dan de merktekens voor of tegen? Bezoekt hij de afgesnedene, zoekt hij het jonge, heelt hij het verbrokene, voedt hij het stilstaande ? Als hij niet overeenkomt met deze vier hoofdpunten, dan is hij een dwaze herder, hij mag zijn wie hij is.

Daarenboven, “eet hij het vlees der vetten en verscheurt hij derzelver klauwen?” Is hij twistziek en geldgierig, grijpend en oplopend, een vleier van de rijken en een verdrukker van de armen; een Demas en Diotrefes? Dan is hij een dwaze herder, hetzij in de kerk of in de kapel, in klederen van priesterlijke waardigheid, of ongetabberde eenvoudigheid. Neem nooit zijn heilige houding en plechtig gedrag in acht, zijn grauwe haren en zilveren tong. Deze zijn maar het ruwe kleed om te bedriegen. Sla zijn bediening en zijn daden gade. Houd het oog op hem op en van de predikstoel. Keer hem om en bezie van beide zijden, de ontkennende en de bevestigende tekens wat hij niet, en wat hij wel is.

Mijn vrienden! ik heb deze woorden gesproken als een belangeloos persoon, niet met het doel om mijzelf te verheffen. Want ik verzeker u, ik ben dikwijls beproefd over mijn roeping tot de bediening, hoewel niet zonder soms getuigenis te hebben, beide inwendig en uitwendig, van niet te bedoelen enig bijzonder dienaar of dienaren. U bent in de buitengewone toestand van een bepaalden bedienaar te missen, en bent dus veel gewend om verschillende behulpsels te horen in deze of andere kerken. Ik heb dan geprobeerd voor u open te leggen de trekken van een wijze en dwaze herder, zoals ze getekend zijn door de Heilige Geest. Beproef daaraan allen die u hoort. Laat geen voorgeven u voldoen. Onderzoek hun geloofsbrieven; weeg ze in de schalen, neem acht op hun woorden, en boven alles, zie nauwkeurig op hun geest. En als zij de merktekens niet dragen van een wijze herder, of daarvan verschillen, of nog meer, indien zij juist passen bij het karakter hier gegeven van een dwaze herder, verwerp ze eenvoudig. God heeft ze niet gezonden. En door ze te verwerpen handelt u op Zijn gezag, en wandelt in gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Moge Hij ons ogen geven om te zien, handen om te werken, en voeten om te wandelen in nauwkeurige overeenstemming met Zijn eigen onfeilbare getuigenis.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.