vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en ere, en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus.
1 Petrus 1:7
Beproevingen en verzoekingen zijn de middelen die God gebruikt om aan de ziel de waarheid en kracht des geloofs, die Hij haar schenkt, te openbaren; want in iedere beproeving en verzoeking wordt strijd gevoerd tegen het geloof dat in het hart is, en iedere beproeving en verzoeking bedreigt als het ware het leven des geloofs. En zij bedreigen het op deze wijze. Onder de beproeving verbergt God Zich meestal. Hij geeft, het is waar, een geheime kracht, waardoor de ziel staande blijft, of anders zou zij tot wanhoop vervallen en overwonnen en verzwolgen worden door de kracht des ongeloofs. Vandaar komt de worsteling tussen de beproeving en het geloof: het geloof dat strijdt tegen, of liever onder de beproeving.
Wanneer nu in dit hete vuur het geloof niet zwicht, niet verbrandt, niet vernietigd wordt, maar zich vast blijft klemmen aan de belofte en de getrouwheid van Hem, Die ze gegeven heeft, is deze beproeving des geloofs zeer kostelijk. Zij is kostelijk voor de ziel, wanneer God haar weder tegenlacht en aldus dat geloof voor echt verklaart. Zij is kostelijk in het oog van Gods volk, dat haar ziet en kracht en troost put uit hetgeen het zag in de ervaring van een dus beproefde en gezegende heilige; en zij is ook kostelijk in het oog van God Zelf, Die haar kroont met Zijn eigen kennelijke goedkeuring en op haar het zegel drukt van Zijn goedkeurende glimlach.
Maar bovenal zal zij blijken kostelijk te zijn bij de komst van Jezus Christus, en dat niet alleen in Zijn verschillende verschijningen in de genade, maar in Zijn laatste verschijning in heerlijkheid; want daarvan juist spreekt de apostel, wanneer hij zegt: „dat het bevonden worde tot lof, en eer en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus.”
Red mij van hen, die ’t ruim genot
der wereld voor hun heilgoed achten,
geen deel, dan in dit leven, wachten,
en maken van de buik hun god;
van hen die weelde, schatten, staten,
hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot,
verliezen moeten met de dood
en aan hun kind’ren overlaten!
Ps. 17:7
Aan de lezer…
Misschien gaat u door het hete vuur, en schijnt het u dat God Zich verbergt. Bedreigt de beproeving het leven van uw geloof, zodat u vreest overwonnen en verzwolgen te worden door de kracht des ongeloofs? Weet dan dat juist zo het geloof beproefd wordt. Dat u nog staande blijft, al is het met een zwakke hand die zich vastklemt aan Zijn belofte, is de geheime kracht die Hij u schenkt.
Het goud vergaat, maar het geloof dat door het vuur gaat, is veel kostelijker. Er komt een uur dat God u weer tegenlacht en het zegel van Zijn goedkeurende glimlach op uw geloof drukt. En bovenal zal het in de openbaring van Jezus Christus bevonden worden tot lof, en eer, en heerlijkheid. Laat de wereld haar deel in dit leven zoeken; uw deel ligt in Hem, Die de belofte gegeven heeft en getrouw is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en ere, en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus.
1 Petrus 1:7
Beproevingen en verzoekingen zijn de middelen die God gebruikt om aan de ziel de waarheid en de kracht te openbaren van het geloof dat Hij haar schenkt. Want in iedere beproeving en verzoeking wordt strijd gevoerd tegen het geloof dat in het hart is, en iedere beproeving en verzoeking bedreigt als het ware het leven van het geloof. Dat doen zij op deze manier. In de beproeving verbergt God Zich meestal. Het is waar dat Hij een geheime kracht geeft waardoor de ziel staande blijft, want anders zou zij tot wanhoop vervallen en overwonnen en verzwolgen worden door de kracht van het ongeloof. Daar komt de worsteling tussen de beproeving en het geloof vandaan: het geloof strijdt tegen de beproeving, of liever: onder de beproeving.
Wanneer het geloof nu in dit hete vuur niet bezwijkt, niet verbrandt en niet vernietigd wordt, maar zich blijft vastklemmen aan de belofte en aan de getrouwheid van Hem Die haar gegeven heeft, dan is deze beproeving van het geloof zeer kostelijk. Zij is kostelijk voor de ziel wanneer God haar weer toelacht en zo dat geloof echt verklaart. Zij is kostelijk in de ogen van Gods volk, dat haar ziet en kracht en troost put uit wat het zag in de ervaring van een heilige die zo beproefd en gezegend werd. En zij is ook kostelijk in de ogen van God Zelf, Die haar kroont met Zijn eigen zichtbare goedkeuring en er het zegel van Zijn goedkeurende glimlach op drukt.
Maar bovenal zal zij kostelijk blijken bij de komst van Jezus Christus, en dat niet alleen bij Zijn verschillende verschijningen in de genade, maar bij Zijn laatste verschijning in heerlijkheid. Want juist daarover spreekt de apostel wanneer hij zegt: „dat het bevonden worde tot lof, en eer en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus.”
Red mij van hen, die ’t ruim genot
der wereld voor hun heilgoed achten,
geen deel, dan in dit leven, wachten,
en maken van de buik hun god;
van hen die weelde, schatten, staten,
hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot,
verliezen moeten met de dood
en aan hun kind’ren overlaten!
Ps. 17:7
Aan de lezer…
Misschien gaat u door het hete vuur, en lijkt het u dat God Zich verbergt. Bedreigt de beproeving het leven van uw geloof, zodat u vreest overwonnen en verzwolgen te worden door de kracht van het ongeloof? Weet dan dat het geloof juist zo beproefd wordt. Dat u nog staande blijft, al is het met een zwakke hand die zich vastklemt aan Zijn belofte, komt door de geheime kracht die Hij u schenkt.
Het goud vergaat, maar het geloof dat door het vuur gaat, is veel kostelijker. Er komt een uur dat God u weer toelacht en het zegel van Zijn goedkeurende glimlach op uw geloof drukt. En bovenal zal het in de openbaring van Jezus Christus bevonden worden tot lof, en eer, en heerlijkheid. Laat de wereld haar deel in dit leven zoeken; uw deel ligt in Hem Die de belofte gegeven heeft en getrouw is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That the trial of your faith, being much more precious than of gold that perisheth, though it be tried with fire, might be found unto praise and honour and glory at the appearing of Jesus Christ.
1 Peter 1:7
Trials and temptations are the means which God employs to manifest to the soul the reality and strength of the faith which He bestows upon it; for there is in every trial and temptation opposition made to the faith that is in the heart; and every trial and temptation, so to speak, threaten the life of faith. And they threaten it in this way—Under the trial God for the most part hides Himself. He puts forth, indeed, a secret power whereby the soul is held up, or otherwise it would sink into utter despair, and be overcome and swallowed up by the power of unbelief. Hence comes the conflict between the trial that fights against the faith and the faith which fights against or rather under the trial.
Now, when in this trial, in this sharp conflict, in this hot furnace, faith does not give way, is not burned up, is not destroyed, but keeps its firm hold upon the promise and the faithfulness of Him Who has given it, this trial of faith becomes very precious. It is precious to the soul when God again smiles upon it, and becomes thus manifest as genuine.
It is precious in the sight of God’s people, who see it and derive strength and comfort from what they witness in the experience of a saint thus tried and blessed; and it is precious also in the sight of God Himself, Who crowns it with His own manifest approbation, and puts upon it the attesting seal of His own approving smile. But above all things, it will be found precious at the appearing of Jesus Christ, and that not only in His various appearings in grace, but in His final appearance in glory, for of that the Apostle mainly speaks when he says that “it may be found unto praise and honor and glory at the appearing of Jesus Christ.”
To the reader…
Perhaps you are passing through the hot furnace, and it seems to you that God is hiding Himself. Does the trial threaten the life of your faith, so that you fear being overcome and swallowed up by the power of unbelief? Know then that it is just in this way that faith is tried. That you are still standing, even if only with a weak hand clinging to His promise, is due to the secret power He gives you.
Gold perishes, but faith that passes through the fire is much more precious. An hour is coming when God smiles on you again and puts the seal of His approving smile upon your faith. And above all, it will be found unto praise and honour and glory at the appearing of Jesus Christ. Let the world seek its portion in this life; your portion lies in Him Who has given the promise and is faithful.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que la prueba de vuestra fe, mucho más preciosa que el oro, el cual perece, bien que sea probado con fuego, sea hallada en alabanza, gloria y honra, cuando Jesucristo fuere manifestado.
1 Pedro 1:7
Las pruebas y las tentaciones son los medios que Dios emplea para manifestar al alma la realidad y la fuerza de la fe que Él le otorga; porque en toda prueba y tentación se hace oposición a la fe que está en el corazón; y toda prueba y tentación, por así decirlo, amenaza la vida de la fe. Y la amenaza de este modo: bajo la prueba Dios, la mayoría de las veces, se esconde. Ejerce, en verdad, un poder secreto por el cual el alma es sostenida, pues de otro modo se hundiría en la desesperación total y sería vencida y tragada por el poder de la incredulidad. De ahí viene el conflicto entre la prueba que lucha contra la fe y la fe que lucha contra la prueba, o más bien bajo ella.
Ahora bien, cuando en esta prueba, en este agudo conflicto, en este horno ardiente, la fe no cede, no se consume, no es destruida, sino que mantiene firme su asidero en la promesa y en la fidelidad de Aquel que la ha dado, esta prueba de la fe se vuelve muy preciosa. Es preciosa para el alma cuando Dios vuelve a sonreírle, y así se hace manifiesta como genuina.
Es preciosa a los ojos del pueblo de Dios, que la ve y saca fuerza y consuelo de lo que contempla en la experiencia de un santo así probado y bendecido; y es preciosa también a los ojos de Dios mismo, que la corona con Su manifiesta aprobación y pone sobre ella el sello atestiguador de Su sonrisa aprobadora. Pero sobre todo será hallada preciosa en la manifestación de Jesucristo, y no solo en Sus diversas manifestaciones en gracia, sino en Su manifestación final en gloria, pues de esta habla principalmente el Apóstol cuando dice que “sea hallada en alabanza, gloria y honra, cuando Jesucristo fuere manifestado”.
Al lector…
Quizá esté usted pasando por el horno ardiente, y le parece que Dios se esconde. ¿Amenaza la prueba la vida de su fe, de modo que teme ser vencido y tragado por el poder de la incredulidad? Sepa entonces que precisamente así es probada la fe. Que usted siga en pie, aunque solo sea aferrado con mano débil a Su promesa, se debe al poder secreto que Él le da.
El oro perece, pero la fe que pasa por el fuego es mucho más preciosa. Viene una hora en que Dios le sonreirá de nuevo y pondrá sobre su fe el sello de Su sonrisa aprobadora. Y sobre todo, será hallada en alabanza, gloria y honra cuando Jesucristo fuere manifestado. Deje que el mundo busque su porción en esta vida; la porción de usted está en Aquel que ha dado la promesa y es fiel.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Door van „de einden der aarde” op Zijn heerlijke Persoon te zien, vangen we een glimp op van Zijn verzoenende bloed. We zien dan dat het bloed zijn gehele werking ontleent aan Zijn heerlijke Persoon; we zien het als het bloed van de Zoon Gods. De ogen van het verstand worden verlicht, zodat ze de aard en werkzaamheid van dit kostbare bloed zien, en we zien dat het van vrede spreekt tot het schuldige geweten, dat het het enige offer voor de zonde is, dat het vijanden verzoent, opstandelingen vergeeft en de goddelozen rechtvaardigt. Door de ziel uit te nodigen zich naar Hem toe te wenden, nodigt de Heere de ziel tevens uit naar Zijn roemrijke rechtvaardigheid te kijken. Wat weten we, wat kunnen we weten, van de roemrijke rechtvaardigheid van Christus, behalve dat we zijn gaan voelen hoe naakt, hoe behoeftig en hoe ontdaan we zonder haar zijn?
Maar als een ziel aan „de einden der aarde” ligt, naakt en bevend, bang om een nooit eindigende eeuwigheid te aanschouwen, met een doodsbang geweten vanwege duizenden misdaden die zich tonen, hoe zeer moedigt het dan de arme ziel, die aan „de einden der aarde” ligt, ertoe aan om te schuilen onder dit heerlijke en prachtige gewaad en haar toevlucht te nemen onder de rok van deze hemelse Boaz, als de Heere slechts met kracht zegt: „Wendt u naar Mij toe”, en die heerlijke mantel der gerechtigheid uitspreidt die „voor en op allen is die geloven”! Door te zeggen: „Wendt u naar Mij toe”, zegt Hij tevens: „Zie op Mijn oneindige liefde, in haar diepte, hoogte, lengte en breedte, die de kennis te boven gaat. Wendt u naar Mij toe in al Mijn lijden, Mijn doodsstrijd, Mijn bloedig zweet, en alles wat Ik heb doorstaan voor arme zondaren.” Hij nodigt degenen aan „de einden der aarde” uit zich naar Hem toe te wenden en Hem te zien lijden voor hen. En als ze Zijn oneindige liefde kunnen zien en ervaren, stroomt vrede in het geweten, en de arme ziel aan „de einden der aarde” wordt aangemoedigd en in staat gesteld dichter bij de Vader te komen.
Lezen: Psalm 121
Aan de lezer…
Ligt u, waarde lezer, aan de einden der aarde, naakt en bevend, met een geweten dat u duizend misdaden voorhoudt en een eeuwigheid waarvoor u vreest? Dan is dit woord juist voor u gesproken. Hij roept juist hen die aan de einden der aarde liggen: „Wendt u naar Mij toe.” U hoeft niet eerst nader te komen voordat u mag zien; het zien zelf brengt u nader.
Zie dan op Zijn heerlijke Persoon, op het bloed van de Zoon Gods, dat van vrede spreekt tot het schuldige geweten. Zie op Zijn doodsstrijd en Zijn bloedig zweet, op alles wat Hij doorstaan heeft voor arme zondaren. Voelt u hoe naakt en ontdaan u bent, schuil dan onder de mantel der gerechtigheid die Hij uitspreidt, en neem uw toevlucht onder de rok van deze hemelse Boaz. Hij is God, en niemand meer; buiten Hem is er geen behoudenis, maar in Hem is er voor de verste zondaar plaats.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Wanneer we van „de einden der aarde” op Zijn heerlijke Persoon zien, vangen we een glimp op van Zijn verzoenend bloed. Dan zien we dat het bloed al zijn kracht ontleent aan Zijn heerlijke Persoon; we zien het als het bloed van de Zoon van God. De ogen van het verstand worden verlicht, zodat zij de aard en de kracht van dit kostbare bloed zien. We zien dat het vrede spreekt tot het schuldige geweten, dat het het enige offer voor de zonde is, dat het vijanden verzoent, opstandelingen vergeeft en goddelozen rechtvaardigt. Door de ziel uit te nodigen zich naar Hem toe te wenden, nodigt de Heere haar ook uit te zien op Zijn heerlijke gerechtigheid. Wat weten we, wat kunnen we weten van de heerlijke gerechtigheid van Christus, tenzij we gevoeld hebben hoe naakt, hoe arm en hoe ontbloot we zonder haar zijn?
Daar ligt een ziel aan „de einden der aarde”, naakt en bevend, bang om een nooit eindigende eeuwigheid onder ogen te zien, met een doodsbang geweten omdat duizenden misdaden zich aan haar vertonen. Hoe zeer wordt die arme ziel aan „de einden der aarde” dan bemoedigd om te schuilen onder dit heerlijke en prachtige kleed en haar toevlucht te nemen onder de vleugel van deze hemelse Boaz, wanneer de Heere maar met kracht zegt: „Wendt u naar Mij toe”, en die heerlijke mantel van de gerechtigheid uitspreidt die „voor en op allen is die geloven”! Door te zeggen: „Wendt u naar Mij toe”, zegt Hij ook: „Zie op Mijn oneindige liefde, in haar diepte, hoogte, lengte en breedte, die de kennis te boven gaat. Wendt u naar Mij toe in al Mijn lijden, Mijn doodsstrijd, Mijn bloedig zweet, en alles wat Ik heb doorstaan voor arme zondaren.” Hij nodigt hen die aan „de einden der aarde” zijn uit zich naar Hem toe te wenden en Hem voor hen te zien lijden. En wanneer zij Zijn oneindige liefde kunnen zien en ervaren, stroomt er vrede in het geweten, en wordt de arme ziel aan „de einden der aarde” bemoedigd en in staat gesteld dichter tot de Vader te naderen.
Lezen: Psalm 121
Aan de lezer…
Ligt u aan de einden der aarde, naakt en bevend, met een geweten dat u duizend misdaden voorhoudt en een eeuwigheid waarvoor u vreest? Dan is dit woord juist voor u gesproken. Hij roept juist hen die aan de einden der aarde liggen: „Wendt u naar Mij toe.” U hoeft niet eerst nader te komen voordat u mag opzien; het opzien zelf brengt u nader.
Zie dan op Zijn heerlijke Persoon, op het bloed van de Zoon van God, dat vrede spreekt tot het schuldige geweten. Zie op Zijn doodsstrijd en Zijn bloedig zweet, op alles wat Hij doorstaan heeft voor arme zondaren. Voelt u hoe naakt en ontbloot u bent, schuil dan onder de mantel van de gerechtigheid die Hij uitspreidt, en neem uw toevlucht onder de vleugel van deze hemelse Boaz. Hij is God, en niemand meer; buiten Hem is er geen behoudenis, maar in Hem is er plaats voor de verste zondaar.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
When from “the ends of the earth” we look to His glorious Person, we catch a glimpse of His atoning blood. Then we see that the blood derives all its efficacy from His glorious Person; we see it as the blood of the Son of God. The eyes of the understanding are enlightened to see the nature and power of this precious blood. We see that it speaks peace to the guilty conscience, that it is the only sacrifice for sin, that it reconciles enemies, pardons rebels and justifies the ungodly. By inviting the soul to look unto Him, the Lord invites her also to look to His glorious righteousness. What do we know, what can we know, of the glorious righteousness of Christ, unless we have felt how naked, how poor and how destitute we are without it?
There lies a soul at “the ends of the earth,” naked and trembling, afraid to face a never-ending eternity, with a terrified conscience because thousands of crimes present themselves before her. How greatly is that poor soul at “the ends of the earth” then encouraged to shelter beneath this glorious and beautiful robe, and to take refuge under the wing of this heavenly Boaz, when the Lord does but say with power, “Look unto Me,” and spreads out that glorious mantle of righteousness which is “unto all and upon all them that believe”! In saying, “Look unto Me,” He says also, “Look to My infinite love, in its depth and height and length and breadth, which passeth knowledge. Look unto Me in all My sufferings, My agony, My bloody sweat, and all that I endured for poor sinners.”
He invites those who are at “the ends of the earth” to look unto Him and see Him suffering for them. And when they can see and feel His infinite love, peace flows into the conscience, and the poor soul at “the ends of the earth” is encouraged and enabled to draw nearer to the Father.
Reading: Psalm 121
To the reader…
Do you lie at the ends of the earth, naked and trembling, with a conscience that holds a thousand crimes before you and an eternity that you dread? Then this word is spoken precisely for you. He calls those very ones who lie at the ends of the earth: “Look unto Me.” You need not first come nearer before you may look up; the looking up itself brings you nearer.
Look, then, to His glorious Person, to the blood of the Son of God, which speaks peace to the guilty conscience. Look to His agony and His bloody sweat, to all that He endured for poor sinners. If you feel how naked and destitute you are, shelter beneath the mantle of righteousness that He spreads out, and take refuge under the wing of this heavenly Boaz. He is God, and there is none else; outside Him there is no salvation, but in Him there is room for the most distant sinner.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Cuando desde “los términos de la tierra” miramos a Su gloriosa Persona, vislumbramos Su sangre expiatoria. Entonces vemos que la sangre deriva toda su eficacia de Su gloriosa Persona; la vemos como la sangre del Hijo de Dios. Los ojos del entendimiento son alumbrados para ver la naturaleza y el poder de esta sangre preciosa. Vemos que habla paz a la conciencia culpable, que es el único sacrificio por el pecado, que reconcilia a enemigos, perdona a rebeldes y justifica al impío. Al invitar al alma a mirar a Él, el Señor la invita también a mirar a Su gloriosa justicia. ¿Qué sabemos, qué podemos saber, de la gloriosa justicia de Cristo, a menos que hayamos sentido cuán desnudos, cuán pobres y cuán desamparados estamos sin ella?
Allí yace un alma en “los términos de la tierra”, desnuda y temblando, temerosa de afrontar una eternidad sin fin, con una conciencia aterrada porque miles de crímenes se le presentan delante. ¡Cuán grandemente es animada entonces esa pobre alma en “los términos de la tierra” a resguardarse bajo este manto glorioso y hermoso, y a refugiarse bajo el ala de este Booz celestial, cuando el Señor no hace más que decir con poder: “Mirad a Mí”, y extiende ese glorioso manto de justicia que es “para todos y sobre todos los que creen”! Al decir “Mirad a Mí”, dice también: “Mirad a Mi infinito amor, en su profundidad y altura, longura y anchura, que excede a todo conocimiento. Mirad a Mí en todos Mis sufrimientos, Mi agonía, Mi sudor de sangre, y todo lo que soporté por los pobres pecadores”.
Invita a los que están en “los términos de la tierra” a mirar a Él y verle sufriendo por ellos. Y cuando pueden ver y sentir Su infinito amor, la paz fluye en la conciencia, y la pobre alma en “los términos de la tierra” es animada y capacitada para acercarse más al Padre.
Lectura: Salmo 121
Al lector…
¿Yace usted en los términos de la tierra, desnudo y temblando, con una conciencia que le pone delante mil crímenes y una eternidad que le espanta? Entonces esta palabra se dice precisamente para usted. Él llama precisamente a los que yacen en los términos de la tierra: “Mirad a Mí”. No necesita acercarse primero antes de poder alzar la vista; el mismo alzar la vista le acerca.
Mire, pues, a Su gloriosa Persona, a la sangre del Hijo de Dios, que habla paz a la conciencia culpable. Mire a Su agonía y Su sudor de sangre, a todo lo que soportó por los pobres pecadores. Si siente cuán desnudo y desamparado está, resguárdese bajo el manto de justicia que Él extiende, y refúgiese bajo el ala de este Booz celestial. Él es Dios, y no hay más; fuera de Él no hay salvación, pero en Él hay lugar para el pecador más lejano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalm 84:13
Vertrouwen op God houdt in een volkomen zelfverloochening. Op hetzelfde ogenblik dat ik op mijzelf vertrouw, laat ik na op God te vertrouwen. Op hetzelfde ogenblik dat ik een deel van mijn vertrouwen van de Heere aftrek en dit op mijzelf vestig, neem ik al mijn vertrouwen op God weg. Mijn vertrouwen moet geheel en al op Hem zijn, en anders is er geen sprake van vertrouwen op Hem. Ik moet van het vertrouwen geen deel achterhouden. Het moet volkomen zijn, en anders is het vals en bedriegelijk.
Is de Heere niet waardig om ons vertrouwen op Hem te stellen? En indien Hij waardig is ons volkomen vertrouwen, is Hij het dan niet waardig dat men Hem in elk opzicht vertrouwt? Welk een waar vertrouwen kan een man in zijn echtgenote hebben, indien hij haar slechts één en niet alle sleutels toevertrouwt? Mag dat een vol vertrouwen heten? Alzo, indien wij God maar voor iets en niet voor alles het vertrouwen schenken willen, dan bewijst het dat wij geen waar vertrouwen in Hem stellen. Een man heeft geen oprecht vertrouwen in zijn vrouw, als hij haar niet alle sleutels geven wil. Iemand heeft niet het waarachtige vertrouwen in God, indien hij niet zijn gehele hart en niet alles, zijn huisgezin, zijn eigendom en lichaam en ziel, in Zijn handen geeft.
De neiging en het werk van het ware geloof is alles in de hand Gods te stellen, en niets van de prijs achter te houden. De geheime terughouding is hetgeen God haat; dit is ook huichelarij. Vertrouw op God in niets, of vertrouw op Hem in alles. God wil geen verdeeld hart. Geef Hem alles of niets. En is Hij het niet waardig? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer gij waarlijk op Hem vertrouwd hebt? Zegt Hij niet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren; wij zullen niet meer tot U komen?” (Jeremia 2:31).
Doch David zag hoe weinigen er waren die met hun gehele hart op God vertrouwden. Deze overweging schijnt hem ertoe gebracht te hebben om te zeggen: „Welgelukzalig is de mens, die bijzondere mens, die zeldzame mens, die op U vertrouwt!” De zegen Gods rust op die gelukkige, op die hoogst beweldadigde mens. Hij is gezegend voor de tijd en voor de eeuwigheid. Hij heeft de zegen Gods nu zelfs in zijn ziel.
O, hoe zeldzaam is het voor ons dat wij in die zoete, gezegende gestalte verkeren, dat wij ons gehele vertrouwen op God stellen: Hem vertrouwen voor het leven en de dood, Hem vertrouwen voor alle dingen, voor het verleden, het tegenwoordige en het toekomende. Ja, zonder een zekere mate van dit geloof is er geen ware vrede, geen zekere en blijvende rust. En hiertoe moet gij toch vroeger of later komen, want gij kunt uw eigen last niet dragen zonder uw nek te breken. Doch wanneer gij uw last op de Heere kunt leggen, dan zult gij gewisselijk een zoete ondersteuning ontwaren.
Mogen wij dan niet ons hart en onze stem met David verenigen: „O Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt”? Zulk een zal nooit beschaamd uitkomen. De Heere zal zijn gebed horen; de Heere zal zijn ziel zegenen, zal met hem zijn in dit leven, zal hem ondersteunen in de dood, en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Weet u hoeveel sleutels u de Heere gegeven hebt? Wij zeggen gemakkelijk dat wij op God vertrouwen, maar houden in het geheim nog een kamer voor onszelf: een zorg om ons huisgezin, een vrees voor ons lichaam, een plan voor de dag van morgen. En toch, op hetzelfde ogenblik dat wij een deel van ons vertrouwen op onszelf vestigen, nemen wij het van Hem weg. God wil geen verdeeld hart.
Misschien zucht u onder een last die u te zwaar is, en voelt u dat u er uw nek onder zult breken. Is dat niet de weg waarlangs de Heere u leert alles in Zijn hand te stellen? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u waarlijk op Hem vertrouwd hebt? Leg dan uw last op Hem, en u zult een zoete ondersteuning ontwaren. Welgelukzalig is de mens die op Hem vertrouwt: Hij zal met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalm 84:13
Vertrouwen op God houdt een volkomen zelfverloochening in. Op het ogenblik dat ik op mijzelf vertrouw, houd ik op op God te vertrouwen. Op het ogenblik dat ik een deel van mijn vertrouwen van de Heere aftrek en het op mijzelf richt, neem ik al mijn vertrouwen op God weg. Mijn vertrouwen moet helemaal op Hem zijn, anders is er geen sprake van vertrouwen op Hem. Ik mag niets van mijn vertrouwen achterhouden. Het moet volkomen zijn, anders is het vals en bedrieglijk.
Is de Heere het niet waard dat wij ons vertrouwen op Hem stellen? En als Hij ons volkomen vertrouwen waard is, is Hij het dan niet waard dat men Hem in elk opzicht vertrouwt? Wat voor waar vertrouwen heeft een man in zijn vrouw, als hij haar maar één sleutel toevertrouwt en niet alle sleutels? Mag dat een volkomen vertrouwen heten? Zo is het ook: als wij God maar voor iets en niet voor alles willen vertrouwen, bewijst dat dat wij geen waar vertrouwen in Hem stellen. Een man heeft geen oprecht vertrouwen in zijn vrouw als hij haar niet alle sleutels wil geven. Iemand heeft geen waarachtig vertrouwen in God als hij niet zijn hele hart en alles, zijn gezin, zijn bezit, lichaam en ziel, in Zijn handen geeft.
De neiging en het werk van het ware geloof is alles in Gods hand te leggen en niets van de prijs achter te houden. Dat heimelijke achterhouden is wat God haat; het is ook huichelarij. Vertrouw God in niets, of vertrouw Hem in alles. God wil geen verdeeld hart. Geef Hem alles of niets. En is Hij het niet waard? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u werkelijk op Hem vertrouwde? Zegt Hij niet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren; wij zullen niet meer tot U komen?” (Jeremia 2:31).
Maar David zag hoe weinigen er waren die met hun hele hart op God vertrouwden. Die overweging lijkt hem ertoe gebracht te hebben te zeggen: „Welgelukzalig is de mens, die bijzondere mens, die zeldzame mens, die op U vertrouwt!” De zegen van God rust op die gelukkige, op die zo rijk begenadigde mens. Hij is gezegend voor de tijd en voor de eeuwigheid. Hij heeft de zegen van God nu al in zijn ziel.
O, hoe zelden verkeren wij in die zoete, gezegende gestalte waarin wij ons hele vertrouwen op God stellen: Hem vertrouwen voor leven en dood, Hem vertrouwen voor alle dingen, voor het verleden, het heden en de toekomst. Ja, zonder een zekere mate van dit geloof is er geen ware vrede, geen zekere en blijvende rust. En daar moet u vroeg of laat toch komen, want u kunt uw eigen last niet dragen zonder uw nek te breken. Maar wanneer u uw last op de Heere kunt leggen, zult u zeker een zoete ondersteuning ervaren.
Mogen wij dan niet ons hart en onze stem met David verenigen: „O Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt”? Zo iemand zal nooit beschaamd uitkomen. De Heere zal zijn gebed horen; de Heere zal zijn ziel zegenen, met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Weet u hoeveel sleutels u de Heere gegeven hebt? Wij zeggen gemakkelijk dat wij op God vertrouwen, maar houden in het geheim nog een kamer voor onszelf: een zorg om ons gezin, een vrees voor ons lichaam, een plan voor de dag van morgen. En toch, op het ogenblik dat wij een deel van ons vertrouwen op onszelf richten, nemen wij het van Hem weg. God wil geen verdeeld hart.
Misschien zucht u onder een last die u te zwaar is, en voelt u dat u er uw nek onder zult breken. Is dat niet de weg waarlangs de Heere u leert alles in Zijn hand te leggen? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u werkelijk op Hem vertrouwde? Leg uw last dan op Hem, en u zult een zoete ondersteuning ervaren. Welgelukzalig is de mens die op Hem vertrouwt: Hij zal met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“O LORD of hosts, blessed is the man that trusteth in thee.”
Psalm 84:12
Trust in God implies total self-renunciation. The moment that I trust in myself, I cease to trust in God. The moment I take any portion of my confidence away from the Lord and put a grain of it in myself, that moment I take away all my trust in God. My trust in God must be all or nothing. It must be unreserved and complete, or else it is false and delusive. Is not the Lord worthy to be trusted? And if He is worthy to be trusted at all, is He not worthy to be trusted with all?
What real confidence could a man have in the wife of his bosom if he could trust her with one key, but not with all? Is that full confidence? So, if we can trust God for one thing and not for all, it shows that we have no real trust in Him. A man has no real trust in his wife who cannot give her all the keys.
A man has no real trust in God who cannot give Him all his heart, and put everything into His hand; family, property, body, and soul. The province and work of true faith is to put everything into the hands of God, keeping back no part of the price. It is this secret reserve that God hates; there is hypocrisy on the very face of it. Trust in God for nothing; or trust in Him for all. God will not take a divided heart. Give Him all, or none. And is He not worthy of it? Has He ever disappointed you whenever you have really put your trust in Him? Does He not say, “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness? wherefore say My people, We are lords; we will come no more unto You?” (Jer. 2:31.)
But David saw how few there were that with all their hearts did trust in God. This feeling seems to have made him say, “Blessed is the man,” that peculiar man, that rare individual, “that trusts in You!” The blessing of God rests upon that happy, that highly-favored man. He is blessed for time and for eternity. He has the blessing of God even now in his soul. Oh! how rare it is for us to be in that sweet, blessed frame when we can put our trust wholly in God; trust Him for life and death; trust Him for all things, past, present, and to come.
Yet without a measure of this faith, there is no solid peace, no real and abiding rest. And to this you must sooner or later come; for you cannot carry your own burdens without their breaking your back. But when you can cast your burden on the Lord, then you will surely find sweet relief.
May we not, then, join heart and voice with David, “O Lord of hosts, blessed is the man that trusts in You”? Such a one will never be disappointed. The Lord will hear his prayer; the Lord will bless his soul; will be with him in life, support him in death, and take him to be with Him in eternity.
To the reader…
Do you know how many keys you have given the Lord? We easily say that we trust in God, but secretly we still keep a room for ourselves: a care for our family, a fear for our body, a plan for tomorrow. And yet, the moment we turn part of our trust toward ourselves, we take it away from Him. God will not have a divided heart.
Perhaps you are sighing under a burden too heavy for you, and you feel it will break your back. Is that not the very way by which the Lord teaches you to lay everything in His hand? Has He ever disappointed you when you truly trusted in Him? Lay your burden on Him, then, and you will find sweet support. Blessed is the man who trusts in Him: He will be with him in this life, uphold him in death and receive him into eternal glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Jehová de los ejércitos, dichoso el hombre que en Ti confía.”
Salmo 84:12
La confianza en Dios implica una renuncia total a uno mismo. En el momento en que confío en mí mismo, dejo de confiar en Dios. En el momento en que quito alguna porción de mi confianza al Señor y pongo un grano de ella en mí mismo, en ese momento quito toda mi confianza en Dios. Mi confianza en Dios tiene que ser todo o nada. Tiene que ser sin reservas y completa, o de lo contrario es falsa e ilusoria. ¿No es el Señor digno de confianza? Y si es digno de que se confíe en Él en algo, ¿no es digno de que se le confíe todo?
¿Qué confianza verdadera podría tener un hombre en la esposa de su seno si pudiera confiarle una llave, pero no todas? ¿Es eso plena confianza? Así, si podemos confiar en Dios para una cosa y no para todas, ello muestra que no tenemos verdadera confianza en Él. No tiene verdadera confianza en su esposa el hombre que no puede darle todas las llaves.
No tiene verdadera confianza en Dios el hombre que no puede darle todo su corazón y poner todo en Su mano: familia, bienes, cuerpo y alma. La esfera y la obra de la fe verdadera es poner todo en las manos de Dios, sin defraudar nada del precio. Es esta reserva secreta lo que Dios aborrece; lleva la hipocresía escrita en la cara. No confíe en Dios para nada, o confíe en Él para todo. Dios no aceptará un corazón dividido. Déle todo, o nada. ¿Y no es Él digno de ello? ¿Le ha defraudado alguna vez cuando usted ha puesto realmente su confianza en Él? ¿No dice: “¿He sido Yo a Israel soledad, o tierra de tinieblas? ¿Por qué ha dicho Mi pueblo: Señores somos; nunca más vendremos a Ti?” (Jeremías 2:31.)
Pero David vio cuán pocos había que confiaran en Dios de todo corazón. Este sentimiento parece haberle hecho decir: “Dichoso el hombre”, ese hombre singular, ese individuo raro, “que en Ti confía”. La bendición de Dios reposa sobre ese hombre feliz, ese hombre tan favorecido. Es bendito para el tiempo y para la eternidad. Tiene la bendición de Dios aun ahora en su alma. ¡Oh, cuán raro es que estemos en ese marco dulce y bendito en que podemos poner nuestra confianza enteramente en Dios; confiar en Él para la vida y para la muerte; confiar en Él para todas las cosas, pasadas, presentes y venideras!
Sin embargo, sin una medida de esta fe no hay paz sólida, ni descanso verdadero y duradero. Y a esto tiene usted que llegar tarde o temprano; porque no puede llevar sus propias cargas sin que le rompan la espalda. Pero cuando pueda echar su carga sobre el Señor, entonces ciertamente hallará dulce alivio.
¿No podemos, pues, unir corazón y voz con David: “Jehová de los ejércitos, dichoso el hombre que en Ti confía”? Ese tal nunca será defraudado. El Señor oirá su oración; el Señor bendecirá su alma; estará con él en la vida, le sostendrá en la muerte y le llevará a estar con Él en la eternidad.
Al lector…
¿Sabe usted cuántas llaves ha dado al Señor? Fácilmente decimos que confiamos en Dios, pero en secreto todavía guardamos una habitación para nosotros mismos: una preocupación por nuestra familia, un temor por nuestro cuerpo, un plan para mañana. Y sin embargo, en el momento en que volvemos una parte de nuestra confianza hacia nosotros mismos, se la quitamos a Él. Dios no quiere un corazón dividido.
Quizá esté usted gimiendo bajo una carga demasiado pesada para usted, y siente que le romperá la espalda. ¿No es ese precisamente el camino por el cual el Señor le enseña a ponerlo todo en Su mano? ¿Le ha defraudado alguna vez cuando usted confió verdaderamente en Él? Eche, pues, su carga sobre Él, y hallará dulce sostén. Dichoso el hombre que en Él confía: Él estará con él en esta vida, le sostendrá en la muerte y le recibirá en la gloria eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl