vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die door Hem gelooft in God, welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude.
1 Petrus 1:21
Let wel op het kenmerk dat hier gegeven is van hen voor wie Christus was geopenbaard. Er wordt van hen gezegd dat „zij door Hem in God geloven”. Het moet voorzeker iets groots zijn in God te geloven. Indien dit hun onderscheidingsteken is, mogen wij wel onderzoeken wat ermede bedoeld wordt. Het moet voorzeker iets groots zijn in God te geloven met een geloof dat behoudenis met zich brengt.
Het is gemakkelijk te geloven dat er een God is in de natuur, of een God in de Voorzienigheid, of een God in de genade, naar de letter van het Woord, en dat doen duizenden die tonen geen belang te hebben bij verzoenende liefde en uitdelgend bloed. Inderdaad, het is de grote misleiding van de dag, de godsdienst van die godsdienstige menigte die noch God, noch zichzelf, noch Wet, noch Evangelie, noch zonde, noch behoudenis kennen. Dit alles is een geloven betreffende God, of een geloven van God, zoals Hij bestaat, of dat Hij een God is zoals de Schrift Hem voorstelt te zijn; maar het is een zeer groot verschil van in God te geloven.
Dit is een bijzonder en eigenaardig geloof, en vereist een geestelijke en zaligmakende kennis van God, zoals onze Heere Zelf spreekt (Joh. 17:3); en daar dus niemand Hem kan kennen dan door het eeuwige leven, dan door de ontdekking van Zichzelf, door persoonlijke openbaring Zijner tegenwoordigheid, door een toenadering van Hem in de kracht van Zijn Woord en de openbaring Zijner genade, zo kan ook niemand in Hem geloven zonder een geloof aan Goddelijke openbaring. In God te geloven is dus niet een handeling van de natuurlijke geest, maar het is de gave en het werk van God, ons gegeven door tussenkomst van Christus, en daarom, zoals de apostel zegt, gegeven in de zaak van Christus (Fil. 1:29).
Komt, luistert toe, gij godgezinden,
gij, die de Heer van harte vreest,
hoort, wat mij God deed ondervinden,
wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Ps. 66:8
Aan de lezer…
U die zegt in God te geloven, vraag uzelf af: gelooft u in God, of slechts betreffende God? Het is gemakkelijk te erkennen dat er een God is in de natuur en in de Voorzienigheid, en duizenden doen het zonder ooit belang te hebben bij verzoenende liefde en uitdelgend bloed. Laat ik het eerlijk zeggen: dat is de grote misleiding van de dag. Laat deze woorden u niet bevreesd maken, maar wel doen onderzoeken wat er in uw hart leeft.
Want in God te geloven is geen handeling van de natuurlijke geest; het is de gave en het werk van God, ons gegeven door Christus. Kunt u dat geloof niet in uzelf vinden, zoek het dan ook niet daar. Vraag Hem, Die Zichzelf door Zijn Woord en de openbaring Zijner genade aan arme zielen bekendmaakt, dat Hij ook u nabij wil komen. Wie door Hem in God gelooft, die mag ook zijn geloof en hoop op God hebben, en eens met de psalmist zeggen wat God aan zijn geest gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die door Hem gelooft in God, welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude.
1 Petrus 1:21
Let goed op het kenmerk dat hier gegeven wordt van hen voor wie Christus geopenbaard was. Van hen wordt gezegd dat „zij door Hem in God geloven”. Het moet beslist iets groots zijn om in God te geloven. Als dit hun onderscheidingsteken is, mogen we wel onderzoeken wat ermee bedoeld wordt. Het moet beslist iets groots zijn om in God te geloven met een geloof dat behoudenis met zich meebrengt.
Het is gemakkelijk te geloven dat er een God is in de natuur, of een God in de voorzienigheid, of een God in de genade naar de letter van het Woord. Dat doen duizenden die laten zien dat ze geen deel hebben aan verzoenende liefde en uitdelgend bloed. Het is zelfs de grote misleiding van deze tijd: de godsdienst van die godsdienstige menigte die noch God, noch zichzelf, noch de Wet, noch het Evangelie, noch de zonde, noch de behoudenis kent. Dit alles is een geloven betreffende God, of een geloven van God: dat Hij bestaat, of dat Hij een God is zoals de Schrift Hem voorstelt. Maar het is iets heel anders om in God te geloven.
Dat is een bijzonder en eigen geloof. Het vereist een geestelijke en zaligmakende kennis van God, zoals onze Heere Zelf zegt (Joh. 17:3). Niemand kan Hem kennen dan door het eeuwige leven: doordat Hij Zichzelf ontdekt, Zijn tegenwoordigheid persoonlijk openbaart en nadert in de kracht van Zijn Woord en de openbaring van Zijn genade. Zo kan ook niemand in Hem geloven zonder een geloof dat uit goddelijke openbaring voortkomt. In God geloven is dus geen handeling van de natuurlijke geest. Het is de gave en het werk van God, aan ons gegeven door de bemiddeling van Christus, en daarom, zoals de apostel zegt, gegeven in de zaak van Christus (Fil. 1:29).
Komt, luistert toe, gij godgezinden,
gij, die de Heer van harte vreest,
hoort, wat mij God deed ondervinden,
wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Ps. 66:8
Aan de lezer…
U die zegt in God te geloven, vraag uzelf af: gelooft u in God, of alleen betreffende God? Het is gemakkelijk te erkennen dat er een God is in de natuur en in de voorzienigheid, en duizenden doen dat zonder ooit deel te hebben aan verzoenende liefde en uitdelgend bloed. Laat ik het eerlijk zeggen: dat is de grote misleiding van deze tijd. Laat deze woorden u niet bang maken, maar u wel doen onderzoeken wat er in uw hart leeft.
Want in God geloven is geen handeling van de natuurlijke geest; het is de gave en het werk van God, aan ons gegeven door Christus. Kunt u dat geloof niet in uzelf vinden, zoek het daar dan ook niet. Vraag Hem, Die Zichzelf door Zijn Woord en de openbaring van Zijn genade aan arme zielen bekendmaakt, om ook u nabij te komen. Wie door Hem in God gelooft, mag ook zijn geloof en hoop op God hebben, en eens met de psalmist zeggen wat God aan zijn geest gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who by Him do believe in God, that raised Him up from the dead, and gave Him glory; that your faith and hope might be in God.
1 Peter 1:21
Observe the special mark which is here given of those for whom Christ was manifested. It is said of those who “by Him they believe in God.” If this be their distinctive mark, we may well inquire what is intended by it. It must surely be a very great thing to believe in God with a faith that brings salvation with it. It is easy to believe that there is a God in nature, or a God in providence, or a God in grace, according to the mere letter of the word, and this is what thousands do who have no manifested interest in redeeming love and atoning blood.
In fact, it is the great delusion of the day, the religion of that religious multitude who know neither God nor themselves, neither law nor gospel, neither sin nor salvation. All this is a believing about God, or a believing of God, such as that He exists, or that He is such a God as the Scriptures represent Him to be; but this is a very different thing from believing in God.
This is a special and peculiar faith, and implies a spiritual and saving knowledge of God, such as our Lord speaks of (John 17:3); and as none can thus know Him unto eternal life but from some discovery of Himself, some personal manifestation of His presence, some coming near of Himself in the power of His word and the operations of His grace, so none can believe in Him without a faith of divine operation. To believe, therefore, in God is not an act of the natural mind, but it is the gift and work of God, bestowed upon us through the mediation of Christ, and therefore, as the Apostle says, “given in the behalf of Christ” (Phil. 1:29).
To the reader…
You who say you believe in God, ask yourself: do you believe in God, or only about God? It is easy to acknowledge that there is a God in nature and in providence, and thousands do so without ever having any part in redeeming love and atoning blood. Let me say it honestly: that is the great delusion of our day. Do not let these words frighten you, but do let them make you search what lives in your heart.
For to believe in God is not an act of the natural mind; it is the gift and work of God, given to us through Christ. If you cannot find that faith in yourself, then do not look for it there. Ask Him, Who makes Himself known to poor souls through His Word and the revelation of His grace, to come near to you as well. Whoever believes in God through Him may also have their faith and hope in God, and one day say with the psalmist what God has done for their soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que por Él creéis en Dios, el cual le resucitó de los muertos, y le ha dado gloria, para que vuestra fe y esperanza sea en Dios.
1 Pedro 1:21
Observe la señal especial que se da aquí de aquellos por quienes Cristo fue manifestado. Se dice de ellos que “por Él creen en Dios”. Si esta es su señal distintiva, bien podemos preguntar qué se quiere decir con ella. Ciertamente ha de ser una cosa muy grande creer en Dios con una fe que trae consigo la salvación. Es fácil creer que hay un Dios en la naturaleza, o un Dios en la providencia, o un Dios en la gracia, según la mera letra de la palabra, y esto es lo que hacen miles que no tienen ninguna parte manifiesta en el amor redentor y en la sangre expiatoria.
De hecho, es el gran engaño de nuestros días, la religión de aquella multitud religiosa que no conoce ni a Dios ni a sí misma, ni la ley ni el evangelio, ni el pecado ni la salvación. Todo esto es un creer acerca de Dios, o un creer a Dios, como que Él existe, o que es un Dios tal como las Escrituras le presentan; pero esto es algo muy diferente de creer en Dios.
Esta es una fe especial y peculiar, e implica un conocimiento espiritual y salvador de Dios, como aquel del cual habla nuestro Señor (Juan 17:3); y así como nadie puede conocerle de este modo para vida eterna sino por algún descubrimiento de Sí mismo, alguna manifestación personal de Su presencia, algún acercarse Él mismo en el poder de Su palabra y en las operaciones de Su gracia, así nadie puede creer en Él sin una fe de operación divina. Creer en Dios, por tanto, no es un acto de la mente natural, sino que es don y obra de Dios, otorgado a nosotros por la mediación de Cristo, y por tanto, como dice el apóstol, “concedido por Cristo” (Filipenses 1:29).
Al lector…
Usted que dice que cree en Dios, pregúntese: ¿cree en Dios, o solo acerca de Dios? Es fácil reconocer que hay un Dios en la naturaleza y en la providencia, y miles lo hacen sin haber tenido jamás parte en el amor redentor y en la sangre expiatoria. Permítame decirlo con sinceridad: ese es el gran engaño de nuestros días. No deje que estas palabras le asusten, pero sí que le lleven a escudriñar lo que vive en su corazón.
Porque creer en Dios no es un acto de la mente natural; es don y obra de Dios, dado a nosotros por Cristo. Si no puede hallar esa fe en sí mismo, no la busque allí. Pida a Aquel que se da a conocer a las almas pobres por Su Palabra y por la revelación de Su gracia, que se acerque también a usted. Quien por Él cree en Dios puede tener también su fe y esperanza en Dios, y un día decir con el salmista lo que Dios ha hecho por su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Het woord zweven komt ook voor in de tekst: „de Geest Gods zweefde op de wateren” (Gen. 1:2). Er zit iets zeer rijks in het woord. De Geest Gods zweefde klapwiekend boven de wateren en bezwangerde de chaos met leven. Net zo wekt de arend, als ze terugkeert van haar jacht op prooi, eerst haar slapende jongen op, en vervolgens, nadat ze voorzichtig boven haar nest heeft gefladderd, broedt ze met een trillende beweging van borst en vleugel op haar jongen en vult hun lijfjes, die vanwege haar lange afwezigheid door de kou zijn verdoofd, met warmte en levenskracht. Wat is dit een prachtig beeld om de terugkeer te beschrijven van de Heere naar de ziel die in slaap is gevallen en koud is geworden toen Hij weg was! Christus, zo lezen we, „voedt”, of zoals het woord betekent, „verwarmt met Zijn lichaam”, de Kerk (Ef. 5:29).
Met kalme bewegingen vliegend boven de ziel, brengt Hij door de geheiligde Geest bezieling en warmte op haar over. Het leven Gods in de ziel opwekken en voeden zijn de twee voornaamste nuttigheden van een predikdienst. Kijk eens of u deze twee uitwerkingen van het verkondigde evangelie kunt bespeuren in uw ziel.
Wordt u niet soms opgewekt? En klopt uw hart soms niet in reactie op de vreugdevolle klank, en trilt en fladdert het niet onder de zoete woorden van evangeliegenade als ze met goddelijke zalving in uw borst vallen? Fladderen de jonge arenden niet ook? Zo fladdert en trilt de ziel van de gelovige in reactie op de beweging van de gezegende Geest. Zoek deze twee dingen bij een verkondigd evangelie. Hoe verschillend zijn het leven en het gevoel als het woord wordt verkondigd: we ontwaken uit een diepe verdoving!
Lezen: Psalm 91
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw ziel koud en verdoofd geworden is, alsof de Heere lang van u weg is geweest. Dan bent u als die jonge arenden in het verlaten nest, verkleumd en zonder kracht om zichzelf te verwarmen. Maar zie, hoe de arend terugkeert, haar jongen opwekt en met trillende vleugels warmte en levenskracht in hen brengt. Zo keert ook de Heere weder tot de ziel die in slaap is gevallen. Christus voedt en verwarmt Zijn Kerk; Hij laat haar niet in de kou liggen.
Let daarom op wanneer het woord verkondigd wordt. Werd uw hart niet soms opgewekt, trilde het niet onder de zoete woorden van de evangeliegenade? Dat was het zweven van de gezegende Geest boven uw ziel. Zoek dat, en rust niet tevreden in een kale gewoonte. Hij, Die eens boven de wateren zweefde en de chaos met leven vervulde, kan ook in uw dorre, koude hart leven en warmte brengen, en u doen ontwaken uit uw diepe verdoving.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Het woord „zweven” komt ook voor in de tekst: „de Geest Gods zweefde op de wateren” (Gen. 1:2). Er zit iets heel rijks in dat woord. De Geest Gods zweefde fladderend boven de wateren en vervulde de chaos met leven. Zo wekt ook de arend, wanneer zij terugkeert van haar jacht op prooi, eerst haar slapende jongen op. Daarna fladdert zij voorzichtig boven haar nest, broedt met een trillende beweging van borst en vleugels op haar jongen, en vult hun lijfjes, die door haar lange afwezigheid van de kou verstijfd zijn, met warmte en levenskracht. Wat een prachtig beeld van de terugkeer van de Heere tot de ziel die in slaap is gevallen en koud is geworden toen Hij weg was! Christus, zo lezen we, „voedt”, of zoals het woord betekent, „verwarmt met Zijn lichaam”, de Kerk (Ef. 5:29).
Terwijl Hij met zachte bewegingen boven de ziel zweeft, brengt Hij door de heilige Geest leven en warmte in haar over. Het leven Gods in de ziel opwekken en voeden zijn de twee voornaamste doelen van de prediking. Ga eens na of u deze twee uitwerkingen van het verkondigde Evangelie in uw ziel kunt bespeuren.
Wordt u niet soms opgewekt? En klopt uw hart niet soms als antwoord op het blijde geluid, en trilt en fladdert het niet onder de zoete woorden van de evangeliegenade, wanneer die met goddelijke zalving in uw binnenste vallen? Fladderen de jonge arenden ook niet? Zo fladdert en trilt de ziel van de gelovige als antwoord op het bewegen van de gezegende Geest. Zoek deze twee dingen bij het verkondigde Evangelie. Wat een verschil in leven en gevoel wanneer het Woord wordt verkondigd: we ontwaken uit een diepe verdoving!
Lezen: Psalm 91
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw ziel koud en verstijfd geworden is, alsof de Heere lang van u weg is geweest. Dan bent u als die jonge arenden in het verlaten nest, verkleumd en zonder kracht om zichzelf te verwarmen. Maar zie hoe de arend terugkeert, haar jongen opwekt en met trillende vleugels warmte en levenskracht in hen brengt. Zo keert ook de Heere terug tot de ziel die in slaap is gevallen. Christus voedt en verwarmt Zijn Kerk; Hij laat haar niet in de kou liggen.
Let daarom op wanneer het Woord verkondigd wordt. Werd uw hart niet soms opgewekt, trilde het niet onder de zoete woorden van de evangeliegenade? Dat was het zweven van de gezegende Geest boven uw ziel. Zoek dat, en wees niet tevreden met een kale gewoonte. Hij Die eens boven de wateren zweefde en de chaos met leven vervulde, kan ook in uw dorre, koude hart leven en warmte brengen, en u doen ontwaken uit uw diepe verdoving.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As an eagle stirreth up her nest, fluttereth over her young, spreadeth abroad her wings, taketh them, beareth them on her wings: so the LORD alone did lead him, and there was no strange god with him.
Deuteronomy 32:11, 12
The word “flutter” is the same as in the text, “The Spirit of God moved upon the face of the waters” (Genesis 1:2). There is something very rich in that word. The Spirit of God hovered, fluttering over the waters, and filled the chaos with life. So the eagle, when she returns from her hunt for prey, first stirs up her sleeping young. Then she gently flutters over her nest, broods with a trembling motion of breast and wings over her young ones, and fills their little bodies, chilled by her long absence, with warmth and vigour. What a beautiful figure of the Lord’s return to the soul that has fallen asleep and grown cold while He was away! Christ, we read, “cherisheth,” or, as the word means, “warms with His body,” the Church (Ephesians 5:29).
As He hovers with gentle movements over the soul, He communicates life and warmth to it by the Holy Spirit. To stir up the life of God in the soul and to cherish it are the two chief ends of the ministry. Examine whether you can trace these two effects of the preached gospel in your soul.
Are you not sometimes stirred up? And does not your heart sometimes beat in answer to the joyful sound, and tremble and flutter under the sweet words of gospel grace, when they drop with divine unction into your bosom? Do not the young eagles flutter too? So the soul of the believer flutters and trembles in answer to the moving of the blessed Spirit. Look for these two things under the preached gospel. What a difference in life and feeling when the Word is preached: we awake out of a deep stupor!
Reading: Psalm 91
To the reader…
It may be that your soul has grown cold and numb, as though the Lord had long been away from you. Then you are like those young eagles in the forsaken nest, chilled and without strength to warm themselves. But see how the eagle returns, stirs up her young and with trembling wings brings warmth and vigour into them. So the Lord also returns to the soul that has fallen asleep. Christ nourishes and cherishes His Church; He does not leave her lying in the cold.
Take heed, therefore, when the Word is preached. Was your heart not sometimes stirred up, did it not tremble under the sweet words of gospel grace? That was the blessed Spirit hovering over your soul. Seek that, and do not be content with bare habit. He Who once moved upon the waters and filled the chaos with life can also bring life and warmth into your barren, cold heart, and wake you out of your deep stupor.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el águila despierta su nidada, revolotea sobre sus pollos, extiende sus alas, los toma, los lleva sobre sus plumas: Jehová solo le guió, que no hubo con él dios ajeno.
Deuteronomio 32:11, 12
La palabra “revolotear” es la misma que en el texto: “El Espíritu de Dios se movía sobre la haz de las aguas” (Génesis 1:2). Hay algo muy rico en esa palabra. El Espíritu de Dios se cernía, revoloteando sobre las aguas, y llenó de vida el caos. Así el águila, cuando vuelve de su caza, primero despierta a sus pollos dormidos. Luego revolotea suavemente sobre su nido, cubre a sus pequeños con un movimiento tembloroso del pecho y las alas, y llena de calor y vigor sus cuerpecillos, enfriados por su larga ausencia. ¡Qué hermosa figura del regreso del Señor al alma que se ha dormido y enfriado mientras Él estaba ausente! Cristo, leemos, “regala”, o, como significa la palabra, “calienta con Su cuerpo”, a la Iglesia (Efesios 5:29).
Mientras se cierne con movimientos suaves sobre el alma, le comunica vida y calor por el Espíritu Santo. Despertar la vida de Dios en el alma y regalarla son los dos fines principales del ministerio. Examine si puede descubrir en su alma estos dos efectos del evangelio predicado.
¿No es usted a veces despertado? ¿Y no late a veces su corazón en respuesta al sonido alegre, y tiembla y se agita bajo las dulces palabras de la gracia del evangelio, cuando caen con unción divina en su seno? ¿No revolotean también los aguiluchos? Así el alma del creyente se agita y tiembla en respuesta al movimiento del bendito Espíritu. Busque estas dos cosas bajo el evangelio predicado. ¡Qué diferencia en vida y sentimiento cuando se predica la Palabra: despertamos de un profundo sopor!
Lectura: Salmo 91
Al lector…
Puede ser que su alma se haya vuelto fría y entumecida, como si el Señor hubiera estado ausente de usted mucho tiempo. Entonces es usted como aquellos aguiluchos en el nido abandonado, enfriados y sin fuerza para calentarse. Pero vea cómo vuelve el águila, despierta a sus pollos y con alas temblorosas les infunde calor y vigor. Así vuelve también el Señor al alma que se ha dormido. Cristo sustenta y regala a Su Iglesia; no la deja tirada en el frío.
Esté atento, pues, cuando se predica la Palabra. ¿No fue a veces despertado su corazón, no tembló bajo las dulces palabras de la gracia del evangelio? Era el bendito Espíritu que se cernía sobre su alma. Busque eso, y no se contente con la mera costumbre. Aquel que una vez se movía sobre las aguas y llenó de vida el caos puede también traer vida y calor a su corazón estéril y frío, y despertarle de su profundo sopor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.
Daniël 4:37
Onder al de gruwelen welke naakt en geopend liggen voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben, schijnt Hij in het bijzonder Zijn heilige afkeer van de hoogmoed te betonen; en de uitwendige openbaringen daarvan hebben zich misschien meer dan enige andere zonde blootgesteld aan de bliksemstralen des Almachtigen. Hoogmoed deed de aarde splijten om Korach, Dathan en Abiram ter helle te doen varen, en hij hing Absalom op aan de takken ener eik. Hoogmoed vervulde Sauls borst met een moorddadige afkeer jegens David en scheurde op eenmaal tien stammen van onder Rehabeams heerschappij. Hoogmoed verdreef Nebukadnezar uit het gezelschap zijner hofhouding en deed hem gras eten als een os, en zijn lichaam werd nat gemaakt van de dauw des hemels, totdat zijn haren wiesen als des arends vederen en zijn nagelen als der vogelen.
En als hij de goddelozen van de aarde heeft weggedaan en hun noch zoon of neef, wortel noch tak gelaten heeft, zo heeft hij zijn slag geslagen onder de kinderen Gods. Hoogmoed sloot Aäron uit van het beloofde land en maakte Mirjam melaats, wit als sneeuw. Hoogmoed, werkende in Davids hart, bracht een pestilentie, waardoor zeventigduizend mensen werden afgesneden. De hoogmoed bracht al Hizkia’s schatten en nakomelingen in Babel en sloot Jona op in het ingewand van de walvis, en naar zijn gewaarwording in de buik der hel.
Hij is de enige bron van twist, de zekere voorloper van het vallen, de ophitser tot vervolging, een strik voor de voet, een keten die het gehele lichaam omvat, het hoofdbestanddeel van bedrog en het graf van alle oprechtheid. Als het tegenovergestelde van de naastenliefde verdraagt de hoogmoed niet lang en is hij nooit vriendelijk. Hij benijdt altijd, beroemt zichzelf en is voortdurend opgeblazen. Hij gedraagt zich altijd onbetamelijk, zoekt of beoogt altijd zichzelf, wordt zeer licht boos, denkt te allen tijde kwaad, verblijdt zich in de ongerechtigheid en niet in de waarheid. Hij verdraagt niets, gelooft niets — namelijk het goede van een ander — hoopt niets en duldt niets. Hij is altijd rusteloos en ellendig en pijnigt zichzelf en anderen. Hij is het verderf der kerken, de aanhitser van twist en de uitdover der liefde.
Moge het onze wijsheid zijn hem te zien, onze genade hem te verafschuwen en onze overwinning hem te overwinnen; en moge onze bevinding zijn zoals Hart in één zijner dichtregelen bezingt:
Uw hof, zij is ’t terrein,
Waar hoogmoed niet kan leven.
Eén moment daar te zijn,
Zou hem in ’t bloed doen sneven.
Aan de lezer…
Soms denkt u, als u deze lange rij van gevallenen leest, aan Korach of aan Nebukadnezar. Maar ik laat de hoogmoed niet bij de goddelozen staan: ook onder de kinderen Gods heeft hij zijn slag geslagen. Aäron en Mirjam, David en Hizkia, zelfs Jona, zij allen hebben ondervonden dat God machtig is te vernederen degenen die in hoogmoed wandelen. Zou u dan menen dat dit kwaad in uw borst niet woont? Hij is rusteloos en ellendig, benijdt, zoekt zichzelf en dooft de liefde uit, en hoe vaak vinden wij dat niet in ons eigen hart?
Wanhoop daarom niet wanneer de Heere u vernedert; het is Zijn heilige afkeer van uw hoogmoed, niet van uw ziel. Bid veeleer dat het uw wijsheid mag zijn hem te zien, uw genade hem te verafschuwen en uw overwinning hem te overwinnen. En weet: één moment in het hof des Heeren, in Zijn nabijheid, doet hem sneven als niets anders. Zoek daar uw plaats, aan Zijn voeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.
Daniël 4:37
Van al de gruwelen die naakt en geopend liggen voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben, lijkt Hij in het bijzonder Zijn heilige afkeer van de hoogmoed te tonen. De uiterlijke openbaringen daarvan zijn misschien meer dan enige andere zonde blootgesteld geweest aan de bliksemstralen van de Almachtige. Hoogmoed deed de aarde splijten, zodat Korach, Dathan en Abiram ter helle voeren, en hij hing Absalom op aan de takken van een eik. Hoogmoed vervulde Sauls hart met een moorddadige afkeer van David en scheurde in één keer tien stammen onder de heerschappij van Rehabeam vandaan. Hoogmoed verdreef Nebukadnezar uit het gezelschap van zijn hofhouding en deed hem gras eten als een os. Zijn lichaam werd nat van de dauw van de hemel, totdat zijn haren groeiden als arendsveren en zijn nagels als die van de vogels.
En als hij de goddelozen van de aarde heeft weggevaagd en hun zoon noch neef, wortel noch tak gelaten heeft, dan heeft hij ook onder de kinderen van God zijn slag geslagen. Hoogmoed sloot Aäron uit van het beloofde land en maakte Mirjam melaats, wit als sneeuw. Hoogmoed, werkzaam in Davids hart, bracht een pest waardoor zeventigduizend mensen werden weggerukt. De hoogmoed bracht al Hizkia’s schatten en nakomelingen naar Babel, en sloot Jona op in de ingewanden van de walvis, en naar zijn eigen beleving in de buik van de hel.
Hij is de enige bron van twist, de zekere voorloper van de val, de aanstoker van vervolging, een strik voor de voet, een keten die het hele lichaam omsluit, het hoofdbestanddeel van bedrog en het graf van alle oprechtheid. Als het tegendeel van de naastenliefde is de hoogmoed niet lankmoedig en nooit vriendelijk. Hij is altijd afgunstig, roemt op zichzelf en is voortdurend opgeblazen. Hij gedraagt zich altijd onbetamelijk, zoekt of bedoelt altijd zichzelf, wordt zeer gemakkelijk boos, denkt altijd kwaad, en verblijdt zich in de ongerechtigheid en niet in de waarheid. Hij verdraagt niets, gelooft niets — namelijk niets goeds van een ander — hoopt niets en duldt niets.
Hij is altijd rusteloos en ellendig en kwelt zichzelf en anderen. Hij is het verderf van de kerken, de aanstoker van twist en de uitdover van de liefde. Laat het onze wijsheid zijn hem te zien, onze genade hem te verafschuwen en onze overwinning hem te overwinnen. En laat onze bevinding zijn zoals Hart die in een van zijn dichtregels bezingt:
Uw hof, zij is ’t terrein,
Waar hoogmoed niet kan leven.
Eén moment daar te zijn,
Zou hem in ’t bloed doen sneven.
Aan de lezer…
Soms denkt u, als u deze lange rij van gevallenen leest, aan Korach of aan Nebukadnezar. Maar de hoogmoed blijft niet bij de goddelozen staan: ook onder de kinderen van God heeft hij zijn slag geslagen. Aäron en Mirjam, David en Hizkia, zelfs Jona: zij allen hebben ondervonden dat God machtig is te vernederen degenen die in hoogmoed wandelen. Zou u dan denken dat dit kwaad niet in uw hart woont? Hij is rusteloos en ellendig, afgunstig, zoekt zichzelf en dooft de liefde uit; en hoe vaak vinden wij dat niet in ons eigen hart?
Wanhoop daarom niet wanneer de Heere u vernedert; het is Zijn heilige afkeer van uw hoogmoed, niet van uw ziel. Bid liever dat het uw wijsheid mag zijn hem te zien, uw genade hem te verafschuwen en uw overwinning hem te overwinnen. En weet: één moment in het hof van de Heere, in Zijn nabijheid, doet hem sneven als niets anders. Zoek daar uw plaats, aan Zijn voeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And those that walk in pride he is able to abase.”
Daniel 4:37
Among all the evils which lie naked and open before the eyes of Him with Whom we have to do, pride seems especially to incur His holy abhorrence; and the outward manifestations of it have perhaps drawn down as much as, or more than, any other sin, His marked thunderbolts. Pride cost Sennacherib his army and Herod his life; pride opened the earth to Korah, Dathan and Abiram, and hung up Absalom in the boughs of an oak; pride filled the breast of Saul with murderous hatred against David, and tore ten tribes at one stroke from the hand of Rehoboam. Pride drove Nebuchadnezzar from the society of his fellow-men, and made him eat grass as oxen, and his body to be wet with the dew of heaven, until his hairs were grown as eagles’ feathers, and his nails like birds’ claws.
And as it has cut off the wicked from the earth, and left them neither son nor nephew, root nor branch, so it has made sad havoc even among the family of God. Pride shut Aaron out of the promised land, and made Miriam a leper; pride, working in the heart of David, brought a pestilence which cut off seventy thousand men; pride carried captive to Babylon Hezekiah’s treasure and descendants, and cast Jonah into the whale’s belly, and, in his feelings, into the very belly of hell.
It is the only source of contention; the certain forerunner of a fall; the instigator of persecution; a snare for the feet; a chain to compass the whole body; the main element of deceitfulness, and the grave of all uprightness. The very opposite to charity, pride is not patient, and is never kind; she always envies, and ever boasts of herself; is continually puffed up, always behaves herself unseemly, ever seeks her own, is easily provoked, perpetually thinks evil, rejoices in iniquity, but rejoices not in the truth; bears nothing, believes nothing (good in a brother), hopes nothing, endures nothing. Ever restless and ever miserable, tormenting herself and tormenting others, the bane of churches, the fomenter of strife, and the extinguisher of love—may it be our wisdom to see, our grace to abhor, and our victory to overcome her, and may the experience of that verse in Hart’s hymn be ours:
“Thy garden is the place
Where pride cannot intrude;
For should it dare to enter there,
’Twould soon be drowned in blood.”
To the reader…
Sometimes, as you read this long row of the fallen, you think of Korah or of Nebuchadnezzar. But pride does not stop at the ungodly: among the children of God, too, it has done its work. Aaron and Miriam, David and Hezekiah, even Jonah: all of them found that God is able to abase those who walk in pride. Would you then think that this evil does not dwell in your heart? It is restless and miserable, envious, seeks its own, and quenches love; and how often do we not find that in our own heart?
Do not despair, therefore, when the Lord humbles you; it is His holy abhorrence of your pride, not of your soul. Pray rather that it may be your wisdom to see it, your grace to abhor it, and your victory to overcome it. And know this: one moment in the garden of the Lord, in His nearness, slays it as nothing else can. Seek your place there, at His feet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y humillar puede a los que andan con soberbia.”
Daniel 4:37
De todos los males que están desnudos y abiertos a los ojos de Aquel a quien tenemos que dar cuenta, la soberbia parece incurrir especialmente en Su santo aborrecimiento; y sus manifestaciones exteriores quizás han atraído tanto como cualquier otro pecado, o más, Sus rayos señalados. La soberbia le costó a Senaquerib su ejército y a Herodes su vida; la soberbia abrió la tierra bajo Coré, Datán y Abiram, y colgó a Absalón de las ramas de una encina; la soberbia llenó el pecho de Saúl de odio homicida contra David, y arrancó de un solo golpe diez tribus de la mano de Roboam. La soberbia echó a Nabucodonosor de la sociedad de sus semejantes, y le hizo comer hierba como los bueyes, y que su cuerpo se bañara con el rocío del cielo, hasta que su pelo creció como de águila, y sus uñas como de aves.
Y así como ha cortado de la tierra a los impíos, y no les ha dejado ni hijo ni nieto, ni raíz ni rama, así ha hecho tristes estragos aun en la familia de Dios. La soberbia dejó a Aarón fuera de la tierra prometida, e hizo leprosa a María; la soberbia, obrando en el corazón de David, trajo una pestilencia que cortó a setenta mil hombres; la soberbia llevó cautivos a Babilonia los tesoros y los descendientes de Ezequías, y arrojó a Jonás al vientre del pez y, en sus sentimientos, al mismo vientre del infierno.
Es la única fuente de contienda; el precursor seguro de una caída; la instigadora de la persecución; un lazo para los pies; una cadena que rodea todo el cuerpo; el elemento principal del engaño, y la tumba de toda rectitud. Del todo opuesta a la caridad, la soberbia no es sufrida, y nunca es benigna; siempre tiene envidia, y siempre se jacta de sí misma; está continuamente envanecida, siempre hace sinrazón, siempre busca lo suyo, se irrita fácilmente, piensa el mal sin cesar, se huelga de la injusticia, mas no se huelga de la verdad; nada sufre, nada cree (de bueno en un hermano), nada espera, nada soporta. Siempre inquieta y siempre miserable, atormentándose a sí misma y atormentando a otros, ruina de las iglesias, fomentadora de contiendas y apagadora del amor: sea nuestra sabiduría verla, nuestra gracia aborrecerla y nuestra victoria vencerla, y sea nuestra la experiencia de aquella estrofa del himno de Hart:
“Tu huerto es el lugar
donde la soberbia no puede entrar;
pues si osara entrar allí,
pronto sería ahogada en sangre.”
Al lector…
A veces, al leer esta larga fila de caídos, usted piensa en Coré o en Nabucodonosor. Pero la soberbia no se detiene en los impíos: también entre los hijos de Dios ha hecho su obra. Aarón y María, David y Ezequías, aun Jonás: todos ellos hallaron que Dios puede humillar a los que andan con soberbia. ¿Pensaría usted entonces que este mal no habita en su corazón? Es inquieta y miserable, envidiosa, busca lo suyo y apaga el amor; ¿y cuántas veces no hallamos eso en nuestro propio corazón?
No desespere, pues, cuando el Señor le humille; es Su santo aborrecimiento de su soberbia, no de su alma. Ore más bien para que sea su sabiduría verla, su gracia aborrecerla y su victoria vencerla. Y sepa esto: un solo momento en el huerto del Señor, en Su cercanía, le da muerte como ninguna otra cosa puede hacerlo. Busque allí su lugar, a Sus pies.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl