Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun
Vandaag

3 min. lezen

De eeuwige God zij u een woning.
Deuteronomium 33:27

Voor mijn gemoed ligt er veel lieflijkheid in de tegenstelling tussen de eeuwige God als Woning, Schuilplaats en Verberging voor Zijn volk, en de leugenachtige schuilplaatsen waarin de meeste mensen hun hoofd verbergen. Gods volk heeft een eeuwige woning nodig. Zij hebben een ziel die nooit sterft; en als zij geen schuilplaats hebben die nooit sterft, is dat niet genoeg voor een ziel die nooit sterft. Werken! Die zijn voor de tijd; de onsterfelijke ziel heeft iets nodig dat blijft wanneer werken en wonderen ophouden. Leerstellingen, meningen, gevoelens, voorschriften, de goede mening van mensen, de toejuiching en de vleierij van het schepsel: dat alles is uit de aarde aards. Het ontglipt de mens wanneer hij de geest geeft.

Maar een kind van God heeft een woning nodig, niet alleen om daarin in de tijd het anker van zijn ziel uit te werpen. Zijn ziel moet in Hem ook een woning vinden op dat ernstige ogenblik wanneer het einde van de tijd daar is en de engel roept: „Er zal geen tijd meer zijn,” en zijn verloste ziel aan haar lemen hut ontsnapt en wegzweeft naar de tegenwoordigheid van de eeuwige God. Door heel de eeuwigheid heen, in de voortgaande kringloop van haar eindeloze eeuwen, zal de ziel nog een woning vinden. Want stel dat zij zelfs in de eeuwigheid één ogenblik buiten Christus kon bestaan. Met andere woorden: als de woning van de uitverkorenen niet eeuwig was, dan zou de toorn van God hen in het verderf neerstorten op het ogenblik dat de beperkte tijd van hun schuilplaats ophield. Daarom kan niets anders dan een eeuwige God een Schuilplaats zijn voor een onsterfelijke ziel.

Het betekent niet: „Zijn genade is een schuilplaats.” Nee, want genade zal eindigen in heerlijkheid. Het betekent ook niet: „Zijn barmhartigheid is uw schuilplaats,” want Zijn barmhartigheid zal eindigen in lof en prijs. En het betekent evenmin: „Zijn eigenschappen of volmaaktheden zijn een schuilplaats.” De gaven vallen weg en de ziel gaat naar de Gever, alsof Gods eigen gaven en barmhartigheden niet genoeg waren, en de onsterfelijke ziel de onsterfelijke God moet hebben. De onsterfelijke geest is alleen veilig in de schoot van de eeuwige Jehova.

God zal hen zelf bevestigen en schragen
en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
en doen de naam van Sions kind’ren dragen.

Ps. 87:4

Aan de lezer…

Wanneer u uw hoofd wilt verbergen, waar zoekt u dan een schuilplaats? Zijn het uw werken, uw gevoelens, de goede mening van mensen of de vleierij van het schepsel? Dat alles is uit de aarde aards, en het zal u ontglippen op het ogenblik dat u een schuilplaats het meest nodig hebt. Een ziel die nooit sterft, kan niet rusten in iets wat voorbijgaat; zij heeft de eeuwige God Zelf nodig.

Maakt u zich daar zorgen over, omdat u voelt hoe al uw steunsels wegvallen? Laat ze vallen en ga naar de Gever. Niet Zijn gaven, maar Hijzelf wil uw woning zijn, in de tijd en ook op dat ernstige ogenblik wanneer het einde daar is. Buiten Christus kan de ziel geen ogenblik bestaan, maar in Hem is zij geborgen. Zo zal uw ziel door alle eindeloze eeuwen heen veilig wonen in de schoot van de eeuwige Jehova.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl