27 februari
Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.
1 Kronieken 4:10
Een rijkelijk zegenen is hetgeen de ziel zoekt, nadat zij heeft kennis genomen van de ellende en bitterheid der zonde, en ook heeft gesmaakt de zoetheid van de zaligheid in God. En dit rijkelijk zegenen ziet op geestelijke en eeuwige zegeningen. Vergeleken met zulke zegeningen als deze, ziet de ziel hoe ijdel en ledig alle aardse dingen zijn; wat een ijdel speeltuig, wat een ijdele dromen, wat een voorbijgaande schaduwen. Zij verwondert zich over de dwaasheid der mensen in het jagen achter voorbijgaande schaduwen, over het doorbrengen van de tijd met hun hart te zetten op gezondheid, geld, op het leven zelf, in een najagen van niets dan ellende en verderf. Elk verdwijnend geluid van de klok, dat zij hoort, elk lichaam, dat zij langzaam ten grave ziet dragen, geeft haar een diepe indruk wat betreft de staat dergenen, die leven en sterven in hun zonden. Zo leert zij meer en meer de tijd tegenover de eeuwigheid stellen, de aarde tegenover de hemel, zondaren tegenover heiligen, belijders tegenover belijders.
Door deze dingen wordt zij met Baruch onderwezen voor zichzelf geen grote, maar wezenlijke dingen te zoeken; dingen, die langer duren dan de tijd en passen voor de eeuwigheid. Zij wordt ertoe gebracht om maar weinig acht te geven op hetgeen de mensen goed of groot achten, maar zij let inzonderheid op die dingen, waarop God Zijn stempel zet, zoals een tedere consciëntie, een verbroken hart, een verslagen geest, een nederig gemoed, een afgescheidenheid van de wereld en al wat werelds is, een onderwerping aan Zijn heilige wil, een zachtmoedig verdragen van het kruis, een gelijkvormigheid aan Christus’ lijdend beeld en aan een leven tot Gods heerlijkheid. Gelijk het dan ook de Heere wel behaagt haar te koesteren met enige ontdekking van Zichzelf in het schenken van een zoete bevinding van Zijn goedertierenheid en barmhartigheid, van Zijn verzoenend bloed, van Zijn stervende liefde. En het zou te lang duren, nog meer van deze zegeningen te vermelden, die alleen maar in Hem gevonden worden.
Want Zijn zegeningen zijn niet als de blote tijdelijke weldaden, die wij uit Zijn hand genieten, want die alle verderven door het gebruik, maar zij zijn voor de eeuwigheid, en eenmaal gegeven, worden zij nooit meer weggenomen. Deze worden dus voorsmaakjes van de eeuwige genietingen, want zij zijn volstrekt onberouwelijk. Toen Izaäk eenmaal Jakob in Gods Naam gezegend had, kon de zegen, die door bedrog verkregen was, maar eens gegeven, niet herroepen worden. Daarom zeide hij tot Ezau: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Zo is het ook wanneer de Heere Zijn volk heeft gezegend met enige van deze geestelijke zegeningen, die opgesloten liggen in Zijn onuitputtelijke volheid, want deze zegeningen zijn Hemzelf gelijk, onveranderlijk, en Hij is en blijft Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid.
Aan de lezer…
Dat gebed om zegen stelt ook u de vraag: wat vraagt u eigenlijk van de Heere? Gezondheid, geld, een gemakkelijk leven? Wie de bitterheid der zonde en de zoetheid van de zaligheid heeft gesmaakt, leert gaandeweg hoe ijdel en voorbijgaand zulke dingen zijn. Elke klok die slaat en elke baar die voorbijgaat, roept het: de tijd staat tegenover de eeuwigheid. Daarom zucht een levende ziel met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.”
Vraag dan grote dingen, niet in de ogen der mensen, maar in Gods ogen: een tedere consciëntie, een verbroken hart, een nederig gemoed, een gelijkvormigheid aan Christus’ beeld. Zulke zegeningen verderven niet door het gebruik. Wat de Heere eenmaal gegeven heeft, neemt Hij niet terug; gelijk Izaäk zeide: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Hij is Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.
1 Kronieken 4:10
Een rijke zegen is wat de ziel zoekt, nadat zij de ellende en bitterheid van de zonde heeft leren kennen en ook de zoetheid van de zaligheid in God heeft gesmaakt. En deze rijke zegen betreft geestelijke en eeuwige zegeningen. Vergeleken met zulke zegeningen ziet de ziel hoe ijdel en leeg alle aardse dingen zijn: wat een ijdel speelgoed, wat een ijdele dromen, wat een voorbijgaande schaduwen. Zij verwondert zich over de dwaasheid van de mensen die voorbijgaande schaduwen najagen, en die hun tijd doorbrengen met hun hart te zetten op gezondheid, op geld, op het leven zelf, en zo niets anders najagen dan ellende en verderf. Elke wegstervende slag van de klok die zij hoort, elk lichaam dat zij langzaam ten grave ziet dragen, geeft haar een diepe indruk van de staat van hen die in hun zonden leven en sterven. Zo leert zij steeds meer de tijd te stellen tegenover de eeuwigheid, de aarde tegenover de hemel, zondaren tegenover heiligen, belijders tegenover belijders.
Door deze dingen wordt zij met Baruch geleerd voor zichzelf geen grote dingen te zoeken, maar wezenlijke dingen: dingen die langer duren dan de tijd en passen bij de eeuwigheid. Zij wordt ertoe gebracht weinig acht te slaan op wat de mensen goed of groot vinden, maar zij let vooral op de dingen waarop God Zijn stempel zet. Zoals een teder geweten, een verbroken hart, een verslagen geest, een nederig gemoed, een afgescheiden zijn van de wereld en van alles wat werelds is, een onderwerping aan Zijn heilige wil, een zachtmoedig dragen van het kruis, een gelijkvormigheid aan het lijdende beeld van Christus en een leven tot Gods heerlijkheid. Zo behaagt het de Heere ook haar te koesteren met enige ontdekking van Zichzelf, door haar een zoete bevinding te schenken van Zijn goedertierenheid en barmhartigheid, van Zijn verzoenend bloed, van Zijn stervende liefde. Het zou te lang duren om nog meer van deze zegeningen te noemen, die alleen in Hem gevonden worden.
Want Zijn zegeningen zijn niet als de louter tijdelijke weldaden die wij uit Zijn hand genieten, want die vergaan allemaal door het gebruik. Zij zijn voor de eeuwigheid, en wanneer zij eenmaal gegeven zijn, worden zij nooit meer weggenomen. Zo worden zij voorsmaken van de eeuwige genietingen, want zij zijn volstrekt onberouwelijk. Toen Izaäk Jakob eenmaal in Gods Naam gezegend had, kon de zegen, hoewel hij door bedrog verkregen was, niet meer herroepen worden toen hij eenmaal gegeven was. Daarom zei hij tot Ezau: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Zo is het ook wanneer de Heere Zijn volk gezegend heeft met enkele van deze geestelijke zegeningen, die in Zijn onuitputtelijke volheid besloten liggen. Want deze zegeningen zijn als Hijzelf, onveranderlijk, en Hij is en blijft Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid.
Aan de lezer…
Dat gebed om zegen stelt ook u de vraag: wat vraagt u eigenlijk van de Heere? Gezondheid, geld, een gemakkelijk leven? Wie de bitterheid van de zonde en de zoetheid van de zaligheid heeft gesmaakt, leert gaandeweg hoe ijdel en voorbijgaand zulke dingen zijn. Elke klok die slaat en elke baar die voorbijgaat, roept het: de tijd staat tegenover de eeuwigheid. Daarom zucht een levende ziel met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.”
Vraag dan grote dingen, niet in de ogen van de mensen, maar in Gods ogen: een teder geweten, een verbroken hart, een nederig gemoed, een gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Zulke zegeningen vergaan niet door het gebruik. Wat de Heere eenmaal gegeven heeft, neemt Hij niet terug; zoals Izaäk zei: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Hij is Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Oh that thou wouldest bless me indeed!
1 Chronicles 4:10
An “indeed” blessing is what the soul is seeking after which has ever felt the misery and bitterness of sin, and ever tasted the sweetness of God’s salvation. And these “indeed” blessings are seen to be spiritual and eternal. Compared with such blessings as these, it sees how vain and empty are all earthly things, what vain toys, what idle dreams, what passing shadows. It wonders at the folly of men in hunting after such vain shows, and spending time, health, money, life itself, in a pursuit of nothing but misery and destruction.
Every passing funeral bell that it hears, every corpse borne slowly along to the grave that it sees, impresses it with solemn feelings as to the state of those who live and die in their sins. Thus it learns more and more to contrast time with eternity, earth with heaven, sinners with saints, and professors with possessors. By these things it is taught, with Baruch, not “to seek great things” for itself, but real things; things which will outlast time, and fit it for eternity. It is thus brought to care little for the opinion of men as to what is good or great, but much for what God has stamped His own approbation upon, such as a tender conscience, a broken heart, a contrite spirit, a humble mind, a separation from the world and everything worldly, a submission to His holy will, a meek endurance of the cross, a conformity to Christ’s suffering image, and a living to God’s glory.
As, then, the gracious Lord is pleased to indulge it with some discovery of Himself, shedding abroad a sweet sense of His goodness and mercy, atoning blood, and dying love, it is made to long more and more for the manifestation of those blessings which alone are to be found in Him. For His blessings are not like the mere temporal mercies which we enjoy at His hands, all of which perish in the using, but are forever and ever; and when once given are never taken away. They thus become pledges and foretastes of eternal joys, for they are absolutely irreversible.
When Isaac had once blessed Jacob in God’s Name, though the blessing had been obtained by deceit, yet having been once given, it could not be recalled. He said, therefore, to Esau, “I have blessed him, and he shall be blessed.” So when the Lord has blessed His people with any of those spiritual blessings which are stored up in His inexhaustible fullness, these blessings are like Himself, unchanging and unchangeable; for “He is in one mind and none can turn Him;” “The same yesterday, today, and forever.”
To the reader…
That prayer for blessing puts a question to you as well: what are you really asking of the Lord? Health, money, an easy life? Whoever has tasted the bitterness of sin and the sweetness of salvation gradually learns how vain and passing such things are. Every bell that tolls and every coffin that passes by proclaims it: time stands over against eternity. That is why a living soul sighs with Jabez, “Oh that Thou wouldest bless me indeed!”
Ask, then, for great things, not in the eyes of men, but in God’s eyes: a tender conscience, a broken heart, a humble mind, a conformity to the image of Christ. Such blessings do not perish in the using. What the Lord has once given, He does not take back; as Isaac said, “I have blessed him, yea, and he shall be blessed.” He is the same, yesterday, and to day, and for ever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Oh, si en verdad me dieras bendición!
1 Crónicas 4:10
Una bendición “en verdad” es lo que busca el alma que alguna vez ha sentido la miseria y la amargura del pecado, y alguna vez ha gustado la dulzura de la salvación de Dios. Y se ve que estas bendiciones “en verdad” son espirituales y eternas. Comparadas con bendiciones como estas, el alma ve cuán vanas y vacías son todas las cosas terrenales: qué juguetes vanos, qué sueños ociosos, qué sombras pasajeras. Se asombra de la necedad de los hombres que van a la caza de tales vanas apariencias, y gastan tiempo, salud, dinero y la vida misma en la búsqueda de nada más que miseria y destrucción.
Cada campana fúnebre que oye pasar, cada cadáver que ve llevar lentamente a la tumba, le imprime sentimientos solemnes acerca del estado de los que viven y mueren en sus pecados. Así aprende cada vez más a contrastar el tiempo con la eternidad, la tierra con el cielo, los pecadores con los santos, y a los que profesan con los que poseen. Por estas cosas se le enseña, como a Baruc, a no “buscar para sí grandezas”, sino cosas reales; cosas que sobrevivirán al tiempo y le prepararán para la eternidad. Así es llevada a preocuparse poco por la opinión de los hombres en cuanto a lo que es bueno o grande, pero mucho por aquello sobre lo cual Dios ha estampado Su propia aprobación, como una conciencia tierna, un corazón quebrantado, un espíritu contrito, una mente humilde, una separación del mundo y de todo lo mundano, una sumisión a Su santa voluntad, un sufrir mansamente la cruz, una conformidad con la imagen sufriente de Cristo y un vivir para la gloria de Dios.
Así, pues, a medida que al misericordioso Señor le place favorecerla con algún descubrimiento de Sí mismo, derramando un dulce sentir de Su bondad y misericordia, de Su sangre expiatoria y Su amor agonizante, el alma es hecha anhelar cada vez más la manifestación de aquellas bendiciones que solo se hallan en Él. Porque Sus bendiciones no son como las meras misericordias temporales que recibimos de Su mano, todas las cuales perecen con el uso, sino que son por siempre jamás; y una vez dadas, nunca son quitadas. Así llegan a ser prendas y anticipos de gozos eternos, porque son absolutamente irrevocables.
Cuando Isaac hubo bendecido una vez a Jacob en el Nombre de Dios, aunque la bendición había sido obtenida con engaño, una vez dada no podía ser revocada. Por eso dijo a Esaú: “Yo le bendije, y será bendito.” Así, cuando el Señor ha bendecido a Su pueblo con alguna de aquellas bendiciones espirituales que están atesoradas en Su plenitud inagotable, estas bendiciones son como Él mismo, invariables e inmutables; porque “si Él se determina en una cosa, ¿quién lo apartará?”; Él es “el mismo ayer, y hoy, y por los siglos”.
Al lector…
Esa oración pidiendo bendición le hace también a usted una pregunta: ¿qué es lo que realmente pide al Señor? ¿Salud, dinero, una vida fácil? Quien ha gustado la amargura del pecado y la dulzura de la salvación aprende poco a poco cuán vanas y pasajeras son tales cosas. Cada campana que dobla y cada ataúd que pasa lo proclaman: el tiempo está frente a la eternidad. Por eso un alma viviente suspira con Jabes: “¡Oh, si en verdad me dieras bendición!”
Pida, pues, cosas grandes, no a los ojos de los hombres, sino a los ojos de Dios: una conciencia tierna, un corazón quebrantado, una mente humilde, una conformidad con la imagen de Cristo. Tales bendiciones no perecen con el uso. Lo que el Señor ha dado una vez, no lo quita; como dijo Isaac: “Yo le bendije, y será bendito.” Él es el mismo ayer, y hoy, y por los siglos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl