December 6
Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalm 84:13
Vertrouwen op God houdt in een volkomen zelfverloochening. Op hetzelfde ogenblik dat ik op mijzelf vertrouw, laat ik na op God te vertrouwen. Op hetzelfde ogenblik dat ik een deel van mijn vertrouwen van de Heere aftrek en dit op mijzelf vestig, neem ik al mijn vertrouwen op God weg. Mijn vertrouwen moet geheel en al op Hem zijn, en anders is er geen sprake van vertrouwen op Hem. Ik moet van het vertrouwen geen deel achterhouden. Het moet volkomen zijn, en anders is het vals en bedriegelijk.
Is de Heere niet waardig om ons vertrouwen op Hem te stellen? En indien Hij waardig is ons volkomen vertrouwen, is Hij het dan niet waardig dat men Hem in elk opzicht vertrouwt? Welk een waar vertrouwen kan een man in zijn echtgenote hebben, indien hij haar slechts één en niet alle sleutels toevertrouwt? Mag dat een vol vertrouwen heten? Alzo, indien wij God maar voor iets en niet voor alles het vertrouwen schenken willen, dan bewijst het dat wij geen waar vertrouwen in Hem stellen. Een man heeft geen oprecht vertrouwen in zijn vrouw, als hij haar niet alle sleutels geven wil. Iemand heeft niet het waarachtige vertrouwen in God, indien hij niet zijn gehele hart en niet alles, zijn huisgezin, zijn eigendom en lichaam en ziel, in Zijn handen geeft.
De neiging en het werk van het ware geloof is alles in de hand Gods te stellen, en niets van de prijs achter te houden. De geheime terughouding is hetgeen God haat; dit is ook huichelarij. Vertrouw op God in niets, of vertrouw op Hem in alles. God wil geen verdeeld hart. Geef Hem alles of niets. En is Hij het niet waardig? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer gij waarlijk op Hem vertrouwd hebt? Zegt Hij niet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren; wij zullen niet meer tot U komen?” (Jeremia 2:31).
Doch David zag hoe weinigen er waren die met hun gehele hart op God vertrouwden. Deze overweging schijnt hem ertoe gebracht te hebben om te zeggen: „Welgelukzalig is de mens, die bijzondere mens, die zeldzame mens, die op U vertrouwt!” De zegen Gods rust op die gelukkige, op die hoogst beweldadigde mens. Hij is gezegend voor de tijd en voor de eeuwigheid. Hij heeft de zegen Gods nu zelfs in zijn ziel.
O, hoe zeldzaam is het voor ons dat wij in die zoete, gezegende gestalte verkeren, dat wij ons gehele vertrouwen op God stellen: Hem vertrouwen voor het leven en de dood, Hem vertrouwen voor alle dingen, voor het verleden, het tegenwoordige en het toekomende. Ja, zonder een zekere mate van dit geloof is er geen ware vrede, geen zekere en blijvende rust. En hiertoe moet gij toch vroeger of later komen, want gij kunt uw eigen last niet dragen zonder uw nek te breken. Doch wanneer gij uw last op de Heere kunt leggen, dan zult gij gewisselijk een zoete ondersteuning ontwaren.
Mogen wij dan niet ons hart en onze stem met David verenigen: „O Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt”? Zulk een zal nooit beschaamd uitkomen. De Heere zal zijn gebed horen; de Heere zal zijn ziel zegenen, zal met hem zijn in dit leven, zal hem ondersteunen in de dood, en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Weet u hoeveel sleutels u de Heere gegeven hebt? Wij zeggen gemakkelijk dat wij op God vertrouwen, maar houden in het geheim nog een kamer voor onszelf: een zorg om ons huisgezin, een vrees voor ons lichaam, een plan voor de dag van morgen. En toch, op hetzelfde ogenblik dat wij een deel van ons vertrouwen op onszelf vestigen, nemen wij het van Hem weg. God wil geen verdeeld hart.
Misschien zucht u onder een last die u te zwaar is, en voelt u dat u er uw nek onder zult breken. Is dat niet de weg waarlangs de Heere u leert alles in Zijn hand te stellen? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u waarlijk op Hem vertrouwd hebt? Leg dan uw last op Hem, en u zult een zoete ondersteuning ontwaren. Welgelukzalig is de mens die op Hem vertrouwt: Hij zal met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalm 84:13
Vertrouwen op God houdt een volkomen zelfverloochening in. Op het ogenblik dat ik op mijzelf vertrouw, houd ik op op God te vertrouwen. Op het ogenblik dat ik een deel van mijn vertrouwen van de Heere aftrek en het op mijzelf richt, neem ik al mijn vertrouwen op God weg. Mijn vertrouwen moet helemaal op Hem zijn, anders is er geen sprake van vertrouwen op Hem. Ik mag niets van mijn vertrouwen achterhouden. Het moet volkomen zijn, anders is het vals en bedrieglijk.
Is de Heere het niet waard dat wij ons vertrouwen op Hem stellen? En als Hij ons volkomen vertrouwen waard is, is Hij het dan niet waard dat men Hem in elk opzicht vertrouwt? Wat voor waar vertrouwen heeft een man in zijn vrouw, als hij haar maar één sleutel toevertrouwt en niet alle sleutels? Mag dat een volkomen vertrouwen heten? Zo is het ook: als wij God maar voor iets en niet voor alles willen vertrouwen, bewijst dat dat wij geen waar vertrouwen in Hem stellen. Een man heeft geen oprecht vertrouwen in zijn vrouw als hij haar niet alle sleutels wil geven. Iemand heeft geen waarachtig vertrouwen in God als hij niet zijn hele hart en alles, zijn gezin, zijn bezit, lichaam en ziel, in Zijn handen geeft.
De neiging en het werk van het ware geloof is alles in Gods hand te leggen en niets van de prijs achter te houden. Dat heimelijke achterhouden is wat God haat; het is ook huichelarij. Vertrouw God in niets, of vertrouw Hem in alles. God wil geen verdeeld hart. Geef Hem alles of niets. En is Hij het niet waard? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u werkelijk op Hem vertrouwde? Zegt Hij niet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren; wij zullen niet meer tot U komen?” (Jeremia 2:31).
Maar David zag hoe weinigen er waren die met hun hele hart op God vertrouwden. Die overweging lijkt hem ertoe gebracht te hebben te zeggen: „Welgelukzalig is de mens, die bijzondere mens, die zeldzame mens, die op U vertrouwt!” De zegen van God rust op die gelukkige, op die zo rijk begenadigde mens. Hij is gezegend voor de tijd en voor de eeuwigheid. Hij heeft de zegen van God nu al in zijn ziel.
O, hoe zelden verkeren wij in die zoete, gezegende gestalte waarin wij ons hele vertrouwen op God stellen: Hem vertrouwen voor leven en dood, Hem vertrouwen voor alle dingen, voor het verleden, het heden en de toekomst. Ja, zonder een zekere mate van dit geloof is er geen ware vrede, geen zekere en blijvende rust. En daar moet u vroeg of laat toch komen, want u kunt uw eigen last niet dragen zonder uw nek te breken. Maar wanneer u uw last op de Heere kunt leggen, zult u zeker een zoete ondersteuning ervaren.
Mogen wij dan niet ons hart en onze stem met David verenigen: „O Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt”? Zo iemand zal nooit beschaamd uitkomen. De Heere zal zijn gebed horen; de Heere zal zijn ziel zegenen, met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Aan de lezer…
Weet u hoeveel sleutels u de Heere gegeven hebt? Wij zeggen gemakkelijk dat wij op God vertrouwen, maar houden in het geheim nog een kamer voor onszelf: een zorg om ons gezin, een vrees voor ons lichaam, een plan voor de dag van morgen. En toch, op het ogenblik dat wij een deel van ons vertrouwen op onszelf richten, nemen wij het van Hem weg. God wil geen verdeeld hart.
Misschien zucht u onder een last die u te zwaar is, en voelt u dat u er uw nek onder zult breken. Is dat niet de weg waarlangs de Heere u leert alles in Zijn hand te leggen? Heeft Hij u ooit teleurgesteld wanneer u werkelijk op Hem vertrouwde? Leg uw last dan op Hem, en u zult een zoete ondersteuning ervaren. Welgelukzalig is de mens die op Hem vertrouwt: Hij zal met hem zijn in dit leven, hem ondersteunen in de dood en hem opnemen in de eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“O LORD of hosts, blessed is the man that trusteth in thee.”
Psalm 84:12
Trust in God implies total self-renunciation. The moment that I trust in myself, I cease to trust in God. The moment I take any portion of my confidence away from the Lord and put a grain of it in myself, that moment I take away all my trust in God. My trust in God must be all or nothing. It must be unreserved and complete, or else it is false and delusive. Is not the Lord worthy to be trusted? And if He is worthy to be trusted at all, is He not worthy to be trusted with all?
What real confidence could a man have in the wife of his bosom if he could trust her with one key, but not with all? Is that full confidence? So, if we can trust God for one thing and not for all, it shows that we have no real trust in Him. A man has no real trust in his wife who cannot give her all the keys.
A man has no real trust in God who cannot give Him all his heart, and put everything into His hand; family, property, body, and soul. The province and work of true faith is to put everything into the hands of God, keeping back no part of the price. It is this secret reserve that God hates; there is hypocrisy on the very face of it. Trust in God for nothing; or trust in Him for all. God will not take a divided heart. Give Him all, or none. And is He not worthy of it? Has He ever disappointed you whenever you have really put your trust in Him? Does He not say, “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness? wherefore say My people, We are lords; we will come no more unto You?” (Jer. 2:31.)
But David saw how few there were that with all their hearts did trust in God. This feeling seems to have made him say, “Blessed is the man,” that peculiar man, that rare individual, “that trusts in You!” The blessing of God rests upon that happy, that highly-favored man. He is blessed for time and for eternity. He has the blessing of God even now in his soul. Oh! how rare it is for us to be in that sweet, blessed frame when we can put our trust wholly in God; trust Him for life and death; trust Him for all things, past, present, and to come.
Yet without a measure of this faith, there is no solid peace, no real and abiding rest. And to this you must sooner or later come; for you cannot carry your own burdens without their breaking your back. But when you can cast your burden on the Lord, then you will surely find sweet relief.
May we not, then, join heart and voice with David, “O Lord of hosts, blessed is the man that trusts in You”? Such a one will never be disappointed. The Lord will hear his prayer; the Lord will bless his soul; will be with him in life, support him in death, and take him to be with Him in eternity.
To the reader…
Do you know how many keys you have given the Lord? We easily say that we trust in God, but secretly we still keep a room for ourselves: a care for our family, a fear for our body, a plan for tomorrow. And yet, the moment we turn part of our trust toward ourselves, we take it away from Him. God will not have a divided heart.
Perhaps you are sighing under a burden too heavy for you, and you feel it will break your back. Is that not the very way by which the Lord teaches you to lay everything in His hand? Has He ever disappointed you when you truly trusted in Him? Lay your burden on Him, then, and you will find sweet support. Blessed is the man who trusts in Him: He will be with him in this life, uphold him in death and receive him into eternal glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Jehová de los ejércitos, dichoso el hombre que en Ti confía.”
Salmo 84:12
La confianza en Dios implica una renuncia total a uno mismo. En el momento en que confío en mí mismo, dejo de confiar en Dios. En el momento en que quito alguna porción de mi confianza al Señor y pongo un grano de ella en mí mismo, en ese momento quito toda mi confianza en Dios. Mi confianza en Dios tiene que ser todo o nada. Tiene que ser sin reservas y completa, o de lo contrario es falsa e ilusoria. ¿No es el Señor digno de confianza? Y si es digno de que se confíe en Él en algo, ¿no es digno de que se le confíe todo?
¿Qué confianza verdadera podría tener un hombre en la esposa de su seno si pudiera confiarle una llave, pero no todas? ¿Es eso plena confianza? Así, si podemos confiar en Dios para una cosa y no para todas, ello muestra que no tenemos verdadera confianza en Él. No tiene verdadera confianza en su esposa el hombre que no puede darle todas las llaves.
No tiene verdadera confianza en Dios el hombre que no puede darle todo su corazón y poner todo en Su mano: familia, bienes, cuerpo y alma. La esfera y la obra de la fe verdadera es poner todo en las manos de Dios, sin defraudar nada del precio. Es esta reserva secreta lo que Dios aborrece; lleva la hipocresía escrita en la cara. No confíe en Dios para nada, o confíe en Él para todo. Dios no aceptará un corazón dividido. Déle todo, o nada. ¿Y no es Él digno de ello? ¿Le ha defraudado alguna vez cuando usted ha puesto realmente su confianza en Él? ¿No dice: “¿He sido Yo a Israel soledad, o tierra de tinieblas? ¿Por qué ha dicho Mi pueblo: Señores somos; nunca más vendremos a Ti?” (Jeremías 2:31.)
Pero David vio cuán pocos había que confiaran en Dios de todo corazón. Este sentimiento parece haberle hecho decir: “Dichoso el hombre”, ese hombre singular, ese individuo raro, “que en Ti confía”. La bendición de Dios reposa sobre ese hombre feliz, ese hombre tan favorecido. Es bendito para el tiempo y para la eternidad. Tiene la bendición de Dios aun ahora en su alma. ¡Oh, cuán raro es que estemos en ese marco dulce y bendito en que podemos poner nuestra confianza enteramente en Dios; confiar en Él para la vida y para la muerte; confiar en Él para todas las cosas, pasadas, presentes y venideras!
Sin embargo, sin una medida de esta fe no hay paz sólida, ni descanso verdadero y duradero. Y a esto tiene usted que llegar tarde o temprano; porque no puede llevar sus propias cargas sin que le rompan la espalda. Pero cuando pueda echar su carga sobre el Señor, entonces ciertamente hallará dulce alivio.
¿No podemos, pues, unir corazón y voz con David: “Jehová de los ejércitos, dichoso el hombre que en Ti confía”? Ese tal nunca será defraudado. El Señor oirá su oración; el Señor bendecirá su alma; estará con él en la vida, le sostendrá en la muerte y le llevará a estar con Él en la eternidad.
Al lector…
¿Sabe usted cuántas llaves ha dado al Señor? Fácilmente decimos que confiamos en Dios, pero en secreto todavía guardamos una habitación para nosotros mismos: una preocupación por nuestra familia, un temor por nuestro cuerpo, un plan para mañana. Y sin embargo, en el momento en que volvemos una parte de nuestra confianza hacia nosotros mismos, se la quitamos a Él. Dios no quiere un corazón dividido.
Quizá esté usted gimiendo bajo una carga demasiado pesada para usted, y siente que le romperá la espalda. ¿No es ese precisamente el camino por el cual el Señor le enseña a ponerlo todo en Su mano? ¿Le ha defraudado alguna vez cuando usted confió verdaderamente en Él? Eche, pues, su carga sobre Él, y hallará dulce sostén. Dichoso el hombre que en Él confía: Él estará con él en esta vida, le sostendrá en la muerte y le recibirá en la gloria eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl