20 december
De liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Efeze 3:19
De uitnemende heilige, de apostel Paulus, die in de derde hemel was opgetrokken geweest en daar heerlijke gezichten had gezien en onuitsprekelijke woorden gehoord, besluit, hoewel hij de menselijke taal te arm achtte om de alles overtreffende liefde van Christus uit te drukken, ten laatste ervan te zeggen: „Die de kennis te boven gaat.” En inderdaad moet zij de kennis te boven gaan. Is zij niet oneindig? Welke maat van de liefde van Christus kan er dan bepaald worden? Indien Christus God is en als zodanig de Vader gelijk, dan is Zijn liefde even oneindig als Zijn Godheid. Onze liefde is de liefde van het schepsel; de liefde van God is even groot als de Godheid, even oneindig als de uit Zichzelf bestaande „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Derhalve moet zij alle kennis te boven gaan.
Gij moogt u er somtijds over verwonderen — en het is een wonder dat de hemel vervullen zal met beurtzangen van eeuwige lof en prijs — hoe zulk een heerlijke Jezus als Hij is, ooit van de hemel kan neerzien op zulke verachtelijke kruipers, op zulke aardwormen, wat meer is, op zulke zondaren, die Hem telkens en telkens weer getergd hebben door hun misdaden. Ja, dat deze verhoogde Christus in de hoogte van Zijn heerlijkheid, van de hemel, Zijn paleis, kan neerzien op zulke ellendige schepselen als wij: dit is de verborgenheid die de engelen met verbazing vervult. Doch het is de heerlijkheid van Christus aldus lief te hebben; het is Zijn bijzondere heerlijkheid Zijn heiligen ten hemel te leiden, opdat zij getuigen en deelgenoten Zijner heerlijkheid zouden zijn.
Derhalve is het niet omdat wij zulke verachtelijke kruipers zijn, dat wij zulke onwaardige schepselen zijn, die ten uiterste onwaardig zijn dat enige notitie van ons zou genomen worden; wij moeten geheel deze ongeëvenaarde liefde van ons afwerpen en zeggen: „Kan Christus zulk één als mij liefhebben? Kan de heerlijke Zoon van God van de hemel, Zijn woonplaats, een oog van medelijden en ontferming, van liefde en toegenegenheid werpen op zulk één als ik ben; één die bij tijden nauwelijks zichzelf kan verdragen, één die zichzelf de onreinste der onreinen, de slechtste onder de slechtsten ziet en gevoelt? O, wat moet ik zijn in het oog van de heerlijke Zoon van God?” En toch zegt Hij: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Deze liefde heeft ongekende breedten en lengten en diepten en hoogten. Haar breedte gaat alle menselijk begrip te boven; haar lengte gaat boven alle menselijke berekening; haar diepte overtreft alle peilen van schepselen, en haar hoogte overtreft zelfs der engelen schatting. Nu, dit is de reden waarom deze liefde ons geschonken wordt. Wij hebben een liefde als deze nodig, een liefde die zich over ons uitspreidt, die afdaalt tot onze diepste diepten; een liefde die ons in de hemel kan doen aanlanden. Een liefde minder dan deze is geen liefde.
Wij zouden door onze zonde de liefde uitputten, ware zij niet zoals hier is voorgesteld. Lang geleden zouden wij deze liefde reeds verzondigd hebben en door onze ondankbaarheid, opstand en misdaden hebben doen opdrogen. Maar zij is wat zij is: zo wonderlijk, zo diep, zo lang, zo breed en hoog; zij is zozeer gepast voor elke behoefte en elk leed.
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af: „Kan Christus zulk één als mij liefhebben?” Ziet u uzelf als de onreinste der onreinen, als iemand die zichzelf nauwelijks kan verdragen? Dan weet u iets van het wonder dat de engelen met verbazing vervult: dat de verhoogde Christus in Zijn heerlijkheid kan neerzien op zulke ellendige schepselen. Uw onwaardigheid is groot, maar zij is niet groter dan Zijn liefde.
Want deze liefde is niet als de onze. Zij is even oneindig als Zijn Godheid; zij daalt af tot onze diepste diepten en gaat alle kennis te boven. Een kleinere liefde zouden wij allang door onze zonden hebben uitgeput en doen opdrogen. Maar deze liefde is gepast voor elke behoefte en elk leed. Houd dan uw oog op Hem, Die nog zegt: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Efeze 3:19
De apostel Paulus, die uitnemende heilige, was opgenomen in de derde hemel en had daar heerlijke gezichten gezien en onuitsprekelijke woorden gehoord. Toch vond hij de menselijke taal te arm om de alles overtreffende liefde van Christus uit te drukken, en ten slotte zegt hij ervan: „Die de kennis te boven gaat.” En inderdaad moet zij de kennis te boven gaan. Is zij niet oneindig? Welke maat kan er dan aan de liefde van Christus gesteld worden? Als Christus God is en als zodanig aan de Vader gelijk, dan is Zijn liefde even oneindig als Zijn Godheid. Onze liefde is de liefde van een schepsel; de liefde van God is even groot als de Godheid, even oneindig als de uit Zichzelf bestaande „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Daarom moet zij alle kennis te boven gaan.
U mag zich er soms over verwonderen — en het is een wonder dat de hemel zal vervullen met beurtzangen van eeuwige lof en prijs — hoe zo’n heerlijke Jezus als Hij ooit vanuit de hemel kan neerzien op zulke verachtelijke kruipers, op zulke aardwormen, ja meer nog, op zulke zondaren, die Hem keer op keer getergd hebben door hun misdaden. Ja, dat deze verhoogde Christus vanuit de hoogte van Zijn heerlijkheid, vanuit de hemel, Zijn paleis, kan neerzien op zulke ellendige schepselen als wij: dat is de verborgenheid die de engelen met verbazing vervult. Maar het is de heerlijkheid van Christus zo lief te hebben; het is Zijn bijzondere heerlijkheid Zijn heiligen naar de hemel te leiden, zodat zij getuigen van Zijn heerlijkheid zouden zijn en daarin zouden delen.
Daarom mogen wij, omdat wij zulke verachtelijke kruipers zijn, zulke onwaardige schepselen die het in het geheel niet waard zijn dat er enige notitie van ons genomen wordt, deze ongeëvenaarde liefde niet van ons afwerpen en zeggen: „Kan Christus iemand als ik liefhebben? Kan de heerlijke Zoon van God vanuit de hemel, Zijn woonplaats, een oog van medelijden en ontferming, van liefde en genegenheid laten vallen op iemand zoals ik; iemand die zichzelf soms nauwelijks kan verdragen, iemand die zichzelf ziet en voelt als de onreinste van de onreinen, de slechtste van de slechtsten? O, wat moet ik dan zijn in het oog van de heerlijke Zoon van God?” En toch zegt Hij: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Deze liefde heeft een ongekende breedte en lengte en diepte en hoogte. Haar breedte gaat alle menselijk begrip te boven; haar lengte gaat alle menselijke berekening te boven; haar diepte overtreft elke peiling van schepselen, en haar hoogte overtreft zelfs de schatting van de engelen. Dat is nu de reden waarom deze liefde ons geschonken wordt. Wij hebben zo’n liefde nodig, een liefde die zich over ons uitspreidt, die afdaalt tot onze diepste diepten; een liefde die ons in de hemel kan doen aankomen. Een liefde die minder is dan deze, is geen liefde.
Wij zouden de liefde door onze zonde uitputten, als zij niet was zoals zij hier wordt voorgesteld. Lang geleden zouden wij deze liefde al verzondigd hebben en door onze ondankbaarheid, opstand en misdaden hebben doen opdrogen. Maar zij is wat zij is: zo wonderlijk, zo diep, zo lang, zo breed en hoog; zo passend voor elke behoefte en elk leed.
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af: „Kan Christus iemand als ik liefhebben?” Ziet u uzelf als de onreinste van de onreinen, als iemand die zichzelf nauwelijks kan verdragen? Dan weet u iets van het wonder dat de engelen met verbazing vervult: dat de verhoogde Christus in Zijn heerlijkheid kan neerzien op zulke ellendige schepselen. Uw onwaardigheid is groot, maar zij is niet groter dan Zijn liefde.
Want deze liefde is niet als de onze. Zij is even oneindig als Zijn Godheid; zij daalt af tot onze diepste diepten en gaat alle kennis te boven. Een kleinere liefde zouden wij allang door onze zonden hebben uitgeput en doen opdrogen. Maar deze liefde past bij elke behoefte en elk leed. Houd uw oog dan op Hem gericht, Die nog altijd zegt: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The love of Christ, which passeth knowledge.”
Ephesians 3:19
That eminent saint, the Apostle Paul, who had been in the third heaven, and there saw glorious sights, and heard unspeakable words, though he exhausted human language to set forth the surpassing excellency of the love of Christ, comes at last to this point—“It passes knowledge.” Indeed it must pass knowledge. Is it not infinite? What measure, then, can be assigned to the love of Christ? If Christ be God, and as such the equal of the Father, His love is as infinite as Deity.
Our love is the love of the creature; the love of God is as great as Deity, as infinite as the self-existent I AM; it must needs therefore pass knowledge. You may wonder sometimes—and it is a wonder that will fill heaven itself with anthems of eternal praise—how such a glorious Jesus as this can ever look down from heaven upon such crawling reptiles, on such worms of earth—what is more, upon such sinners who have provoked Him over and over again by their misdeeds. Yes, that this exalted Christ, in the height of His glory, can look down from heaven His dwelling-place on such poor, miserable, wretched creatures as we—this is the mystery that fills angels with astonishment.
But it is the glory of Christ thus to love; it is His special glory to take His saints to heaven, that they might be witnesses of His glory and partakers of it. Therefore, it is not because we are such crawling reptiles, that we are such undeserving creatures, that we are so utterly unworthy of the least notice from Him, we are to put away all this matchless love from us, and say, “Can Christ love one like me? Can the glorious Son of God from heaven His dwelling-place cast an eye of pity and compassion, love and tenderness upon one like me, who can scarcely at times bear with myself; who see and feel myself one of the vilest of the vile, and the worst of the worst? Oh, what must I be in the sight of the glorious Son of God?”
And yet, He says, “I have loved you with an everlasting love.” This love has breadths, and lengths, and depths, and heights unknown. Its breadth exceeds all human span; its length outvies all creature line; its depth surpasses all finite measurement; and its height excels even angelic computation.
Now this is the very reason why this love is so adapted to us. We need a love like this; a love to spread itself over us, to come down to our lowest depths; a love that can land us safe in heaven. A love short of this would be no love at all. We would exhaust it by our sins if this love were not what it is here represented. Long ago we would have out-sinned this love, and drained it dry by our ingratitude, rebellion, and misdoing. But because it is what it is, love so wondrous, so deep, so long, so broad, so high; it is because it is what it is, that it is so suitable to every want and woe.
To the reader…
Sometimes you ask yourself, “Can Christ love someone like me?” Do you see yourself as the vilest of the vile, as someone who can scarcely bear with himself? Then you know something of the wonder that fills the angels with astonishment: that the exalted Christ in His glory can look down on such wretched creatures. Your unworthiness is great, but it is not greater than His love.
For this love is not like ours. It is as infinite as His Godhead; it comes down to our lowest depths and passes all knowledge. A smaller love we would long ago have exhausted and drained dry by our sins. But this love fits every want and every woe. Keep your eye fixed on Him, then, Who still says, “I have loved thee with an everlasting love.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El amor de Cristo, que excede a todo conocimiento.”
Efesios 3:19
Aquel eminente santo, el apóstol Pablo, que había estado en el tercer cielo, y allí vio visiones gloriosas y oyó palabras inefables, aunque agotó el lenguaje humano para exponer la excelencia sin igual del amor de Cristo, llega al fin a este punto: “Excede a todo conocimiento.” Ciertamente ha de exceder a todo conocimiento. ¿No es infinito? ¿Qué medida, pues, puede asignarse al amor de Cristo? Si Cristo es Dios, y como tal igual al Padre, Su amor es tan infinito como la Deidad.
Nuestro amor es el amor de la criatura; el amor de Dios es tan grande como la Deidad, tan infinito como el YO SOY que existe por Sí mismo; por tanto, necesariamente excede a todo conocimiento. Quizá se pregunte usted a veces —y es una maravilla que llenará el cielo mismo de himnos de alabanza eterna— cómo un Jesús tan glorioso como este puede jamás mirar desde el cielo a tales reptiles que se arrastran, a tales gusanos de la tierra; más aún, a tales pecadores que Le han provocado una y otra vez con sus malas obras. Sí, que este Cristo exaltado, en la altura de Su gloria, pueda mirar desde el cielo, Su morada, a criaturas tan pobres, miserables y desdichadas como nosotros: este es el misterio que llena de asombro a los ángeles.
Pero es la gloria de Cristo amar así; es Su gloria especial llevar a Sus santos al cielo, para que sean testigos de Su gloria y participantes de ella. Por tanto, no porque seamos tales reptiles que se arrastran, tan indignas criaturas, tan enteramente indignos de la menor atención de Su parte, hemos de apartar de nosotros todo este amor sin igual y decir: “¿Puede Cristo amar a uno como yo? ¿Puede el glorioso Hijo de Dios, desde el cielo, Su morada, echar una mirada de piedad y compasión, de amor y ternura, sobre uno como yo, que a veces apenas puedo soportarme a mí mismo; que me veo y me siento uno de los más viles entre los viles, y el peor de los peores? ¡Oh, qué debo de ser a los ojos del glorioso Hijo de Dios!”
Y sin embargo, Él dice: “Con amor eterno te he amado.” Este amor tiene anchuras y longitudes, profundidades y alturas desconocidas. Su anchura excede todo palmo humano; su longitud sobrepasa toda línea de criatura; su profundidad supera toda medida finita; y su altura aventaja aun al cálculo de los ángeles.
Ahora bien, esta es la razón misma por la que este amor se adapta tan bien a nosotros. Necesitamos un amor como este; un amor que se extienda sobre nosotros, que descienda hasta nuestras más bajas profundidades; un amor que pueda dejarnos a salvo en el cielo. Un amor menor que este no sería amor en absoluto. Lo agotaríamos con nuestros pecados si este amor no fuera lo que aquí se representa. Hace mucho que habríamos sobrepasado este amor con nuestro pecar, y lo habríamos dejado seco con nuestra ingratitud, rebelión y malas obras. Pero porque es lo que es, un amor tan maravilloso, tan profundo, tan largo, tan ancho, tan alto; es porque es lo que es, que resulta tan adecuado a toda necesidad y toda aflicción.
Al lector…
A veces se pregunta usted: “¿Puede Cristo amar a alguien como yo?” ¿Se ve como el más vil de los viles, como alguien que apenas puede soportarse a sí mismo? Entonces sabe algo de la maravilla que llena de asombro a los ángeles: que el Cristo exaltado en Su gloria pueda mirar a criaturas tan desdichadas. Su indignidad es grande, pero no es mayor que Su amor.
Porque este amor no es como el nuestro. Es tan infinito como Su Deidad; desciende hasta nuestras más bajas profundidades y excede a todo conocimiento. Un amor menor lo habríamos agotado y dejado seco hace mucho con nuestros pecados. Pero este amor se ajusta a toda necesidad y a toda aflicción. Mantenga, pues, los ojos fijos en Aquel que todavía dice: “Con amor eterno te he amado.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl