3 de diciembre
De eeuwige God zij u een woning.
Deuteronomium 33:27
Er is voor mijn gemoed veel liefelijkheid in de tegenstelling tussen de eeuwige God als Woning, Schuilplaats en Verberging voor Zijn volk, en de leugenachtige schuilplaatsen waarin de meesten hun hoofd verbergen. Gods volk heeft een eeuwige woning nodig. Zij hebben een ziel die nooit sterft; en zo zij geen schuilplaats hebben die nooit sterft, is dit niet genoeg voor een nooit stervende ziel. Werken! Deze zijn voor de tijd; de onsterfelijke heeft iets nodig dat blijft wanneer werken en wonderen ophouden. Leerstellingen, meningen, gevoelens, voorschriften, de goede mening der mensen, de toejuiching en de vleierij van het schepsel — deze zijn uit de aarde aards; zij ontzinken de mens wanneer hij de geest geeft.
Maar een kind van God heeft een woning nodig, niet alleen opdat de ziel haar anker daarin uitwerpe in de tijd, maar opdat zij in Hem een woning vinde in dat ernstige ogenblik wanneer het einde des tijds daar is en de engel roept: „Er zal geen tijd meer zijn,” en zijn verloste ziel haar lemen hut ontsnapt en heenzweeft naar de tegenwoordigheid van de eeuwige God. Door alle eeuwigheid heen, in de voortgaande kring van haar eindeloze eeuwen, zal de ziel nog een woning vinden. Want kon zij zelfs in de eeuwigheid voor een ogenblik bestaan buiten Christus, met andere woorden: ware de woning der uitverkorenen niet eeuwig, dan zou op het ogenblik dat de beperkte tijd hunner schuilplaats ophield, de toorn van God hen in het verderf nederstorten, zodat niets dan een eeuwige God een Schuilplaats kan zijn voor een onsterfelijke ziel.
Het betekent niet: „Zijn genade is een schuilplaats.” Neen, want genade zal eindigen in heerlijkheid. Ook betekent het niet: „Zijn barmhartigheid is uw schuilplaats,” want Zijn barmhartigheid zal eindigen in lof en prijs. Ook betekent het niet: „Zijn eigenschappen of volmaaktheden zijn een schuilplaats.” De gaven vallen weg en de ziel gaat tot de Gever, als waren Gods eigen gaven en barmhartigheden niet genoeg, maar dat de onsterfelijke ziel de onsterfelijke God moet hebben; en de onsterfelijke geest is alleen veilig in de schoot van de eeuwige Jehova.
God zal hen zelf bevestigen en schragen
en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
en doen de naam van Sions kind’ren dragen.
Ps. 87:4
Aan de lezer…
Wanneer u uw hoofd wilt verbergen, waar zoekt u dan een schuilplaats? Zijn het uw werken, uw gevoelens, de goede mening van mensen of de vleierij van het schepsel? Dat alles is uit de aarde aards, en het zal u ontzinken op het ogenblik dat u het meest een schuilplaats nodig hebt. Een ziel die nooit sterft, kan niet rusten in iets wat voorbijgaat; zij heeft de eeuwige God Zelf nodig.
Bent u daarover bekommerd, omdat u voelt hoe al uw steunsels wegvallen? Laat ze vallen en ga tot de Gever. Niet Zijn gaven, maar Hijzelf wil uw woning zijn, in de tijd en in dat ernstige ogenblik wanneer het einde daar is. Buiten Christus kan de ziel geen ogenblik bestaan, maar in Hem is zij geborgen. Zo zal uw ziel, door alle eindeloze eeuwen heen, veilig wonen in de schoot van de eeuwige Jehova.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De eeuwige God zij u een woning.
Deuteronomium 33:27
Voor mijn gemoed ligt er veel lieflijkheid in de tegenstelling tussen de eeuwige God als Woning, Schuilplaats en Verberging voor Zijn volk, en de leugenachtige schuilplaatsen waarin de meeste mensen hun hoofd verbergen. Gods volk heeft een eeuwige woning nodig. Zij hebben een ziel die nooit sterft; en als zij geen schuilplaats hebben die nooit sterft, is dat niet genoeg voor een ziel die nooit sterft. Werken! Die zijn voor de tijd; de onsterfelijke ziel heeft iets nodig dat blijft wanneer werken en wonderen ophouden. Leerstellingen, meningen, gevoelens, voorschriften, de goede mening van mensen, de toejuiching en de vleierij van het schepsel: dat alles is uit de aarde aards. Het ontglipt de mens wanneer hij de geest geeft.
Maar een kind van God heeft een woning nodig, niet alleen om daarin in de tijd het anker van zijn ziel uit te werpen. Zijn ziel moet in Hem ook een woning vinden op dat ernstige ogenblik wanneer het einde van de tijd daar is en de engel roept: „Er zal geen tijd meer zijn,” en zijn verloste ziel aan haar lemen hut ontsnapt en wegzweeft naar de tegenwoordigheid van de eeuwige God. Door heel de eeuwigheid heen, in de voortgaande kringloop van haar eindeloze eeuwen, zal de ziel nog een woning vinden. Want stel dat zij zelfs in de eeuwigheid één ogenblik buiten Christus kon bestaan. Met andere woorden: als de woning van de uitverkorenen niet eeuwig was, dan zou de toorn van God hen in het verderf neerstorten op het ogenblik dat de beperkte tijd van hun schuilplaats ophield. Daarom kan niets anders dan een eeuwige God een Schuilplaats zijn voor een onsterfelijke ziel.
Het betekent niet: „Zijn genade is een schuilplaats.” Nee, want genade zal eindigen in heerlijkheid. Het betekent ook niet: „Zijn barmhartigheid is uw schuilplaats,” want Zijn barmhartigheid zal eindigen in lof en prijs. En het betekent evenmin: „Zijn eigenschappen of volmaaktheden zijn een schuilplaats.” De gaven vallen weg en de ziel gaat naar de Gever, alsof Gods eigen gaven en barmhartigheden niet genoeg waren, en de onsterfelijke ziel de onsterfelijke God moet hebben. De onsterfelijke geest is alleen veilig in de schoot van de eeuwige Jehova.
God zal hen zelf bevestigen en schragen
en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
en doen de naam van Sions kind’ren dragen.
Ps. 87:4
Aan de lezer…
Wanneer u uw hoofd wilt verbergen, waar zoekt u dan een schuilplaats? Zijn het uw werken, uw gevoelens, de goede mening van mensen of de vleierij van het schepsel? Dat alles is uit de aarde aards, en het zal u ontglippen op het ogenblik dat u een schuilplaats het meest nodig hebt. Een ziel die nooit sterft, kan niet rusten in iets wat voorbijgaat; zij heeft de eeuwige God Zelf nodig.
Maakt u zich daar zorgen over, omdat u voelt hoe al uw steunsels wegvallen? Laat ze vallen en ga naar de Gever. Niet Zijn gaven, maar Hijzelf wil uw woning zijn, in de tijd en ook op dat ernstige ogenblik wanneer het einde daar is. Buiten Christus kan de ziel geen ogenblik bestaan, maar in Hem is zij geborgen. Zo zal uw ziel door alle eindeloze eeuwen heen veilig wonen in de schoot van de eeuwige Jehova.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The eternal God is thy refuge.
Deuteronomy 33:27
There is, to my mind, much sweetness in the contrast between the eternal God being the refuge of His people, and the lying refuges that most hide their heads in. God’s people need an eternal refuge. They have a never-dying soul; and unless they have a never-dying refuge, it is not sufficient for a never-dying soul. Works! these are for time; the never-dying soul needs something to stand when works and wonders cease. Doctrines, opinions, sentiments, ordinances, the good opinion of men, the applause and flattery of the creature—these are of the earth, earthy; they fail when a man gives up the spirit.
But a child of God needs a refuge, not merely that his soul may anchor in it in time, but that when time is ended, when the angel proclaims, “There shall be time no longer,” and his liberated soul escapes its prison-house, and is wafted into the presence of the eternal God, it may find in Him at that solemn moment a refuge. No, all through eternity, in the rolling circle of its never-ending ages, the soul will still need a refuge. For could it even in eternity exist for a moment out of Christ—in a word, were the refuge of the elect anything but eternal, the moment the limited time of their shelter closed, the frowns of God would hurl them into perdition; so that nothing but an eternal God can ever be a refuge for a never-dying soul.
It does not say, “His grace is your refuge.” No; because grace will end in glory. Nor does it say, “His mercy is your refuge,” for His mercy will end in blessing and praise. Nor does it say, “His attributes or His perfections are a refuge.” It drops the gifts, and leads the soul up to the Giver, as though God’s own gifts and mercies were not sufficient, but that the immortal soul must have the immortal God, and the never-dying spirit is only safe in the bosom of an eternal Jehovah.
To the reader…
When you want to hide your head, where do you look for a refuge? Is it your works, your feelings, the good opinion of men or the flattery of the creature? All that is of the earth, earthy, and it will slip away from you at the very moment you most need a refuge. A soul that never dies cannot rest in anything that passes away; it needs the eternal God Himself.
Are you anxious about that, because you feel all your props falling away? Let them fall and go to the Giver. Not His gifts, but He Himself wants to be your dwelling place, in time and also in that solemn moment when the end has come. Out of Christ the soul cannot exist for a moment, but in Him it is safe. So your soul will dwell secure through all the endless ages in the bosom of the eternal Jehovah.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El eterno Dios es tu refugio.
Deuteronomio 33:27
Hay, a mi parecer, mucha dulzura en el contraste entre el Dios eterno como refugio de Su pueblo y los refugios de mentira en que la mayoría esconde la cabeza. El pueblo de Dios necesita un refugio eterno. Tiene un alma que nunca muere; y si no tiene un refugio que nunca muere, no basta para un alma que nunca muere. ¡Las obras! Estas son para el tiempo; el alma que nunca muere necesita algo que permanezca cuando cesen las obras y las maravillas. Doctrinas, opiniones, sentimientos, ordenanzas, la buena opinión de los hombres, el aplauso y la adulación de la criatura: todo esto es de la tierra, terrenal; falla cuando el hombre entrega el espíritu.
Pero un hijo de Dios necesita un refugio, no solo para que su alma se ancle en él en el tiempo, sino para que, cuando el tiempo haya terminado, cuando el ángel proclame que “el tiempo no será más”, y su alma liberada escape de su prisión y sea llevada a la presencia del Dios eterno, halle en Él en ese momento solemne un refugio. Más aún, por toda la eternidad, en el círculo rodante de sus siglos sin fin, el alma seguirá necesitando un refugio. Porque si aun en la eternidad pudiera existir un momento fuera de Cristo; en una palabra, si el refugio de los escogidos fuera algo menos que eterno, en el instante en que se cerrara el tiempo limitado de su amparo, el ceño de Dios los arrojaría a la perdición; de modo que nada sino un Dios eterno puede jamás ser refugio para un alma que nunca muere.
No dice: “Su gracia es tu refugio”. No; porque la gracia terminará en gloria. Tampoco dice: “Su misericordia es tu refugio”, porque Su misericordia terminará en bendición y alabanza. Ni dice: “Sus atributos o Sus perfecciones son un refugio”. Deja a un lado los dones y conduce el alma hasta el Dador, como si los propios dones y misericordias de Dios no fueran suficientes, sino que el alma inmortal ha de tener al Dios inmortal, y el espíritu que nunca muere solo está seguro en el seno de un Jehová eterno.
Al lector…
Cuando quiere esconder la cabeza, ¿dónde busca usted refugio? ¿En sus obras, en sus sentimientos, en la buena opinión de los hombres o en la adulación de la criatura? Todo eso es de la tierra, terrenal, y se le escapará precisamente en el momento en que más necesite un refugio. Un alma que nunca muere no puede descansar en nada que pasa; necesita al Dios eterno mismo.
¿Le angustia eso, porque siente que todos sus apoyos se derrumban? Déjelos caer y vaya al Dador. No Sus dones, sino Él mismo quiere ser su morada, en el tiempo y también en ese momento solemne en que haya llegado el fin. Fuera de Cristo el alma no puede existir ni un momento, pero en Él está segura. Así su alma morará confiada por todos los siglos sin fin en el seno del Jehová eterno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl