November 6
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Mattheüs 26:41
Waarom is het vlees zo zwak? Omdat het gevallen is, omdat het zondig is, omdat het in nauw verband staat met de verzoeking, die het voorgeworpen wordt. Het is zwak tegenover de verzoeking om dezelfde reden als een man, die sterke drank begeert, zwak is als het hem aangeboden wordt. Indien wij geen inwendige begeerte hadden tot het kwaad, geen hoogmoed, geen opstand, geen gevallen natuur, geen vleselijk gezinde geest, geen schandelijke genegenheden, geen aardse, zinnelijke of duivelse dingen in ons, behoefden wij dan de verzoeking wel te vrezen? Neen immers, want dan zouden wij ertegen bestand zijn; het zou zijn alsof men een lucifer in het water stak.
Maar hier ligt onze zwakheid. Indien wij altijd konden weerstaan, dan zouden wij overwinnen; doch wij kunnen niet weerstaan dan door de bijzondere ondersteuning Gods. Dit is een les, die wij allen moeten leren. De zwakheid van het vlees vertoont zich voortdurend in toegevendheid, in geen weerstand te bieden, in het overgeven, in het toegeven, dikwijls zonder strijd, ja somtijds zelfs door zich aan de zijde van de verzoeking te plaatsen. Hoe treffend zijn de woorden van Hart:
Ik speelde ’s zeemans zotte spel,
Die zag, en niet de rots ontweek.
Is er iemand, die God kent en vreest, die zeggen kan, dat hij nooit dit spel gespeeld heeft; die de rots voor zich zag en er toch op gelopen is; die treurde, zuchtte, kermde en berouw had, en toch wederom is overwonnen geworden; die het uitgespreide net gezien heeft en het touw om zijn hals voelde, en er toch in gevangen geraakte, ik wil zeggen: erin geworgd werd? Door deze omstandigheden is het, dat wij de zwakheden van het vlees leren kennen; zwak om te geloven, zwak om te hopen, zwak om te beminnen, zwak om te vechten, zwak om te weerstaan, zwak om te overwinnen, zwak om te wachten of op wacht te staan, zwak om te bidden, zwak om staande te blijven, zwak tot alle goede dingen en sterk om het kwaad te bedrijven. Het vlees is inderdaad zwak. Wat zijn alle besluiten, beloften, wensen, betrachtingen, alle strijd, tenzij de ziel door de machtige hand Gods wordt ondersteund?
En toch is de geest gewillig. Hier is het kind van God onderscheiden van degenen, die als een roof aan de verzoeking zijn overgegeven. Het heeft een gewillige geest, die zij niet hebben. Maar hoe is de geest gewillig? Hij is gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Het is een nieuwe geest en daarom een gewillige geest. Maar wat wil het zeggen, gewillig te zijn? Gewillig om te gehoorzamen, om op wacht te staan, om te bidden, om de wil van God te betrachten, om de lusten en genegenheden van het vlees te kruisigen, om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen.
En hoe betoont deze nieuwe mens zijn gewilligheid? Door menigerlei strijd, die hij onderhoudt tegen het vlees. Vlees en geest gaan tegenovergestelde wegen; de geest geheel gewilligheid, het vlees geheel zwakheid; het vlees rondom de geest gekronkeld, de geest strijdende onder de sterke omvatting van het vlees. De worsteling gaat van hier uit. De geest is gewillig om Gods Woord te lezen en Gods aangezicht te zoeken en het hart voor Hem uit te storten; het vlees is zwak en vindt het gebed een last.
De geest is gewillig om offeranden te doen, om vervolgingen te verduren, om verdrukkingen te verdragen, om het kruis te dragen, om met Jezus te lijden, om tot den bloede toe de zonde tegen te staan; het vlees daarentegen is zwak en verhindert daardoor de geest, is onbekwaam om zelfs maar een ogenblik te staan, gaat akkoord met elke ingeving tot het kwade en luistert naar elke aantijging, die satan in het oor blaast en hoort of luistert naar het gemoed.
Waar nu de geest gewillig is en het vlees zwak, is dit een reden, dat wij wakende en biddende moeten zijn. Indien er geen gewillige geest was, wij zouden niet behoeven wakende te zijn, het zou nutteloos zijn; ook zou het gebed niet aangenaam zijn in de oren des Heeren Zebaoths. Indien er niets dan vlees was, de gelovige zou enkel zwakheid zijn; maar de geest hebbende, is er in hem enige gewilligheid, en de Heere merkt hierop.
Aan de lezer…
Hebt u ook het zotte spel gespeeld, waarde lezer? Zaagt u de rots en ontweekt haar toch niet; hebt u getreurd, gezucht en berouw gehad, en bent u daarna wederom overwonnen? Dan weet u uit eigen ervaring hoe zwak het vlees is: zwak om te geloven, zwak om te bidden, zwak tot alle goede dingen en sterk om het kwaad te bedrijven. Wat zijn al uw besluiten en beloften, tenzij de machtige hand Gods u ondersteunt?
Maar laat die zwakheid u niet doen wanhopen. Is er in u een geest die gewillig is om Gods aangezicht te zoeken, om het hart voor Hem uit te storten, om tegen de zonde te strijden, dan is dat een nieuwe geest, gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Die worsteling is geen teken dat u buiten staat, maar dat er leven is. Waak dan en bid, want de Heere merkt op die gewilligheid, hoe klein en hoe bestreden zij ook is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Mattheüs 26:41
Waarom is het vlees zo zwak? Omdat het gevallen is, omdat het zondig is, omdat het nauw verbonden is met de verzoeking die het wordt voorgehouden. Het is zwak tegenover de verzoeking om dezelfde reden als een man die naar sterke drank verlangt zwak is wanneer die hem wordt aangeboden. Als wij geen inwendige begeerte naar het kwaad hadden, geen hoogmoed, geen opstand, geen gevallen natuur, geen vleselijk gezinde geest, geen schandelijke genegenheden, niets aards, zinnelijks of duivels in ons, zouden wij de verzoeking dan moeten vrezen? Nee toch, want dan zouden wij ertegen bestand zijn; het zou zijn alsof men een lucifer in het water stak.
Maar hier ligt onze zwakheid. Als wij altijd konden weerstaan, dan zouden wij overwinnen; maar wij kunnen alleen weerstaan door de bijzondere ondersteuning van God. Dit is een les die wij allemaal moeten leren. De zwakheid van het vlees laat zich voortdurend zien in toegeeflijkheid, in geen weerstand bieden, in overgeven, in toegeven, vaak zonder strijd, ja soms zelfs door zich aan de kant van de verzoeking te scharen. Hoe treffend zijn de woorden van Hart:
Ik speelde ’s zeemans zotte spel,
Die zag, en niet de rots ontweek.
Is er iemand die God kent en vreest, die kan zeggen dat hij dit spel nooit gespeeld heeft? Die nooit de rots voor zich zag en er toch op liep; die treurde, zuchtte, kermde en berouw had, en toch opnieuw werd overwonnen; die het uitgespreide net zag en het touw om zijn hals voelde, en er toch in verstrikt raakte, ik zou haast zeggen: erin gewurgd werd? Juist door zulke omstandigheden leren wij de zwakheden van het vlees kennen: zwak om te geloven, zwak om te hopen, zwak om lief te hebben, zwak om te vechten, zwak om te weerstaan, zwak om te overwinnen, zwak om te wachten of op wacht te staan, zwak om te bidden, zwak om staande te blijven, zwak tot al het goede en sterk om het kwaad te doen. Het vlees is inderdaad zwak. Wat zijn alle besluiten, beloften, wensen, voornemens en alle strijd, tenzij de ziel door de machtige hand van God wordt ondersteund?
En toch is de geest gewillig. Hierin onderscheidt het kind van God zich van hen die als een prooi aan de verzoeking zijn overgegeven. Het heeft een gewillige geest, die zij niet hebben. Maar hoe is de geest gewillig? Hij is gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Het is een nieuwe geest en daarom een gewillige geest. Maar wat betekent het gewillig te zijn? Gewillig om te gehoorzamen, om op wacht te staan, om te bidden, om de wil van God te doen, om de lusten en genegenheden van het vlees te kruisigen, om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen.
En hoe toont deze nieuwe mens zijn gewilligheid? Door de vele strijd die hij voert tegen het vlees. Vlees en geest gaan tegengestelde wegen: de geest is een en al gewilligheid, het vlees een en al zwakheid. Het vlees heeft zich om de geest heen gekronkeld, en de geest strijdt onder de sterke omklemming van het vlees. Daar komt de worsteling vandaan. De geest is gewillig om Gods Woord te lezen, Gods aangezicht te zoeken en het hart voor Hem uit te storten; het vlees is zwak en vindt het gebed een last.
De geest is gewillig om offers te brengen, vervolgingen te verduren, verdrukkingen te verdragen, het kruis te dragen, met Jezus te lijden en tot den bloede toe de zonde te weerstaan. Het vlees daarentegen is zwak en hindert daardoor de geest. Het is niet in staat zelfs maar een ogenblik te staan, stemt in met elke ingeving tot het kwade en luistert naar elke beschuldiging die satan in het oor blaast en die het gemoed hoort of waarnaar het luistert.
Omdat nu de geest gewillig is en het vlees zwak, is dat een reden om te waken en te bidden. Als er geen gewillige geest was, zouden wij niet hoeven te waken, want het zou nutteloos zijn; ook zou het gebed niet aangenaam zijn in de oren van de Heere Zebaoth. Als er niets dan vlees was, zou de gelovige enkel zwakheid zijn; maar omdat hij de geest heeft, is er in hem enige gewilligheid, en daar let de Heere op.
Aan de lezer…
Hebt u ook het zotte spel gespeeld, waarde lezer? Zag u de rots en ontweek u haar toch niet; hebt u getreurd, gezucht en berouw gehad, en bent u daarna opnieuw overwonnen? Dan weet u uit eigen ervaring hoe zwak het vlees is: zwak om te geloven, zwak om te bidden, zwak tot al het goede en sterk om het kwaad te doen. Wat zijn al uw besluiten en beloften, tenzij de machtige hand van God u ondersteunt?
Maar laat die zwakheid u niet tot wanhoop brengen. Is er in u een geest die gewillig is om Gods aangezicht te zoeken, het hart voor Hem uit te storten en tegen de zonde te strijden, dan is dat een nieuwe geest, gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht. Die worsteling is geen teken dat u erbuiten staat, maar dat er leven is. Waak dan en bid, want de Heere let op die gewilligheid, hoe klein en hoe bestreden zij ook is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The spirit indeed is willing, but the flesh is weak.”
Matthew 26:41
Why is flesh so weak? Because it is fallen, because it is sinful, because it has an alliance with the temptation which is presented to it. It is weak against temptation for the same reason that a man who loves strong drink is weak against the offered wine. If we had no inward lusting after evil, no pride, no rebelliousness, no fallen nature, no carnal mind, no vile affections, nothing in us earthly, sensual, or devilish; would we fear temptation? No; for then we would be armored against it; it would be like dipping a match in water.
Here our weakness lies. If we could always resist we would conquer, but resist we cannot, except by the special power of God. This is a lesson we all need to learn. The weakness of the flesh manifests itself continually in compliance, in nonresistance, in giving way, in yielding, often almost without a struggle, no, sometimes in acting a worse and more wicked part still. How striking are the words of Hart—
“That mariner’s mad part I played,
Who sees, yet strikes the rock.”
Is there any one that knows and fears God who can say he has never played that mad part; never seen the rock ahead, and yet run upon it; never mourned, sighed, cried, groaned and repented, and yet been again overcome; never seen the evil of the snare, never felt the rope round his neck, and yet been entangled—I was going to say strangled? It is through these things that we learn the weakness of the flesh; weak to believe, weak to hope, weak to love, weak to fight, weak to resist, weak to overcome, weak to watch, weak to pray, weak to stand, weak to everything good; strong to everything evil. The flesh indeed is weak. What are all resolutions, all promises, all desires, all endeavors, all strugglings, all strivings, except the soul is held up by the mighty power of God?
And yet “the spirit is willing.” Here the child of God is distinguished from those who are given up as a prey to temptation. He has a willing spirit, which they have not. But how is the spirit willing? It is made “willing in the day of God’s power.” It is a new spirit, a free spirit, a holy spirit, a gracious spirit, and therefore a willing spirit.
But what is it willing to do? Willing to obey, to watch, to pray, to be conformed to the will of God, to crucify the lusts and affections, to put off the old man and to put on the new. And how does it show its willingness? By the very struggles it maintains against the flesh; flesh and spirit pulling contrary ways; the spirit all willingness, the flesh all weakness; flesh twining around spirit, spirit struggling under the firm and strong embrace of flesh.
Hence the conflict; the spirit willing to read God’s word, to pray and seek God’s face, and pour out the heart before Him; the flesh weak, and finding prayer a burden. The spirit willing to make sacrifices, endure persecutions, bear afflictions, carry the cross, suffer with Jesus, resist even unto blood striving against sin; the flesh weak, dragging the spirit down with it, unable to stand a single moment, complying with every suggestion to evil, listening to every insinuation of Satan breathed into the ear, hearkening to the tempter, and almost as bad as he.
This then, the willingness of the spirit and the weakness of the flesh, is the reason why there should be watchfulness and prayer. If there were no willing spirit, there would be no need of watchfulness; it would be useless; nor of prayer, for it would not ascend with acceptance into the ears of the Lord of Sabaoth. If there were nothing but flesh, the believer would be all weakness; possessing spirit, there is in him some willingness, and this God looks at.
To the reader…
Have you too played that mad part, dear reader? Did you see the rock and still not steer clear of it; have you mourned, sighed and repented, and afterwards been overcome again? Then you know from your own experience how weak the flesh is: weak to believe, weak to pray, weak to all that is good and strong to do evil. What are all your resolutions and promises, unless the mighty hand of God upholds you?
But do not let that weakness drive you to despair. If there is a spirit in you that is willing to seek God’s face, to pour out your heart before Him and to fight against sin, then that is a new spirit, made willing in the day of God’s power. That struggle is no sign that you stand outside, but that there is life. Watch, then, and pray, for the Lord looks upon that willingness, however small and however assailed it may be.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El espíritu a la verdad está presto, mas la carne enferma.
Mateo 26:41
¿Por qué es tan débil la carne? Porque es caída, porque es pecaminosa, porque tiene alianza con la tentación que se le presenta. Es débil ante la tentación por la misma razón por la que un hombre que ama la bebida fuerte es débil ante el vino que se le ofrece. Si no tuviéramos ninguna codicia interior del mal, ningún orgullo, ninguna rebeldía, ninguna naturaleza caída, ninguna mente carnal, ningún afecto vil, nada en nosotros terrenal, animal o diabólico, ¿temeríamos la tentación? No; porque entonces estaríamos acorazados contra ella; sería como meter un fósforo en el agua.
Aquí está nuestra debilidad. Si pudiéramos resistir siempre, venceríamos; pero resistir no podemos, sino por el poder especial de Dios. Esta es una lección que todos necesitamos aprender. La debilidad de la carne se manifiesta continuamente en la complacencia, en la falta de resistencia, en el ceder, en el rendirse, a menudo casi sin lucha; más aún, a veces en desempeñar un papel peor y más perverso todavía. ¡Cuán llamativas son las palabras de Hart!
“Hice el papel loco de aquel marinero
que ve la roca, y aun así choca contra ella.”
¿Hay alguno que conozca y tema a Dios que pueda decir que nunca ha hecho ese papel loco; que nunca ha visto la roca delante y, sin embargo, ha ido a dar contra ella; que nunca se ha lamentado, suspirado, clamado, gemido y arrepentido, y aun así ha sido vencido de nuevo; que nunca ha visto el mal del lazo, nunca ha sentido la cuerda alrededor del cuello, y sin embargo ha quedado enredado, iba a decir estrangulado? Es por estas cosas como aprendemos la debilidad de la carne: débil para creer, débil para esperar, débil para amar, débil para pelear, débil para resistir, débil para vencer, débil para velar, débil para orar, débil para mantenerse en pie, débil para todo lo bueno; fuerte para todo lo malo. La carne, en verdad, es débil. ¿Qué son todos los propósitos, todas las promesas, todos los deseos, todos los empeños, todas las luchas, todos los esfuerzos, si el alma no es sostenida por el gran poder de Dios?
Y sin embargo, “el espíritu está presto”. Aquí el hijo de Dios se distingue de aquellos que son entregados como presa a la tentación. Él tiene un espíritu dispuesto, que ellos no tienen. Pero ¿cómo está dispuesto el espíritu? Es hecho “de buena voluntad en el día del poder” de Dios. Es un espíritu nuevo, un espíritu libre, un espíritu santo, un espíritu lleno de gracia, y por tanto un espíritu dispuesto.
Pero ¿a qué está dispuesto? Dispuesto a obedecer, a velar, a orar, a conformarse a la voluntad de Dios, a crucificar las concupiscencias y los afectos, a despojarse del viejo hombre y vestirse del nuevo. ¿Y cómo muestra su disposición? Por las mismas luchas que sostiene contra la carne; carne y espíritu tirando en direcciones contrarias; el espíritu todo disposición, la carne toda debilidad; la carne enroscándose alrededor del espíritu, el espíritu forcejeando bajo el abrazo firme y fuerte de la carne.
De ahí el conflicto: el espíritu dispuesto a leer la Palabra de Dios, a orar y buscar el rostro de Dios, y a derramar el corazón delante de Él; la carne débil, y hallando la oración una carga. El espíritu dispuesto a hacer sacrificios, soportar persecuciones, llevar aflicciones, cargar la cruz, padecer con Jesús, resistir hasta la sangre combatiendo contra el pecado; la carne débil, arrastrando consigo al espíritu hacia abajo, incapaz de mantenerse en pie un solo momento, cediendo a toda sugerencia al mal, escuchando toda insinuación de Satanás susurrada al oído, prestando oído al tentador, y casi tan mala como él.
Esto, pues, la disposición del espíritu y la debilidad de la carne, es la razón por la que debe haber vigilancia y oración. Si no hubiera un espíritu dispuesto, no habría necesidad de vigilancia, pues sería inútil; ni de oración, pues no subiría con aceptación a los oídos del Señor de los ejércitos. Si no hubiera más que carne, el creyente sería todo debilidad; poseyendo espíritu, hay en él alguna disposición, y a esto mira Dios.
Al lector…
¿Ha hecho usted también ese papel loco, querido lector? ¿Vio la roca y aun así no la esquivó; se ha lamentado, ha suspirado y se ha arrepentido, y después ha sido vencido otra vez? Entonces sabe por propia experiencia cuán débil es la carne: débil para creer, débil para orar, débil para todo lo bueno y fuerte para hacer el mal. ¿Qué son todos sus propósitos y promesas, si la poderosa mano de Dios no le sostiene?
Pero no deje que esa debilidad le lleve a la desesperación. Si hay en usted un espíritu dispuesto a buscar el rostro de Dios, a derramar su corazón delante de Él y a luchar contra el pecado, entonces ese es un espíritu nuevo, hecho de buena voluntad en el día del poder de Dios. Esa lucha no es señal de que esté usted fuera, sino de que hay vida. Vele, pues, y ore, porque el Señor mira esa disposición, por pequeña y combatida que sea.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl