3 november
Wat zal Ik u doen, o Efraïm?
Hosea 6:4
De meesten van Gods volk hebben iets bijzonders dat zij vervuld wensen. De meeste levende zielen hebben een bijzondere verzoeking waarvan zij wensen bevrijd te worden. Zo enigen van ’s Heeren kinderen al hun wensen in één bede konden verenigen, dan zou het zijn: de vergeving hunner zonden aan het geweten bezegeld te verkrijgen. Zo anderen van Gods volk al de behoeften hunner ziel in één zin konden samenvatten, dan zou het zijn: gebracht te worden tot het genot van de vrijheid des Evangelies. Zo anderen in één kort gebed de voornaamste begeerte van hun hart konden samentrekken, het zou zijn: bevrijd te worden van de grote verzoeking, of behoed te worden tegen een bijzondere kwelling. En zo anderen in één verzoek het vurig verlangen dat hun borst doet zwoegen konden uitdrukken, het zou zijn: verlost te worden van een bijzondere beproeving of kwelling, die hen somtijds schijnt te dreigen in het stof neer te drukken.
Wanneer de Heere hen dan maar in staat stelt tot Hem te komen en tot Hem te zeggen wat er in hun hart omgaat, is het alsof Hij zeide: „Vrees niet het Mij te zeggen; Ik weet het reeds; Ik heb de macht u uw verzoek toe te staan; Ik wil u het begeerde antwoord geven. Wat zal Ik u doen? Zeg Mij wat het is!” De Heere moedigt aldus een ieder aan en stelt hem in staat tot Hem te naderen, om Hem te zeggen wat hij nodig heeft; en als hij in staat is het voor Zijn troon neder te leggen, is het reeds half beantwoord. De nodige zegening is op weg; gelijk Gabriël heeft zij het paleis verlaten en haast zich de ziel te bereiken.
’k Hef mijn ziel, o God der góden,
tot U op. Gij zijt mijn God!
’k Heb op U vertrouwd in noden,
weer van mij toch schaamt’ en spot.
Dat mijn vijand nooit van vreugd
om mij opspring’. Die U wachten,
dekt nooit schaamt’, maar die de deugd
zonder oorzaak stout verachten.
Ps. 25:1
Aan de lezer…
U die één ding met uw hart meer dan iets anders begeert: wat is het? Is het de vergeving uwer zonden, aan uw geweten bezegeld? Is het de vrijheid des Evangelies, of verlossing van een verzoeking of beproeving die u dreigt in het stof neer te drukken? Misschien hebt u het nauwelijks durven uitspreken, uit vrees dat het te groot is of dat u het niet waardig bent.
Hoor dan hoe de Heere vraagt: „Wat zal Ik u doen?” Hij weet het reeds, en Hij heeft de macht het u te geven. Vrees niet het Hem te zeggen, zoals het in uw hart omgaat. Wanneer Hij u in staat stelt het voor Zijn troon neder te leggen, is het reeds half beantwoord; wie weet of de zegening niet al op weg is naar uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat zal Ik u doen, o Efraïm?
Hosea 6:4
De meesten van Gods volk hebben iets bijzonders waarvan zij wensen dat het vervuld wordt. De meeste levende zielen hebben een bijzondere verzoeking waarvan zij verlost willen worden. Als sommigen van de kinderen van de Heere al hun wensen in één bede konden samenbrengen, dan zou die luiden: dat de vergeving van hun zonden aan hun geweten bezegeld wordt. Als anderen van Gods volk alle behoeften van hun ziel in één zin konden samenvatten, dan zou die luiden: dat zij gebracht worden tot het genieten van de vrijheid van het Evangelie. Als weer anderen de voornaamste begeerte van hun hart in één kort gebed konden samenvatten, dan zou het zijn: bevrijd te worden van de grote verzoeking, of bewaard te worden voor een bijzondere kwelling.
En als nog anderen in één verzoek het vurige verlangen konden uitdrukken dat hun borst doet zwoegen, dan zou het zijn: verlost te worden van een bijzondere beproeving of kwelling, die hen soms in het stof neer lijkt te drukken. Wanneer de Heere hen dan maar in staat stelt tot Hem te komen en Hem te zeggen wat er in hun hart omgaat, is het alsof Hij zegt: „Vrees niet het Mij te zeggen; Ik weet het reeds; Ik heb de macht u uw verzoek toe te staan; Ik wil u het begeerde antwoord geven. Wat zal Ik u doen? Zeg Mij wat het is!” Zo moedigt de Heere ieder van hen aan en stelt Hij hem in staat tot Hem te naderen, om Hem te zeggen wat hij nodig heeft. En als hij het voor Zijn troon kan neerleggen, is het al half beantwoord. De zegening die nodig is, is onderweg; als Gabriël heeft zij het paleis verlaten en haast zij zich om de ziel te bereiken.
’k Hef mijn ziel, o God der góden,
tot U op. Gij zijt mijn God!
’k Heb op U vertrouwd in noden,
weer van mij toch schaamt’ en spot.
Dat mijn vijand nooit van vreugd
om mij opspring’. Die U wachten,
dekt nooit schaamt’, maar die de deugd
zonder oorzaak stout verachten.
Ps. 25:1
Aan de lezer…
U die één ding met uw hart meer begeert dan iets anders: wat is het? Is het de vergeving van uw zonden, bezegeld aan uw geweten? Is het de vrijheid van het Evangelie, of verlossing van een verzoeking of beproeving die u in het stof dreigt neer te drukken? Misschien hebt u het nauwelijks durven uitspreken, uit vrees dat het te groot is of dat u het niet waardig bent.
Hoor dan hoe de Heere vraagt: „Wat zal Ik u doen?” Hij weet het al, en Hij heeft de macht het u te geven. Wees niet bang het Hem te zeggen, zoals het in uw hart omgaat. Wanneer Hij u in staat stelt het voor Zijn troon neer te leggen, is het al half beantwoord. Wie weet is de zegening al onderweg naar uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O Ephraim, what shall I do unto thee?
Hosea 6:4
Most of the Lord’s people have some peculiar thing that they want to have granted. Most living souls have some peculiar temptation from which they want to be delivered. If some of the Lord’s family could sum up all their desires in one petition, it would be to have the pardon of their sins sealed upon the conscience. If others of God’s people could crowd up in one sentence all the wants of their soul, it would be to be brought into the enjoyment of gospel liberty. If others could condense in one short prayer the chief desire of their heart, it would be to be delivered from some powerful temptation, or be preserved from some peculiar besetting sin. And if others could get into one request the longings that heave in their bosom, it would be to be relieved from some special trial or trouble that at times seems as though it would weigh them down to the dust.
When the Lord, then, does but enable them to come before Him and tell Him what is working in their hearts, it is as though He said, ‘Be not afraid to tell Me—I know it already—I have the power to grant your request—I have the will to bestow the desired answer. “What shall I do unto you?” Tell Me what it is!’ The Lord encourages and enables every one that He thus draws near to Himself to tell Him what he most needs; and when he is enabled to lay it before His throne, it is half answered. The needed blessing is on its way—like Gabriel, it has left the palace, and is speeding its course to the soul.
To the reader…
You who desire one thing in your heart more than anything else: what is it? Is it the pardon of your sins, sealed upon your conscience? Is it gospel liberty, or deliverance from a temptation or trial that threatens to weigh you down to the dust? Perhaps you have hardly dared to put it into words, for fear that it is too great or that you are not worthy of it.
Then hear how the Lord asks: “What shall I do unto thee?” He knows it already, and He has the power to give it to you. Do not be afraid to tell Him, just as it is in your heart. When He enables you to lay it before His throne, it is already half answered. Who knows, the blessing may already be on its way to your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué haré a ti, Efraín?
Oseas 6:4
La mayoría del pueblo del Señor tiene alguna cosa particular que desea que le sea concedida. La mayoría de las almas vivientes tiene alguna tentación particular de la cual desea ser librada. Si algunos de la familia del Señor pudieran resumir todos sus deseos en una sola petición, sería tener el perdón de sus pecados sellado en la conciencia. Si otros del pueblo de Dios pudieran reunir en una sola frase todas las necesidades de su alma, sería ser llevados al goce de la libertad del evangelio. Si otros pudieran condensar en una breve oración el deseo principal de su corazón, sería ser librados de alguna tentación poderosa, o ser preservados de algún pecado particular que los asedia. Y si otros pudieran encerrar en una sola súplica los anhelos que palpitan en su pecho, sería ser aliviados de alguna prueba o aflicción especial que a veces parece que va a abatirlos hasta el polvo.
Cuando el Señor, pues, no hace más que capacitarlos para venir delante de Él y decirle lo que obra en su corazón, es como si Él dijera: ‘No temas decírmelo; Yo ya lo sé; tengo el poder para conceder tu petición; tengo la voluntad de otorgar la respuesta deseada. “¿Qué haré a ti?” ¡Dime qué es!’ El Señor anima y capacita a todo aquel a quien así acerca a Sí mismo para que Le diga lo que más necesita; y cuando es capacitado para presentarlo delante de Su trono, ya está medio contestado. La bendición necesaria está en camino; como Gabriel, ha salido del palacio y se apresura en su carrera hacia el alma.
Al lector…
Usted que desea en su corazón una cosa más que ninguna otra: ¿qué es? ¿Es el perdón de sus pecados, sellado en su conciencia? ¿Es la libertad del evangelio, o la liberación de una tentación o prueba que amenaza con abatirle hasta el polvo? Quizá apenas se ha atrevido a ponerlo en palabras, por temor de que sea demasiado grande o de que usted no sea digno de ello.
Escuche entonces cómo pregunta el Señor: “¿Qué haré a ti?” Él ya lo sabe, y tiene el poder para dárselo. No tema decírselo, tal como está en su corazón. Cuando Él le capacita para presentarlo delante de Su trono, ya está medio contestado. Quién sabe, la bendición puede estar ya en camino hacia su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl