8 november
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten.
2 Corinthe 4:7
De kostelijke metalen, goud en zilver, nemen geen vlek of verderf over van het vat, waarin ze zich bevinden. Laat ze in de vochtige aarde begraven worden, zij blijven van vlekken en roest vrij. Zo is het geestelijkerwijs met de genade Gods in het hart. Laat ze omringd zijn van het verderf of de verdorvenheden, zij wordt niet aangetast; de hemelse schat wordt niet besmet, ofschoon ze huist in een aarden vat. Christus in het hart wordt niet bevlekt door de inwendige werkingen der verdorvenheid en door de ijdele gedachten, die voortdurend strijden tegen de genade; evenmin als het goud in de Bank van Engeland wordt aangetast door de donkere en vochtige kelders, waarin het is opgelegd.
En welk een grote genade is het, dat onze verdorvenheden de genade Gods niet kunnen aantasten, dat ons ongeloof zich daarmede niet vermengen kan en het geloof van de uitverkorenen Gods niet vervalsen kan; dat onze moedeloosheid een evangelische hoop niet kan tenietmaken; dat onze dodigheid, donkerheid, koudheid en opstandigheid zich niet kunnen vermengen met en besmetten de liefde Gods in de ziel! Deze hemelse schat blijft onverminderd dezelfde en reine schat, als toen God ze voor het eerst in het hart legde; want het is een deel van de Goddelijke natuur, het blijft onaangetast van het vuil en verderf, dat haar omringt.
Is dit niet een genade voor Gods beproefde volk, dat geestelijke kennis, levend geloof, evangelische hoop, hemelse liefde, en de vruchten en genaden van Gods Geest in de ziel, nooit kunnen besmet of verdorven worden, maar dat ze zijn gelijk de stromen uit een fontein, die altijd zuiver water uitgeeft? Welk een zegen is het, dat de zuivere genade Gods in des mensen hart niet kan worden bevuild door de vuile stromen, die uit een vuile natuur daartegenaan geworpen worden. Of gelijk de waterstromen, die door een brandspuit tegen een brandend huis worden aangewend, maar dat zij even zuiver blijft als toen de Geest des Heeren ze allereerst in de ziel formeerde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zoveel dodigheid, koudheid, ongeloof en opstandigheid in uzelf ziet, dat u vreest dat er geen genade meer in u kan zijn. Ziet u uw hart als een donkere, vochtige kelder? Bedenk dan dat het goud niet roest omdat de kelder vochtig is. De hemelse schat ligt wel in een aarden vat, maar het vat besmet de schat niet.
Wat God Zelf in uw hart gelegd heeft, aan levend geloof, aan evangelische hoop, aan liefde tot Hem, blijft even rein als toen Hij het daar voor het eerst neerlegde. Uw verdorvenheden kunnen het niet vervalsen en uw moedeloosheid kan het niet tenietmaken. Treur dan over de vuile stromen uit uw natuur, maar wanhoop niet; want de genade Gods is als een fontein die altijd zuiver water geeft, en Christus in het hart wordt door uw zonde niet bevlekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten.
2 Corinthe 4:7
De kostbare metalen, goud en zilver, nemen geen vlek of bederf over van het vat waarin ze liggen. Laat ze in de vochtige aarde begraven worden: zij blijven vrij van vlekken en roest. Zo is het geestelijk ook met de genade van God in het hart. Laat haar omringd zijn door bederf en verdorvenheden, zij wordt niet aangetast; de hemelse schat wordt niet besmet, ook al woont hij in een aarden vat. Christus in het hart wordt niet bevlekt door de inwendige werkingen van de verdorvenheid en door de ijdele gedachten die voortdurend tegen de genade strijden, net zomin als het goud in de Bank van Engeland wordt aangetast door de donkere en vochtige kelders waarin het ligt opgeslagen.
En wat een grote genade is het dat onze verdorvenheden de genade van God niet kunnen aantasten! Dat ons ongeloof zich er niet mee kan vermengen en het geloof van Gods uitverkorenen niet kan vervalsen; dat onze moedeloosheid een evangelische hoop niet kan tenietdoen; dat onze dodigheid, duisternis, koudheid en opstandigheid zich niet kunnen vermengen met de liefde van God in de ziel en haar niet kunnen besmetten! Deze hemelse schat blijft onverminderd dezelfde, reine schat als toen God hem voor het eerst in het hart legde. Want het is een deel van de goddelijke natuur, en het blijft onaangetast door het vuil en bederf dat haar omringt.
Is het geen genade voor Gods beproefde volk dat geestelijke kennis, levend geloof, evangelische hoop, hemelse liefde en de vruchten en genaden van Gods Geest in de ziel nooit kunnen worden besmet of bedorven? Dat ze zijn als de stromen uit een fontein die altijd zuiver water geeft? Wat een zegen is het dat de zuivere genade van God in het hart van een mens niet kan worden bevuild door de vuile stromen die uit een vuile natuur ertegenaan worden geworpen, als de waterstralen die een brandspuit op een brandend huis richt. Zij blijft even zuiver als toen de Geest van de Heere haar voor het eerst in de ziel vormde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zoveel dodigheid, koudheid, ongeloof en opstandigheid in uzelf ziet, dat u vreest dat er geen genade meer in u kan zijn. Ziet u uw hart als een donkere, vochtige kelder? Bedenk dan dat het goud niet roest omdat de kelder vochtig is. De hemelse schat ligt wel in een aarden vat, maar het vat besmet de schat niet.
Wat God Zelf in uw hart gelegd heeft, aan levend geloof, aan evangelische hoop, aan liefde tot Hem, blijft even rein als toen Hij het daar voor het eerst neerlegde. Uw verdorvenheden kunnen het niet vervalsen en uw moedeloosheid kan het niet tenietdoen. Treur dan over de vuile stromen uit uw natuur, maar wanhoop niet; want de genade van God is als een fontein die altijd zuiver water geeft, en Christus in het hart wordt door uw zonde niet bevlekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But we have this treasure in earthen vessels.”
2 Corinthians 4:7
Gold and silver, those precious metals, take no injury, receive no spot of corruption from the vessel in which they are contained; let them be buried in the damp earth, no tarnish or rust forms upon them.
So spiritually, the grace of God in the heart, surrounded as it is with corruption, is not tarnished by it, the heavenly treasure is not contaminated, though lodged in an earthen vessel. Christ in the heart is not defiled by the inward workings of depravity, and by the base thoughts that strive perpetually against His grace, any more than the gold of the Bank of England is defiled by the dark and damp cellars in which it is stowed.
And what a mercy it is, that our corruptions cannot tarnish the grace of God; that our unbelief cannot mix with, and adulterate the faith of God’s elect; that our despondency cannot spoil and ruin a gospel hope; that our deadness, darkness, coldness, and rebellion cannot mingle with and defile the love of God in the soul! This heavenly treasure remains still as unpolluted and pure as when God first put it there; being a part of “the divine nature,” it remains uncontaminated by the filth and corruption that surround it.
Is not this a mercy for God’s tried people, that spiritual knowledge, living faith, gospel hope, heavenly love, and the fruits and graces of God’s Spirit in the soul can never be defiled; but, like the streams of a fountain, are ever gushing forth in pure water? What a blessing it is, that the pure grace of God in a man’s heart cannot be contaminated by the filthy streams that are dashing from a vile nature against it, like the torrents of water from a fire-engine against a burning house, but remains as pure as when God the Spirit first breathed it into the soul.
To the reader…
It may be that you see so much deadness, coldness, unbelief and rebellion in yourself that you fear there can be no grace left in you. Do you see your heart as a dark, damp cellar? Then remember that the gold does not rust because the cellar is damp. The heavenly treasure lies in an earthen vessel indeed, but the vessel does not defile the treasure.
What God Himself has laid in your heart, of living faith, of gospel hope, of love to Him, remains as pure as when He first put it there. Your corruptions cannot adulterate it and your despondency cannot destroy it. Mourn, then, over the filthy streams from your nature, but do not despair; for the grace of God is like a fountain that always gives pure water, and Christ in the heart is not defiled by your sin.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tenemos empero este tesoro en vasos de barro.
2 Corintios 4:7
El oro y la plata, esos metales preciosos, no sufren daño ni reciben mancha de corrupción del vaso en que están contenidos; aunque se entierren en la tierra húmeda, no se forma sobre ellos ni deslustre ni herrumbre.
Así, espiritualmente, la gracia de Dios en el corazón, rodeada como está de corrupción, no se deslustra por ella; el tesoro celestial no se contamina, aunque esté alojado en un vaso de barro. Cristo en el corazón no es manchado por las operaciones interiores de la depravación ni por los bajos pensamientos que luchan perpetuamente contra Su gracia, como tampoco el oro del Banco de Inglaterra es manchado por los sótanos oscuros y húmedos en que está guardado.
¡Y qué misericordia es que nuestras corrupciones no puedan deslustrar la gracia de Dios; que nuestra incredulidad no pueda mezclarse con la fe de los escogidos de Dios ni adulterarla; que nuestro abatimiento no pueda estropear ni arruinar una esperanza evangélica; que nuestra muerte espiritual, tinieblas, frialdad y rebelión no puedan mezclarse con el amor de Dios en el alma ni contaminarlo! Este tesoro celestial permanece aún tan incontaminado y puro como cuando Dios lo puso allí por primera vez; siendo parte de “la naturaleza divina”, permanece sin contaminarse por la inmundicia y la corrupción que lo rodean.
¿No es esto una misericordia para el pueblo probado de Dios: que el conocimiento espiritual, la fe viva, la esperanza evangélica, el amor celestial y los frutos y gracias del Espíritu de Dios en el alma nunca puedan ser contaminados, sino que, como las corrientes de una fuente, estén siempre brotando en agua pura? ¡Qué bendición es que la gracia pura de Dios en el corazón de un hombre no pueda ser contaminada por las corrientes inmundas que se lanzan contra ella desde una naturaleza vil, como los chorros de agua de una bomba de incendios contra una casa en llamas, sino que permanezca tan pura como cuando Dios el Espíritu la sopló por primera vez en el alma!
Al lector…
Puede ser que usted vea en sí mismo tanta muerte espiritual, frialdad, incredulidad y rebelión que teme que no pueda quedar en usted gracia alguna. ¿Ve su corazón como un sótano oscuro y húmedo? Entonces recuerde que el oro no se oxida porque el sótano sea húmedo. El tesoro celestial está, en verdad, en un vaso de barro, pero el vaso no contamina el tesoro.
Lo que Dios mismo ha puesto en su corazón, de fe viva, de esperanza evangélica, de amor a Él, permanece tan puro como cuando Él lo puso allí por primera vez. Sus corrupciones no pueden adulterarlo, y su abatimiento no puede destruirlo. Lamente, pues, las corrientes inmundas de su naturaleza, pero no desespere; porque la gracia de Dios es como una fuente que siempre da agua pura, y Cristo en el corazón no es manchado por su pecado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl