vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De eeuwige God zij u een woning.
Deuteronomium 33:27
Er is voor mijn gemoed veel liefelijkheid in de tegenstelling tussen de eeuwige God als Woning, Schuilplaats en Verberging voor Zijn volk, en de leugenachtige schuilplaatsen waarin de meesten hun hoofd verbergen. Gods volk heeft een eeuwige woning nodig. Zij hebben een ziel die nooit sterft; en zo zij geen schuilplaats hebben die nooit sterft, is dit niet genoeg voor een nooit stervende ziel. Werken! Deze zijn voor de tijd; de onsterfelijke heeft iets nodig dat blijft wanneer werken en wonderen ophouden. Leerstellingen, meningen, gevoelens, voorschriften, de goede mening der mensen, de toejuiching en de vleierij van het schepsel — deze zijn uit de aarde aards; zij ontzinken de mens wanneer hij de geest geeft.
Maar een kind van God heeft een woning nodig, niet alleen opdat de ziel haar anker daarin uitwerpe in de tijd, maar opdat zij in Hem een woning vinde in dat ernstige ogenblik wanneer het einde des tijds daar is en de engel roept: „Er zal geen tijd meer zijn,” en zijn verloste ziel haar lemen hut ontsnapt en heenzweeft naar de tegenwoordigheid van de eeuwige God. Door alle eeuwigheid heen, in de voortgaande kring van haar eindeloze eeuwen, zal de ziel nog een woning vinden. Want kon zij zelfs in de eeuwigheid voor een ogenblik bestaan buiten Christus, met andere woorden: ware de woning der uitverkorenen niet eeuwig, dan zou op het ogenblik dat de beperkte tijd hunner schuilplaats ophield, de toorn van God hen in het verderf nederstorten, zodat niets dan een eeuwige God een Schuilplaats kan zijn voor een onsterfelijke ziel.
Het betekent niet: „Zijn genade is een schuilplaats.” Neen, want genade zal eindigen in heerlijkheid. Ook betekent het niet: „Zijn barmhartigheid is uw schuilplaats,” want Zijn barmhartigheid zal eindigen in lof en prijs. Ook betekent het niet: „Zijn eigenschappen of volmaaktheden zijn een schuilplaats.” De gaven vallen weg en de ziel gaat tot de Gever, als waren Gods eigen gaven en barmhartigheden niet genoeg, maar dat de onsterfelijke ziel de onsterfelijke God moet hebben; en de onsterfelijke geest is alleen veilig in de schoot van de eeuwige Jehova.
God zal hen zelf bevestigen en schragen
en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
en doen de naam van Sions kind’ren dragen.
Ps. 87:4
Aan de lezer…
Wanneer u uw hoofd wilt verbergen, waar zoekt u dan een schuilplaats? Zijn het uw werken, uw gevoelens, de goede mening van mensen of de vleierij van het schepsel? Dat alles is uit de aarde aards, en het zal u ontzinken op het ogenblik dat u het meest een schuilplaats nodig hebt. Een ziel die nooit sterft, kan niet rusten in iets wat voorbijgaat; zij heeft de eeuwige God Zelf nodig.
Bent u daarover bekommerd, omdat u voelt hoe al uw steunsels wegvallen? Laat ze vallen en ga tot de Gever. Niet Zijn gaven, maar Hijzelf wil uw woning zijn, in de tijd en in dat ernstige ogenblik wanneer het einde daar is. Buiten Christus kan de ziel geen ogenblik bestaan, maar in Hem is zij geborgen. Zo zal uw ziel, door alle eindeloze eeuwen heen, veilig wonen in de schoot van de eeuwige Jehova.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De eeuwige God zij u een woning.
Deuteronomium 33:27
Voor mijn gemoed ligt er veel lieflijkheid in de tegenstelling tussen de eeuwige God als Woning, Schuilplaats en Verberging voor Zijn volk, en de leugenachtige schuilplaatsen waarin de meeste mensen hun hoofd verbergen. Gods volk heeft een eeuwige woning nodig. Zij hebben een ziel die nooit sterft; en als zij geen schuilplaats hebben die nooit sterft, is dat niet genoeg voor een ziel die nooit sterft. Werken! Die zijn voor de tijd; de onsterfelijke ziel heeft iets nodig dat blijft wanneer werken en wonderen ophouden. Leerstellingen, meningen, gevoelens, voorschriften, de goede mening van mensen, de toejuiching en de vleierij van het schepsel: dat alles is uit de aarde aards. Het ontglipt de mens wanneer hij de geest geeft.
Maar een kind van God heeft een woning nodig, niet alleen om daarin in de tijd het anker van zijn ziel uit te werpen. Zijn ziel moet in Hem ook een woning vinden op dat ernstige ogenblik wanneer het einde van de tijd daar is en de engel roept: „Er zal geen tijd meer zijn,” en zijn verloste ziel aan haar lemen hut ontsnapt en wegzweeft naar de tegenwoordigheid van de eeuwige God. Door heel de eeuwigheid heen, in de voortgaande kringloop van haar eindeloze eeuwen, zal de ziel nog een woning vinden. Want stel dat zij zelfs in de eeuwigheid één ogenblik buiten Christus kon bestaan. Met andere woorden: als de woning van de uitverkorenen niet eeuwig was, dan zou de toorn van God hen in het verderf neerstorten op het ogenblik dat de beperkte tijd van hun schuilplaats ophield. Daarom kan niets anders dan een eeuwige God een Schuilplaats zijn voor een onsterfelijke ziel.
Het betekent niet: „Zijn genade is een schuilplaats.” Nee, want genade zal eindigen in heerlijkheid. Het betekent ook niet: „Zijn barmhartigheid is uw schuilplaats,” want Zijn barmhartigheid zal eindigen in lof en prijs. En het betekent evenmin: „Zijn eigenschappen of volmaaktheden zijn een schuilplaats.” De gaven vallen weg en de ziel gaat naar de Gever, alsof Gods eigen gaven en barmhartigheden niet genoeg waren, en de onsterfelijke ziel de onsterfelijke God moet hebben. De onsterfelijke geest is alleen veilig in de schoot van de eeuwige Jehova.
God zal hen zelf bevestigen en schragen
en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
en doen de naam van Sions kind’ren dragen.
Ps. 87:4
Aan de lezer…
Wanneer u uw hoofd wilt verbergen, waar zoekt u dan een schuilplaats? Zijn het uw werken, uw gevoelens, de goede mening van mensen of de vleierij van het schepsel? Dat alles is uit de aarde aards, en het zal u ontglippen op het ogenblik dat u een schuilplaats het meest nodig hebt. Een ziel die nooit sterft, kan niet rusten in iets wat voorbijgaat; zij heeft de eeuwige God Zelf nodig.
Maakt u zich daar zorgen over, omdat u voelt hoe al uw steunsels wegvallen? Laat ze vallen en ga naar de Gever. Niet Zijn gaven, maar Hijzelf wil uw woning zijn, in de tijd en ook op dat ernstige ogenblik wanneer het einde daar is. Buiten Christus kan de ziel geen ogenblik bestaan, maar in Hem is zij geborgen. Zo zal uw ziel door alle eindeloze eeuwen heen veilig wonen in de schoot van de eeuwige Jehova.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The eternal God is thy refuge.
Deuteronomy 33:27
There is, to my mind, much sweetness in the contrast between the eternal God being the refuge of His people, and the lying refuges that most hide their heads in. God’s people need an eternal refuge. They have a never-dying soul; and unless they have a never-dying refuge, it is not sufficient for a never-dying soul. Works! these are for time; the never-dying soul needs something to stand when works and wonders cease. Doctrines, opinions, sentiments, ordinances, the good opinion of men, the applause and flattery of the creature—these are of the earth, earthy; they fail when a man gives up the spirit.
But a child of God needs a refuge, not merely that his soul may anchor in it in time, but that when time is ended, when the angel proclaims, “There shall be time no longer,” and his liberated soul escapes its prison-house, and is wafted into the presence of the eternal God, it may find in Him at that solemn moment a refuge. No, all through eternity, in the rolling circle of its never-ending ages, the soul will still need a refuge. For could it even in eternity exist for a moment out of Christ—in a word, were the refuge of the elect anything but eternal, the moment the limited time of their shelter closed, the frowns of God would hurl them into perdition; so that nothing but an eternal God can ever be a refuge for a never-dying soul.
It does not say, “His grace is your refuge.” No; because grace will end in glory. Nor does it say, “His mercy is your refuge,” for His mercy will end in blessing and praise. Nor does it say, “His attributes or His perfections are a refuge.” It drops the gifts, and leads the soul up to the Giver, as though God’s own gifts and mercies were not sufficient, but that the immortal soul must have the immortal God, and the never-dying spirit is only safe in the bosom of an eternal Jehovah.
To the reader…
When you want to hide your head, where do you look for a refuge? Is it your works, your feelings, the good opinion of men or the flattery of the creature? All that is of the earth, earthy, and it will slip away from you at the very moment you most need a refuge. A soul that never dies cannot rest in anything that passes away; it needs the eternal God Himself.
Are you anxious about that, because you feel all your props falling away? Let them fall and go to the Giver. Not His gifts, but He Himself wants to be your dwelling place, in time and also in that solemn moment when the end has come. Out of Christ the soul cannot exist for a moment, but in Him it is safe. So your soul will dwell secure through all the endless ages in the bosom of the eternal Jehovah.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El eterno Dios es tu refugio.
Deuteronomio 33:27
Hay, a mi parecer, mucha dulzura en el contraste entre el Dios eterno como refugio de Su pueblo y los refugios de mentira en que la mayoría esconde la cabeza. El pueblo de Dios necesita un refugio eterno. Tiene un alma que nunca muere; y si no tiene un refugio que nunca muere, no basta para un alma que nunca muere. ¡Las obras! Estas son para el tiempo; el alma que nunca muere necesita algo que permanezca cuando cesen las obras y las maravillas. Doctrinas, opiniones, sentimientos, ordenanzas, la buena opinión de los hombres, el aplauso y la adulación de la criatura: todo esto es de la tierra, terrenal; falla cuando el hombre entrega el espíritu.
Pero un hijo de Dios necesita un refugio, no solo para que su alma se ancle en él en el tiempo, sino para que, cuando el tiempo haya terminado, cuando el ángel proclame que “el tiempo no será más”, y su alma liberada escape de su prisión y sea llevada a la presencia del Dios eterno, halle en Él en ese momento solemne un refugio. Más aún, por toda la eternidad, en el círculo rodante de sus siglos sin fin, el alma seguirá necesitando un refugio. Porque si aun en la eternidad pudiera existir un momento fuera de Cristo; en una palabra, si el refugio de los escogidos fuera algo menos que eterno, en el instante en que se cerrara el tiempo limitado de su amparo, el ceño de Dios los arrojaría a la perdición; de modo que nada sino un Dios eterno puede jamás ser refugio para un alma que nunca muere.
No dice: “Su gracia es tu refugio”. No; porque la gracia terminará en gloria. Tampoco dice: “Su misericordia es tu refugio”, porque Su misericordia terminará en bendición y alabanza. Ni dice: “Sus atributos o Sus perfecciones son un refugio”. Deja a un lado los dones y conduce el alma hasta el Dador, como si los propios dones y misericordias de Dios no fueran suficientes, sino que el alma inmortal ha de tener al Dios inmortal, y el espíritu que nunca muere solo está seguro en el seno de un Jehová eterno.
Al lector…
Cuando quiere esconder la cabeza, ¿dónde busca usted refugio? ¿En sus obras, en sus sentimientos, en la buena opinión de los hombres o en la adulación de la criatura? Todo eso es de la tierra, terrenal, y se le escapará precisamente en el momento en que más necesite un refugio. Un alma que nunca muere no puede descansar en nada que pasa; necesita al Dios eterno mismo.
¿Le angustia eso, porque siente que todos sus apoyos se derrumban? Déjelos caer y vaya al Dador. No Sus dones, sino Él mismo quiere ser su morada, en el tiempo y también en ese momento solemne en que haya llegado el fin. Fuera de Cristo el alma no puede existir ni un momento, pero en Él está segura. Así su alma morará confiada por todos los siglos sin fin en el seno del Jehová eterno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Als we ons in ons zielsgevoel aan de einden der aarde bevinden, leren we lessen die ons nergens anders kunnen worden geleerd. Daar leren we wat het betekent om van God verwijderd te zijn en te verlangen nabij te komen; daar leren we de buitensporige zondigheid van de zonde kennen en de waarde van het bloed van Christus om het geweten te zuiveren; daar worden we gehuld in schaamte en verwarring des aangezichts (Ezra 9:7); daar wordt ons geleerd onze totale hulpeloosheid te ervaren en ons volledig onvermogen om onszelf geestelijk en ondervindelijk nabij te brengen, en te ervaren wat het is om in verwarring rond te zwerven zonder bij de bron van het licht, het leven en de waarheid te kunnen komen, of te ervaren dat onze ziel toegang tot God krijgt. Derhalve is het „aan de einden der aarde zijn” een pijnlijke maar nuttige plek, waar we lessen leren die we nergens anders zouden kunnen leren, en waar we iets leren ervaren van de zuiverheid van de Heere en van onze eigen bezoedeling tegenover Hem.
Tot deze arme zondaren, deze door zichzelf veroordeelde ellendigen, deze schuldige misdadigers, wier enige hoop Gods allerhoogste genade is, spreekt de Heere in de tekst: „Wendt u naar Mij toe.” Zij zijn de enigen die zullen kijken, de enige personen die zo’n genadige uitnodiging nodig hebben. Anderen kunnen zichzelf redden, troosten en bevrijden, maar deze armzalige verschoppelingen kunnen geen stap zetten zonder door de Heere te worden getrokken. De Heere neemt hen daarom bij de hand, want in hun wanhopige omstandigheden hebben ze de hoge en uitgestoken hand van God Zelf nodig om hen uit hun verdiende verderf te trekken. En naarmate ze meer naar zichzelf kijken en er des te slechter aan toe raken, zegt Hij: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.”
Lezen: Jesaja 45:17-25
Aan de lezer…
Soms voelt u zich aan de einden der aarde, ver van God verwijderd, gehuld in schaamte en verwarring des aangezichts. Kunt u geen stap zetten, en lijkt het of de weg naar de bron van het licht voor u gesloten is? Het is een pijnlijke plek, en ik wil die pijn niet kleiner maken dan zij is. Maar het is ook een nuttige plek, want daar leert u de waarde van het bloed van Christus kennen, die u elders nooit zou leren.
En juist tot u, door uzelf veroordeeld, wiens enige hoop Gods vrije genade is, spreekt de Heere: „Wendt u naar Mij toe.” Hoe meer u naar uzelf kijkt, hoe slechter het eruitziet; zie dan van uzelf af. Hij neemt zulke armen bij de hand en trekt hen met Zijn eigen uitgestoken hand uit het verderf. Er is geen andere: Hij is God en niemand meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Wanneer we in ons zielsgevoel aan de einden der aarde zijn, leren we lessen die ons nergens anders geleerd kunnen worden. Daar leren we wat het betekent om ver van God te zijn en te verlangen nabij te komen. Daar leren we de overmate zondigheid van de zonde kennen en de waarde van het bloed van Christus om het geweten te reinigen. Daar worden we bedekt met beschaamdheid des aangezichts (Ezra 9:7). Daar leren we onze volstrekte hulpeloosheid ervaren en ons volkomen onvermogen om onszelf geestelijk en bevindelijk nabij te brengen; we ervaren wat het is om in verwarring rond te dwalen zonder bij de bron van het licht, het leven en de waarheid te kunnen komen, of te ervaren dat onze ziel toegang tot God krijgt. Daarom is het „aan de einden der aarde zijn” een pijnlijke maar nuttige plek, waar we lessen leren die we nergens anders zouden kunnen leren, en waar we iets gaan ervaren van de reinheid van de Heere en van onze eigen bezoedeling tegenover Hem.
Tot deze arme zondaren, deze door zichzelf veroordeelde ellendigen, deze schuldige misdadigers, wier enige hoop de vrije genade van God is, spreekt de Heere in de tekst: „Wendt u naar Mij toe.” Zij zijn de enigen die zullen opzien, de enigen die zo’n genadige uitnodiging nodig hebben. Anderen kunnen zichzelf redden, troosten en bevrijden, maar deze arme verschoppelingen kunnen geen stap zetten zonder door de Heere getrokken te worden. Daarom neemt de Heere hen bij de hand, want in hun wanhopige toestand hebben zij de hoge en uitgestrekte hand van God Zelf nodig om hen uit hun verdiende verderf te trekken. En naarmate zij meer naar zichzelf kijken en het er slechter voor hen uitziet, zegt Hij: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.”
Lezen: Jesaja 45:17-25
Aan de lezer…
Soms voelt u zich aan de einden der aarde, ver van God, bedekt met beschaamdheid des aangezichts. Kunt u geen stap zetten, en lijkt het of de weg naar de bron van het licht voor u gesloten is? Het is een pijnlijke plek, en die pijn wil ik niet kleiner maken dan zij is. Maar het is ook een nuttige plek, want daar leert u de waarde van het bloed van Christus kennen, zoals u die elders nooit zou leren.
En juist tot u, die door uzelf veroordeeld bent en wiens enige hoop Gods vrije genade is, spreekt de Heere: „Wendt u naar Mij toe.” Hoe meer u naar uzelf kijkt, hoe slechter het eruitziet; zie dan van uzelf af. Hij neemt zulke armen bij de hand en trekt hen met Zijn eigen uitgestrekte hand uit het verderf. Er is geen ander: Hij is God en niemand meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
When we are in the feeling of our souls at the ends of the earth, we learn lessons that can be taught us nowhere else. There we learn what it is to be far from God and to long to be brought near. There we learn the exceeding sinfulness of sin and the value of the blood of Christ to purge the conscience. There we are covered with “confusion of face” (Ezra 9:7). There we learn to feel our utter helplessness and our complete inability to bring ourselves near spiritually and experimentally; we feel what it is to wander about in confusion without being able to come to the fountain of light, life and truth, or to feel our souls gain access to God.
To be “at the ends of the earth,” then, is a painful but profitable place, where we learn lessons we could learn nowhere else, and where we come to feel something of the purity of the Lord and of our own defilement before Him. To these poor sinners, these self-condemned wretches, these guilty criminals, whose only hope is the free grace of God, the Lord speaks in the text: “Look unto Me.” They are the only ones who will look, the only ones who need so gracious an invitation. Others can save, comfort and deliver themselves, but these poor outcasts cannot take a step without being drawn by the Lord.
Therefore the Lord takes them by the hand, for in their desperate condition they need the high and outstretched hand of God Himself to draw them out of their deserved ruin. And the more they look at themselves and the worse things appear for them, the more He says, “Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.”
Reading: Isaiah 45:17-25
To the reader…
Sometimes you feel yourself at the ends of the earth, far from God, covered with confusion of face. Can you not take a step, and does the way to the fountain of light seem closed to you? It is a painful place, and I would not make that pain smaller than it is. But it is also a profitable place, for there you learn the value of the blood of Christ as you would never learn it anywhere else.
And it is to you, self-condemned, whose only hope is God’s free grace, that the Lord speaks: “Look unto Me.” The more you look at yourself, the worse things appear; then look away from yourself. He takes such poor ones by the hand and draws them out of ruin with His own outstretched hand. There is no other: He is God, and there is none else.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Cuando en el sentir de nuestras almas estamos en los términos de la tierra, aprendemos lecciones que no se nos pueden enseñar en ningún otro lugar. Allí aprendemos lo que es estar lejos de Dios y anhelar ser acercados. Allí aprendemos la extrema pecaminosidad del pecado y el valor de la sangre de Cristo para purgar la conciencia. Allí somos cubiertos de “confusión de rostro” (Esdras 9:7). Allí aprendemos a sentir nuestra total impotencia y nuestra completa incapacidad para acercarnos espiritual y experimentalmente; sentimos lo que es vagar confusos sin poder llegar a la fuente de luz, vida y verdad, ni sentir que nuestras almas obtienen acceso a Dios.
Estar “en los términos de la tierra” es, pues, un lugar doloroso pero provechoso, donde aprendemos lecciones que no podríamos aprender en ningún otro lugar, y donde llegamos a sentir algo de la pureza del Señor y de nuestra propia contaminación delante de Él. A estos pobres pecadores, a estos miserables condenados por sí mismos, a estos criminales culpables, cuya única esperanza es la libre gracia de Dios, el Señor les habla en el texto: “Mirad a Mí”. Son los únicos que mirarán, los únicos que necesitan una invitación tan llena de gracia. Otros pueden salvarse, consolarse y librarse a sí mismos, pero estos pobres desechados no pueden dar un paso sin ser atraídos por el Señor.
Por eso el Señor los toma de la mano, porque en su condición desesperada necesitan la mano alta y extendida de Dios mismo para sacarlos de su merecida ruina. Y cuanto más se miran a sí mismos y peor se presentan las cosas para ellos, tanto más dice Él: “Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más”.
Lectura: Isaías 45:17-25
Al lector…
A veces se siente usted en los términos de la tierra, lejos de Dios, cubierto de confusión de rostro. ¿No puede dar un paso, y le parece cerrado el camino a la fuente de luz? Es un lugar doloroso, y no quisiera hacer ese dolor más pequeño de lo que es. Pero es también un lugar provechoso, porque allí aprende el valor de la sangre de Cristo como nunca lo aprendería en ningún otro lugar.
Y es a usted, condenado por sí mismo, cuya única esperanza es la libre gracia de Dios, a quien el Señor habla: “Mirad a Mí”. Cuanto más se mira a sí mismo, peor se presentan las cosas; aparte entonces la mirada de sí mismo. Él toma de la mano a tales pobres y los saca de la ruina con Su propia mano extendida. No hay otro: Él es Dios, y no hay más.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
„Hij is getrouw en rechtvaardig.” O, wat een woord is dit! Er is naar mijn gedachte nauwelijks een tweede woord in de Bijbel als dit, zo groot, zo heerlijk, zo vertroostend. „Hij is getrouw en rechtvaardig.” Rechtvaardig, zegt gij? Wel, ik weet dat Gods barmhartigheid en Gods genade de zondaren kan vergeven; maar hoe kan God rechtvaardig zijn en de overtredingen vergeven? Eist Gods rechtvaardigheid niet de straf der zonden?
Gaan niet vanwege Zijn gerechtigheid Gods eeuwige bliksemstralen uit tegen de ziel die Zijn heilige wet overtreedt? Hoe kan het waar zijn, dat God rechtvaardig kan zijn en toch de zondaar kan vergeven die zijn zonden belijdt? Maar het is waar, goddelijk, heilig en eeuwig waar. En daarin ligt die grote verborgenheid der verlossing door het bloed en de gehoorzaamheid van Gods Zoon opgesloten. Het ligt opgesloten in dit ene woord: „rechtvaardig.”
„Maar hoe?” kan er gevraagd worden. Op deze wijze. De Heere des levens werd een Borg en Plaatsvervanger voor degenen die de Vader Hem gegeven had. Hij kwam voor hen in hun plaats. Hij onderging de straf die zij schuldig waren. Voor hen vervulde Hij de gehele wet door Zijn doen en lijden. Voor hen bloedde Hij, voor hen stierf Hij. Voor hen herrees Hij uit de dood, en voor hen voer Hij op aan ’s Vaders rechterhand.
En nu eist de gerechtigheid des zondaars vergiffenis en treedt op met haar rechtvaardige verdediging. En zie nu het verschil. De barmhartigheid verzoekt, de rechtvaardigheid eist. De barmhartigheid zegt: Ik vraag het als een gunstbewijs. De barmhartigheid, als een der eigenschappen van God, blikt met medelijden op de treurende misdadiger. Maar de gerechtigheid zegt: Het is zijn recht; het behoort hem toe; het is het zijne, omdat de Verlosser zijn schuld heeft voldaan, omdat de Borg in zijn plaats gestaan heeft, omdat de Zaligmaker de wet voor hem heeft gehoorzaamd, die hij in eigen persoon niet kon gehoorzamen.
Zodat, wanneer wij deze gezegende en dierbare waarheid kunnen overnemen, dat God aan hen die hun zonden belijden getrouw is, en niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om hun hun zonden te vergeven, hoe zien wij dan uit de boezem van Jehova een volle, vrije, onherroepelijke vergiffenis uitgaan van alle overtredingen, en inzonderheid van die overtredingen die de zondaar aan Zijn voeten belijdt!
Aan de lezer…
U die uw zonden niet meer durft te belijden, omdat u meent dat de rechtvaardigheid van God tegen u moet getuigen, ziet misschien in uw geweten de bliksemstralen van Zijn heilige wet en houdt alleen nog een zwakke hoop op Zijn barmhartigheid over. Kom dan met al uw schuld aan Zijn voeten. U behoeft niet alleen te pleiten op medelijden; er is een Borg Die in de plaats van de schuldige stond, de straf onderging en de wet volkomen vervulde.
Daarom is God niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om de belijdende zondaar te vergeven. De barmhartigheid verzoekt, maar de gerechtigheid eist, omdat de schuld betaald is. Wat een vaste grond voor een bevende ziel! Belijd dan, niets verbergend, en zie uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergiffenis tot u uitgaan, juist over die zonden die u aan Zijn voeten neerlegt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
„Hij is getrouw en rechtvaardig.” O, wat een woord is dit! Naar mijn gedachte is er in de Bijbel nauwelijks een tweede woord als dit, zo groot, zo heerlijk, zo vertroostend. „Hij is getrouw en rechtvaardig.” Rechtvaardig, zegt u? Wel, ik weet dat Gods barmhartigheid en Gods genade zondaren kunnen vergeven; maar hoe kan God rechtvaardig zijn en toch de overtredingen vergeven? Eist Gods rechtvaardigheid niet de straf op de zonden?
Gaan Gods eeuwige bliksemstralen niet juist vanwege Zijn gerechtigheid uit tegen de ziel die Zijn heilige wet overtreedt? Hoe kan het waar zijn dat God rechtvaardig kan zijn en toch de zondaar kan vergeven die zijn zonden belijdt? Maar het is waar, goddelijk, heilig en eeuwig waar. En daarin ligt de grote verborgenheid van de verlossing door het bloed en de gehoorzaamheid van Gods Zoon besloten. Het ligt besloten in dit ene woord: „rechtvaardig.”
„Maar hoe dan?” kan iemand vragen. Zo: de Heere van het leven werd Borg en Plaatsvervanger voor hen die de Vader Hem gegeven had. Hij kwam in hun plaats. Hij onderging de straf die zij verschuldigd waren. Voor hen vervulde Hij de hele wet door Zijn doen en lijden. Voor hen bloedde Hij, voor hen stierf Hij. Voor hen stond Hij op uit de dood, en voor hen voer Hij op naar de rechterhand van de Vader.
En nu eist de gerechtigheid vergeving voor de zondaar en treedt zij op met haar rechtvaardige verdediging. Zie nu het verschil. De barmhartigheid verzoekt, de rechtvaardigheid eist. De barmhartigheid zegt: Ik vraag het als een gunst. De barmhartigheid, als een van de eigenschappen van God, ziet met medelijden neer op de treurende misdadiger. Maar de gerechtigheid zegt: Het is zijn recht; het komt hem toe; het is van hem, omdat de Verlosser zijn schuld heeft voldaan, omdat de Borg in zijn plaats heeft gestaan, omdat de Zaligmaker voor hem de wet heeft gehoorzaamd die hij zelf niet kon gehoorzamen.
Wanneer wij deze gezegende en dierbare waarheid dan kunnen aannemen, dat God getrouw is voor hen die hun zonden belijden, en niet alleen getrouw maar ook rechtvaardig om hun hun zonden te vergeven, hoe zien wij dan uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergeving uitgaan van alle overtredingen, en vooral van de overtredingen die de zondaar aan Zijn voeten belijdt!
Aan de lezer…
U die uw zonden niet meer durft te belijden, omdat u meent dat de rechtvaardigheid van God tegen u moet getuigen, ziet misschien in uw geweten de bliksemstralen van Zijn heilige wet en houdt alleen nog een zwakke hoop op Zijn barmhartigheid over. Kom dan met al uw schuld aan Zijn voeten. U hoeft niet alleen een beroep te doen op Zijn medelijden; er is een Borg Die in de plaats van de schuldige stond, de straf onderging en de wet volkomen vervulde.
Daarom is God niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om de zondaar die belijdt te vergeven. De barmhartigheid verzoekt, maar de gerechtigheid eist, omdat de schuld betaald is. Wat een vaste grond voor een bevende ziel! Belijd dan, zonder iets te verbergen, en zie uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergeving naar u toe komen, juist over de zonden die u aan Zijn voeten neerlegt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“If we confess our sins, he is faithful and just to forgive us our sins, and to cleanse us from all unrighteousness.”
1 John 1:9
“He is faithful and JUST.” Oh, what a word is that! There is scarcely to my mind such a word in the Bible as that; so great, so glorious, so comforting—“He is faithful and just.” “Just?” say you, “why I know that God’s mercy and God’s grace can pardon sinners; but how can God be just, and pardon transgressors? Does not God’s justice demand the punishment of sin? Does not God’s justice blaze forth in eternal lightnings against the soul that transgresses His holy law? How, then, can it be true, that God can be just, and yet forgive a confessing sinner?”
But it is true, divinely true, blessedly, eternally true. And in it is locked up that grand mystery of redemption by the blood and obedience of God’s co-equal Son. It is locked up in this one word—“just.” “But how?” it may be asked. In this way. The Lord of life and glory became a security and substitute for those whom His Father gave to Him. He entered into their place and stead. He endured the punishment that was due to them. For them He fulfilled the whole law by His doings and by His sufferings. For them He bled, and for them He died. For them He rose again, and for them ascended up to the right hand of the Father.
And now justice demands the sinner’s pardon, and puts in its righteous plea. And see the difference. Mercy begs, justice demands—mercy says, “I ask it as a boon;” mercy, as a part of God’s character, looks down with pity and compassion on the mourning criminal; but justice says, “It is his due; it is his right; it belongs to him; it is his because the Redeemer has discharged his debt, because the Surety has stood in his place, because the Savior has obeyed that law for him which he could not obey in his own person.”
So that when we can receive this blessed and glorious truth, that to those who confess their sins, “God is faithful,” and not merely “faithful,” but also “just to forgive them their sins,” how it draws out of the bosom of Jehovah a full, free, and irrevocable pardon of all transgressions, and especially of those transgressions that the sinner confesses at His footstool!
To the reader…
You who no longer dare to confess your sins, because you think the justice of God must testify against you, perhaps see in your conscience the lightnings of His holy law and have only a faint hope in His mercy left. Then come with all your guilt to His feet. You do not need to appeal only to His pity; there is a Surety Who stood in the place of the guilty, bore the punishment and perfectly fulfilled the law.
That is why God is not only faithful, but also just to forgive the sinner who confesses. Mercy asks, but justice demands, because the debt has been paid. What firm ground for a trembling soul! Confess, then, without hiding anything, and see a full, free and irrevocable pardon come to you out of the bosom of Jehovah, for the very sins you lay down at His feet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Si confesamos nuestros pecados, Él es fiel y justo para que nos perdone nuestros pecados, y nos limpie de toda maldad.”
1 Juan 1:9
“Él es fiel y JUSTO.” ¡Oh, qué palabra es esa! A mi parecer apenas hay en la Biblia una palabra como esa; tan grande, tan gloriosa, tan consoladora: “Él es fiel y justo.” “¿Justo?”, dice usted; “yo sé que la misericordia de Dios y la gracia de Dios pueden perdonar a los pecadores; pero ¿cómo puede Dios ser justo y perdonar a los transgresores? ¿No exige la justicia de Dios el castigo del pecado? ¿No resplandece la justicia de Dios en relámpagos eternos contra el alma que transgrede Su santa ley? ¿Cómo puede ser verdad, entonces, que Dios pueda ser justo y, sin embargo, perdonar a un pecador que confiesa?”
Pero es verdad, divinamente verdad, bendita y eternamente verdad. Y en ello está encerrado aquel gran misterio de la redención por la sangre y la obediencia del Hijo de Dios, igual a Él. Está encerrado en esta sola palabra: “justo”. “¿Pero cómo?”, se puede preguntar. De esta manera. El Señor de vida y de gloria se hizo fiador y sustituto de aquellos que Su Padre le dio. Entró en su lugar y en su puesto. Soportó el castigo que les era debido. Por ellos cumplió toda la ley con Sus obras y con Sus sufrimientos. Por ellos sangró, y por ellos murió. Por ellos resucitó, y por ellos subió a la diestra del Padre.
Y ahora la justicia exige el perdón del pecador, y presenta su justo alegato. Y vea la diferencia. La misericordia ruega, la justicia exige; la misericordia dice: “Lo pido como un favor”; la misericordia, como parte del carácter de Dios, mira con piedad y compasión al criminal que se lamenta; pero la justicia dice: “Le es debido; es su derecho; le pertenece; es suyo porque el Redentor ha saldado su deuda, porque el Fiador ha estado en su lugar, porque el Salvador ha obedecido por él aquella ley que él no podía obedecer en su propia persona.”
De modo que, cuando podemos recibir esta bendita y gloriosa verdad, de que para con los que confiesan sus pecados “Dios es fiel”, y no meramente “fiel”, sino también “justo para que les perdone sus pecados”, ¡cómo extrae del seno de Jehová un perdón pleno, gratuito e irrevocable de todas las transgresiones, y especialmente de aquellas transgresiones que el pecador confiesa al estrado de Sus pies!
Al lector…
Usted que ya no se atreve a confesar sus pecados, porque piensa que la justicia de Dios tiene que testificar contra usted, quizá ve en su conciencia los relámpagos de Su santa ley y solo le queda una débil esperanza en Su misericordia. Venga entonces con toda su culpa a Sus pies. No necesita apelar solo a Su compasión; hay un Fiador que se puso en el lugar de los culpables, llevó el castigo y cumplió perfectamente la ley.
Por eso Dios no solo es fiel, sino también justo para perdonar al pecador que confiesa. La misericordia pide, pero la justicia exige, porque la deuda ha sido pagada. ¡Qué terreno firme para un alma temblorosa! Confiese, pues, sin ocultar nada, y vea venir a usted del seno de Jehová un perdón pleno, gratuito e irrevocable, precisamente por los pecados que usted deposita a Sus pies.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl