6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Hoewel ik niets ben.
2 Korinthe 12:11
Paulus wilde niet zeggen dat hij geen godsdienst had, maar geen kracht in zichzelf. Wat? Kon Paulus geen verzoeking weerstaan? Neen, niet meer dan gij of ik, zonder de hulp van de genade Gods. Kon Paulus niet meer bidden dan ik? Neen, geenszins, tenzij de Geest der genade en des gebeds hem gegeven ware. Kon Paulus niet meer liefhebben dan ik? Ook strikt niets meer, en ook kon hij geen enkele geestelijke gedachte meer hebben, voor zover het hemzelf betrof.
Ik wil niet zeggen dat Paulus niet meer had, geloofde en liefhad dan iemand onzer dit kan. Hij zegt duidelijk: „In mij, dat is, in mijn vlees, woont niets goeds”; en daarom ook niet het goede des geloofs, der liefde en der Goddelijke gemeenschap. Wanneer nu de Heere een ziel zover vernederd heeft dat zij niets is, dan volbrengt Hij Zijn kracht in haar zwakheid; Hij geeft kracht om te bidden, kracht om te geloven, kracht om te hopen, lief te hebben en het Evangelie aan te nemen. Evenals bij de man met de verdorde hand, tot wie Jezus zeide: „Strek uw hand uit.” Zij was verdord en hij kon het dus zelf niet doen. Maar de kracht van Christus werd in zijn zwakheid volbracht; toen Hij het woord sprak, werd de verdorde hand uitgestrekt en gezond als de andere.
Zo ook met de dode Lazarus — hij sliep de slaap des doods; maar toen de stem der liefde en der macht tot in het graf doordrong: „Lazarus, kom uit!”, werd het leven volbracht in het dode lichaam. Zo ook met de helden des Ouden Verbonds, die „uit zwakheid krachten hebben gekregen” (Hebr. 11:34). En zo is het met een ieder van ons, naar zijn mate: onze zwakheid, hulpeloosheid en onmacht zijn het juist die de macht, de kracht en de genade van de Heere Jezus tevoorschijn brengen.
Maar die nu hulp’loos kermen,
verdrukt en vol gebrek,
brengt God door vrij ontfermen
haast in een hoog vertrek.
De vruchtbaarheid verheugt
hun huis van ganser harte.
D’ oprechten zien ’t met vreugd,
maar d’ ondeugd zwijgt met smarte.
Ps. 107:21
Aan de lezer…
Misschien, lezer, schaamt u zich diep over uw onmacht. U wilt bidden en kunt het niet; u wilt geloven, liefhebben en de verzoeking weerstaan, en u vindt in uzelf niets dan dorheid. Weet dan dat zelfs Paulus zeide: „Hoewel ik niets ben.” Zonder de genade Gods kon hij niet meer bidden, geloven of liefhebben dan u; in zijn vlees woonde niets goeds.
Dat is geen reden om de moed op te geven, want juist in zulke zwakheid volbrengt de Heere Zijn kracht. Zoals de verdorde hand werd uitgestrekt op het woord van Jezus, en de dode Lazarus uit het graf kwam toen Zijn stem tot hem doordrong, zo spreekt Hij ook tot een hulpeloze ziel. Uw onmacht is niet de grens van Zijn genade, maar de plaats waar zij zich openbaart. Wees dan niets in uzelf en verwacht alles van Hem; zo hebben ook de helden des geloofs uit zwakheid krachten gekregen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hoewel ik niets ben.
2 Korinthe 12:11
Paulus wilde niet zeggen dat hij geen godsdienst had, maar dat hij geen kracht in zichzelf had. Wat? Kon Paulus geen verzoeking weerstaan? Nee, niet meer dan u of ik, zonder de hulp van Gods genade. Kon Paulus niet beter bidden dan ik? Nee, helemaal niet, tenzij de Geest van de genade en van de gebeden hem gegeven werd. Kon Paulus niet meer liefhebben dan ik? Ook strikt genomen niets meer, en ook kon hij, voor zover het hemzelf betrof, geen enkele geestelijke gedachte meer hebben.
Ik wil niet zeggen dat Paulus niet meer bezat, geloofde en liefhad dan iemand van ons kan. Maar hij zegt duidelijk: „In mij, dat is, in mijn vlees, woont niets goeds”, en dus ook niet het goede van geloof, liefde en goddelijke gemeenschap. Wanneer de Heere een ziel zo ver vernederd heeft dat zij niets is, dan volbrengt Hij Zijn kracht in haar zwakheid. Hij geeft kracht om te bidden, kracht om te geloven, kracht om te hopen, lief te hebben en het Evangelie aan te nemen. Zo was het ook bij de man met de verdorde hand, tegen wie Jezus zei: „Strek uw hand uit.” Die hand was verdord, dus hij kon het zelf niet. Maar de kracht van Christus werd in zijn zwakheid volbracht: toen Hij het woord sprak, werd de verdorde hand uitgestrekt en werd zij gezond zoals de andere.
Zo was het ook met de dode Lazarus. Hij sliep de slaap van de dood, maar toen de stem van liefde en macht tot in het graf doordrong: „Lazarus, kom uit!”, werd het leven in het dode lichaam gewerkt. Zo was het ook met de helden van het Oude Verbond, die „uit zwakheid krachten hebben gekregen” (Hebr. 11:34). En zo is het met ieder van ons, naar zijn mate: juist onze zwakheid, hulpeloosheid en onmacht brengen de macht, de kracht en de genade van de Heere Jezus tevoorschijn.
Maar die nu hulp’loos kermen,
verdrukt en vol gebrek,
brengt God door vrij ontfermen
haast in een hoog vertrek.
De vruchtbaarheid verheugt
hun huis van ganser harte.
D’ oprechten zien ’t met vreugd,
maar d’ ondeugd zwijgt met smarte.
Ps. 107:21
Aan de lezer…
Misschien, lezer, schaamt u zich diep over uw onmacht. U wilt bidden en kunt het niet; u wilt geloven, liefhebben en de verzoeking weerstaan, en u vindt in uzelf niets dan dorheid. Weet dan dat zelfs Paulus zei: „Hoewel ik niets ben.” Zonder Gods genade kon hij niet beter bidden, geloven of liefhebben dan u; in zijn vlees woonde niets goeds.
Dat is geen reden om de moed op te geven, want juist in zulke zwakheid volbrengt de Heere Zijn kracht. Zoals de verdorde hand werd uitgestrekt op het woord van Jezus, en de dode Lazarus uit het graf kwam toen Zijn stem tot hem doordrong, zo spreekt Hij ook tot een hulpeloze ziel. Uw onmacht is niet de grens van Zijn genade, maar de plaats waar zij zich openbaart. Wees dan niets in uzelf en verwacht alles van Hem; zo hebben ook de geloofshelden uit zwakheid krachten gekregen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Though I be nothing.
2 Corinthians 12:11
Paul did not mean to say that he had no religion–but none in himself. ‘What! could not Paul stand against temptation?’ Not more than you or I, unassisted by the grace of God. ‘Could not Paul pray more than I can?’ No, not at all, except so far as the spirit of grace and supplication was given to him.
‘Could not Paul love more than I do?’ Not a bit more, nor think a spiritual thought more, as far as self was concerned. I do not mean to say that Paul did not pray, believe, and love more than any of us do; but he did not perform these actions in himself one whit more than we can. He says, expressly, “In me, that is, in my flesh, dwells no good thing;” and therefore not the good thing of faith, or love, or divine communion.
Now when the Lord has brought a soul down to be nothing, He then makes His strength perfect in that nothingness; He communicates strength to pray, strength to believe, strength to hope, to love, to receive the gospel. Just like the poor man with the withered hand, to whom Jesus said, “Stretch forth your hand.” It was withered, he could not do it of himself. But Christ’s strength was made perfect in weakness–when He spoke the word, the withered hand was stretched forth, and became as whole as the other. So with the dead Lazarus–he was asleep in death; but when the voice of love and power penetrated into the tomb–“Lazarus, come forth,” life was made perfect in the dead corpse. So with the Old Testament worthies, who “out of weakness were made strong” (Heb. 11:34). And so, each in our measure, it is with us; our weakness, helplessness, and inability are the very things which draw forth the power, the strength, and the grace of Jesus.
To the reader…
Perhaps you are deeply ashamed of your inability. You want to pray and cannot; you want to believe, to love and to resist temptation, and you find nothing in yourself but barrenness. Then know that even Paul said, “Though I be nothing.” Without God’s grace he could not pray, believe or love any better than you; in his flesh dwelt no good thing.
That is no reason to lose heart, for it is precisely in such weakness that the Lord makes His strength perfect. As the withered hand was stretched forth at the word of Jesus, and the dead Lazarus came out of the grave when His voice reached him, so He also speaks to a helpless soul. Your inability is not the limit of His grace, but the place where it is revealed. Be nothing in yourself, then, and expect everything from Him; that is how the worthies of faith, too, out of weakness were made strong.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Aunque soy nada.
2 Corintios 12:11
Pablo no quería decir que no tuviera religión, sino que no la tenía en sí mismo. ‘¡Cómo! ¿No podía Pablo resistir la tentación?’ No más que usted o yo, sin la ayuda de la gracia de Dios. ‘¿No podía Pablo orar más que yo?’ No, en absoluto, salvo en la medida en que le fue dado el espíritu de gracia y de oración.
‘¿No podía Pablo amar más que yo?’ Ni un ápice más, ni pensar un pensamiento espiritual más, en lo que al yo se refería. No quiero decir que Pablo no orara, creyera y amara más que cualquiera de nosotros; pero no realizaba estos actos en sí mismo ni un ápice más de lo que podemos nosotros. Él dice expresamente: “En mí (es a saber, en mi carne) no mora el bien”; y por tanto tampoco el bien de la fe, o del amor, o de la comunión divina.
Ahora bien, cuando el Señor ha abatido a un alma hasta ser nada, entonces perfecciona Su fuerza en esa nada; comunica fuerza para orar, fuerza para creer, fuerza para esperar, para amar, para recibir el evangelio. Igual que el pobre hombre de la mano seca, a quien Jesús dijo: “Extiende tu mano”. Estaba seca; no podía hacerlo por sí mismo. Pero la fuerza de Cristo se perfeccionó en la debilidad: cuando Él habló la palabra, la mano seca fue extendida y quedó tan sana como la otra. Así con Lázaro muerto: dormía en la muerte; pero cuando la voz de amor y poder penetró en el sepulcro, “Lázaro, ven fuera”, la vida fue perfeccionada en el cadáver. Así con los dignos del Antiguo Testamento, que “sacaron fuerzas de debilidad” (Hebreos 11:34). Y así, cada uno en nuestra medida, sucede con nosotros; nuestra debilidad, impotencia e incapacidad son precisamente lo que hace brotar el poder, la fuerza y la gracia de Jesús.
Al lector…
Quizá usted se avergüenza profundamente de su incapacidad. Quiere orar y no puede; quiere creer, amar y resistir la tentación, y no encuentra en sí mismo más que esterilidad. Sepa entonces que también Pablo dijo: “Aunque soy nada”. Sin la gracia de Dios no podía orar, creer ni amar mejor que usted; en su carne no moraba el bien.
Eso no es motivo para desanimarse, porque es precisamente en tal debilidad donde el Señor perfecciona Su fuerza. Así como la mano seca fue extendida a la palabra de Jesús, y Lázaro muerto salió del sepulcro cuando Su voz le alcanzó, así habla Él también a un alma impotente. Su incapacidad no es el límite de Su gracia, sino el lugar donde esta se revela. Sea, pues, nada en sí mismo, y espérelo todo de Él; así también los dignos de la fe sacaron fuerzas de debilidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Verenigd zijn met de Heere Jezus als levend Hoofd brengt een innige omgang met Hem teweeg. Als Hij namelijk genade vanuit Zijn eigen overvloed overbrengt, ontstaat in de ziel een zoete en heilige vriendschap met Hem, als men Hem door het geloof ziet op Zijn genadetroon als de Middelaar tussen God en mens. En deze overdrachten van goddelijk licht en leven uit Zijn overvloed, die de ogen van het verstand verlichten en de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis geven (Ef. 1:17, 18), doen in het hart een genadige blik ontstaan op Zijn schoonheid en gezegendheid, op Zijn genade en eer (Ps. 112:4; Jes. 33:17; Luk. 1:78, 79; 2 Petr. 1:19). Dit is het drinken uit de fontein des levens en het licht in Gods licht zien (Ps. 36:10); en dit is het „licht des levens”, dat de Heere geeft aan degenen die Hem volgen (Joh. 8:12).
Als de ziel in het licht van deze barmhartige leringen wandelt, ziet men het bloed van Jezus als een fontein van oneindige waarde en onuitsprekelijke werkzaamheid voor de zonde en onreinheid; Zijn rechtvaardigheid als een uiterst gezegende bedekking voor al haar schaamte en naaktheid; Zijn bloedende, stervende liefde als een uiterst geneeskrachtige balsem voor een gewond geweten en een hemelse hartversterking voor een verflauwde geest. Door middel van deze leringen, en op geen enkele andere manier, leert men de werkelijkheid van de ware godsdienst en krachtige godvruchtigheid. Geen enkele waarlijk geoefende ziel kan er tevreden mee zijn de zaligmaking uitsluitend als een leerstelling van het Evangelie te zien — een vaste en zekere waarheid die van de bezielde bladzijde afstraalt.
Oprecht blij is men dat de weg tot zaligheid zo duidelijk wordt geopenbaard in het Woord der waarheid, en dat het leven, het licht en de kracht van de Geest zich erin bevinden om innerlijk getuige te kunnen zijn van de waarheid en zekerheid van het geschreven getuigenis. Maar al dit licht en deze kennis in de letter van de waarheid schiet tekort vergeleken met een zaligmaking die aan het eigen hart en geweten wordt onthuld en geopenbaard.
Lezen: Galaten 1:11-24
Aan de lezer…
Is het u genoeg dat de weg der zaligheid helder in het Woord geschreven staat? Daar mogen wij oprecht blij om zijn. Maar een geoefende ziel kan niet tevreden zijn met de zaligmaking als enkel een leerstelling, hoe vast en zeker die ook is. U verlangt ernaar dat het u ook in uw eigen hart en geweten geopenbaard wordt, en dat verlangen is goed.
Want in Zijn licht ziet men het licht. Wanneer Hij uit Zijn overvloed licht en leven schenkt, ziet de ziel Zijn bloed als een fontein voor zonde en onreinheid, Zijn gerechtigheid als een bedekking voor al haar schaamte, en Zijn stervende liefde als een balsem voor een gewond geweten. Drink dan uit die fontein des levens. Zoek Hem op Zijn genadetroon, en vraag of Hij u de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis wil geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:1-2
Verenigd zijn met de Heere Jezus als levend Hoofd brengt een innige omgang met Hem voort. Want wanneer Hij uit Zijn eigen volheid genade meedeelt, ontstaat er in de ziel een zoete en heilige gemeenschap met Hem, wanneer men Hem door het geloof ziet op Zijn genadetroon als de Middelaar tussen God en mensen. Deze mededelingen van goddelijk licht en leven uit Zijn volheid verlichten de ogen van het verstand en geven de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis (Ef. 1:17, 18). Zo wekken zij in het hart een genadige blik op Zijn schoonheid en gezegendheid, op Zijn genade en heerlijkheid (Ps. 112:4; Jes. 33:17; Luk. 1:78, 79; 2 Petr. 1:19). Dit is drinken uit de fontein des levens en het licht zien in Gods licht (Ps. 36:10); en dit is het „licht des levens” dat de Heere geeft aan hen die Hem volgen (Joh. 8:12).
Wanneer de ziel in het licht van deze genadige onderwijzingen wandelt, ziet zij het bloed van Jezus als een fontein van oneindige waarde en onuitsprekelijke kracht tegen de zonde en de onreinheid. Zij ziet Zijn gerechtigheid als een hoogst gezegende bedekking voor al haar schaamte en naaktheid, en Zijn bloedende, stervende liefde als een hoogst geneeskrachtige balsem voor een gewond geweten en een hemelse versterking voor een bezwijkende geest. Door deze onderwijzingen, en op geen enkele andere manier, leert men de werkelijkheid kennen van de ware godsdienst en de krachtige godsvrucht. Geen enkele werkelijk geoefende ziel kan tevreden zijn met de zaligheid alleen als een leerstuk van het Evangelie te zien, een vaste en zekere waarheid die van de door God ingegeven bladzijde afstraalt.
Men is er oprecht blij om dat de weg der zaligheid zo duidelijk in het Woord der waarheid geopenbaard is, en dat het leven, het licht en de kracht van de Geest erin zijn, zodat men innerlijk kan getuigen van de waarheid en zekerheid van het geschreven getuigenis. Maar al dit licht en deze kennis in de letter van de waarheid schieten tekort vergeleken met een zaligheid die aan het eigen hart en geweten wordt ontdekt en geopenbaard.
Lezen: Galaten 1:11-24
Aan de lezer…
Is het u genoeg dat de weg der zaligheid helder in het Woord geschreven staat? Daar mogen wij oprecht blij om zijn. Maar een geoefende ziel kan niet tevreden zijn met de zaligheid als alleen een leerstuk, hoe vast en zeker dat ook is. U verlangt ernaar dat zij u ook in uw eigen hart en geweten geopenbaard wordt, en dat verlangen is goed.
Want in Zijn licht ziet men het licht. Wanneer Hij uit Zijn volheid licht en leven schenkt, ziet de ziel Zijn bloed als een fontein tegen zonde en onreinheid, Zijn gerechtigheid als een bedekking voor al haar schaamte, en Zijn stervende liefde als een balsem voor een gewond geweten. Drink dan uit die fontein des levens. Zoek Hem op Zijn genadetroon, en vraag of Hij u de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis wil geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man sin, we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous: and He is the propitiation for our sins.
1 John 2:1-2
Union with the Lord Jesus as a living Head brings forth an intimate communion with Him. For when He communicates grace out of His own fulness, there arises in the soul a sweet and holy fellowship with Him, as He is seen by faith upon His throne of grace as the Mediator between God and men. These communications of divine light and life out of His fulness enlighten the eyes of the understanding and give the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Him (Eph. 1:17, 18). So they raise up in the heart a gracious view of His beauty and blessedness, of His grace and glory (Ps. 112:4; Isa. 33:17; Luke 1:78, 79; 2 Pet. 1:19). This is drinking of the fountain of life and seeing light in God’s light (Ps. 36:9); and this is “the light of life” which the Lord gives to those who follow Him (John 8:12).
When the soul walks in the light of these gracious teachings, it sees the blood of Jesus as a fountain of infinite value and unspeakable efficacy against sin and uncleanness. It sees His righteousness as a most blessed covering for all its shame and nakedness, and His bleeding, dying love as a most healing balm for a wounded conscience and a heavenly cordial for a fainting spirit. By these teachings, and in no other way, is the reality of true religion and vital godliness learned. No truly exercised soul can be satisfied with seeing salvation merely as a doctrine of the gospel, a firm and certain truth shining forth from the inspired page.
We are sincerely glad that the way of salvation is so clearly revealed in the Word of truth, and that the life, light and power of the Spirit are in it, so that we can bear inward witness to the truth and certainty of the written testimony. But all this light and knowledge in the letter of the truth falls short when compared with a salvation discovered and revealed to one’s own heart and conscience.
Reading: Galatians 1:11-24
To the reader…
Is it enough for you that the way of salvation stands clearly written in the Word? We may be sincerely glad of that. But an exercised soul cannot be satisfied with salvation as a mere doctrine, however firm and certain it may be. You long for it to be revealed to you in your own heart and conscience as well, and that longing is good.
For in His light we see light. When He gives light and life out of His fulness, the soul sees His blood as a fountain against sin and uncleanness, His righteousness as a covering for all its shame, and His dying love as a balm for a wounded conscience. Drink, then, from that fountain of life. Seek Him upon His throne of grace, and ask Him to give you the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno hubiere pecado, abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo; y Él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:1-2
La unión con el Señor Jesús como Cabeza viva produce una comunión íntima con Él. Porque cuando Él comunica gracia de Su propia plenitud, surge en el alma una dulce y santa comunión con Él, al ser visto por la fe sobre Su trono de gracia como el Mediador entre Dios y los hombres. Estas comunicaciones de luz y vida divinas de Su plenitud alumbran los ojos del entendimiento y dan el Espíritu de sabiduría y de revelación en el conocimiento de Él (Ef. 1:17, 18). Así levantan en el corazón una visión llena de gracia de Su hermosura y bienaventuranza, de Su gracia y gloria (Sal. 112:4; Is. 33:17; Luc. 1:78, 79; 2 Ped. 1:19). Esto es beber del manantial de la vida y ver la luz en la luz de Dios (Sal. 36:9); y esta es “la lumbre de la vida” que el Señor da a los que Le siguen (Juan 8:12).
Cuando el alma anda en la luz de estas enseñanzas llenas de gracia, ve la sangre de Jesús como un manantial de valor infinito y de eficacia indecible contra el pecado y la inmundicia. Ve Su justicia como la más bendita cobertura para toda su vergüenza y desnudez, y Su amor que sangra y muere como el bálsamo más sanador para una conciencia herida y un cordial celestial para un espíritu desfallecido. Por estas enseñanzas, y de ningún otro modo, se aprende la realidad de la verdadera religión y de la piedad vital. Ninguna alma verdaderamente ejercitada puede quedar satisfecha con ver la salvación meramente como una doctrina del evangelio, una verdad firme y cierta que resplandece en la página inspirada.
Nos alegramos sinceramente de que el camino de la salvación esté revelado con tanta claridad en la Palabra de verdad, y de que la vida, la luz y el poder del Espíritu estén en ella, de modo que podemos dar testimonio interior de la verdad y certeza del testimonio escrito. Pero toda esta luz y este conocimiento en la letra de la verdad se quedan cortos comparados con una salvación descubierta y revelada al propio corazón y a la propia conciencia.
Lectura: Gálatas 1:11-24
Al lector…
¿Le basta a usted que el camino de la salvación esté claramente escrito en la Palabra? Podemos alegrarnos sinceramente de ello. Pero un alma ejercitada no puede quedar satisfecha con la salvación como mera doctrina, por firme y cierta que sea. Usted anhela que le sea revelada también en su propio corazón y conciencia, y ese anhelo es bueno.
Porque en Su luz vemos la luz. Cuando Él da luz y vida de Su plenitud, el alma ve Su sangre como un manantial contra el pecado y la inmundicia, Su justicia como una cobertura para toda su vergüenza, y Su amor que muere como un bálsamo para una conciencia herida. Beba, pues, de ese manantial de la vida. Búsquele sobre Su trono de gracia, y pídale que le dé el Espíritu de sabiduría y de revelación en el conocimiento de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zo zegt de Heere: Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw; toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.
Jeremia 2:2
Indien wij acht geven op de zaligheid, zullen wij zien dat zij uit drie delen bestaat: zaligheid in het verleden, zaligheid in het tegenwoordige en zaligheid in het toekomende. De zaligheid in het verleden bestaat hierin, dat onze namen staan opgetekend in het boek des levens van vóór de grondlegging der wereld. De zaligheid in het tegenwoordige bestaat in de openbaring van Jezus aan de ziel, waarbij Hij haar Zichzelf ondertrouwt. En de zaligheid in het toekomende bestaat in de eeuwige genieting van Christus, wanneer de uitverkorenen aan de bruiloftstafel des Lams zullen aanzitten en voor eeuwig bij de Heere zullen zijn.
Welnu, gelijk niemand de toekomende zaligheid zal genieten die geen deel heeft aan de zaligheid in het verleden — met andere woorden, gelijk niemand met Christus in de eeuwige heerlijkheid zijn zal wiens naam niet in het boek des levens van eeuwigheid geschreven staat — zo zal niemand de zaligheid in het toekomende genieten die leeft en sterft zonder de zaligheid te genieten in het tegenwoordige. Met andere woorden, niemand zal met Christus in eeuwigheid leven die in dit leven niet aan Hem ondertrouwd is geworden door de openbaring van Hem in zijn ziel.
Overeenkomstig de Joodse gewoonte gaf de man ten dage van de ondertrouw aan de bruid een stuk zilver tot getuigenis, zeggende: „Ontvang dit stuk zilver als pand dat gij te zijner tijd mijn vrouw zult worden.” Daarop verwisselden beide partijen hun ringen. Deze ontmoeting van de ondertrouwden, die elkander voor het eerst zagen, is een passend zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel met Jezus. De maagd had van de jongeling gehoord, maar had hem tot dit ogenblik nooit gezien. Evenzo horen zoekende zielen Hem wel met het gehoor der oren, vóór zij Hem zien. De sluier was op haar gelaat (Gen. 24:65), zowel als de sluier op haar hart is (2 Kor. 3:15), totdat Jezus hem van boven tot beneden in tweeën scheurt.
De bruidegom geeft zijn ondertrouwde vrouw een stuk zilver als bewijs dat al wat hij had het hare was. Alzo geeft Christus aan de ziel die Hij Zichzelf ondertrouwt, door Zijn eigen openbaringen een pand, een teken, een bewijs, dat in zichzelf reeds de eerste vrucht en verzekering van de eeuwige heerlijkheid inhoudt. De partijen verwisselden de ringen als tekenen van wederzijdse genegenheid en eeuwige trouw. Alzo zijn er ook, wanneer Christus Zich in Zijn stervende liefde aan de ziel openbaart, wederzijdse verbintenissen, wederzijdse beloften, wederzijdse verzekeringen en betuigenissen van trouw en liefde tussen de ziel en Hem.
„De één zal zeggen: Ik ben des Heeren; en een ander zal zich noemen met de naam van Jakob, en een ander zal met zijn hand schrijven: Ik ben des Heeren.” Op deze stonde, op de dag van des Konings ondertrouw, is de taal der ziel: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.”
Aan de lezer…
Misschien kent u Christus alleen van horen zeggen, en hebt u Hem nog nooit gezien. Ik zeg het eerlijk: niemand zal met Christus in eeuwigheid leven die in dit leven niet aan Hem ondertrouwd is door de openbaring van Hem in zijn ziel. Misschien ligt er nog een sluier op uw hart, en hebt u van de Bruidegom gehoord, maar Hem nog niet ontmoet. Ook zo waren vele zoekende zielen, eer Hij de sluier van boven tot beneden scheurde.
Zoek dan voort, en rust niet in het horen alleen. En bent u ooit door Hem ondertrouwd, toen Hij Zich in Zijn stervende liefde aan u openbaarde, vergeet die dag dan niet. Hij vergeet hem ook niet: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Wat Hij u toen gaf, was een pand van de eeuwige heerlijkheid. Hij Die toen zei: Ik ben de uwe, blijft trouw, ook in de woestijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo zegt de Heere: Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw; toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.
Jeremia 2:2
Als wij letten op de zaligheid, zien wij dat zij uit drie delen bestaat: zaligheid in het verleden, zaligheid in het heden en zaligheid in de toekomst. De zaligheid in het verleden bestaat hierin dat onze namen opgeschreven staan in het boek des levens, van vóór de grondlegging der wereld. De zaligheid in het heden bestaat in de openbaring van Jezus aan de ziel, waarbij Hij haar met Zich ondertrouwt. En de zaligheid in de toekomst bestaat in het eeuwig genieten van Christus, wanneer de uitverkorenen aan de bruiloftstafel van het Lam zullen aanzitten en voor eeuwig bij de Heere zullen zijn.
Niemand zal de toekomstige zaligheid genieten die geen deel heeft aan de zaligheid in het verleden. Met andere woorden: niemand zal met Christus in de eeuwige heerlijkheid zijn wiens naam niet van eeuwigheid in het boek des levens geschreven staat. Zo zal ook niemand de zaligheid in de toekomst genieten die leeft en sterft zonder de zaligheid in het heden te genieten. Met andere woorden: niemand zal met Christus in eeuwigheid leven die in dit leven niet aan Hem ondertrouwd is door de openbaring van Hem in zijn ziel.
Volgens de Joodse gewoonte gaf de man op de dag van de ondertrouw aan de bruid een stuk zilver als getuigenis, met de woorden: „Ontvang dit stuk zilver als pand dat gij te zijner tijd mijn vrouw zult worden.” Daarna wisselden beide partijen hun ringen. Deze ontmoeting van de ondertrouwden, die elkaar voor het eerst zagen, is een passend zinnebeeld van de eerste ontmoeting van de ziel met Jezus. De maagd had van de jongeman gehoord, maar had hem tot dat ogenblik nooit gezien. Zo horen ook zoekende zielen wel van Hem met het gehoor van de oren, voordat zij Hem zien. De sluier lag op haar gelaat (Gen. 24:65), zoals ook de sluier op hun hart ligt (2 Kor. 3:15), totdat Jezus hem van boven tot beneden in tweeën scheurt.
De bruidegom geeft zijn ondertrouwde vrouw een stuk zilver als bewijs dat alles wat hij had, het hare was. Zo geeft Christus aan de ziel die Hij met Zich ondertrouwt, door Zijn eigen openbaringen een pand, een teken, een bewijs, dat in zichzelf al de eerste vrucht en de verzekering van de eeuwige heerlijkheid bevat. De partijen wisselden de ringen als tekenen van wederzijdse genegenheid en eeuwige trouw. Zo zijn er ook, wanneer Christus Zich in Zijn stervende liefde aan de ziel openbaart, wederzijdse verbintenissen, wederzijdse beloften, wederzijdse verzekeringen en betuigingen van trouw en liefde tussen de ziel en Hem.
„De één zal zeggen: Ik ben des Heeren; en een ander zal zich noemen met de naam van Jakob, en een ander zal met zijn hand schrijven: Ik ben des Heeren.” Op dat ogenblik, op de dag van de ondertrouw van de Koning, is de taal van de ziel: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.”
Aan de lezer…
Misschien kent u Christus alleen van horen zeggen, en hebt u Hem nog nooit gezien. Ik zeg het eerlijk: niemand zal met Christus in eeuwigheid leven die in dit leven niet aan Hem ondertrouwd is door de openbaring van Hem in zijn ziel. Misschien ligt er nog een sluier op uw hart, en hebt u wel van de Bruidegom gehoord, maar Hem nog niet ontmoet. Zo waren ook vele zoekende zielen, voordat Hij de sluier van boven tot beneden scheurde.
Blijf dan zoeken, en rust niet in het horen alleen. En bent u ooit met Hem ondertrouwd, toen Hij Zich in Zijn stervende liefde aan u openbaarde, vergeet die dag dan niet. Hij vergeet hem ook niet: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Wat Hij u toen gaf, was een pand van de eeuwige heerlijkheid. Hij Die toen zei: Ik ben de uwe, blijft trouw, ook in de woestijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD; I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals, when thou wentest after Me in the wilderness, in a land that was not sown.
Jeremiah 2:2
If we look at salvation, we shall see that it consists of three parts; salvation past, salvation present, and salvation future. Salvation past consists in having our names written in the Lamb’s book of life before the foundation of the world. Salvation present consists in the manifestation of Jesus to the soul, whereby He betroths it to Himself. And salvation future consists in the eternal enjoyment of Christ, when the elect shall sit down to the marriage-supper of the Lamb, and be forever with the Lord.
Now, as none will ever enjoy salvation future who have no saving interest in salvation past; in other words, as none will ever be with Christ in eternal glory whose names were not written in the book of life from all eternity; so none will enjoy salvation future, who live and die without enjoying salvation present. In other words, none will live forever with Christ in glory who are not betrothed to Him in this life by the manifestations of Himself to their soul.
According to the Jewish custom, the man, at the time of betrothing, gave the bride a piece of silver before witnesses, saying to her, “Receive this piece of silver as a pledge that at such a time you shall become my spouse.” And the parties then exchanged rings. This meeting of the espoused parties together, who then saw each other for the first time, is a sweet type of the first meeting of the soul with Jesus. The damsel had heard of the youth, but until then had never seen him; as seeking souls hear of Jesus by the hearing of the ear, before their eyes see Him. The veil was upon her face (Gen. 24:65), as the veil is upon the heart (2 Cor. 3:15), until Jesus rends it in twain from the top to the bottom.
The bridegroom gave his betrothed a piece of silver, as a pledge that all he had was hers. And thus Christ gives to the soul, whom He betroths to Himself by His own manifestations, a pledge, a token, a testimony, which, in itself, is the first-fruits and assurance of eternal glory. The parties exchanged rings, as pledges of mutual affection and eternal faithfulness. And thus, when Christ reveals Himself to the soul in His dying love, mutual engagements, mutual promises, mutual assurances and pledges of faithfulness and love pass between the soul and Him.
“One shall say, I am the Lord’s, and another shall call himself by the name of Jacob, and another shall subscribe with his hand unto the Lord.” At these seasons, “in the day of the King’s espousals,” the language of the soul is, “I sat down under His shadow with great delight, and His fruit was sweet to my taste; He brought me to the banqueting-house, and His banner over me was love.”
To the reader…
Perhaps you know Christ only by hearsay, and have never yet seen Him. I say it honestly: no one will live with Christ in eternity who is not betrothed to Him in this life through His revealing Himself to their soul. Perhaps there is still a veil upon your heart, and you have indeed heard of the Bridegroom but have not yet met Him. So it was with many seeking souls, before He rent the veil from the top to the bottom.
Keep seeking, then, and do not rest in hearing alone. And if you were once betrothed to Him, when He revealed Himself to you in His dying love, do not forget that day. He does not forget it either: “I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals.” What He gave you then was a pledge of eternal glory. He Who said then, I am yours, remains faithful, even in the wilderness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así dice Jehová: Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio, cuando andabas en pos de mí en el desierto, en tierra no sembrada.
Jeremías 2:2
Si consideramos la salvación, veremos que consta de tres partes: la salvación pasada, la salvación presente y la salvación futura. La salvación pasada consiste en tener nuestros nombres escritos en el libro de la vida del Cordero antes de la fundación del mundo. La salvación presente consiste en la manifestación de Jesús al alma, por la cual Él la desposa consigo. Y la salvación futura consiste en el gozo eterno de Cristo, cuando los escogidos se sienten a la cena de las bodas del Cordero y estén para siempre con el Señor.
Ahora bien, así como nadie gozará jamás de la salvación futura sin tener parte salvadora en la salvación pasada; en otras palabras, así como nadie estará jamás con Cristo en la gloria eterna cuyo nombre no fuese escrito en el libro de la vida desde toda la eternidad; así tampoco gozará nadie de la salvación futura que viva y muera sin gozar de la salvación presente. En otras palabras, nadie vivirá para siempre con Cristo en la gloria que no sea desposado con Él en esta vida por las manifestaciones de Sí mismo a su alma.
Según la costumbre judía, el hombre, en el momento del desposorio, daba a la novia una pieza de plata delante de testigos, diciéndole: “Recibe esta pieza de plata como prenda de que en tal tiempo serás mi esposa”. Y entonces las partes intercambiaban anillos. Este encuentro de los desposados, que entonces se veían por primera vez, es un dulce tipo del primer encuentro del alma con Jesús. La doncella había oído hablar del joven, pero hasta entonces nunca lo había visto; así como las almas que buscan oyen de Jesús de oídas antes de que sus ojos Le vean. El velo estaba sobre su rostro (Gn. 24:65), como el velo está sobre el corazón (2 Co. 3:15), hasta que Jesús lo rasga en dos de arriba abajo.
El esposo daba a su desposada una pieza de plata, como prenda de que todo lo que tenía era de ella. Y así Cristo da al alma, a la que desposa consigo por Sus propias manifestaciones, una prenda, una señal, un testimonio que en sí mismo es las primicias y la seguridad de la gloria eterna. Las partes intercambiaban anillos, como prendas de afecto mutuo y de fidelidad eterna. Y así, cuando Cristo Se revela al alma en Su amor agonizante, compromisos mutuos, promesas mutuas, seguridades mutuas y prendas de fidelidad y de amor pasan entre el alma y Él.
“Este dirá: Yo soy de Jehová; el otro se llamará del nombre de Jacob; y otro escribirá con su mano: A Jehová”. En esas ocasiones, “en el día de su desposorio” del Rey, el lenguaje del alma es: “Bajo la sombra del deseado me senté, y su fruto fue dulce en mi paladar. Llevóme a la cámara del vino, y su bandera sobre mí fue amor”.
Al lector…
Quizás usted conoce a Cristo solo de oídas y nunca Le ha visto todavía. Lo digo con franqueza: nadie vivirá con Cristo en la eternidad que no sea desposado con Él en esta vida, por revelarse Él a su alma. Quizás haya aún un velo sobre su corazón, y usted ciertamente ha oído del Esposo, pero todavía no Le ha encontrado. Así les sucedió a muchas almas que buscaban, antes de que Él rasgara el velo de arriba abajo.
Siga buscando, pues, y no descanse en el solo oír. Y si alguna vez fue desposado con Él, cuando Se le reveló en Su amor agonizante, no olvide aquel día. Tampoco Él lo olvida: “Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio”. Lo que Él le dio entonces fue una prenda de la gloria eterna. Quien entonces dijo: Yo soy tuyo, permanece fiel, aun en el desierto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl