6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
Micha 7:18
God heeft lust aan goedertierenheid. Zij wordt Hem niet afgedwongen; zij wordt Hem niet afgeperst door onbeschaamdheid; zij wordt niet aan Zijn hart onttrokken door het geroep Zijner kinderen; maar Hij heeft er lust in, omdat het Zijn liefste eigenschap is, daar het Gods welbehagen is goedertieren te zijn over de ellendige. Hoe moeilijk is het voor ons dit te geloven, vóórdat de genade in de ziel komt en haar liefelijkheid in het geweten gevoeld wordt. Hoe stellen wij ons God voor in Zijn gramschap, in Zijn rechtvaardigheid, in Zijn vreselijk misnoegen tegen de zonde en de zondaars; hoe zijn wij buiten staat te geloven, dat er goedertierenheid voor ons is en dat Hij er een welbehagen in heeft Zijn goedertierenheid aan arme, ellendige, boetvaardige zondaren te betonen.
Wie zou aan goedertierenheid hebben kunnen denken, zo zij niet eerst in de boezem van God geweest was? Wie zou zulk een gedachte gewaagd of gekoesterd hebben, dat er vergiffenis is bij God; dat Hij de ongerechtigheid en overtreding en zonde kan vergeven; dat Hij al zijn zonden achter Zich kan werpen, en ze uitwissen als een wolk, ja, als een dikke wolk? Dit heeft God van Zichzelf in Zijn Woord geopenbaard, maar het is slechts als de goedertierenheid de ontroerde ziel bezoekt en God Zijn goedheid en liefde tentoonspreidt in de openbaring van Zijn lieve Zoon, dat wij kunnen opstaan in het zoete vermoeden van hetgeen Zijn goedertierenheid werkelijk is, en er ons niet alleen in verheugen als geschikt, maar ook als zaligend voor ons.
De Heer is recht in al Zijn weg en werk,
Zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.
Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht,
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht,
dat ongeveinsd in ’t midden der ellenden
zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.
Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen:
Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
Ps. 145:6
Aan de lezer…
Misschien stelt u zich God vooral voor in Zijn gramschap en in Zijn vreselijk misnoegen tegen de zonde. Dat is geen wonder, want van nature kunnen wij niet geloven dat er goedertierenheid is voor zulken als wij. Maar hoor wat de Heere van Zichzelf zegt: Hij heeft lust aan goedertierenheid. Zij wordt Hem niet afgeperst, niet door veel aandringen aan Zijn hart onttrokken; zij is Hem lief, en het is Zijn welbehagen goedertieren te zijn over de ellendige.
Bent u een arme, boetvaardige zondaar, die met ongerechtigheid en overtreding beladen is, wanhoop dan niet. Wie is een God gelijk Hij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de zonden achter Zich werpt als een dikke wolk? Zie het in Zijn lieve Zoon, in Wie Hij Zijn goedheid en liefde tentoonspreidt. Moge die goedertierenheid uw ontroerde ziel bezoeken, opdat u er u niet alleen in verheugt als geschikt, maar haar ook ervaart als zaligend voor u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
Micha 7:18
God heeft lust aan goedertierenheid. Zij wordt Hem niet afgedwongen, niet door onbeschaamdheid afgeperst, en niet aan Zijn hart onttrokken door het geroep van Zijn kinderen. Nee, Hij heeft er lust in, omdat het Zijn liefste eigenschap is: het is Gods welbehagen goedertieren te zijn over de ellendige. Hoe moeilijk is het voor ons dit te geloven, voordat de genade in de ziel komt en haar lieflijkheid in het geweten gevoeld wordt! Hoe stellen wij ons God voor in Zijn gramschap, in Zijn rechtvaardigheid, in Zijn vreselijk misnoegen tegen de zonde en de zondaars. Hoe onmogelijk is het ons dan te geloven dat er goedertierenheid voor ons is, en dat Hij er welbehagen in heeft Zijn goedertierenheid te bewijzen aan arme, ellendige, boetvaardige zondaars.
Wie zou aan goedertierenheid hebben kunnen denken als zij niet eerst in de boezem van God was geweest? Wie zou het gewaagd hebben zo’n gedachte te koesteren: dat er vergeving is bij God; dat Hij de ongerechtigheid, de overtreding en de zonde kan vergeven; dat Hij al iemands zonden achter Zich kan werpen en ze kan uitwissen als een wolk, ja, als een dikke wolk? Dit heeft God in Zijn Woord van Zichzelf geopenbaard. Maar pas wanneer de goedertierenheid de ontroerde ziel bezoekt, en God Zijn goedheid en liefde tentoonspreidt in de openbaring van Zijn lieve Zoon, kunnen wij opstaan in het zoete vermoeden van wat Zijn goedertierenheid werkelijk is. Dan verheugen wij ons erin, niet alleen omdat zij geschikt is voor ons, maar ook omdat zij zaligend is voor ons.
De Heer is recht in al Zijn weg en werk,
Zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.
Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht,
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht,
dat ongeveinsd in ’t midden der ellenden
zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.
Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen:
Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
Ps. 145:6
Aan de lezer…
Misschien stelt u zich God vooral voor in Zijn gramschap en in Zijn vreselijk misnoegen tegen de zonde. Dat is geen wonder, want van nature kunnen wij niet geloven dat er goedertierenheid is voor mensen zoals wij. Maar hoor wat de Heere van Zichzelf zegt: Hij heeft lust aan goedertierenheid. Zij wordt Hem niet afgeperst en niet door veel aandringen aan Zijn hart onttrokken; zij is Hem lief, en het is Zijn welbehagen goedertieren te zijn over de ellendige.
Bent u een arme, boetvaardige zondaar, beladen met ongerechtigheid en overtreding, wanhoop dan niet. Wie is een God zoals Hij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de zonden achter Zich werpt als een dikke wolk? Zie het in Zijn lieve Zoon, in Wie Hij Zijn goedheid en liefde tentoonspreidt. Moge die goedertierenheid uw ontroerde ziel bezoeken, zodat u zich er niet alleen in verheugt omdat zij geschikt is voor u, maar haar ook ervaart als zaligend voor u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who is a God like unto Thee, that pardoneth iniquity, and passeth by the transgression of the remnant of His heritage? He retaineth not His anger for ever, because He delighteth in mercy.
Micah 7:18
God delights in mercy. It is not drawn from Him unwillingly; it is not forced out of Him even by importunity; it is not dragged out of His heart by the cries of His people; but He delights in it as being His darling attribute, the very pleasure of God being in showing mercy to the miserable. How hard it is for us to believe this, until mercy visits the soul and a sweet sense of it is felt in the conscience. How we represent to ourselves God in His anger, in His justice, in His terrible displeasure against sin and sinners; how unable to believe that there is mercy for us, and that He delights in manifesting mercy to poor miserable, penitent sinners.
Whoever would have thought of mercy unless it had first been in the bosom of God? Who could have ventured to entertain or suggest such a thought, that “there is forgiveness with God;” that He can “pardon iniquity, and transgression, and sin;” that He can cast all our sins behind His back, and blot them out as a cloud, yes, as a thick cloud? This is what God has revealed of Himself in His Word, but it is only as mercy visits the troubled breast, and God displays His goodness and love in the revelation of His dear Son, that we can rise up into any sweet apprehension of what His mercy really is, and rejoice in it not only as suitable, but as saving.
To the reader…
Perhaps you picture God above all in His anger and in His terrible displeasure against sin. That is no wonder, for by nature we cannot believe that there is mercy for people such as we are. But hear what the Lord says of Himself: He delights in mercy. It is not forced out of Him, nor drawn from His heart by much pleading; it is dear to Him, and it is His good pleasure to show mercy to the miserable.
If you are a poor, penitent sinner, laden with iniquity and transgression, do not despair. Who is a God like Him, Who pardons iniquity and casts our sins behind His back, blotting them out as a thick cloud? See it in His dear Son, in Whom He displays His goodness and love. May that mercy visit your troubled soul, so that you not only rejoice in it as suitable for you, but also know it as saving for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué Dios como Tú, que perdona la maldad, y olvida el pecado del resto de Su heredad? No retuvo para siempre Su enojo, porque es amador de misericordia.
Miqueas 7:18
Dios se deleita en la misericordia. No se Le saca de mala gana; no se Le arranca ni siquiera a fuerza de importunidad; no se extrae de Su corazón por los clamores de Su pueblo; sino que Él se deleita en ella como en Su atributo predilecto, pues el mismo placer de Dios está en mostrar misericordia a los miserables. ¡Cuán difícil nos es creer esto, hasta que la misericordia visita el alma y se siente en la conciencia un dulce sentido de ella! ¡Cómo nos representamos a Dios en Su ira, en Su justicia, en Su terrible desagrado contra el pecado y los pecadores; cuán incapaces somos de creer que hay misericordia para nosotros, y que Él se deleita en manifestar misericordia a pobres pecadores miserables y arrepentidos!
¿Quién habría pensado jamás en la misericordia si no hubiera estado primero en el seno de Dios? ¿Quién se habría atrevido a albergar o sugerir un pensamiento tal, que “hay perdón cerca de Él”; que Él puede “perdonar la iniquidad, la rebelión y el pecado”; que puede echar todos nuestros pecados tras Sus espaldas, y deshacerlos como a nube, sí, como a densa nube? Esto es lo que Dios ha revelado de Sí mismo en Su Palabra; pero solo cuando la misericordia visita el pecho atribulado, y Dios despliega Su bondad y Su amor en la revelación de Su amado Hijo, podemos elevarnos a alguna dulce comprensión de lo que realmente es Su misericordia, y regocijarnos en ella no solo como adecuada, sino como salvadora.
Al lector…
Quizá usted se representa a Dios sobre todo en Su ira y en Su terrible desagrado contra el pecado. No es de extrañar, porque por naturaleza no podemos creer que haya misericordia para personas como nosotros. Pero escuche lo que el Señor dice de Sí mismo: Él se deleita en la misericordia. No se Le arranca a la fuerza, ni se extrae de Su corazón a fuerza de mucho rogar; Le es querida, y es Su buena voluntad mostrar misericordia a los miserables.
Si usted es un pobre pecador arrepentido, cargado de iniquidad y rebelión, no desespere. ¿Qué Dios como Él, que perdona la maldad y echa nuestros pecados tras Sus espaldas, deshaciéndolos como a densa nube? Véalo en Su amado Hijo, en Quien Él despliega Su bondad y Su amor. Que esa misericordia visite su alma atribulada, para que usted no solo se regocije en ella como adecuada para usted, sino que también la conozca como salvadora para usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Is het met goddelijke kracht in uw geweten bewerkstelligd, dat u Jezus wilt kennen en de kracht van Zijn opstanding; dat u ernaar verlangt Zijn verzoenende bloed te ervaren dat op uw geweten wordt gesprenkeld; dat u ernaar hunkert Zijn oneindige liefde te ervaren die in uw hart wordt uitgestort; dat u de gemeenschap van Zijn lijden wilt kennen, en door de Heilige Geest tot plechtige vereniging met een diepbedroefde Heere geleid wilt worden? Wilt u weten of uw naam in het boek des levens staat? Of de Heilige Geest echt met een genadewerk aan uw geweten is begonnen? Of u zich werkelijk op het smalle pad bevindt dat naar het eeuwige leven leidt? Vervult dit uw ziel wel eens met hevige ongerustheid, zodat het u meer aan het hart gaat dan enige wereldse zorg of enig aards ding?
Als dit zo is, bent u zodanig op zoek dat u wellicht iets zult vinden; en u weet wat u wilt. U wilt kracht, u wilt barmhartigheid, u wilt de zegen die rijk maakt, u wilt het getuigenis Gods en de zoete vertroostingen van de Heilige Geest in uw ziel. Als u dit niet wilt, is uw hele belijdenis een leugen. Maar als u het wel wilt, heeft de Heilige Geest u ook geleerd waar u het kunt vinden.
U bent van het schepsel afgebracht, ontdaan van uw eigen gerechtigheid, verzwakt wat betreft uw eigen kracht; uw kwade hart is blootgelegd, u hebt de last der zonde in een schuldig geweten gevoeld, en echte onrust gekend, en soms geestelijke nood. U hebt de weg van verlossing door de Zoon van God gezien. U gelooft dat Hij „de weg, de waarheid en het leven” is; en u gelooft dat geen ander dan Hij, in Zijn heerlijke openbaringen, uw hulpeloze ziel goed kan doen.
Lezen: Psalm 90
Aan de lezer…
Gaat het u meer aan het hart dan enige wereldse zorg, of uw naam in het boek des levens staat? Kent u die hevige ongerustheid of de Heilige Geest werkelijk een genadewerk in u begonnen is, en of u wel op het smalle pad bent? Laat dat zoeken u niet ontmoedigen. Wie zo zoekt, weet wat hij wil: kracht, barmhartigheid, de zegen die rijk maakt, het getuigenis Gods in de ziel. En zulk een zoeker zal wellicht iets vinden.
Hebt u de last der zonde in een schuldig geweten gevoeld, bent u van het schepsel afgebracht en van uw eigen gerechtigheid ontdaan, dan is dat geen teken dat de Heere u vergeten heeft. Het is juist de weg waarlangs Hij u leert waar het te vinden is: bij de Zoon van God, Die de weg, de waarheid en het leven is. Hij is een Hoog Vertrek voor de verdrukte, en Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Is het met goddelijke kracht in uw geweten gewerkt dat u Jezus wilt kennen en de kracht van Zijn opstanding? Dat u ernaar verlangt te ervaren dat Zijn verzoenend bloed op uw geweten wordt gesprenkeld; dat u ernaar hunkert Zijn oneindige liefde in uw hart uitgestort te ervaren; dat u de gemeenschap van Zijn lijden wilt kennen, en door de Heilige Geest tot een plechtige vereniging met een diepbedroefde Heere geleid wilt worden? Wilt u weten of uw naam in het boek des levens staat? Of de Heilige Geest werkelijk een genadewerk in uw geweten is begonnen? Of u werkelijk op het smalle pad bent dat naar het eeuwige leven leidt? Vervult dit uw ziel weleens met hevige ongerustheid, zodat het u meer aan het hart gaat dan enige wereldse zorg of enig aards ding?
Als dat zo is, dan zoekt u zo dat u misschien iets zult vinden, en weet u wat u wilt. U wilt kracht, u wilt barmhartigheid, u wilt de zegen die rijk maakt, u wilt het getuigenis van God en de zoete vertroostingen van de Heilige Geest in uw ziel. Als u dat niet wilt, is uw hele belijdenis een leugen. Maar als u het wel wilt, heeft de Heilige Geest u ook geleerd waar u het kunt vinden.
U bent van het schepsel afgebracht, van uw eigen gerechtigheid ontdaan en in uw eigen kracht verzwakt. Uw boze hart is blootgelegd, u hebt de last van de zonde in een schuldig geweten gevoeld, en u hebt werkelijke onrust gekend en soms geestelijke nood. U hebt de weg van de verlossing door de Zoon van God gezien. U gelooft dat Hij „de weg, de waarheid en het leven” is, en u gelooft dat niemand anders dan Hij, in Zijn heerlijke openbaringen, uw hulpeloze ziel goed kan doen.
Lezen: Psalm 90
Aan de lezer…
Gaat het u meer aan het hart dan enige wereldse zorg of uw naam in het boek des levens staat? Kent u die hevige ongerustheid of de Heilige Geest werkelijk een genadewerk in u begonnen is, en of u wel op het smalle pad bent? Laat dat zoeken u niet ontmoedigen. Wie zo zoekt, weet wat hij wil: kracht, barmhartigheid, de zegen die rijk maakt, het getuigenis van God in de ziel. En zo’n zoeker zal misschien iets vinden.
Hebt u de last van de zonde in een schuldig geweten gevoeld, bent u van het schepsel afgebracht en van uw eigen gerechtigheid ontdaan, dan is dat geen teken dat de Heere u vergeten heeft. Het is juist de weg waarlangs Hij u leert waar het te vinden is: bij de Zoon van God, Die de weg, de waarheid en het leven is. Hij is een Hoog Vertrek voor de verdrukte, en Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
Has it been wrought with divine power in your conscience that you want to know Jesus and the power of His resurrection? That you long to feel His atoning blood sprinkled upon your conscience; that you pant to feel His infinite love shed abroad in your heart; that you want to know the fellowship of His sufferings, and to be led by the Holy Ghost into a solemn union with a suffering Lord? Do you want to know whether your name is in the book of life? Whether the Holy Ghost has really begun a work of grace in your conscience? Whether you are really on the narrow path that leads to eternal life?
Does this sometimes fill your soul with intense anxiety, so that it lies nearer your heart than any worldly care or any earthly thing? If so, then you are seeking in such a way that you may perhaps find something, and you know what you want. You want power, you want mercy, you want the blessing that maketh rich, you want the testimony of God and the sweet consolations of the Holy Ghost in your soul. If you do not want this, your whole profession is a lie. But if you do want it, the Holy Ghost has also taught you where to find it.
You have been brought off from the creature, stripped of your own righteousness and weakened in your own strength. Your evil heart has been laid bare, you have felt the burden of sin in a guilty conscience, and you have known real trouble and sometimes spiritual distress. You have seen the way of salvation through the Son of God. You believe that He is “the way, the truth, and the life,” and you believe that none but He, in His blessed manifestations, can do your helpless soul any good.
Reading: Psalm 90
To the reader…
Does it lie nearer your heart than any worldly care whether your name is written in the book of life? Do you know that intense anxiety whether the Holy Ghost has really begun a work of grace in you, and whether you are indeed on the narrow path? Do not let that seeking discourage you. Whoever seeks in this way knows what he wants: power, mercy, the blessing that maketh rich, the testimony of God in the soul. And such a seeker may well find something.
If you have felt the burden of sin in a guilty conscience, if you have been brought off from the creature and stripped of your own righteousness, that is no sign that the Lord has forgotten you. It is the very way by which He teaches you where it is to be found: in the Son of God, Who is the way, the truth and the life. He is a refuge for the oppressed, and He has not forsaken them that seek Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
¿Ha sido obrado con poder divino en su conciencia que usted quiere conocer a Jesús y la virtud de Su resurrección? ¿Que anhela sentir Su sangre expiatoria rociada sobre su conciencia; que suspira por sentir Su amor infinito derramado en su corazón; que quiere conocer la participación de Sus padecimientos, y ser llevado por el Espíritu Santo a una solemne unión con un Señor que padece? ¿Quiere saber si su nombre está en el libro de la vida? ¿Si el Espíritu Santo ha comenzado realmente una obra de gracia en su conciencia? ¿Si está realmente en el camino angosto que lleva a la vida eterna?
¿Llena esto a veces su alma de intensa ansiedad, de modo que le toca el corazón más de cerca que cualquier preocupación mundana o cualquier cosa terrenal? Si es así, entonces está buscando de tal manera que quizá halle algo, y sabe lo que quiere. Quiere poder, quiere misericordia, quiere la bendición que enriquece, quiere el testimonio de Dios y las dulces consolaciones del Espíritu Santo en su alma. Si no quiere esto, toda su profesión es una mentira. Pero si lo quiere, el Espíritu Santo le ha enseñado también dónde hallarlo.
Usted ha sido apartado de la criatura, despojado de su propia justicia y debilitado en su propia fuerza. Su mal corazón ha sido puesto al descubierto, ha sentido la carga del pecado en una conciencia culpable, y ha conocido verdadera angustia y a veces aflicción espiritual. Ha visto el camino de salvación por medio del Hijo de Dios. Cree que Él es “el camino, y la verdad, y la vida”, y cree que nadie sino Él, en Sus benditas manifestaciones, puede hacer ningún bien a su alma desvalida.
Lectura: Salmo 90
Al lector…
¿Le toca el corazón más de cerca que cualquier preocupación mundana la cuestión de si su nombre está escrito en el libro de la vida? ¿Conoce esa intensa ansiedad de si el Espíritu Santo ha comenzado realmente una obra de gracia en usted, y de si está de veras en el camino angosto? No permita que ese buscar le desanime. Quien busca de esta manera sabe lo que quiere: poder, misericordia, la bendición que enriquece, el testimonio de Dios en el alma. Y tal buscador bien puede hallar algo.
Si ha sentido la carga del pecado en una conciencia culpable, si ha sido apartado de la criatura y despojado de su propia justicia, eso no es señal de que el Señor le haya olvidado. Es precisamente el camino por el cual Él le enseña dónde se halla: en el Hijo de Dios, que es el camino, la verdad y la vida. Él es refugio al pobre, y no desamparó a los que Le buscaron.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Mattheüs 26:41
Waarom is het vlees zo zwak? Omdat het gevallen is, omdat het zondig is, omdat het in nauw verband staat met de verzoeking, die het voorgeworpen wordt. Het is zwak tegenover de verzoeking om dezelfde reden als een man, die sterke drank begeert, zwak is als het hem aangeboden wordt. Indien wij geen inwendige begeerte hadden tot het kwaad, geen hoogmoed, geen opstand, geen gevallen natuur, geen vleselijk gezinde geest, geen schandelijke genegenheden, geen aardse, zinnelijke of duivelse dingen in ons, behoefden wij dan de verzoeking wel te vrezen? Neen immers, want dan zouden wij ertegen bestand zijn; het zou zijn alsof men een lucifer in het water stak.
Maar hier ligt onze zwakheid. Indien wij altijd konden weerstaan, dan zouden wij overwinnen; doch wij kunnen niet weerstaan dan door de bijzondere ondersteuning Gods. Dit is een les, die wij allen moeten leren. De zwakheid van het vlees vertoont zich voortdurend in toegevendheid, in geen weerstand te bieden, in het overgeven, in het toegeven, dikwijls zonder strijd, ja somtijds zelfs door zich aan de zijde van de verzoeking te plaatsen. Hoe treffend zijn de woorden van Hart:
Ik speelde ’s zeemans zotte spel,
Die zag, en niet de rots ontweek.
Is er iemand, die God kent en vreest, die zeggen kan, dat hij nooit dit spel gespeeld heeft; die de rots voor zich zag en er toch op gelopen is; die treurde, zuchtte, kermde en berouw had, en toch wederom is overwonnen geworden; die het uitgespreide net gezien heeft en het touw om zijn hals voelde, en er toch in gevangen geraakte, ik wil zeggen: erin geworgd werd? Door deze omstandigheden is het, dat wij de zwakheden van het vlees leren kennen; zwak om te geloven, zwak om te hopen, zwak om te beminnen, zwak om te vechten, zwak om te weerstaan, zwak om te overwinnen, zwak om te wachten of op wacht te staan, zwak om te bidden, zwak om staande te blijven, zwak tot alle goede dingen en sterk om het kwaad te bedrijven. Het vlees is inderdaad zwak. Wat zijn alle besluiten, beloften, wensen, betrachtingen, alle strijd, tenzij de ziel door de machtige hand Gods wordt ondersteund?
En toch is de geest gewillig. Hier is het kind van God onderscheiden van degenen, die als een roof aan de verzoeking zijn overgegeven. Het heeft een gewillige geest, die zij niet hebben. Maar hoe is de geest gewillig? Hij is gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Het is een nieuwe geest en daarom een gewillige geest. Maar wat wil het zeggen, gewillig te zijn? Gewillig om te gehoorzamen, om op wacht te staan, om te bidden, om de wil van God te betrachten, om de lusten en genegenheden van het vlees te kruisigen, om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen.
En hoe betoont deze nieuwe mens zijn gewilligheid? Door menigerlei strijd, die hij onderhoudt tegen het vlees. Vlees en geest gaan tegenovergestelde wegen; de geest geheel gewilligheid, het vlees geheel zwakheid; het vlees rondom de geest gekronkeld, de geest strijdende onder de sterke omvatting van het vlees. De worsteling gaat van hier uit. De geest is gewillig om Gods Woord te lezen en Gods aangezicht te zoeken en het hart voor Hem uit te storten; het vlees is zwak en vindt het gebed een last.
De geest is gewillig om offeranden te doen, om vervolgingen te verduren, om verdrukkingen te verdragen, om het kruis te dragen, om met Jezus te lijden, om tot den bloede toe de zonde tegen te staan; het vlees daarentegen is zwak en verhindert daardoor de geest, is onbekwaam om zelfs maar een ogenblik te staan, gaat akkoord met elke ingeving tot het kwade en luistert naar elke aantijging, die satan in het oor blaast en hoort of luistert naar het gemoed.
Waar nu de geest gewillig is en het vlees zwak, is dit een reden, dat wij wakende en biddende moeten zijn. Indien er geen gewillige geest was, wij zouden niet behoeven wakende te zijn, het zou nutteloos zijn; ook zou het gebed niet aangenaam zijn in de oren des Heeren Zebaoths. Indien er niets dan vlees was, de gelovige zou enkel zwakheid zijn; maar de geest hebbende, is er in hem enige gewilligheid, en de Heere merkt hierop.
Aan de lezer…
Hebt u ook het zotte spel gespeeld, waarde lezer? Zaagt u de rots en ontweekt haar toch niet; hebt u getreurd, gezucht en berouw gehad, en bent u daarna wederom overwonnen? Dan weet u uit eigen ervaring hoe zwak het vlees is: zwak om te geloven, zwak om te bidden, zwak tot alle goede dingen en sterk om het kwaad te bedrijven. Wat zijn al uw besluiten en beloften, tenzij de machtige hand Gods u ondersteunt?
Maar laat die zwakheid u niet doen wanhopen. Is er in u een geest die gewillig is om Gods aangezicht te zoeken, om het hart voor Hem uit te storten, om tegen de zonde te strijden, dan is dat een nieuwe geest, gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Die worsteling is geen teken dat u buiten staat, maar dat er leven is. Waak dan en bid, want de Heere merkt op die gewilligheid, hoe klein en hoe bestreden zij ook is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Mattheüs 26:41
Waarom is het vlees zo zwak? Omdat het gevallen is, omdat het zondig is, omdat het nauw verbonden is met de verzoeking die het wordt voorgehouden. Het is zwak tegenover de verzoeking om dezelfde reden als een man die naar sterke drank verlangt zwak is wanneer die hem wordt aangeboden. Als wij geen inwendige begeerte naar het kwaad hadden, geen hoogmoed, geen opstand, geen gevallen natuur, geen vleselijk gezinde geest, geen schandelijke genegenheden, niets aards, zinnelijks of duivels in ons, zouden wij de verzoeking dan moeten vrezen? Nee toch, want dan zouden wij ertegen bestand zijn; het zou zijn alsof men een lucifer in het water stak.
Maar hier ligt onze zwakheid. Als wij altijd konden weerstaan, dan zouden wij overwinnen; maar wij kunnen alleen weerstaan door de bijzondere ondersteuning van God. Dit is een les die wij allemaal moeten leren. De zwakheid van het vlees laat zich voortdurend zien in toegeeflijkheid, in geen weerstand bieden, in overgeven, in toegeven, vaak zonder strijd, ja soms zelfs door zich aan de kant van de verzoeking te scharen. Hoe treffend zijn de woorden van Hart:
Ik speelde ’s zeemans zotte spel,
Die zag, en niet de rots ontweek.
Is er iemand die God kent en vreest, die kan zeggen dat hij dit spel nooit gespeeld heeft? Die nooit de rots voor zich zag en er toch op liep; die treurde, zuchtte, kermde en berouw had, en toch opnieuw werd overwonnen; die het uitgespreide net zag en het touw om zijn hals voelde, en er toch in verstrikt raakte, ik zou haast zeggen: erin gewurgd werd? Juist door zulke omstandigheden leren wij de zwakheden van het vlees kennen: zwak om te geloven, zwak om te hopen, zwak om lief te hebben, zwak om te vechten, zwak om te weerstaan, zwak om te overwinnen, zwak om te wachten of op wacht te staan, zwak om te bidden, zwak om staande te blijven, zwak tot al het goede en sterk om het kwaad te doen. Het vlees is inderdaad zwak. Wat zijn alle besluiten, beloften, wensen, voornemens en alle strijd, tenzij de ziel door de machtige hand van God wordt ondersteund?
En toch is de geest gewillig. Hierin onderscheidt het kind van God zich van hen die als een prooi aan de verzoeking zijn overgegeven. Het heeft een gewillige geest, die zij niet hebben. Maar hoe is de geest gewillig? Hij is gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Het is een nieuwe geest en daarom een gewillige geest. Maar wat betekent het gewillig te zijn? Gewillig om te gehoorzamen, om op wacht te staan, om te bidden, om de wil van God te doen, om de lusten en genegenheden van het vlees te kruisigen, om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen.
En hoe toont deze nieuwe mens zijn gewilligheid? Door de vele strijd die hij voert tegen het vlees. Vlees en geest gaan tegengestelde wegen: de geest is een en al gewilligheid, het vlees een en al zwakheid. Het vlees heeft zich om de geest heen gekronkeld, en de geest strijdt onder de sterke omklemming van het vlees. Daar komt de worsteling vandaan. De geest is gewillig om Gods Woord te lezen, Gods aangezicht te zoeken en het hart voor Hem uit te storten; het vlees is zwak en vindt het gebed een last.
De geest is gewillig om offers te brengen, vervolgingen te verduren, verdrukkingen te verdragen, het kruis te dragen, met Jezus te lijden en tot den bloede toe de zonde te weerstaan. Het vlees daarentegen is zwak en hindert daardoor de geest. Het is niet in staat zelfs maar een ogenblik te staan, stemt in met elke ingeving tot het kwade en luistert naar elke beschuldiging die satan in het oor blaast en die het gemoed hoort of waarnaar het luistert.
Omdat nu de geest gewillig is en het vlees zwak, is dat een reden om te waken en te bidden. Als er geen gewillige geest was, zouden wij niet hoeven te waken, want het zou nutteloos zijn; ook zou het gebed niet aangenaam zijn in de oren van de Heere Zebaoth. Als er niets dan vlees was, zou de gelovige enkel zwakheid zijn; maar omdat hij de geest heeft, is er in hem enige gewilligheid, en daar let de Heere op.
Aan de lezer…
Hebt u ook het zotte spel gespeeld, waarde lezer? Zag u de rots en ontweek u haar toch niet; hebt u getreurd, gezucht en berouw gehad, en bent u daarna opnieuw overwonnen? Dan weet u uit eigen ervaring hoe zwak het vlees is: zwak om te geloven, zwak om te bidden, zwak tot al het goede en sterk om het kwaad te doen. Wat zijn al uw besluiten en beloften, tenzij de machtige hand van God u ondersteunt?
Maar laat die zwakheid u niet tot wanhoop brengen. Is er in u een geest die gewillig is om Gods aangezicht te zoeken, het hart voor Hem uit te storten en tegen de zonde te strijden, dan is dat een nieuwe geest, gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Die worsteling is geen teken dat u erbuiten staat, maar dat er leven is. Waak dan en bid, want de Heere let op die gewilligheid, hoe klein en hoe bestreden zij ook is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The spirit indeed is willing, but the flesh is weak.”
Matthew 26:41
Why is flesh so weak? Because it is fallen, because it is sinful, because it has an alliance with the temptation which is presented to it. It is weak against temptation for the same reason that a man who loves strong drink is weak against the offered wine. If we had no inward lusting after evil, no pride, no rebelliousness, no fallen nature, no carnal mind, no vile affections, nothing in us earthly, sensual, or devilish; would we fear temptation? No; for then we would be armored against it; it would be like dipping a match in water.
Here our weakness lies. If we could always resist we would conquer, but resist we cannot, except by the special power of God. This is a lesson we all need to learn. The weakness of the flesh manifests itself continually in compliance, in nonresistance, in giving way, in yielding, often almost without a struggle, no, sometimes in acting a worse and more wicked part still. How striking are the words of Hart—
“That mariner’s mad part I played,
Who sees, yet strikes the rock.”
Is there any one that knows and fears God who can say he has never played that mad part; never seen the rock ahead, and yet run upon it; never mourned, sighed, cried, groaned and repented, and yet been again overcome; never seen the evil of the snare, never felt the rope round his neck, and yet been entangled—I was going to say strangled? It is through these things that we learn the weakness of the flesh; weak to believe, weak to hope, weak to love, weak to fight, weak to resist, weak to overcome, weak to watch, weak to pray, weak to stand, weak to everything good; strong to everything evil. The flesh indeed is weak. What are all resolutions, all promises, all desires, all endeavors, all strugglings, all strivings, except the soul is held up by the mighty power of God?
And yet “the spirit is willing.” Here the child of God is distinguished from those who are given up as a prey to temptation. He has a willing spirit, which they have not. But how is the spirit willing? It is made “willing in the day of God’s power.” It is a new spirit, a free spirit, a holy spirit, a gracious spirit, and therefore a willing spirit.
But what is it willing to do? Willing to obey, to watch, to pray, to be conformed to the will of God, to crucify the lusts and affections, to put off the old man and to put on the new. And how does it show its willingness? By the very struggles it maintains against the flesh; flesh and spirit pulling contrary ways; the spirit all willingness, the flesh all weakness; flesh twining around spirit, spirit struggling under the firm and strong embrace of flesh.
Hence the conflict; the spirit willing to read God’s word, to pray and seek God’s face, and pour out the heart before Him; the flesh weak, and finding prayer a burden. The spirit willing to make sacrifices, endure persecutions, bear afflictions, carry the cross, suffer with Jesus, resist even unto blood striving against sin; the flesh weak, dragging the spirit down with it, unable to stand a single moment, complying with every suggestion to evil, listening to every insinuation of Satan breathed into the ear, hearkening to the tempter, and almost as bad as he.
This then, the willingness of the spirit and the weakness of the flesh, is the reason why there should be watchfulness and prayer. If there were no willing spirit, there would be no need of watchfulness; it would be useless; nor of prayer, for it would not ascend with acceptance into the ears of the Lord of Sabaoth. If there were nothing but flesh, the believer would be all weakness; possessing spirit, there is in him some willingness, and this God looks at.
To the reader…
Have you too played that mad part, dear reader? Did you see the rock and still not steer clear of it; have you mourned, sighed and repented, and afterwards been overcome again? Then you know from your own experience how weak the flesh is: weak to believe, weak to pray, weak to all that is good and strong to do evil. What are all your resolutions and promises, unless the mighty hand of God upholds you?
But do not let that weakness drive you to despair. If there is a spirit in you that is willing to seek God’s face, to pour out your heart before Him and to fight against sin, then that is a new spirit, made willing in the day of God’s power. That struggle is no sign that you stand outside, but that there is life. Watch, then, and pray, for the Lord looks upon that willingness, however small and however assailed it may be.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El espíritu a la verdad está presto, mas la carne enferma.
Mateo 26:41
¿Por qué es tan débil la carne? Porque es caída, porque es pecaminosa, porque tiene alianza con la tentación que se le presenta. Es débil ante la tentación por la misma razón por la que un hombre que ama la bebida fuerte es débil ante el vino que se le ofrece. Si no tuviéramos ninguna codicia interior del mal, ningún orgullo, ninguna rebeldía, ninguna naturaleza caída, ninguna mente carnal, ningún afecto vil, nada en nosotros terrenal, animal o diabólico, ¿temeríamos la tentación? No; porque entonces estaríamos acorazados contra ella; sería como meter un fósforo en el agua.
Aquí está nuestra debilidad. Si pudiéramos resistir siempre, venceríamos; pero resistir no podemos, sino por el poder especial de Dios. Esta es una lección que todos necesitamos aprender. La debilidad de la carne se manifiesta continuamente en la complacencia, en la falta de resistencia, en el ceder, en el rendirse, a menudo casi sin lucha; más aún, a veces en desempeñar un papel peor y más perverso todavía. ¡Cuán llamativas son las palabras de Hart!
“Hice el papel loco de aquel marinero
que ve la roca, y aun así choca contra ella.”
¿Hay alguno que conozca y tema a Dios que pueda decir que nunca ha hecho ese papel loco; que nunca ha visto la roca delante y, sin embargo, ha ido a dar contra ella; que nunca se ha lamentado, suspirado, clamado, gemido y arrepentido, y aun así ha sido vencido de nuevo; que nunca ha visto el mal del lazo, nunca ha sentido la cuerda alrededor del cuello, y sin embargo ha quedado enredado, iba a decir estrangulado? Es por estas cosas como aprendemos la debilidad de la carne: débil para creer, débil para esperar, débil para amar, débil para pelear, débil para resistir, débil para vencer, débil para velar, débil para orar, débil para mantenerse en pie, débil para todo lo bueno; fuerte para todo lo malo. La carne, en verdad, es débil. ¿Qué son todos los propósitos, todas las promesas, todos los deseos, todos los empeños, todas las luchas, todos los esfuerzos, si el alma no es sostenida por el gran poder de Dios?
Y sin embargo, “el espíritu está presto”. Aquí el hijo de Dios se distingue de aquellos que son entregados como presa a la tentación. Él tiene un espíritu dispuesto, que ellos no tienen. Pero ¿cómo está dispuesto el espíritu? Es hecho “de buena voluntad en el día del poder” de Dios. Es un espíritu nuevo, un espíritu libre, un espíritu santo, un espíritu lleno de gracia, y por tanto un espíritu dispuesto.
Pero ¿a qué está dispuesto? Dispuesto a obedecer, a velar, a orar, a conformarse a la voluntad de Dios, a crucificar las concupiscencias y los afectos, a despojarse del viejo hombre y vestirse del nuevo. ¿Y cómo muestra su disposición? Por las mismas luchas que sostiene contra la carne; carne y espíritu tirando en direcciones contrarias; el espíritu todo disposición, la carne toda debilidad; la carne enroscándose alrededor del espíritu, el espíritu forcejeando bajo el abrazo firme y fuerte de la carne.
De ahí el conflicto: el espíritu dispuesto a leer la Palabra de Dios, a orar y buscar el rostro de Dios, y a derramar el corazón delante de Él; la carne débil, y hallando la oración una carga. El espíritu dispuesto a hacer sacrificios, soportar persecuciones, llevar aflicciones, cargar la cruz, padecer con Jesús, resistir hasta la sangre combatiendo contra el pecado; la carne débil, arrastrando consigo al espíritu hacia abajo, incapaz de mantenerse en pie un solo momento, cediendo a toda sugerencia al mal, escuchando toda insinuación de Satanás susurrada al oído, prestando oído al tentador, y casi tan mala como él.
Esto, pues, la disposición del espíritu y la debilidad de la carne, es la razón por la que debe haber vigilancia y oración. Si no hubiera un espíritu dispuesto, no habría necesidad de vigilancia, pues sería inútil; ni de oración, pues no subiría con aceptación a los oídos del Señor de los ejércitos. Si no hubiera más que carne, el creyente sería todo debilidad; poseyendo espíritu, hay en él alguna disposición, y a esto mira Dios.
Al lector…
¿Ha hecho usted también ese papel loco, querido lector? ¿Vio la roca y aun así no la esquivó; se ha lamentado, ha suspirado y se ha arrepentido, y después ha sido vencido otra vez? Entonces sabe por propia experiencia cuán débil es la carne: débil para creer, débil para orar, débil para todo lo bueno y fuerte para hacer el mal. ¿Qué son todos sus propósitos y promesas, si la poderosa mano de Dios no le sostiene?
Pero no deje que esa debilidad le lleve a la desesperación. Si hay en usted un espíritu dispuesto a buscar el rostro de Dios, a derramar su corazón delante de Él y a luchar contra el pecado, entonces ese es un espíritu nuevo, hecho de buena voluntad en el día del poder de Dios. Esa lucha no es señal de que esté usted fuera, sino de que hay vida. Vele, pues, y ore, porque el Señor mira esa disposición, por pequeña y combatida que sea.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl