Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Een vrijmoedigheid die niet te verwerpen is

Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft. Want gij hebt lijdzaamheid van node; opdat gij, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen. Want nog een zeer weinig tijd, en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. Hebr. 10: 35-37.

Toen Jonathan, in de mogendheid des Heeren, slechts door zijn wapendrager vergezeld, tegen de verenigde heirschaar der Filistijnen optrok, lezen wij, dat tussen de doortochten, waar hij zocht door te gaan tot de bezetting der Filistijnen, er een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan gene zijde was; en de naam van de ene was Bozes, en de naam der andere Sene (1 Sam. 14: 4). Ik heb soms gedacht dat deze nauwe doortocht tussen de twee steenklippen Bozes en Sene, kan beschouwd worden als de weg eens Christens tussen de beide rotsen: “vermetelheid en wanhoop”, geestelijk voorgesteld.

Ik wil u echter doen opmerken, dat ik deze beschouwing niet als een uitlegging dier schriftuurplaats geef. Ik behoor niet tot de godgeleerden met arendsblikken, zoals John Newton hen noemt, die diepe verborgenheden in elke tekst der Schrift zien, als bijvoorbeeld de twee verbonden, Wet en Evangelie, in de twee penningen aan de waard door de barmhartige Samaritaan gegeven, of het begraven van de Wet onder het kruis in de begrafenis van Debora onder de eik te Allon Bachuth (Gen. 35: 8).

Ik ben niet tegen de geestelijke en bevindelijke, maar tegen de geheimzinnige en grillige uitlegging der Schrift, hetwelk twee ver van elkaar verschillende zaken zijn, die echter dikwerf, vreemd genoeg, met elkaar verward worden, Dus, wat sommigen als grote diepten van geestelijke uitlegging beschouwen, zie ik als grote ondiepten aan, en verklaringen der Schrift welke sommigen wonderbare verheffingen van een geestelijk gemoed tot de hoogten der hemelse verborgenheden menen te zijn, zie ik dikwerf voor weinig anders aan, dan voor de belemmerde vlucht van een stoutmoedige verbeelding, en een ijdele poging om groot te zijn, ten koste van de bevindelijke uitlegging van het woord der waarheid aan belachelijkheid bloot te stellen.

Ik hoop een bevindelijke prediker van Gods Woord te zijn, maar ik moet zeggen, als zodanig, dat weinige dingen meer verachting op de geestelijke uitlegging van het Woord Gods geworpen hebben dan de dwaze uitleggingen van diepzinnige plaatsen zoals wij die dikwijls horen. Maar uitlegging en opheldering zijn twee verschillende zaken. Ik gebruik daarom de beschrijving van Jonathan’s doortocht tussen Bozes en Sene, gegeven niet alsof de Heilige Geest meende door deze twee steenklippen vermetelheid en wanhoop voor te stellen, maar als een opheldering van het enge pad eens Christens tussen deze twee afgronden, waarin, in de een zowel als in de anderen, tienduizenden zijn gevallen, om er nimmer meer uit op te staan.

O konden wij, zoals de profeet spreekt, heengaan en op de dode lichamen van degenen zien, die door deze beide zonden tegen de Heere overtreden hebben (jes. 66: 24), wij zouden aan de voet van beide deze klippen meer lijken zien, dan de inet bloed bevlekte velden van Waterloo vertoonden. Maar het volk Gods wordt, voor het merendeel, niet verzocht tot vermetelheid: het durft het niet wagen om die steile klip te bestijgen. Voorbarig zich op Gods genade te vermeten is eerder een zonde van de goddelozen, werkheiligen, huichelachtige, en meer bijzonder van de zinledige belijder van de letter der waarheid.

De verzoeking van ‘s Heeren volk is veeleer te wanhopen. Elke wroeging der overtuiging, elke straal van de heiligheid en majesteit van god, elke beschuldiging van hun eigen schuldig geweten, brengt hen gewoonlijk tot wanhoop. Daardoor worden zij echter in grote mate voor ijdel vertrouwen en stoutmoedige vermetelheid bewaard; en aldus kan de Geest Gods, door hen van zonde te overtuigen, en de schuld op hun geweten te leggen, gezegd worden in grote mate de wortelen van vermetele vrijmoedigheid uit hun zielen te hebben uitgeroeid. Maar diezelfde omstandigheid, dat Hij de schuld op hun geweten brengt, geeft soms een grote aanleiding aan de duivel, om op hun gevoel van wanhoop te werken. Derhalve, schoon het waar is, dat het enge pad des Christens tussen de klippen van vermetelheid en wanhoop ligt, kunnen wij echter zeggen, met de blik op de algemeenheid der gevallen, dat de mens veel meer verzocht wordt tot wanhoop dan tot vermetelheid.

De apostel schijnt van dit gevoelen te zijn in zijn schrijven aan de Hebreeërs, want schoon hij hen krachtig en herhaaldelijk waarschuwt tegen ongeloof en afdwaling, zoekt hij hen echter door de gehelen brief heen tot geloof aan te moedigen, en in onze tekst smeekt hij hen bijzonder hun vrijmoedigheid niet weg te werpen, welke, zoals hij hun zegt, “een grote vergelding des loons heeft”.

Maar zo er geen verzoeking bestond, om hun hoop te laten varen, om toe te geven aan de inblazingen des verzoekers, en zich over te geven aan de wanhoop van hun eigen gevoel van ellende, waar zou de kern, de vruchtbaarheid, de kracht of inderdaad de bedoeling der vermaning in bestaan? Bewust daarom, dat die vrijmoedigheid, als zij van God was, innig beproefd zou worden, waarschuwt hij hen niet vriendelijke ernst, dat zij lijdzaamheid van node zouden hebben, opdat zij, na de wil van god gedaan te hebben, de beloftenissen mochten wegdragen.

Echter om hen aan te moedigen om op de vervulling der beloftenis te wachten, herinnert hij hen aan hetgeen in het woord der waarheid was verkondigd, en welke reeds een grote mate van vervulling in de komst van Gods Zoon verkregen heeft. “Want nog een zeer weinig tijd, en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.” Laat ons, met deze algemene schets van het gemoed en de bedoeling van de met Gods Geest begiftigden apostel, met Gods hulp en zegen, nu tot onze tekst ons begeven en zien of wij daaruit enig onderwijs of bemoediging kunnen opzamelen. Dit doende, mits God mij daartoe in staat stelle, zal ik spreken over:

I. De kracht der vermaning: “Werp uw vrijmoedigheid niet weg”.

II. De reden waarom die vrijmoedigheid niet moet weggeworpen worden: zij heeft een grote vergelding des loons. Voorts:

III. Dat, hoewel die vrijmoedigheid niet weg te werpen is, ziende, dat haar zulk een grote vergelding des loons wacht, zij beproefd zal worden, en daarom lijdzaamheid nodig is, opdat zij, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mocht wegdragen.

IV. Dat zij niet tevergeefs zullen wachten; want nog een zeer weinig tijd, en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven.

I. Wanneer de apostel hen vermaant hun vrijmoedigheid niet weg te werpen, bedoelt hij natuurlijk dat zij een goedé, dat is, een geestelijke vrijmoedigheid is; omdat er een vrijmoedigheid is, die niet waard is behouden te worden, en het, als zodanig, hoe eerder hoe beter is, die te laten varen. Hij spreekt nu als een hoofdzaak, in een zijner brieven, van een vrijmoedigheid, die hij eens zelf had, en waarop die vrijmoedigheid berustte: dat het was in het vlees. De aanleiding, welke hem drong deze ijdele vrijmoedigheid te beschrijven was het kenmerk, dat hij van de ware besnijdenis had gegeven van welke hij zegt, dat zij God in de geest aanbidden, en in Christus Jezus zich verheugen, en geen vrijmoedigheid in het vlees hebben.

“Hoewel ik heb,” zegt hij, “dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer”. Hij gaat dan voort een grote verscheidenheid van godsdienstige voorrechten op te noemen, welke in zijn dagen zeer hoog gewaardeerd werden, en welke ten grondslag lagen van het betrouwen der belijders van het strenge judaïsme, waarvan hij er een was; zulk een die “besneden was ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën; als naar de wet een Farizeeër; wegens ijver, de kerk vervolgende; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijk”. Hij telt die voorrechten op om te tonen, dat hij elke grond van vrijmoedigheid had, indien deze op het vlees gegrondvest, of enigszins kon gebouwd worden op die voorrechten, welke hij in zo ruime mate bezat.

Maar toen de genade zijn hart bereikte, en de persoon en het werk, de schoonheid en gelukzaligheid, de genade en heerlijkheid van Gods Zoon aan zijn ziel geopenbaard waren, werden die voorrechten, welke eens gewin voor hem waren, omdat zij, zoals hij zich verbeeldde, hem Gods gunst verzekerden, nu in zijn ogen schade om Christus’ wil. Hij werd daarom genegen gemaakt er van te scheiden; en dat niet alleen, maar om alle dingen als drek te achten, opdat hij Christus mocht gewinnen en in Hem gevonden worden (Filip. 3: 4-9). Dus zien wij, dat die man Gods, die ons bij onze tekst vermaant, onze vrijmoedigheid niet weg te werpen, zelf eens een vrijmoedigheid had, waarover hij zich schaamde, en waarvan hij wilde scheiden en die hij als schade achtte om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, zijn Heere. Wij behoeven dan niet verder dan het voorbeeld van de apostel zelf te gaan, om te zien, dat er zulk een ijdele, een vleselijke vrijmoedigheid bestaat, en als zodanig een van de grootste hinderpalen voor het genot van die geestelijke vrijmoedigheid, welke een grote vergelding des loons heeft.

Laat ons dus, teneinde het onderwerp een weinig nauwkeuriger te ontvouwen en het wat duidelijker te maken, eerst aantonen welke de vrijmoedigheid is, die wij moeten wegwerpen, opdat wij een helderder en beter inzicht hebben in de vrijmoedigheid, welke wij niet moeten wegwerpen.

1. Een vrijmoedigheid, die op onze eigen rechtvaardigheid berust, is zeker zulk een, die ons niet in de oordeelsdag zal baten. Johannes spreekt van een vrijmoedigheid, om welke wij, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, niet van Hem beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst (1 Joh. 2: 28). Maar om een vrijmoedigheid die op onze eigen rechtvaardigheid gebouwd is, zullen wij zeker beschaamd worden in de grote dag, want zij kan de toets der onfeilbare rechtvaardigheid nooit doorstaan, noch voor de majesteit van God verschijnen, “wanneer de Heere Jezus zal geopenbaard worden van de hemel met de engelen Zijner kracht, met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn”.

Kunnen nu die gezegd worden “God te kennen”, die Hem niet kennen als de God van alle genade, “of het Evangelie van onze Heere Jezus Christus gehoorzaam te zijn,” die hun behoudenis zoeken in de werken der wet? Zullen niet al diegenen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte; wanneer Hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen die geloven? (2 Thess. 1: 7-10). Indien Jezus moet verheerlijkt worden in Zijn heiligen, en wonderbaar in allen, die geloven, moet ons gewis alle vrijmoedigheid, op onze eigen rechtvaardigheid gebouwd, ten enenmale ontbreken op die dag, want wat staat meer tegenover elkaar dan rechtvaardiging door onze eigen werken en heiliging door de Geest Gods, of schepselgehoorzaamheid en een levend geloof? Alle zodanige vrijmoedigheid daarom moet geheel en al weggeworpen worden, want zij moet onze ijver belemmeren, om met lijdzaamheid de loopbaan te lopen, die ons voorgesteld is.

2. Maar daar is een vrijmoedigheid op godsdienstige voorrechten gegrond. Ik heb reeds de aard der vrijmoedigheid aangetoond, eens door de apostel gekoesterd, en dat zij gegrond was op die bijzondere voorrechten, welke hij genoot uit het gezichtspunt, door een joods oog daarvan genomen. Niemand, die Christen heet, zou voor een ogenblik nu op zulke voorrechten als die willen bouwen; maar hij kan een in gelijks ijdele vrijmoedigheid hebben, wanneer hij haar op christelijke voorrechten grondvest. Deze zijn inderdaad zeer passend voor onze behoeften, en zijn, door Gods zegen vergezeld, dierbare genademiddelen; maar daarop moet niet gebouwd worden als een fundament van geestelijke vrijmoedigheid.

Dus, samen te komen in een huis van het gebed; ons voor de genadetroon neer te buigen voor wij bijeenkomen; de Heilige Schrift in onze handen te hebben; ons te mogen rekenen onder het volk Gods; de gunst te smaken van het Evangelie te horen prediken, en de waarheid zoals zij in Jezus getrouw en bevindelijk wordt voorgesteld; in de verordeningen van Gods huis te delen; lid te zijn van een kerk, gesticht op apostolisch voorschrift; of, is men niet zo begunstigd, echter een naam en een plaats te hebben onder de zonen en dochteren van Sion; dit zijn grote en dierbare voorrechten, maar zij zijn geen genade, ofschoon zij in Gods hand tot genadeleidingen kunnen gemaakt worden.

De twee gouden pijpen door welke de olie vloeide uit de twee olijftakken (Zach. 4: 12) waren op zichzelf, ofschoon van goud, van geen waarde, behalve als kanalen, waardoor de gulden olie vloeide. Zo zijn voorrechten slechts kostbaar, als de olie van Gods genade door hen in het hart vloeit. Maar zij dienen niet om er op te bouwen, want er kan geen andere grond gelegd worden dan die er gelegd is, welke is Jezus Christus; en dus, als wij op onze christelijke voorrechten bouwen, zullen wij eens ondervinden, dat die vrijmoedigheid even bedrieglijk is als die van de apostel, toen zijn vrijmoedigheid gebouwd was daarop, dat hij ten achtsten dag was besneden, dat hij was een Hebreeër uit de Hebreeën, of, naar de wet, een Farizeeër.

3. Maar daar is een vrijmoedigheid op de enkele letter van Gods Woord gegrond, zonder enige krachtdadige toepassing van dat Woord op het hart; en ik moet zeggen dat er nauwelijks. een soort van ijdele vrijmoedigheid meer algemeen heersend in onze tijd is dan deze. Maar op zekere waarheden, in het Woord vervat, te vertrouwen, zonder enig personeel aandeel in deze, of geestelijke bevinding van deze, is zeker een vrijmoedigheid, die slechts geschikt is om weggeworpen te worden, want zij is niet gegrond op het onderwijs of het getuigenis van God in het hart, of op het krachtig werk van het geloof in de ziel.

4. Een vrijmoedigheid, die van de adem van het schepsel afhangt, die alleen op de goede dunk der mensen, zelfs van de beste hunner, op de goedkeuring eens leraars, of zelfs van enige, die God waarlijk vrezen, steunt, is zeker een vrijmoedigheid, die niet waard is behouden te worden. Hebben niet de slechtste mensen de beste bedrogen? Werd David niet bedrogen in Achitofel, de discipelen in Judas, en Paulus in Demas? Zo wij dan geen betere gronden voor onze vrijmoedigheid hebben dan de enkele bijval der mensen, die in en door ons kunnen bedrogen worden, zal het een vrijmoedigheid blijken te zijn, die ons nooit in de oordeelsdag zal baten; want o hoe licht kunnen wij zelf bedrogen worden, en nog gemakkelijker elkaar bedriegen.

Op de enkele getuigenis dan van een broos en feilbaar mens te steunen, en de eeuwigheid in te gaan, afhangende van de adem van een worm, is inderdaad op een gebroken rietstaf te vertrouwen, die in onze hand zal gaan en haar doorboren. Inderdaad, een vrijmoedigheid op iets anders gebouwd dan wat ik nu zal aanwijzen, zal blijken een vrijmoedigheid in het vlees te zijn; een waarover wij ons wel schamen mogen, en welks einde slechts verderf buiten het aangezicht des Heeren kan zijn.

Ik ga nu voort, om aan te tonen, welke de vrijmoedigheid is die niet is weg te werpen; want daar is een zalige vrijmoedigheid. die door Gods volk bezeten wordt, door welker bevinding zij geheel verschillen van diegenen, die de naam hebben van te leven terwijl zij dood zijn. Maar schoon zij werkelijk die vrijmoedigheid hebben, en hoewel de Heere wil, dat zij zullen vasthouden wat zij ontvangen hebben, opdat niemand hun kroon neme, zijn zij echter, door de zwakheid huns geloofs en de kracht huns ongeloofs, zeer genegen dit te laten varen. In dit opzicht verschillen zij ver van degenen, die in een valse vrijmoedigheid gehuld zijn; want het is met ben, zoals Job spreekt over zijn eigen gerechtigheid: “Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen’.’ (Job 27: 6); ook kunt u die niet uit hun handen krijgen.

Terwijl dan degenen, die geen waren grond voor hun vrijmoedigheid hebben, er niet van willen scheiden, ofschoon hun betrouwen is als een spinnenweb, zijn de kinderen Gods, aan de andere zijde, bijna bevende bij een vallend blad, genegen die goede hoop door de genade, op te geven, welke de Heere zelf in hun harten gewrocht heeft. Dus, terwijl letterknechten temidden van fraai weer op de klippen der vermetelheid stranden en als schepen in de diepe zee verzinken, zijn de kinderen der genade geneigd, door de stormen der verzoeking op de wal aan lij der wanhoop te vervallen.

Om hen daarom, wat het geloof betreft, te behoeden voor schipbreuk, moedigt de Heere ben in Zijn Woord aan door de geheime fluisteringen Zijner genade in htinne ziel, om geen vrijmoedigheid weg te werpen, die Hij zelf met goddelijke macht in hun ziel gewerkt heelt. Ik moet daarom zeer voorzichtig zijn hier een goed fundament te leggen. Als ik u in de naam des Heeren toeroepe uw vrijmoedigheid niet weg te werpen, moet ik met alle heilige wijsheid en in de striktste overeenstemming met het Woord der waarheid spreken, opdat ik niet, aan de een zijde, dwaal, terwijl ik u verzoek een vrijmoedigheid te behouden, welke God u niet gegeven heeft, of, aan de andere zijde, een vrijmoedigheid verwerp, welke Hij zelf in uw hart gewrocht heeft.

1. Een vrijmoedigheid dan, welke gegrond is op Gods Woord, welks kracht in het hart gevoeld is, is een niet te verwerpen vrijmoedigheid. Van deze vrijmoedigheid spreekt de apostel in deze zelfden brief, als hij zegt van diegenen, die hun toevlucht genomen hebben tot het vasthouden der hoop, hun in het Evangelie voorgesteld; welke hoop, zoals hij ons zegt, “een anker der ziel is, dat zeker is en vast”. Maar deze hoop is gegrond op twee onveranderlijke dingen – Gods eed en Gods belofte, in welke het onmogelijk is dat God liegt (Hebr. 6: 17, 19). Wij zien daar de brede grondslag, welke hij voor de hoop eens Christens gelegd heeft, en is dat eens Christens hoop, dan is het ook het vertrouwen van een gelovige, want hoop en vertrouwen zijn tweelingen.

Maar natuurlijk wordt dit vertrouwen door hem bedoeld, gegrond te zijn, niet slechts op de letter van het woord des eeds en der belofte, maar op ben beiden met kracht op de ziel toegepast. Om dit aan te wijzen, laat ons op Abrahams toestand, waarop het bepaaldelijk ziet, de blik slaan; want de belofte en de eed, van welke de apostel spreekt als van “de twee onveranderlijke dingen”, waren de belofte en eed aan Abraham gedaan, dat “in zijn zaad alle volken der aarde zouden gezegend worden” (Gen. 22: 18). Abrahams geloof rustte op Gods eed en belofte; maar was het niet op deze als waren zij gesproken door de mond Gods tot Abraham? Toen hij dan “tegen hoop op hoop” geloofde; “toen bij niet wankelde bij de belofte Gods door ongeloof, maar sterk was in het geloof, God ere gevend, ten volle overtuigd zijnde, dat wat Hij beloofd had Hij zulks in staat was te vervullen,” rustte zijn geloof niet op de enkele letter van het Woord, maar op een belofte en een eed door de mond Gods aan zijn hart gegeven.

Dus wanneer ik Gods Woord als een vasten grondslag voor het vertrouwen eens Christens leg, meen ik natuurlijk dat er een geestelijke toepassing daarvan, een bevindelijke kennis daarvan, een levend geloof daarin moet zijn; anders rust het op dezelfde grondslag als het valse vertrouwen, dat ik pas beschreven heb, hetwelk alleen op de letter der waarheid berust, zonder enige toepassing van het woord des levens op het hart. Inderdaad, het gehele verschil tussen de twee soorten van vertrouwen kan in één gezegde uitgedrukt worden – dat de een is een dood geloof in de enkele letter der waarheid; de andere, een levend geloof in de woorden van de Heere Jezus Christus, door de Heilige Geest levend gemaakt in de ziel.

2. Maar wederom, een vrijmoedigheid, welke is gegrond op enige ontdekking door de Heilige Geest van de gepastheid van het bloed, de gehoorzaamheid, de zaligheid van de Heere Jezus Christus aan de ziel, is een niet te verwerpen vrijmoedigheid. Daar zijn vele kinderen Gods, die nog geen grote mate, zo zij inderdaad al enige mate van de verzekerdheid van het geloof verkregen hebben. Zij kunnen niet met onwankelbaar vertrouwen zeggen dat de Heere hun God is; hun is echter en wel door de kracht van de Heilige Geest, de gepastheid van Christus ontdekt. Zij hebben door het geloof een inzicht gekregen, dat Hij in staat is allen zonder onderscheid, die door hem tot God gaan, zalig te maken.

Zij hebben gezien en gevoeld dat Zijn verzoenend bloed in staat is van alle zonde te reinigen. Zij hebben een ontdekking van Zijn rechtvaardigheid gehad als het enige rechtvaardigmakende kleed in hetwelk de zondaar door God kan aangenomen worden. Maar ls dat verzoenend bloed niet toegepast wordt met al de kracht die zij behoeven; en als die rechtvaardigheid hun niet wordt geopenbaard met zulk een overstelpende verzekering, zodat deze alle vrees verbant, wordt hun leven in twijfel en onzekerheid doorgebracht, en zij kunnen niet komen tot die liefelijke verzekering van deel te hebben in het bloed des Lams, welke zij begeren te genieten. Nog hebben zij een vrijmoedigheid van deze aard, dat Jezus geschikt is voor hun verloren en ellendigen toestand; dat Hij maar te spreken heeft, om hen volmaakt gezond te maken, dat al hun verwachting op Hem is. Dus, in de kracht van, die vrijmoedigheid, ofschoon deze geen volkomen gevoel van vergiffenis en vrede aanbrengt, zien zij uit naar Hem, vertrouwen op Hem, hopen op Hem, hechten zich aan Hem, en wel met begeerte van het hart.

Het is, ik geef dit ten volle toe, slechts een geringe mate van vrijmoedigheid, en echter is zij wezenlijk zover als zij gaat. Zij stijgt niet tot een aanzienlijke hoogte, zij omhelst de Heere niet met al die verzekerdheid van Zijn liefde, waardoor zij met de Bruid zit onder Zijn schaduw met grote vergenoeging, “noch is zij in het huis der maaltijden gebracht, terwijl de liefde de banier over haar is,” maar zij wacht op verdere ontdekkingen van de liefde en genade Gods in het eeuwige leven. Van zulk een geloof als dit zien wij veel in het Nieuwe Testament. Het was dat van de vrouw met de bloedvloed; van de man die met tranen uitriep: “Heere, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp;” van de Syro-Fenicische vrouw, wier “dochter vreselijk door de duivel geplaagd werd;” van de melaatse, die zei: “Heere, zo Gij wilt Gij kunt mij reinigen;” van de hoofdman, van wie de Heere zei: “dat Hij zulk een geloof nog niet in Israël had gevonden.”

Het geloof van geen van deze rees tot een volkomen verzekerdheid, maar was gebouwd op de geschiktheid van de Heere Jezus voor hun verschillende behoeften en ziekten, en op een afhankelijkheid van Zijn macht om hen te zegenen en te genezen.

3. Maar nu kom ik tot een vrijmoedigheid, die op vaster gronden steunt, een die, zo ik meen, gegrond is op een genadige en gezegende openbaring van Christus aan de ziel: een openbaarmaking van de Persoon en het werk van de Zoon van God, zodat Hij door de armen van het geloof en der liefde wordt omvat, nabij gebracht, dierbaar en kostbaar gemaakt, en ontvangen wordt in het gelovige hart onder de werking en door het getuigenis van de Heilige Geest. Deze persoonlijke en proefondervindelijke openbaring van Christus aan de ziel verwekt een liefelijk vertrouwen in Hem. Zij gaat boven dat geloof in zijn gepastheid, dat ik daar zo even heb beschreven. De Heilige Geest heeft daarin een sterker getuigenis; de ogen des verstands zijn meer geestelijk verlicht; een grotere mate van geloof wordt meegedeeld; een hoger graad van hoop gegeven, en er wordt meer van de tegenwoordigheid en macht des Heeren zelf ondervonden.

Dit is die “Geest der wijsheid en der openbaring in de kennis van Christus” waarvan de apostel spreekt (Ef. 1: 17), en van welke hij zegt: “Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft en geroepen door zijn genade Zijn Zoon in mij te openbaren, dat ik dezelve door het evangelie onder de Heidenen zou verkondigen” (Gal. 1: 15, 16). Het was deze openbaring van Christus in hem welke hem in staat stelde te zeggen, “hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en zichzelf voor mij overgegeven heeft” (Gal. 2: 20).

4. Hiermee komt de hoogste graad van vrijmoedigheid, die voortkomt uit de uitstorting in het hart van de vergevende liefde Gods, vergezeld van een gezegende toepassing van het verzoenende bloed om het geweten van schuld, onreinheid en dode werken te zuiveren om de levende God te dienen. Waar deze is gegeven is de getuigenis des Geestes aan onze geest dat wij kinderen Gods zijn, en een gezegende verzekering dat, als de dood komt, het een blijde bode zal zijn, om de ziel van de ellende van deze tegenwoordige wereld te verlossen en haar naar de woningen der gezaligden over te voeren.

II. Maar ik ga over om aan te tonen, dat deze ware en geestelijke vrijmoedigheid niet weg te werpen is, welke mate er ook van bezeten worde; en de reden daarvan is, omdat zij een grote vergelding des loons heeft. Daar zijn vele verzoekingen om haar weg te werpen, welke de apostel de gelovige Hebreeën vraagt vast te houden. Ik zal er enige van noemen.

1. Vervolging, aan welke de Hebreeën op die tijd bijzonder blootgesteld waren. Deze was een vuurproef, welke het geloof der vroege Christenen beproefde, en waarbij velen slechts als verworpen zilver bleken te zijn.

2. Verliezen, wederwaardigheden en droefenissen om Christus’ wil, mogelijk de ondergang van al onze aardse uitzichten na zich slepende, kan, in sommige gevallen, een sterke verzoeking zijn om het Evangelie te laten varen.

Maar daar deze uitwendige beproevingen niet de innige en voorname klacht van de levende ziel uitmaken, zal ik nu voornamelijk verwijlen bij inwendige en geestelijke verzoekingen om onze vrijmoedigheid weg te werpen.

3. De Heere, als één voorbeeld, nadat Hij zijn genade aan de ziel heeft geopenbaard, verbergt dikwijls Zijn aangezicht; en wat is het gevolg? Gij vervalt op eens in grote donkerheid der ziel. Al uw bevindingen zijn in verwarring begraven, en onmiddellijk ontstaat er een verzoeking om uw vrijmoedigheid weg te werpen; want gij redeneert dus: “De Heere zou mij nooit tot mijn tegenwoordige staat van donkerheid en dodigheid gebracht hebben, als het een ware openbaring Zijner liefde en genade ware geweest.

Voorzeker, had Hij wezenlijk in mijn ziel geschenen en mij met vergiffenis en vrede gezegend, zou ik dan zijn waar ik nu ben; zo donker, zo onwetend, zo ongelovig; zo onmachtig om iets van Zijn tegenwoordigheid en macht gewaar te worden? Kan het mogelijk zijn, dat de Heere ooit mijn ziel zou gezegend hebben met enig gevoel Zijner liefde en genade, en ik zijn wat ik nu ben?” Onder dit ontmoedigend gevoel verrijst er een verzoeking om de vrijmoedigheid weg te werpen, welke de ziel eens genoot.

4. Maar het kan zijn dat de satan een strik voor uw voeten heeft gespannen, eil u in enige zonde verstrikt heeft, en dus u neergedrukt en zijn voet op uw nek gezet heeft, totdat het bijna schijnt, als wilde hij u in zijn eeuwige ellende dompelen. Niets opent zo de weg voor moedeloosheid en wanhoop dan het plegen van zonden of het verstrikt zijn in enige soort vanafval. Zo iets uw vrijmoedigheid kan verminderen of vernietigen, dan is het, wanneer gij verstrikt door de macht des duivels, die eerst verlokt en dan aanvalt; eerst de strik spant en dan juicht over zijn gevallen gevangene.

Een kleine bres alzo in het geweten gemaakt, opent de deur voor een geheel leger van twijfelingen of vrees om de ziel te verwoesten en te vernietigen; zij geeft de satan zulk een kracht als beschuldiger voor God; zij moedigt zo de macht des ongeloofs aan, en voegt zulk een knellende smart bij de ontmoedigende gewaarwordingen van een wanhopend gemoed, dat er niets is dat een kind Gods zozeer behoort te vrezen, dan overweldigd te worden door de macht van zonde en in satans handen te vallen als een beschuldigende vijand. 0 hoe zalig is het voor alle zonde en alle dwaling bewaard te worden!

5. Maar wederom een diep gevoel van de bedorvenheid van onze harten, die door de macht van de satan bewerkt wordt, is een andere vorm van verzoeking, die ons aanzet onze vrijmoedigheid weg te werpen. Satan is een hoogst listige en onvermoeide tegenpartij. Hij weet nauwkeurig waar hij zijn vurige pijlen moet schieten; hoe hij moet werken op het ongeloof, de ontrouw, en het bederf van onze bedorven natuur, en hoe hij zulk een rook kan verwekken door het kwaad van ons hart in brand te zetten, bijna gelijk die van de bodemlozen put, dat deze ieder teken en blijk van Gods gunst jegens ons zich voor ons gezicht verbergt.

Dus als wij tot dieper ontdekking der zonden van ons hart geleid worden, en de bedorvenheid van onze natuur meer naakt ten toon gesteld wordt aan ons onderzoekend oog, zien wij terug op de verleden handelwijzen Gods met onze ziel, en zeggen: “Hoe zou de Heere ooit genadig jegens mij geweest hebben kunnen zijn? Zou ik zijn zo ik ben, en gevoelen zo ik nu gevoel, indien Zijn genade mij had bezocht, of Zijn vrees diep in mijn hart was geplant?”

Dus wordt er een nasporing gedaan; een onderzoek in de zaak ingesteld; de wichtige belangen van de ziel worden gewogen in de schaal van het heiligdom; en zeer dikwijls schijnt de schaal, waarin zonden en bederf geworpen worden, te dalen en de schaal der genade geheel naar boven te gaan. Aldus gewogen in de weegschaal en als het ware lichter dan ijdelheid bevonden, overweldigt de ontmoeting de ziel, en de satan zet haar aan, niet alleen haar vrijmoedigheid, maar zelfs haar hoop weg te werpen.

6. Velen ook van Gods volk, zonder enige bijzondere of stellige schuld op hun geweten, zijn onderhevig aan een grote natuurlijke neerslachtigheid; en deze verlokt hen dikwerf hun vrijmoedigheid weg te werpen.

7. Een gevoel van hun ellendige onleerzaamheid en onvruchtbaarheid verzoekt hen hun vrijmoedigheid weg te werpen, als vreesden zij, dat zij onvruchtbare ranken aan de wijnstok zijn. Daar zijn nog andere, maar ik heb thans de voornaamste verzoekingen tot moedeloosheid opgenoemd.

Nog klinkt de vermaning in de oren van Gods heiligen: “werpt uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft”. En is deze vermaning niet zeer nodig voor diegenen, die zo verzocht worden? want wat zal er van u worden, als gij uw hoop opgeeft? Op een zee van twijfel en vrees, geheel de Heere uit het gezicht verloren hebbende, ten prooi aan elk somber gevoel, en voor elke aanval van de satan blootstaande? Zo de Heere ooit uw ziel met enige openbaring van Zijn genade, goedheid en liefde begunstigd, ooit u enig gegrond vertrouwen gegeven heeft, houd het vast, want het is voor uw leven; geeft het niet weg, want het heeft een grote vergelding des loons.

II. Maar wat is deze vergelding des loons, welke het gevolg is van het vasthouden aan een genadige vrijmoedigheid? Ik meen dat deze vergelding een dubbel uitzicht heeft; het een het tegenwoordige omvattende, en het andere naar het toekomende uitziende. Ik zal trachten elk in het bijzonder te verklaren.

Wat is dan de tegenwoordige vergelding? Zij is de genadige vergelding, welke nu in ons hart gestort wordt door middel van die vrijmoedigheid.

1. Bijvoorbeeld. Zie slechts op de enkele daad om tot God te naderen. Naar mate die vrijmoedigheid vastgehouden wordt, des temeer kracht geeft zij ons in het gebed tot de Heere. Niets verbreekt meer het koord der gemeenschap in het gebed dan moedeloosheid. Niets doet de opgeheven handen zo neerzakken, of verslapt zo de zwakke knieën, dan wanneer donkere en wanhopige gewaarwordingen de vrijmoedigheid van een ziel aanvallen; want is het dan niet het geheim gevoel van het hart: “Wat baat het mij te bidden? Ik ben een verworpeling, een huichelaar, een bedrogen belijder; God zal nooit mijn gebeden verhoren. Door Zijn heiligen naam aan te roepen, voeg ik slechts zonde bij zonde.”

Als dan dit ongeloof in het gemoed werkt, belemmert het de adem van het gebed, en houdt de ziel geketend in de gevangenis van schuldige vrees, uit welke zij slechts kan zuchten en kermen, en soms zelfs dat nog niet. Maar als de vrijmoedigheid niet weggeworpen, maar behouden is, al mag het met een zwakke hand zijn, dan wordt een mate van stoutmoedigheid meegedeeld, om tot de genadetroon te komen, en het hart wordt nog aangemoedigd, om met de Heere te pleiten op de grond van verleden genade, op de wijze waarop het Hem behaagd heeft in verleden tijden te doen. De belofte eens toegeëigend, het woord eens gesproken, de gunst eens verleend, vastgehouden wordende, wordt de hoop bekwaam gemaakt om haren grond als het anker der ziel te behouden. Dit deed David zeggen: “Gedenk des woords, tot uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. Laat toch uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar uw toezegging aan uw knecht” (Psalm 119: 49, 76).

2. Maar wederom, de vrijmoedigheid moedigt krachtig dien goede strijd van het geloof aan, welke wij te strijden hebben, zo wij er meer dan overwinnaars uit komen. Wij hebben een zware strijd te strijden, een moeilijken wedloop te lopen, want wij hebben zelfs ten bloede te strijden, strijdende tegen de zonde; wij hebben te worstelen, niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en machten en geestelijke boosheden in de lucht. Als wij nu geen wapenrusting hebben, hoe kunnen wij tegen deze “boze geesten” (zoals men op de kanttekening leest) in hun verheven plaatsen van steigerenden hoogmoed, vanwaar zij strijden met een overstelpend voordeel tegen ons, die, als het ware, worstelen op de vlakte? Waar is onze wapenrusting, wanneer onze vrijmoedigheid is verdwenen?

Wij hebben ons schild – het schild van het geloof – verloren, waarop wij alleen de vurige pijlen van de bozen doen afstuiten. Wij hebben het zwaard des Geestes verloren, waardoor wij alleen de satan houw voor houw, wond voor wond kunnen teruggeven. Wij hebben geen borstkuras, want onze rechtvaardigheid is weg; en wij hebben geen helm der behoudenis, want hij is van het hoofd gerold, indien onze hoop op de Heere is verdwenen.

Daarom onze vrijmoedigheid weg te werpen is ons zonder onze wapenrusting bloot te stellen aan elke dodelijke aanval van de satan, en, als het ware, naakt ten strijde te gaan, zonder één wapen, hetzij om aan te vallen of ons te verdedigen. Maar wordt gij in staat gesteld, door de kracht en genade des Heeren, om uw vrijmoedigheid te behouden, dan heeft zij, zelfs in dit voorbeeld, grote tegenwoordige vergelding des loons; want naar mate uw vertrouwen is versterkt, zult gij bekwaam gemaakt worden de verzoekingen van de satan te weerstaan en met elke gedaante van geestelijke boosheid, van buiten of van binnen, te worstelen.

3. Maar wederom, als wij onze vrijmoedigheid bewaren, zo opent zij Gods Woord voor onze ziel: zij maakt de beloften zo helder en duidelijk; de waarheid zo liefelijk en dierbaar; Christus zo nabij en algenoegzaam, en het gehele plan der behoudenis zo zalig en bevattelijk; en is dit geen tegenwoordige vergelding en geen groot loon voor het bewaren van onze vrijmoedigheid? Maar wanneer wij in een plaats komen waar de vrijmoedigheid bijna verloren schijnt, en donkerheid, twijfel en vrees bezit nemen van het gemoed, dan wordt de Schrift in donkerheid gelezen; de sluier des ongeloofs komt dan over het hart dichter en dikker dan ooit, en de lieflijkheid van Gods beloften is geheel verdwenen.

Wat is de Schrift voor ons als wij door het geloof niet kunnen begrijpen; of wat zijn de beloften als wij er niet aan kunnen geloven? Wij zien daarom, hoe nodig het is, dat wij onze vrijmoedigheid niet wegwerpen, omdat zij zulk een grote tegenwoordige vergelding heeft: de vergelding hebt gij in uzelf, in het stil geloven ten spijt van ongeloof; in het stil hopen ondanks moedeloosheid; in het stil voorwaarts zwoegen door de menigte van moeilijkheden, welke hinderpalen er tussenbeide mogen komen, of welke vijanden u op de weg ontmoeten.

Maar wanneer wij voorwaarts blikken buiten de tegenwoordige enge kring, en zien dat behalve de tegenwoordige vergelding in eigen boezem, welke grote vergelding des loons daar is in de toekomst voor diegenen, die hun vrijmoedigheid vasthouden, welke aanmoediging krijgt men dan om haar nooit te laten varen? Zal de hemel niet alles vergoeden? Verondersteld dat gij haar kon wegwerpen, ik zeg verondersteld, want inderdaad, door rijkdom van genade kunt gij het niet: de Heere zal u niet toestaan het te doen. Gij mag het genot daarvan wegwerpen, maar de vrijmoedigheid zelf kunt gij niet wegwerpen. De zelfstandigheid blijft, al kunt gij u zelfs niet onder haar schaduw koesteren.

Maar neemt aan dat gij geheel en al uw hoop op Gods genade kon wegwerpen, waar zoudt gij zijn? Onder de wraak Gods als een verterend vuur; onder de vloek van een rechtvaardige wet; in de handen zelf der zonde en van de satan, zonder hulp en zonder hoop. Gij ziet daarom, wij moeten tot een van deze beide punten komen: of onze vrijmoedigheid bewaren en behouden, of haar laten varen en verloren gaan; of vasthouden door Jezus Christus en wat Jezus Christus is en heeft geopenbaard aan onze ziel, of ons onder die wraak stellen, die in het diepste der helle brandt. Dus zijn wij genoodzaakt om onze vrijmoedigheid zelfs in de ergste tijden en de donkerste en akeligste van alle toestanden niet te laten varen. Hierin schijnen wij op een drenkeling te lijken, die zich aan de tak eens booms vasthoudt. Laat hij los, dan zal hij door de stroom worden medegevoerd.

Derhalve houdt de Christen zich aan Christus vast ten spijt van de aanvechtingen van zonde en satan: hij kan niet loslaten wat hij heeft, want hij weet, dat als hij Christus laat varen, hij in de afgrond der hel neerzinkt.

III. Maar om tot ons volgend punt over te gaan. De Heere, die ons de vermaning gegeven heeft om onze vrijmoedigheid niet weg te werpen, wist wel dat zij zwaar beproefd zou worden; hij voegt er daarom bij: Gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen. Hier ontdekken wij verschillende punten van goddelijke waarheid en levende bevinding, die ik wil trachten voor u te ontwikkelen.

1. Wij moeten de wil van God doen; dat is een eerste hoofdzaak ons voorgesteld, nopens hetgeen de Heere uit onze handen verwacht. Want het is slechts nadat wij de wil van God gedaan hebben, dat wij de belofte wegdragen, welke geschonken wordt aan degenen, die bevonden worden in de wegen des Heeren te wandelen.

Maar wat is het de wil van God te doen? Het is even noodzakelijk dit gedeelte van ons onderwerp als het voorgaande te ontvouwen. Ik moet daarom trachten het naar mijn beste vermogen te verklaren. Maar ik moet vooraf, als voorafgaande hoofdzaak, vaststellen dat, voor wij de wil van God kunnen doen, wij moeten weten wat die wil is. Waar is die wil te vinden? In de Heilige Schrift. Hoe kunnen wij weten wat die wil is, waardoor ik een geestelijke en bevindelijke kennis bedoel, want alle andere is nutteloos en ijdel?

Door de Heilige Geest, die over die Schrift Zijn licht verspreidt, waarin de wil van God is geopenbaard, en die ons de genade schenkt dien wil, zoals hij daar is geopenbaard, te verstaan en te begrijpen. Maar behalve dit, moeten wij onderwezen en bekwaam gemaakt worden, hem zowel te doen als te kennen, want kennis zonder gehoorzaamheid zal ons slechts onder groter veroordeling, of ten minste zwaarder kastijding brengen, want de dienstknecht, die de wil des Heeren geweten en niet gedaan heeft, zal met dubbele slagen geslagen worden.

Maar in welk verband staat dat kennen en doen van de wil van God met het niet wegwerpen van onze vrijmoedigheid? Ik zal u dit in verschillende bijzonderheden aantonen.

a. Omdat het Gods wil is, dat Zijn volk in Jezus zou geloven. Toen de joden onze gezegende Verlosser vraagden wat zij zouden doen, “opdat zij de werken Gods mochten werken,” was Zijn antwoord: “Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft” (Joh. 6: 28, 29). God heeft Zijn lieve, Zijn eniggeboren Zoon gezonden, opdat Zijn volk in Hem zou geloven; Hij heeft de duidelijkste getuigenis van de verheven waardigheid van Zijn Persoon, van de kracht van Zijn dierbaar bloed, en van de volmaaktheid van Zijn volbracht werk gegeven, opdat wij vrijmoedigheid in Hem zouden hebben, als hebbende ons verlost van onze zonden. Nu, als wij in Hein geloven, zoals God Hem geopenbaard heeft in de Schrift, en zoals de Heilige Geest Hem openbaart aan de ziel, dan doen wij de wil van God; want de wil van God is: dat wij in Hem geloven zouden tot het eeuwige leven.

b. Wederom is het Gods wil, dat wij onze vrijmoedigheid niet zouden wegwerpen; dat wij in Hem zouden geloven als een getrouwe God; dat wij zouden staat maken op zijn eed en belofte; dat wij Hem niet door ongeloof zouden onteren; dat wij geen gehoor zouden geven aan de inblazingen des verzoekers, niet luisteren naar elke leugen van de satan, maar geloven in God als de God van alle genade en waarheid voor degenen die Zijn naam vrezen, ondanks alle aanvechtingen des duivels. Hij wilde dat wij zouden wandelen door geloof en niet door aanschouwen, en bij Zijn getuigenis te blijven zowel in Zijn woord, als in ons geweten, zelfs dan, wanneer Hij zich voor ons verbergt.

Zo dit niet duidelijk voor u is, laat ons dan onszelf de vraag doen: “Wat hebben wij ooit door ongeloof gewonnen? Is dat onze vriend of onze vijand geweest? Hebben wij niet alles wat wij hebben verkregen door het geloven en niet door twijfelen? Maar kunnen wij erger zijn dan Jona, toen hij in de buik des grafs was?” En toch zegt hij daar, ofschoon uitgestoten van Gods heilige ogen: “nochtans zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen;” en toen de verlossing kwam, kon hij stoutmoedig zeggen: “Het heil is des Heeren” (Jona 2: 4, 7, 9). Wanneer wij daarom onze vrijmoedigheid niet weg willen werpen, ofschoon satan het ons gebiedt, maar de Heere aanhangen, ons aan Hem vasthouden, en op Zijn trouwbelofte rekenen, dan doen wij de wil van God. Ziet op Abrahams toestand; wat was Gods wil in zijn omstandigheden? Dat hij de belofte zou geloven, dat hij een zoon van Sara ontvangen zou.

Niet dat hij zou twijfelen, vrezen of wanhopen, wegens de zwakheid der natuur, gehoor geven aan de inblazingen van gevoel en rede, of vleselijke middelen te baat nemen om Gods belofte te vervullen; maar dat hij zou geloven dat het ten spijt van elke moeilijkheid zou vervuld worden. Toen hij nu geloofde, deed hij Gods wil. Toen hij twijfelde, vreesde, wanhoopte, toen llij luisterde naar Sara’s vleselijke raad en een dienstmaagd tot vrouw verhief, deed hij Gods wil niet, maar dien des vleses. Maar toen hij staarde op de belofte en op niets dan de belofte, “ten volle overtuigd zijnde dat wat Hij beloofd had, Hij ook in staat was het te volbrengen,” toen deed hij Gods wil. Is dit niet duidelijk genoeg?

En dit is ons ten voorbeeld gesteld voor alle gelovigen, want de belofte is gegeven voor hen die uit de geloof Abrahams zijn, die een vader is van ons allen (Rom. 4: 16). Bijgevolg, wanneer gij in Jezus gelooft, en het gehele gewicht van Uw behoudenis op Zijn volbracht werk doet ritsten, doet gij de wil van God; maar als gij vreest, twijfelt of wanhoopt ondanks al de getuigenissen, die God u gegeven heeft, dan doet gij de wil, dat is, de geopenbaarde wil van God niet, maar de wil van de satan en des vleses.

c. En wederom, wij doen de wil van God, als wij voortgaan in het gebruik der middelen, door de Heere zelf aangewezen, zelfs al schijnt Hij ons niet te zegenen door die hulpmiddelen. Dus doen wij Gods wil door gedurig tot de genadetroon te gaan; door steeds Zijn heiligen naam aan te roepen; door Zijn Woord te lezen en te bepeinzen; door niet Zijn volk te vergaderen; door bij de verordeningen van Gods huis te blijven; door ons gezin rondom ons te vergaderen om onze smekingen voor de voetbank der genade te brengen. Wij moeten deze genademiddelen niet verwerpen, omdat wij voor het ogenblik het genot van ‘s Heeren aangezicht en liefde niet daarin hebben.

Dit alles is ter beproeving van ons geloof, om te zien of wij de Heere willen dienen of niet. Zei de Heere niet tot Abraham: “Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brengt, hetgeen Hij over hem gesproken heeft!” (Gen. 18: 19). Hierdoor volbracht hij Gods wil, omdat hij wandelde in Zijn vrees en de weg des Heeren hield. Wanneer wij nu bekwaam gemaakt worden, om in dezelfde geest te handelen en hetzelfde te doen, dan doen wij de wil Gods zoals hij deed.

d. En wederom, wij doen de wil Gods, wanneer wij ons onthouden van alle kwaad, zelfs van de schijn, en alles doen wat goed is; wanneer wij uit de wereld komen en in hart en geest van haar besmettingen vrij blijven; wanneer wij de rok haten die door het vlees besmet is; wanneer ons geweten teer wordt gemaakt in de vrees Gods, om Zijn voorschriften te gehoorzamen, naar de woorden Zijns monds te luisteren, gelijkvormig zoeken te worden naar het beeld Zijns dierbare Zoons, Zijn heilig voorbeeld navolgen.

Een heilig leven, een goddelijke wandel, een gedrag overeenkomstig de lessen van het evangelie, zijn dingen die helaas! in onze dagen droevig veronachtzaamd worden. Het woord heiligmaking zelf schijnt onder een soort van godsdienstige ban te zijn, en wordt nauwelijks ooit van de Calvinistische kansel gehoord, schoon God zelf ons zegt dat “zonder heiligmaking niemand de Heere zien zal”.

e. Ten andere doen wij de wil van God, wanneer wij ons hart op de hemelse dingen stellen; wanneer wij geestelijk gezind zijn, waarin leven en vrede is, wanneer wij ons van alles onthouden, dat de gemeenschap van de Heilige Geest in ons vermindert, en naarstig en ernstig zijn in elk goed woord en werk.

2. Maar wij hebben lijdzaamheid van node – dat is, volharding om voort te gaan in de betrachting van dit alles, en in de verschillende wegen die ik heb aangewezen; want de Heere verschijnt niet dikwijls onmiddellijk. Hij hoort het gebed, maar Hij antwoordt daarop niet altijd in dezelfde ogenblik dat wij zulks verwachten. Hij doet onze tranen in Zijn fles en schrijft onze gebeden in Zijn boek; maar Hij verschijnt niet altijd, wanneer wij willen dat de traan opgedroogd en het gebed verhoord worde, daarom hebben wij lijdzaamheid van node. Ik heb dikwijls verklaard dat het woord geduld in de Heilige Schrift eerder verdraagzaamheid dan geduld betekent.

Dit is zeer blijkbaar uit een plaats van Jakobus: “ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord” (Jak. 5: 11). Nu zijn de woorden, vertaald door verdraagzaamheid en geduld, dezelfde in het oorspronkelijke; en inderdaad, is het voorbeeld van Job gegeven als een voorbeeld van het geluk van degenen die verdragen. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt door onze gezegenden Verlosser, als Hij zegt: “Hij die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden” (Matth. 10: 22). Wij hebben dus verdraagzaamheid of liever volharding nodig. Gelijk hij, die in een wedloop loopt, niet zozeer vlugheid, als wel volstandige kracht behoeft, om het tot het einde vol te houden, het nooit op te geven, zolang hij het een been voor het andere kan slepen; gelijk de krijgsman nooit moet dulden dat hij verslagen worde, zo is het in de Christelijke wedloop: wij moeten het nooit opgeven; nooit zeggen: “het is verloren;” wij moeten ons nooit laten verslaan door de zonde of de satan.

Als God zelf ons van Zijn troon schijnt te verstoten, moeten wij nog aanhouden en geen “neen” tot antwoord nemen, gelijk de weduwe bij de onrechtvaardige rechter. O hoeveel lijdzaamheid en volharding hebben wij nodig om steeds te strijden, schoon de strijd tegen ons is; steeds te lopen, schoon wij bijna mogen vrezen de wedloop te verliezen; en steeds voorwaarts te gaan, ondanks elke ontmoedigende omstandigheid. Maar als wij op deze wijze Gods wil doen, gelijk Hij van ons vordert, en ons lijdzaamheid gegeven wordt, die wij zo hoog nodig hebben, laat ons dan niet vrezen of wij de beloftenis wel zullen wegdragen. “Laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen” (Gal. 6: 9). Daarom wordt ons geboden “standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig te zijn in het werk des Heeren, daar wij weten dat onze arbeid niet ijdel zal zijn in de Heere” (1 Kor. 15:58). De beloftenis is zeker wat haar vervulling betreft; want zij is gegeven door Hem, Die niet liegen kan; zij is vervat in het Woord der Waarheid; zij wacht er alleen op, om door de arm Gods aan het licht te worden gebracht.

Maar wat is hier de betekenis van het woord beloftenis? Het bedoelt niet zozeer de belofte zelf, als wel de zaak die beloofd wordt. In dien zin wordt het gebruikt in de plaats: “En alzo, lankmoedig verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen” (Hebr. 6: 15); dat is niet de belofte zelf, maar het beloofde zaad Izak. Zo weer: “deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende,” dat is niet de belofte zelf, want die ontvingen zij door het geloof, maar de beloofde dingen (Hebr. 40: 13).

Alzo de belofte te ontvangen is dus de zegen te ontvangen die in de belofte is vervat; en deze is het eeuwige leven, zoals de apostel spreekt. “In de hoop van het eeuwige leven, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden der eeuwen” (Titus 1: 2); en wederom: “Dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven” (1 joh. 2: 25). Zulks dan in dit licht beschouwende, zo mogen wij zeggen dat er een “ontvangen van de belofte is nu en hiernamaals. Het eeuwige leven is geestelijk leven, zodra de Heere zei tot de Samaritaanse vrouw: “Het water, dat Ik, hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4: 14). Op dezelfde wijze is geestelijk leven eeuwig leven. “Hij die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven;” heeft het nu, zelfs nu in zijn ziel.

a. Dan als geestelijk leven beschouwd, is er een tegenwoordig ontvangen van de belofte, als de vrucht der lijdzaamheid, in antwoord op het gebed, in genadige verlevendiging der ziel, in het krachtig voortzetten van het werk van het geloof; met één woord, in de vervulling van die belofte: “Ik leeft, en gij zult leven”.

Maar dan zijn er, die, schoon zij geestelijk leven bezitten, geen helder uitzicht hebben, dat zij het eeuwige leven zullen genieten. Zij moeten dus geduldig wachten, al hun beproevingen en verzoekingen verdragende, want Gods wil wordt zowel gedaan door het dulden, als door het gehoorzamen, en in het einde zullen zij zelfs in dit leven de belofte van het eeuwige leven ontvangen. Het kan uitgesteld worden, zelfs tot op het doodbed; het kan zijn dat het niet in al zijn gehele verzekering gegeven wordt, dan kort voor de jongste snik. In sommige gevallen vinden wij dat Christenen in twijfel en vrees gehouden zijn, tot bijna in hun laatste ogenblikken, en toen nog., heeft de Heere hun ziel met de heerlijkste ontdekking Zijner liefde en Zijns bloeds verwaardigd.

b. Maar “de belofte”, zoals ik gezegd heb, is zowel toekomstig als tegenwoordig. Wij ontvangen slechts een godspenning, een voorsmaak, de eerstelingen der vruchten; de oogst zal later komen. Deze belofte dan zal in al haar volheid hiernamaals ontvangen worden. Dan zullen zij, die lijdzaam volhard hebben, doende de wil van God, teneinde toe, de belofte van het eeuwige leven in haren volle bloei ontvangen, wanneer zij de Heere zullen zien zonder een voorhangsel tussenbeide, Zijner heerlijkheid deelachtig worden, en eeuwig verrukt worden door het volkomen genot Zijner liefde en tegenwoordigheid in een land, waarin zonde en verdriet onbekende woorden zijn.

IV. Nu komt het laatste punt, welke meer bijzonder wijst op het einde, waartoe wij nu gekomen zijn, want het is een verklaring, dat de Heere zelf zal komen, om al Zijn beloften te vervullen: Nog een zeer weinig tijd, en Hij die te komen staat zal komen, en niet vertoeven.

1. Deze woorden zijn ontleend aan de profeet Habakuk, en werden, in de mond des profeets, gesproken met betrekking tot de eerste komst van de Heere Jezus: “Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt. Want het gezicht zal nog tot een bestemde tijd zijn, dan zal hij het op einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewis komen, Hij zal niet achterblijven” (Hab. 11: 2, 3).

Deze woorden werden meer dan zes honderd jaren voor dat Christus kwam gesproken. Dus hadden Gods heiligen een verschiet van zes honderd jaren te doorzien voor dat het gezicht, waarvan gesproken werd, vervuld werd; maar op de beloofden tijd kwam de Heere, en toen het vervuld was, was het maar “een zeer weinig tijd”. Zes honderd jaren rolden voort, en toen kwam het Lam Gods om de zonden uit te delgen door de offerande van zichzelf.

2. Maar wij nemen de woorden zoals zij toepasselijk zijn, niet op de eerste maar ook op de tweede komst des Heeren, en beschouwen ze zowel geestelijk en werkelijk: “Hij die zal komen,” was de naam, bepaaldelijk aan de beloofden Messias gegeven: “Bent gij het die komen zult?” liet Johannes door twee zijner discipelen aan Christus vragen, “of verwachten wij enen anderen?” De verwijzing van Johannes was naar Silo, hetwelk betekent, “de gezondene”. “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo (dat is de gezondene) komt (Gen. 49: 10). Dit was “het rijsje, dat zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï;” (Jes. 40: 1) de beloofde van Wie gezegd was: “Ziet, Hij komt, zegt de Heere der Heirscharen” (Mal. 3: l). Gelijk Hij toen werkelijk in het vlees kwam, zo komt Hij nu geestelijk in Zijn tegenwoordigheid; want de belofte is: “Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om de Heere te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade en vroege regen des lands” (Hosea 6: 3).

Zijn “uitgang” zegepralende en om te zegepralen over elke twijfel en vrees, wordt evenzeer bereid als het verrijzen der morgenzon; en Hij zal zo zeker komen tot Zijn volk om hun zielen met Zijn Geest en genade te besproeien als de herfst en lenteregens geregeld op het land van Kanaän vielen. Hij zal dan zo zeker tot uw ziel komen als Hij in Bethlehems stal ter wereld kwam; maar het kan eerst nog “een zeer weinig tijd” duren. Voor een zeer weinig tijd dan, wat de Heere in Jesaja “enen kleinen tijd” noemt, hebt gij te twijfelen en te vrezen; een zeer weinig tijd om de wil van God te doen; een zeer weinig tijd om lijdzaamheid van node te hebben; een zeer weinig tijd eer gij de belofte ontvangt.

Een zeer weinig tijd kunt gij hebben, om voort te gaan met bidden zonder verhoring, met de Heere te smeken zich aan u te openbaren, terwijl gij echter nog geen liefelijke ontdekking Zijner liefde ontvangt. Maar “een zeer weinig tijd, en Hij die staat te zal komen en niet vertoeven”. Hij zal geen ogenblik boven Zijn bepaalde tijd komen, want dan is het de vastgestelde tijd om Sion te begunstigen. Het uur zelf, ja het ogenblik zelf, is in Zijn eeuwig plan bepaald, en als deze bepaalde tijd gekomen is, welke het meest voor uw welzijn en zoor Zijn eigen heerlijkheid is, Hij, die staat te komen, zal komen in Zijn liefde en genade in uw ziel.

Laat het ongeloof zeggen wat het wil; laat de moedeloosheid haar sombere inblazingen prevelen, en de satan u door duizend vrezen kwellen: Hij, die te komen staat, zal komen, en geen uur toeven boven Zijn bepaalde tijd; neen, geen ogenblik boven het tijdperk, vastgesteld voor uw verlossing en de liefelijke hernieuwing van Uw krachten en geloof en hoop. Al bent gij jaren lang in twijfel gehouden, en de Heere komt om uw ziel ten laatste te redden, dan zult gij niet denken dat gij te lang gewacht, te veel gezucht, of te erg geleden hebt door Satans inblazingen. Dit zal alles vervuld worden als de tegenwoordigheid des Heeren wordt gevoeld en Zijn bloed en liefde geopenbaard is aan uw ziel door de Heilige Geest.

3. Maar daar is een andere betekenis van de woorden wanneer zij meer ten volle en letterlijk vervuld zullen worden; ik bedoel in de wederkomst van onze gezegende Heere, wanneer Hij zal komen met al Zijn heiligen op de wolken van de hemel; wanneer in één oogwenk de slapende doden onverderfelijk zullen worden opgewekt, en “Hij ons verderfelijk lichaam zal veranderen, opdat het gelijk gemaakt worde aan Zijn verheerlijkt lichaam, volgens de macht die Hij heeft om alle dingen aan zich te onderwerpen”. Dan zal de Kerk zien, welk een goede reden er was dat zij haar vrijmoedigheid niet weg wierp; dan zal zij de gezegende vergelding van haar geloof en hoop en liefde inoogsten, door de goedkeurende blik van haren God, en door het eeuwig genot van Zijn tegenwoordigheid en heerlijkheid.

Mag het ons gelukkig deel zijn dit liefelijke vertrouwen op de Heere te hebben, en het niet weg te werpen bij de inblazingen van de satan, maar altijd een leven te leiden van geloof en gebed, en immer te wachten aan ‘s Heeren voeten op Zijn zegen, om bekwaam gemaakt te worden om te geloven, en te juichen in het geloof, dat “Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven”.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.