Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, (…) en zij zich tot U bekeren met hun ganse hart en met hun ganse ziel (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kron. 6:36-39
Nu kom ik bij een zaak waarvan Salomo spreekt, die naar mijn mening overeenkomt met wat bij velen van Gods kinderen het geval is. Want de schoonheid van dit gebed is dat het bijna op iedereen van toepassing is: „Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is” (v. 36). Dit is het geval bij een arme ziel die gevangen wordt genomen door de zonde.
Hoe gaan u en de zonde met elkaar om? Bent u vrij van zonde? Als u dat bent, heeft Salomo hier een grote fout gemaakt, want hij zegt: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Als er dus geen mens vrij van zonde is, wie kan dan beweren ervan gevrijwaard te zijn? Dit is waar het om draait. Mensen weten voor het merendeel niet wat zonde is; ze zien het licht niet in Gods licht; ze kennen het kwaad in hun hart niet; ze ervaren niet wat de apostel noemt „de zonde die in hen woont”; ze kennen haar bewegingen en werkingen in hun hart niet.
Maar iedereen, zonder uitzondering, die van God geleerd is, weet wat de zonde is en voelt dit ook; en sommigen ervaren ook dat ze door de zonde gevangen worden genomen, dat hun vijanden het van hen winnen en hen wegvoeren in knechtschap en gevangenschap. Laat mij deze zaak eens aan u voorleggen. Zondigt u nooit? „Ik moet bekennen,” antwoordt u, „dat ik wel zondig. Ja, er gaat geen dag voorbij, geen uur in mijn leven, waarin ik vrij van zonde ben.”
Welnu, laat mij naar aanleiding hiervan een vraag stellen. Hoe voelt u zich nu, als de zonde u heeft verstrikt en overwonnen? Geen schuld? Geen angst? Geen dienstbaarheid? Geen duisternis? Geen gevangenschap? Geen gekerm? Geen gezucht? Als dit zo is, waar, waar is dan het leven Gods in uw ziel? Waar, waar is de vreze Gods in uw hart? Waar, waar is de gevoeligheid in uw geweten?
Dus, als niemand ervan vrijgesteld kan zijn, moet u wel min of meer tot knechtschap zijn gebracht. Dit staat mij zo helder voor de geest als twee en twee vier is. Welnu, ze worden gevankelijk weggevoerd in een land, dat verre of nabij is.
Lezen: Psalm 14
Aan de lezer…
Deze woorden stellen u een ernstige vraag: hoe gaan u en de zonde met elkaar om? Salomo zegt het zonder omwegen: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Dat geldt ook voor u en voor mij. Maar de vraag is niet alleen óf u zondigt, maar wat u voelt wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft. Kent u de schuld, de angst, het gekerm en het gezucht van een gevangen ziel?
Als dat zo is, wees dan niet geheel ontmoedigd. Die smart is geen teken dat het leven Gods ontbreekt, maar juist dat het er is; de vreze Gods in het hart en de gevoeligheid van het geweten maken dat u de gevangenschap voelt. Laat haar u dan doen roepen tot Hem van Wie Salomo bad: „Hoor dan uit de hemel.” Wie zich met het ganse hart en de ganse ziel tot de Heere bekeert, vindt bij Hem een oor dat hoort en een hand die bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, (…) en zij zich tot U bekeren met hun ganse hart en met hun ganse ziel (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kron. 6:36-39
Nu kom ik bij een geval waarover Salomo spreekt, dat naar mijn mening overeenkomt met wat velen van Gods kinderen meemaken. Want de schoonheid van dit gebed is dat het op bijna iedereen van toepassing is: „Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is” (v. 36). Dit is het geval van een arme ziel die door de zonde gevangengenomen wordt.
Hoe staat het tussen u en de zonde? Bent u vrij van zonde? Als dat zo is, dan heeft Salomo zich hier ernstig vergist, want hij zegt: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Als er dus geen mens vrij is van zonde, wie kan dan beweren dat hij ervan gevrijwaard is? Daar draait het om. De meeste mensen weten niet wat zonde is. Ze zien haar niet in Gods licht; ze kennen het kwaad van hun hart niet; ze ervaren niet wat de apostel noemt „de zonde die in hen woont”; ze kennen haar bewegingen en werkingen in hun hart niet.
Maar iedereen die door God onderwezen is, zonder uitzondering, weet wat de zonde is en voelt het ook. En sommigen ervaren ook dat ze door de zonde gevangengenomen worden, dat hun vijanden de overhand krijgen en hen wegvoeren in slavernij en gevangenschap. Laat mij u deze zaak eens voorleggen. Zondigt u nooit? „Ik moet bekennen,” antwoordt u, „dat ik wel zondig. Ja, er gaat geen dag voorbij, geen uur in mijn leven, waarin ik vrij van zonde ben.”
Welnu, laat mij u dan een vraag stellen. Hoe voelt u zich wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft? Geen schuld? Geen angst? Geen slavernij? Geen duisternis? Geen gevangenschap? Geen gekerm? Geen gezucht? Als dat zo is, waar, waar is dan het leven van God in uw ziel? Waar, waar is de vreze van God in uw hart? Waar, waar is de gevoeligheid van uw geweten?
Dus als niemand ervan vrij kan zijn, moet u wel in meerdere of mindere mate in slavernij gebracht zijn. Dat is mij zo helder als twee en twee vier is. Welnu, zij worden gevankelijk weggevoerd in een land, dat ver of nabij is.
Lezen: Psalm 14
Aan de lezer…
Deze woorden stellen u een ernstige vraag: hoe staat het tussen u en de zonde? Salomo zegt het zonder omwegen: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Dat geldt ook voor u en voor mij. Maar de vraag is niet alleen óf u zondigt, maar wat u voelt wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft. Kent u de schuld, de angst, het gekerm en het gezucht van een gevangen ziel?
Als dat zo is, wees dan niet helemaal ontmoedigd. Die smart is geen teken dat het leven van God ontbreekt, maar juist dat het er is; de vreze van God in het hart en de gevoeligheid van het geweten maken dat u de gevangenschap voelt. Laat haar u dan doen roepen tot Hem tot Wie Salomo bad: „Hoor dan uit de hemel.” Wie zich met heel zijn hart en heel zijn ziel tot de Heere bekeert, vindt bij Hem een oor dat hoort en een hand die bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If they sin against Thee, (for there is no man which sinneth not,) and Thou be angry with them, (…) if they return to Thee with all their heart and with all their soul (…), then hear Thou from the heavens.
2 Chronicles 6:36-39
Now I come to a case of which Solomon speaks which, in my judgment, corresponds with what many of God’s children pass through. For the beauty of this prayer is that it applies to almost everyone: “If they sin against Thee, (for there is no man which sinneth not,) and Thou be angry with them, and deliver them over before their enemies, and they carry them away captives unto a land far off or near” (verse 36). This is the case of a poor soul taken captive by sin.
How do matters stand between you and sin? Are you free from sin? If so, then Solomon has made a grave mistake here, for he says, “There is no man which sinneth not.” If, then, there is no man free from sin, who can claim to be exempt from it? That is the point. Most people do not know what sin is. They do not see it in God’s light; they do not know the evil of their hearts; they do not experience what the apostle calls “sin that dwelleth in me”; they do not know its movements and workings in their hearts.
But everyone who is taught of God, without exception, knows what sin is and feels it too. And some also experience being taken captive by sin, their enemies gaining the upper hand and carrying them away into bondage and captivity. Let me put this matter to you. Do you never sin? “I must confess,” you answer, “that I do sin. Yes, there is not a day, not an hour of my life, in which I am free from sin.”
Well, then let me ask you a question. How do you feel when sin has entangled and overcome you? No guilt? No fear? No bondage? No darkness? No captivity? No groaning? No sighing? If so, where, where is the life of God in your soul? Where, where is the fear of God in your heart? Where, where is the tenderness of your conscience?
So if no one can be free from it, you must in a greater or lesser degree have been brought into bondage. That is as clear to me as that two and two make four. Well then, they are carried away captives unto a land far off or near.
Reading: Psalm 14
To the reader…
These words put a serious question to you: how do matters stand between you and sin? Solomon says it plainly: “There is no man which sinneth not.” That is true of you and of me. But the question is not only whether you sin, but what you feel when sin has entangled and overcome you. Do you know the guilt, the fear, the groaning and the sighing of a captive soul?
If so, do not be altogether discouraged. That sorrow is no sign that the life of God is lacking, but rather that it is there; the fear of God in the heart and the tenderness of conscience are what make you feel the captivity. Let it make you cry, then, to Him to Whom Solomon prayed: “Then hear Thou from the heavens.” Whoever returns to the Lord with all his heart and all his soul finds in Him an ear that hears and a hand that sets free.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si pecaren contra Ti, (pues no hay hombre que no peque,) y Te airares contra ellos, (…) si se convirtieren a Ti de todo su corazón y de toda su alma (…), Tú oirás desde los cielos.
2 Crónicas 6:36-39
Llego ahora a un caso del que habla Salomón que, a mi juicio, corresponde a lo que pasan muchos de los hijos de Dios. Porque la hermosura de esta oración es que se aplica a casi todos: “Si pecaren contra Ti, (pues no hay hombre que no peque,) y Te airares contra ellos, y los entregares delante de sus enemigos, para que los que los tomaren los lleven cautivos a tierra de enemigos, lejos o cerca” (versículo 36). Este es el caso de una pobre alma llevada cautiva por el pecado.
¿Cómo están las cosas entre usted y el pecado? ¿Está libre de pecado? Si es así, entonces Salomón ha cometido aquí un grave error, porque dice: “No hay hombre que no peque.” Si, pues, no hay hombre libre de pecado, ¿quién puede pretender estar exento de él? Ese es el punto. La mayoría de la gente no sabe lo que es el pecado. No lo ve a la luz de Dios; no conoce el mal de su corazón; no experimenta lo que el apóstol llama “el pecado que mora en mí”; no conoce sus movimientos y operaciones en su corazón.
Pero todo el que es enseñado por Dios, sin excepción, sabe lo que es el pecado y también lo siente. Y algunos experimentan además ser llevados cautivos por el pecado, al imponerse sus enemigos y llevarlos a la servidumbre y al cautiverio. Permítame plantearle este asunto. ¿Nunca peca usted? “Tengo que confesar”, responde usted, “que sí peco. Sí, no hay un día, ni una hora de mi vida, en que esté libre de pecado.”
Pues bien, entonces permítame hacerle una pregunta. ¿Cómo se siente cuando el pecado le ha enredado y vencido? ¿Ninguna culpa? ¿Ningún temor? ¿Ninguna servidumbre? ¿Ninguna oscuridad? ¿Ningún cautiverio? ¿Ningún gemido? ¿Ningún suspiro? Si es así, ¿dónde, dónde está la vida de Dios en su alma? ¿Dónde, dónde está el temor de Dios en su corazón? ¿Dónde, dónde está la ternura de su conciencia?
Así que, si nadie puede estar libre de él, usted ha tenido que ser llevado en mayor o menor grado a la servidumbre. Eso es tan claro para mí como que dos y dos son cuatro. Pues bien, son llevados cautivos a tierra lejos o cerca.
Lectura: Salmo 14
Al lector…
Estas palabras le hacen una pregunta seria: ¿cómo están las cosas entre usted y el pecado? Salomón lo dice claramente: “No hay hombre que no peque.” Eso es verdad de usted y de mí. Pero la pregunta no es solo si usted peca, sino qué siente cuando el pecado le ha enredado y vencido. ¿Conoce la culpa, el temor, el gemido y el suspiro de un alma cautiva?
Si es así, no se desanime del todo. Esa tristeza no es señal de que falte la vida de Dios, sino más bien de que está ahí; el temor de Dios en el corazón y la ternura de la conciencia son lo que le hace sentir el cautiverio. Deje, pues, que eso le haga clamar a Aquel a Quien oró Salomón: “Tú oirás desde los cielos.” Quien se convierte al Señor de todo su corazón y de toda su alma halla en Él un oído que oye y una mano que libera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl