6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wat zal Ik u doen, o Efraïm?
Hosea 6:4
De meesten van Gods volk hebben iets bijzonders dat zij vervuld wensen. De meeste levende zielen hebben een bijzondere verzoeking waarvan zij wensen bevrijd te worden. Zo enigen van ’s Heeren kinderen al hun wensen in één bede konden verenigen, dan zou het zijn: de vergeving hunner zonden aan het geweten bezegeld te verkrijgen. Zo anderen van Gods volk al de behoeften hunner ziel in één zin konden samenvatten, dan zou het zijn: gebracht te worden tot het genot van de vrijheid des Evangelies. Zo anderen in één kort gebed de voornaamste begeerte van hun hart konden samentrekken, het zou zijn: bevrijd te worden van de grote verzoeking, of behoed te worden tegen een bijzondere kwelling. En zo anderen in één verzoek het vurig verlangen dat hun borst doet zwoegen konden uitdrukken, het zou zijn: verlost te worden van een bijzondere beproeving of kwelling, die hen somtijds schijnt te dreigen in het stof neer te drukken.
Wanneer de Heere hen dan maar in staat stelt tot Hem te komen en tot Hem te zeggen wat er in hun hart omgaat, is het alsof Hij zeide: „Vrees niet het Mij te zeggen; Ik weet het reeds; Ik heb de macht u uw verzoek toe te staan; Ik wil u het begeerde antwoord geven. Wat zal Ik u doen? Zeg Mij wat het is!” De Heere moedigt aldus een ieder aan en stelt hem in staat tot Hem te naderen, om Hem te zeggen wat hij nodig heeft; en als hij in staat is het voor Zijn troon neder te leggen, is het reeds half beantwoord. De nodige zegening is op weg; gelijk Gabriël heeft zij het paleis verlaten en haast zich de ziel te bereiken.
’k Hef mijn ziel, o God der góden,
tot U op. Gij zijt mijn God!
’k Heb op U vertrouwd in noden,
weer van mij toch schaamt’ en spot.
Dat mijn vijand nooit van vreugd
om mij opspring’. Die U wachten,
dekt nooit schaamt’, maar die de deugd
zonder oorzaak stout verachten.
Ps. 25:1
Aan de lezer…
U die één ding met uw hart meer dan iets anders begeert: wat is het? Is het de vergeving uwer zonden, aan uw geweten bezegeld? Is het de vrijheid des Evangelies, of verlossing van een verzoeking of beproeving die u dreigt in het stof neer te drukken? Misschien hebt u het nauwelijks durven uitspreken, uit vrees dat het te groot is of dat u het niet waardig bent.
Hoor dan hoe de Heere vraagt: „Wat zal Ik u doen?” Hij weet het reeds, en Hij heeft de macht het u te geven. Vrees niet het Hem te zeggen, zoals het in uw hart omgaat. Wanneer Hij u in staat stelt het voor Zijn troon neder te leggen, is het reeds half beantwoord; wie weet of de zegening niet al op weg is naar uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat zal Ik u doen, o Efraïm?
Hosea 6:4
De meesten van Gods volk hebben iets bijzonders waarvan zij wensen dat het vervuld wordt. De meeste levende zielen hebben een bijzondere verzoeking waarvan zij verlost willen worden. Als sommigen van de kinderen van de Heere al hun wensen in één bede konden samenbrengen, dan zou die luiden: dat de vergeving van hun zonden aan hun geweten bezegeld wordt. Als anderen van Gods volk alle behoeften van hun ziel in één zin konden samenvatten, dan zou die luiden: dat zij gebracht worden tot het genieten van de vrijheid van het Evangelie. Als weer anderen de voornaamste begeerte van hun hart in één kort gebed konden samenvatten, dan zou het zijn: bevrijd te worden van de grote verzoeking, of bewaard te worden voor een bijzondere kwelling.
En als nog anderen in één verzoek het vurige verlangen konden uitdrukken dat hun borst doet zwoegen, dan zou het zijn: verlost te worden van een bijzondere beproeving of kwelling, die hen soms in het stof neer lijkt te drukken. Wanneer de Heere hen dan maar in staat stelt tot Hem te komen en Hem te zeggen wat er in hun hart omgaat, is het alsof Hij zegt: „Vrees niet het Mij te zeggen; Ik weet het reeds; Ik heb de macht u uw verzoek toe te staan; Ik wil u het begeerde antwoord geven. Wat zal Ik u doen? Zeg Mij wat het is!” Zo moedigt de Heere ieder van hen aan en stelt Hij hem in staat tot Hem te naderen, om Hem te zeggen wat hij nodig heeft. En als hij het voor Zijn troon kan neerleggen, is het al half beantwoord. De zegening die nodig is, is onderweg; als Gabriël heeft zij het paleis verlaten en haast zij zich om de ziel te bereiken.
’k Hef mijn ziel, o God der góden,
tot U op. Gij zijt mijn God!
’k Heb op U vertrouwd in noden,
weer van mij toch schaamt’ en spot.
Dat mijn vijand nooit van vreugd
om mij opspring’. Die U wachten,
dekt nooit schaamt’, maar die de deugd
zonder oorzaak stout verachten.
Ps. 25:1
Aan de lezer…
U die één ding met uw hart meer begeert dan iets anders: wat is het? Is het de vergeving van uw zonden, bezegeld aan uw geweten? Is het de vrijheid van het Evangelie, of verlossing van een verzoeking of beproeving die u in het stof dreigt neer te drukken? Misschien hebt u het nauwelijks durven uitspreken, uit vrees dat het te groot is of dat u het niet waardig bent.
Hoor dan hoe de Heere vraagt: „Wat zal Ik u doen?” Hij weet het al, en Hij heeft de macht het u te geven. Wees niet bang het Hem te zeggen, zoals het in uw hart omgaat. Wanneer Hij u in staat stelt het voor Zijn troon neer te leggen, is het al half beantwoord. Wie weet is de zegening al onderweg naar uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O Ephraim, what shall I do unto thee?
Hosea 6:4
Most of the Lord’s people have some peculiar thing that they want to have granted. Most living souls have some peculiar temptation from which they want to be delivered. If some of the Lord’s family could sum up all their desires in one petition, it would be to have the pardon of their sins sealed upon the conscience. If others of God’s people could crowd up in one sentence all the wants of their soul, it would be to be brought into the enjoyment of gospel liberty. If others could condense in one short prayer the chief desire of their heart, it would be to be delivered from some powerful temptation, or be preserved from some peculiar besetting sin. And if others could get into one request the longings that heave in their bosom, it would be to be relieved from some special trial or trouble that at times seems as though it would weigh them down to the dust.
When the Lord, then, does but enable them to come before Him and tell Him what is working in their hearts, it is as though He said, ‘Be not afraid to tell Me—I know it already—I have the power to grant your request—I have the will to bestow the desired answer. “What shall I do unto you?” Tell Me what it is!’ The Lord encourages and enables every one that He thus draws near to Himself to tell Him what he most needs; and when he is enabled to lay it before His throne, it is half answered. The needed blessing is on its way—like Gabriel, it has left the palace, and is speeding its course to the soul.
To the reader…
You who desire one thing in your heart more than anything else: what is it? Is it the pardon of your sins, sealed upon your conscience? Is it gospel liberty, or deliverance from a temptation or trial that threatens to weigh you down to the dust? Perhaps you have hardly dared to put it into words, for fear that it is too great or that you are not worthy of it.
Then hear how the Lord asks: “What shall I do unto thee?” He knows it already, and He has the power to give it to you. Do not be afraid to tell Him, just as it is in your heart. When He enables you to lay it before His throne, it is already half answered. Who knows, the blessing may already be on its way to your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué haré a ti, Efraín?
Oseas 6:4
La mayoría del pueblo del Señor tiene alguna cosa particular que desea que le sea concedida. La mayoría de las almas vivientes tiene alguna tentación particular de la cual desea ser librada. Si algunos de la familia del Señor pudieran resumir todos sus deseos en una sola petición, sería tener el perdón de sus pecados sellado en la conciencia. Si otros del pueblo de Dios pudieran reunir en una sola frase todas las necesidades de su alma, sería ser llevados al goce de la libertad del evangelio. Si otros pudieran condensar en una breve oración el deseo principal de su corazón, sería ser librados de alguna tentación poderosa, o ser preservados de algún pecado particular que los asedia. Y si otros pudieran encerrar en una sola súplica los anhelos que palpitan en su pecho, sería ser aliviados de alguna prueba o aflicción especial que a veces parece que va a abatirlos hasta el polvo.
Cuando el Señor, pues, no hace más que capacitarlos para venir delante de Él y decirle lo que obra en su corazón, es como si Él dijera: ‘No temas decírmelo; Yo ya lo sé; tengo el poder para conceder tu petición; tengo la voluntad de otorgar la respuesta deseada. “¿Qué haré a ti?” ¡Dime qué es!’ El Señor anima y capacita a todo aquel a quien así acerca a Sí mismo para que Le diga lo que más necesita; y cuando es capacitado para presentarlo delante de Su trono, ya está medio contestado. La bendición necesaria está en camino; como Gabriel, ha salido del palacio y se apresura en su carrera hacia el alma.
Al lector…
Usted que desea en su corazón una cosa más que ninguna otra: ¿qué es? ¿Es el perdón de sus pecados, sellado en su conciencia? ¿Es la libertad del evangelio, o la liberación de una tentación o prueba que amenaza con abatirle hasta el polvo? Quizá apenas se ha atrevido a ponerlo en palabras, por temor de que sea demasiado grande o de que usted no sea digno de ello.
Escuche entonces cómo pregunta el Señor: “¿Qué haré a ti?” Él ya lo sabe, y tiene el poder para dárselo. No tema decírselo, tal como está en su corazón. Cuando Él le capacita para presentarlo delante de Su trono, ya está medio contestado. Quién sabe, la bendición puede estar ya en camino hacia su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Ziet u dat de Heilige Schrift altijd de kwaal en de remedie bij elkaar plaatst? Hoe de beloften als geschikt voor bepaalde toestanden en gevallen van de ziel worden geopenbaard? En hoe alle volmaaktheden van God worden aangepast voor Zijn kinderen, al naar gelang ze in bepaalde omstandigheden zijn terechtgekomen? Deze gedachtegang loopt door de hele Schrift heen. Hier wordt dus van de HEERE gezegd dat Hij een Hoog Vertrek is. Maar wanneer? „In tijden van benauwdheid.”
We hebben Hem niet nodig als een Hoog Vertrek als er geen benauwdheid bestaat. Zal ik eens een uitdrukking gebruiken zonder oneerbiedig te willen zijn? We kunnen het dan wel „zonder Hem stellen”. We kunnen de wereld liefhebben, ons vermaken met tijdelijke en zintuiglijke dingen, ons hoofd de verkeerde kant laten opgaan achter de waan van de dag aan; we kunnen een afgodsbeeld oprichten in ons hart; we kunnen voor een gouden god neerbuigen; we kunnen al onze genegenheid richten op degenen die ons van nature dierbaar zijn; we kunnen heel goed ’s morgens opstaan, de dag doorgaan en ’s avonds gaan slapen zonder God.
Maar als er tijden van benauwdheid aanbreken, als we zwaar worden bezocht, als we beproevingen meemaken die we moeten doorstaan om in het hemelse Kanaän te komen, dan willen we iets meer dan vlees en bloed; dan willen we iets meer dan het vergankelijke schepsel kan openbaren; dan willen we iets meer dan datgene waarmee deze zinloze wereld ons kan vermaken. Dan willen we God; we willen de eeuwige armen onder onze ziel ervaren; we willen steun ervaren; we willen openbaringen en troost; we willen dat iets van de lippen van de Heere met de kracht van de Heere in ons hart wordt gebracht. Door deze „tijden van benauwdheid” die de kinderen van de Heere moeten doormaken, weten ze dat er een God hierboven is. En het is een groot onderscheidend kenmerk van een kind van God dat juist zijn wereldlijke problemen de golf zijn die zijn boot verder voert naar het Koninkrijk Gods.
Lezen: Psalm 119:57-72
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er dagen geweest zijn waarop u ’s morgens opstond, de dag doorging en ’s avonds ging slapen zonder God; wees daar eens eerlijk over voor uw eigen hart. Zolang het u wel ging, kon u het „zonder Hem stellen”, en uw genegenheid ging uit naar wat de wereld u bood. Het is een beschamende bekentenis, maar de Heere kent die afdwalingen beter dan u.
Nu de tijden van benauwdheid gekomen zijn, wilt u iets meer dan vlees en bloed u geven kan. U wilt God, u wilt Zijn eeuwige armen onder uw ziel, u wilt een woord van Zijn lippen in uw hart. Zie dan in die benauwdheid niet alleen een storm, maar ook een golf die uw boot verder voert naar het Koninkrijk Gods. Hij plaatst de kwaal en de remedie bij elkaar, en Hij is een Hoog Vertrek juist in zulke tijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Ziet u dat de Heilige Schrift altijd de kwaal en de remedie naast elkaar plaatst? Ziet u hoe de beloften worden geopenbaard als passend bij bepaalde toestanden en gevallen van de ziel? En hoe alle volmaaktheden van God zijn afgestemd op Zijn kinderen, al naar gelang de omstandigheden waarin zij terechtgekomen zijn? Deze gedachtegang loopt door de hele Schrift heen. Hier wordt dus van de HEERE gezegd dat Hij een Hoog Vertrek is. Maar wanneer? „In tijden van benauwdheid.”
We hebben Hem niet nodig als een Hoog Vertrek wanneer er geen benauwdheid is. Mag ik een uitdrukking gebruiken, zonder oneerbiedig te willen zijn? We kunnen het dan wel „zonder Hem stellen”. We kunnen de wereld liefhebben, ons vermaken met tijdelijke en zintuiglijke dingen, en ons hoofd de verkeerde kant op laten gaan achter de waan van de dag aan. We kunnen een afgodsbeeld in ons hart oprichten; we kunnen voor een gouden god neerbuigen; we kunnen al onze genegenheid richten op hen die ons van nature dierbaar zijn; we kunnen heel goed ’s morgens opstaan, de dag doorgaan en ’s avonds gaan slapen zonder God.
Maar wanneer er tijden van benauwdheid aanbreken, wanneer we zwaar bezocht worden, wanneer we beproevingen doormaken die we moeten doorstaan om in het hemelse Kanaän te komen, dan willen we iets meer dan vlees en bloed. Dan willen we iets meer dan het vergankelijke schepsel kan bieden, iets meer dan waarmee deze zinloze wereld ons kan vermaken. Dan willen we God; we willen de eeuwige armen onder onze ziel ervaren; we willen steun ervaren; we willen openbaringen en troost; we willen dat er iets van de lippen van de Heere met de kracht van de Heere in ons hart wordt gebracht. Door deze „tijden van benauwdheid” die de kinderen van de Heere moeten doormaken, weten zij dat er een God hierboven is. En het is een groot onderscheidend kenmerk van een kind van God dat juist zijn wereldse moeiten de golf zijn die zijn boot verder voert naar het Koninkrijk van God.
Lezen: Psalm 119:57-72
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er dagen geweest zijn waarop u ’s morgens opstond, de dag doorging en ’s avonds ging slapen zonder God; wees daar eens eerlijk over tegenover uw eigen hart. Zolang het u goed ging, kon u het „zonder Hem stellen”, en uw genegenheid ging uit naar wat de wereld u bood. Het is een beschamende bekentenis, maar de Heere kent die afdwalingen beter dan u.
Nu de tijden van benauwdheid gekomen zijn, wilt u iets meer dan vlees en bloed u kan geven. U wilt God, u wilt Zijn eeuwige armen onder uw ziel, u wilt een woord van Zijn lippen in uw hart. Zie dan in die benauwdheid niet alleen een storm, maar ook een golf die uw boot verder voert naar het Koninkrijk van God. Hij plaatst de kwaal en de remedie naast elkaar, en Hij is juist in zulke tijden een Hoog Vertrek.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
Do you see how Holy Scripture always sets the malady and the remedy side by side? Do you see how the promises are revealed as suited to particular states and cases of the soul? And how all the perfections of God are adapted to His children, according to the circumstances into which they have come? This line of thought runs through the whole of Scripture. So here it is said of the LORD that He is a refuge. But when? “In times of trouble.”
We do not need Him as a refuge when there is no trouble. May I use an expression, without meaning to be irreverent? We can then “do without Him.” We can love the world, amuse ourselves with things of time and sense, and let our heads run the wrong way after the fashion of the day. We can set up an idol in our hearts; we can bow down to a golden god; we can fix all our affections on those who are naturally dear to us; we can very well rise in the morning, go through the day and lie down at night without God.
But when times of trouble come, when we are heavily afflicted, when we pass through the trials we must endure to enter the heavenly Canaan, then we want something more than flesh and blood. Then we want something more than the perishing creature can afford, something more than this empty world can amuse us with. Then we want God; we want to feel the everlasting arms underneath our souls; we want to feel support; we want manifestations and consolations; we want something from the lips of the Lord to be brought with the power of the Lord into our hearts.
By these “times of trouble” through which the Lord’s children must pass, they know that there is a God above. And it is a great distinguishing mark of a child of God that his very worldly troubles are the wave that carries his boat onward to the kingdom of God.
Reading: Psalm 119:57-72
To the reader…
It may be that there have been days when you rose in the morning, went through the day and lay down at night without God; be honest about that with your own heart. As long as things went well with you, you could “do without Him,” and your affections went out to what the world offered you. It is a humbling confession, but the Lord knows those wanderings better than you do.
Now that times of trouble have come, you want something more than flesh and blood can give you. You want God, you want His everlasting arms beneath your soul, you want a word from His lips in your heart. Then see in that trouble not only a storm, but also a wave that carries your boat onward to the kingdom of God. He sets the malady and the remedy side by side, and in just such times He is a refuge.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
¿Ve usted cómo la Santa Escritura pone siempre la enfermedad y el remedio uno al lado del otro? ¿Ve cómo las promesas son reveladas como adecuadas a estados y casos particulares del alma? ¿Y cómo todas las perfecciones de Dios se ajustan a Sus hijos, según las circunstancias en que se encuentran? Esta línea de pensamiento recorre toda la Escritura. Así, aquí se dice de Jehová que Él es un refugio. Pero ¿cuándo? “Para el tiempo de angustia.”
No le necesitamos como refugio cuando no hay angustia. ¿Puedo usar una expresión, sin querer ser irreverente? Entonces podemos “pasarnos sin Él”. Podemos amar al mundo, entretenernos con las cosas del tiempo y de los sentidos, y dejar que nuestra cabeza corra por el camino equivocado según la moda del día. Podemos levantar un ídolo en nuestro corazón; podemos inclinarnos ante un dios de oro; podemos poner todos nuestros afectos en quienes nos son naturalmente queridos; muy bien podemos levantarnos por la mañana, pasar el día y acostarnos por la noche sin Dios.
Pero cuando llegan tiempos de angustia, cuando somos gravemente afligidos, cuando pasamos por las pruebas que hemos de soportar para entrar en la Canaán celestial, entonces queremos algo más que carne y sangre. Entonces queremos algo más de lo que la criatura perecedera puede ofrecer, algo más de lo que este mundo vacío puede entretenernos. Entonces queremos a Dios; queremos sentir los brazos eternos debajo de nuestra alma; queremos sentir sostén; queremos manifestaciones y consolaciones; queremos que algo de los labios del Señor sea traído con el poder del Señor a nuestro corazón.
Por estos “tiempos de angustia” por los que han de pasar los hijos del Señor, saben que hay un Dios en lo alto. Y es una gran señal distintiva de un hijo de Dios que sus mismas angustias terrenales son la ola que lleva su barca adelante hacia el reino de Dios.
Lectura: Salmo 119:57-72
Al lector…
Puede ser que haya habido días en que usted se levantó por la mañana, pasó el día y se acostó por la noche sin Dios; sea sincero en eso con su propio corazón. Mientras las cosas le iban bien, podía “pasarse sin Él”, y sus afectos se iban tras lo que el mundo le ofrecía. Es una confesión humillante, pero el Señor conoce esos extravíos mejor que usted.
Ahora que han llegado tiempos de angustia, quiere algo más de lo que la carne y la sangre pueden darle. Quiere a Dios, quiere Sus brazos eternos debajo de su alma, quiere una palabra de Sus labios en su corazón. Vea entonces en esa angustia no solo una tormenta, sino también una ola que lleva su barca adelante hacia el reino de Dios. Él pone la enfermedad y el remedio uno al lado del otro, y precisamente en tales tiempos es un refugio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des Heeren.
Klaagliederen 3:26
De Heere brengt Zijn arme en nooddruftige kinderen niet tot een troon der genade om hen dan, onmiddellijk nadat zij gekomen zijn, terug te zenden. Maar Zijn bedoeling is om hun te tonen wat zij zijn, opdat zij Zijn gunstbewijzen zouden waarderen, en zij zichzelf al lager en lager zouden leren achten, en zij al hoger en hoger in Christus mogen opwassen, om onderwezen te worden te hunnen nutte (gelijk de Schrift spreekt). Hij beoogt Zijn wetten in hun hart te schrijven met regels, door de Geest getrokken met diepe lijnen, gegraveerd met een ijzeren griffie en lood, voor eeuwig in een rots gehouwen. Dus niet met letters in het zand gedrukt, die bij wassend getij of door de kracht des winds worden uitgevaagd, maar met letters even bestendig als de ziel zelf.
Het werk van de Geest in de harten van het verloste volk is een innerlijk werk, dat tot de wortel raakt; het is geen los werk, niet iets oppervlakkigs, niet iets dat kan uitgewist of vernietigd worden, maar het is een werk dat blijft en duren zal tot in eeuwigheid. De Heere maakt Zijn volk pasklaar voor de eeuwigheid, en daarom is Zijn werk in hen een doorgaand werk; het gaat in hun binnenste; het laat niets bedekt liggen, maar het keert alles om tot op de bodem toe, „ontblotende de grond tot de hals toe” (Hab. 3:13). En de Heere doet geestelijkerwijze in een mens wat Hij letterlijk dreigde te doen aan Jeruzalem: „En Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist ze uit en men keert ze om op haar holligheid” (2 Kon. 21:13).
Daarom beantwoordt Hij de gebeden Zijner kinderen niet dadelijk als zij komen tot Zijn troon van barmhartigheid en genade, maar Hij vermeerdert de overtuigingen die Hij ingeplant heeft. Hij maakt de last die Hij op hun rug gezet heeft zwaarder; Hij verbergt Zich veeleer dan dat Hij Zich ontdekt, en trekt Zich meer terug dan dat Hij naderbij komt. Nu, dit alles is bedoeld om hen met te meer ernst naar Hem te doen uitzien, met meer openhartige eenvoudigheid, met een meer volstrekte afhankelijkheid van Hem te doen leven en de mededeling der zegeningen van Hem alleen te doen verwachten. Om al meer van de sterkte van het schepsel af te zien, en met een vaster voornemen in de ziel alle eigengerechtigheid te verzaken en geheel te steunen op des Geestes onderwijzingen en de zoete openbaringen van Jezus Zelf.
Aan de lezer…
Soms komt u met uw nood tot de troon der genade, en schijnt het of de Heere u niet hoort. Is de last, in plaats van lichter, nog zwaarder geworden, en verbergt Hij Zich veeleer dan dat Hij Zich ontdekt? Dat kan een bitter raadsel zijn voor een arm en nooddruftig hart, en het is geen wonder als u soms meent dat Hij u heeft afgewezen.
Maar Hij brengt Zijn kinderen niet tot Zijn troon om hen terug te zenden. Hij schrijft diep, niet in het zand, maar met een ijzeren griffie, opdat Zijn werk in u blijve tot in eeuwigheid. Hij leert u al lager van uzelf te denken en al meer van Hem alleen te verwachten. Het is goed, dat u hoopt en stil bent op het heil des Heeren; Zijn uitstel is geen afwijzing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des Heeren.
Klaagliederen 3:26
De Heere brengt Zijn arme en nooddruftige kinderen niet tot een troon van genade om hen dan, meteen nadat zij gekomen zijn, terug te sturen. Zijn bedoeling is hun te laten zien wat zij zijn, zodat zij Zijn gunstbewijzen zouden waarderen, zichzelf steeds geringer zouden leren achten en steeds hoger in Christus zouden opwassen, om onderwezen te worden tot hun nut (zoals de Schrift het zegt). Hij wil Zijn wetten in hun hart schrijven met regels die door de Geest met diepe lijnen getrokken zijn, gegraveerd met een ijzeren griffie en lood, voor eeuwig in een rots gehouwen. Dus niet met letters in het zand gedrukt, die door het opkomend tij of door de kracht van de wind worden uitgewist, maar met letters die even blijvend zijn als de ziel zelf.
Het werk van de Geest in de harten van het verloste volk is een innerlijk werk, dat tot de wortel gaat. Het is geen los werk, niets oppervlakkigs, niets wat kan worden uitgewist of vernietigd, maar een werk dat blijft en zal duren tot in eeuwigheid. De Heere maakt Zijn volk gereed voor de eeuwigheid, en daarom is Zijn werk in hen een doorgaand werk. Het gaat tot in hun binnenste; het laat niets bedekt liggen, maar keert alles om tot op de bodem, „ontblotende de grond tot de hals toe” (Hab. 3:13). En de Heere doet geestelijk in een mens wat Hij letterlijk dreigde te doen met Jeruzalem: „En Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist ze uit en men keert ze om op haar holligheid” (2 Kon. 21:13).
Daarom beantwoordt Hij de gebeden van Zijn kinderen niet meteen wanneer zij tot Zijn troon van barmhartigheid en genade komen, maar vermeerdert Hij de overtuigingen die Hij heeft ingeplant. Hij maakt de last die Hij op hun rug gelegd heeft zwaarder; Hij verbergt Zich eerder dan dat Hij Zich openbaart, en trekt Zich meer terug dan dat Hij naderbij komt. Dit alles is bedoeld om hen met des te meer ernst naar Hem te laten uitzien, met meer oprechte eenvoud, en hen in een meer volstrekte afhankelijkheid van Hem te laten leven en de zegeningen van Hem alleen te laten verwachten. Het is bedoeld om hen steeds meer van de kracht van het schepsel te laten afzien, en hen met een vaster voornemen in de ziel alle eigengerechtigheid te laten verzaken en geheel te laten steunen op het onderwijs van de Geest en de zoete openbaringen van Jezus Zelf.
Aan de lezer…
Soms komt u met uw nood tot de troon van genade, en lijkt het alsof de Heere u niet hoort. Is de last, in plaats van lichter, nog zwaarder geworden, en verbergt Hij Zich eerder dan dat Hij Zich openbaart? Dat kan een bitter raadsel zijn voor een arm en nooddruftig hart, en het is geen wonder als u soms meent dat Hij u heeft afgewezen.
Maar Hij brengt Zijn kinderen niet tot Zijn troon om hen terug te sturen. Hij schrijft diep, niet in het zand, maar met een ijzeren griffie, zodat Zijn werk in u blijft tot in eeuwigheid. Hij leert u steeds geringer over uzelf te denken en steeds meer van Hem alleen te verwachten. Het is goed dat u hoopt en stil bent op het heil van de Heere; Zijn uitstel is geen afwijzing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“It is good that a man should both hope and quietly wait for the salvation of the LORD.”
Lamentations 3:26
The Lord does not bring His poor and needy children to a throne of grace, and send them away as soon as they have come. But His purpose is, to show them deeply what they are, to make them value His favors, to sink them lower and lower in self, that they may rise higher and higher in Christ, to “teach them to profit” (as the Scripture speaks), to write His laws upon their hearts in lines of the Spirit’s drawing, in deep lines, “engraved with an iron pen and lead in the rock forever;” not characters traced out in the sand, to be washed out by the rising tide, or effaced by the wind, but in characters as permanent as the soul itself.
The work of the Spirit in the hearts of the redeemed is radical work, work that goes to the very bottom; nothing flimsy, nothing superficial, nothing which can be effaced and obliterated springs from Him, but that which shall have an abiding effect—that which shall last for eternity. The Lord is fitting His people for eternity, and therefore His work in them is thorough work; it goes right through them; it leaves nothing covered up and masked over, but turns all up from the very bottom, “discovering the foundation unto the neck” (Hab. 3:13), and doing in a man spiritually what the Lord threatened to do in Jerusalem literally, “I will wipe Jerusalem as a man wipes a dish, wiping it, and turning it upside down” (2 Kings 21:13).
Therefore He does not answer the prayers of His children immediately when they come to His throne of mercy and grace, but rather He deepens those convictions that He has implanted; He makes the burdens heavier that He has put upon their back; He hides Himself instead of discovering Himself, and draws back further instead of coming nearer. Now this is intended to make them wait with greater earnestness, with more unreserved simplicity, with more absolute dependence upon Him and Him alone to communicate the blessing, with greater separation of heart from all the strength of the creature, with a firmer resolution in the soul to cast away all its own righteousness, and to hang solely and wholly upon the Spirit’s teachings, and Jesus’ sweet revelation of Himself.
To the reader…
Sometimes you come with your need to the throne of grace, and it seems as though the Lord does not hear you. Has the burden, instead of growing lighter, become heavier still, and does He hide Himself rather than reveal Himself? That can be a bitter riddle for a poor and needy heart, and it is no wonder if you sometimes think He has turned you away.
But He does not bring His children to His throne to send them back. He writes deep, not in the sand, but with an iron pen, so that His work in you remains forever. He teaches you to think ever less of yourself and to expect ever more from Him alone. It is good that you should hope and quietly wait for the salvation of the Lord; His delay is no refusal.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bueno es esperar callando en la salud de Jehová.
Lamentaciones 3:26
El Señor no trae a Sus hijos pobres y necesitados a un trono de gracia para despedirlos tan pronto como han llegado. Su propósito es, más bien, mostrarles profundamente lo que son, hacerles apreciar Sus favores, hundirlos cada vez más bajo en sí mismos para que se levanten cada vez más alto en Cristo, “enseñarles provechosamente” (como dice la Escritura), escribir Sus leyes en su corazón con trazos dibujados por el Espíritu, en trazos hondos, “con cincel de hierro y con plomo en piedra esculpidas para siempre”; no caracteres trazados en la arena, para ser borrados por la marea creciente o deshechos por el viento, sino en caracteres tan permanentes como el alma misma.
La obra del Espíritu en el corazón de los redimidos es una obra radical, una obra que llega hasta el mismo fondo; nada endeble, nada superficial, nada que pueda borrarse y deshacerse procede de Él, sino aquello que tendrá un efecto duradero, aquello que permanecerá por la eternidad. El Señor está preparando a Su pueblo para la eternidad, y por eso Su obra en ellos es una obra a fondo; los atraviesa de parte a parte; no deja nada cubierto ni enmascarado, sino que lo remueve todo desde el mismo fondo, “desnudando el cimiento hasta el cuello” (Hab. 3:13), y haciendo espiritualmente en el hombre lo que el Señor amenazó hacer literalmente en Jerusalén: “Limpiaré a Jerusalén como se limpia una escudilla, que se limpia y se vuelve sobre su faz” (2 Reyes 21:13).
Por eso Él no responde inmediatamente a las oraciones de Sus hijos cuando vienen a Su trono de misericordia y gracia, sino que más bien ahonda las convicciones que ha implantado; hace más pesadas las cargas que ha puesto sobre sus espaldas; se esconde en vez de descubrirse, y se retira más lejos en vez de acercarse. Ahora bien, esto tiene por fin hacerles esperar con mayor fervor, con una sencillez más sin reservas, con una dependencia más absoluta de Él, y solo de Él, para comunicar la bendición, con mayor separación del corazón de toda la fuerza de la criatura, con una resolución más firme en el alma de desechar toda su propia justicia y de depender sola y enteramente de las enseñanzas del Espíritu y de la dulce revelación que Jesús hace de Sí mismo.
Al lector…
A veces usted viene con su necesidad al trono de gracia, y parece como si el Señor no le oyera. ¿Se ha hecho la carga, en vez de más ligera, aún más pesada, y se esconde Él en lugar de revelarse? Eso puede ser un enigma amargo para un corazón pobre y necesitado, y no es de extrañar que a veces piense que Él le ha rechazado.
Pero Él no trae a Sus hijos a Su trono para despedirlos. Él escribe hondo, no en la arena, sino con cincel de hierro, para que Su obra en usted permanezca para siempre. Le enseña a pensar cada vez menos de sí mismo y a esperarlo todo cada vez más solo de Él. Bueno es que usted espere, y que espere callando, la salvación del Señor; Su demora no es una negativa.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl