gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
Hebreeën 11:16
Door een beter land te begeren, wilden die pelgrims iets hemels; iets dat smaakte, geurde en riekte naar God en gegeven was van God; een hemelse godsdienst; een geestelijk geloof; een genadige hoop en een liefde door de Heilige Geest in het hart uitgestort; iets dat van de hemel kwam en naar de hemel voerde; dat hemelse gevoelens, hemelse gewaarwordingen, hemelse vreugde, hemelse blijdschap schonk, waardoor het hart werd gereinigd van de liefde tot de zonde, vleselijkheid en wereldsgezindheid, doordat ze iets zoeters te smaken, meer te beminnen en heiliger te genieten hadden. Het zijn die hemelse bezoeken, dat indruipen van de gunst, de goedheid en de genade Gods in de ziel, waardoor zij levend gehouden wordt te midden der dodigheid; die haar verzoeten te midden van al het bittere, haar schragen te midden van haar zinken en haar verhinderen te verdrinken, ofschoon zij worstelt met vele wateren.
Een vleselijk gemoed heeft geen smaak voor hemelse dingen; geen zoete vreugde in het Woord van God; geen genoegen in de Heere Jezus, zoals Hij Zich in het Woord heeft geopenbaard; geen genoegen in de stille overdenkingen der binnenkamer, in het onderzoeken der Schriften, in gemeenschap met God, of zelfs in de omgang met God, of zelfs in de omgang met Gods volk. Er moet een hemels beginsel zijn in de ziel, om hemelse dingen te verstaan, te genieten en er zich in te verheugen. De Heilige Geest moet in ons een nieuw hart, een nieuwe natuur hebben gewerkt, in staat om hemelse dingen te verstaan, te genieten en er zich in te verheugen, daar zij alles in zich bevatten wat lieflijk en kostbaar voor de ziel is.
Zij waren daarom begerig naar een beter vaderland, dat is, naar een hemelse stad; een stad die fundamenten heeft, welker Bouwmeester God is; waar lieflijkheden zijn aan Gods rechterhand eeuwig en altoos; waar de zuivere rivier van het water des levens altijd vloeit; waar de boom groeit waaraan bladeren gevonden worden tot genezing der volkeren; zulk een stad als Johannes beschrijft in het boek der Openbaring, waar alles geluk, harmonie en vrede is.
Ps. 119:1
Aan de lezer…
Weet u eigenlijk wat u begeert? Bent u tevreden met een godsdienst die naar de aarde smaakt, of hongert u naar iets wat geurt en riekt naar God, iets wat van de hemel komt en naar de hemel voert? Misschien voelt u uw dodigheid, uw zinken, uw worstelen met vele wateren, en vreest u dat er geen hemels beginsel in u is. Maar wie in de stille binnenkamer, in de Schriften en in de Heere Jezus iets zoeters zoekt dan de wereld kan geven, die heeft dat verlangen niet van zichzelf.
Het zijn de hemelse bezoeken, het indruipen van Gods gunst en goedheid, die uw ziel levend houden, haar verzoeten in het bittere en haar verhinderen te verdrinken. Laat uw hart dan uitgaan naar de stad die fundamenten heeft, waar de rivier van het water des levens altijd vloeit. Want van zulke pelgrims schaamt God Zich niet; Hij heeft hun een stad bereid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
Hebreeën 11:16
Door een beter land te begeren, wilden die pelgrims iets hemels: iets dat smaakte, geurde en rook naar God en dat van God gegeven was. Zij wilden een hemelse godsdienst, een geestelijk geloof, een genadige hoop en een liefde die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort. Zij wilden iets dat van de hemel kwam en naar de hemel leidde. Het schonk hemelse gevoelens, hemelse gewaarwordingen, hemelse vreugde en hemelse blijdschap, waardoor het hart werd gereinigd van de liefde tot de zonde, van vleselijkheid en wereldsgezindheid, omdat zij iets zoeters te smaken, iets om meer lief te hebben en iets heiligers te genieten hadden. Het zijn die hemelse bezoeken, dat indruppelen van de gunst, de goedheid en de genade van God in de ziel, waardoor zij levend gehouden wordt te midden van de doodheid. Zij verzoeten haar te midden van al het bittere, zij schragen haar wanneer zij wegzinkt en zij verhinderen dat zij verdrinkt, ook al worstelt zij met vele wateren.
Een vleselijk gemoed heeft geen smaak voor hemelse dingen. Het heeft geen zoete vreugde in het Woord van God, geen genoegen in de Heere Jezus zoals Hij Zich in het Woord heeft geopenbaard, geen genoegen in de stille overdenkingen in de binnenkamer, in het onderzoeken van de Schriften, in gemeenschap met God, of zelfs in de omgang met God, of zelfs in de omgang met Gods volk. Er moet een hemels beginsel in de ziel zijn om hemelse dingen te verstaan, te genieten en zich erin te verheugen. De Heilige Geest moet in ons een nieuw hart, een nieuwe natuur gewerkt hebben, die in staat is hemelse dingen te verstaan, te genieten en zich erin te verheugen, omdat zij alles in zich bevatten wat lieflijk en kostbaar is voor de ziel.
Daarom verlangden zij naar een beter vaderland, dat is: naar een hemelse stad. Een stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is; waar lieflijkheden zijn aan Gods rechterhand, eeuwig en altoos; waar de zuivere rivier van het water des levens altijd stroomt; waar de boom groeit waarvan de bladeren zijn tot genezing van de volken. Het is zo’n stad als Johannes beschrijft in het boek Openbaring, waar alles geluk, harmonie en vrede is.
Ps. 119:1
Aan de lezer…
Weet u eigenlijk wat u begeert? Bent u tevreden met een godsdienst die naar de aarde smaakt, of hongert u naar iets wat geurt en ruikt naar God, iets wat van de hemel komt en naar de hemel leidt? Misschien voelt u uw doodheid, uw wegzinken, uw worstelen met vele wateren, en vreest u dat er geen hemels beginsel in u is. Maar wie in de stille binnenkamer, in de Schriften en in de Heere Jezus iets zoeters zoekt dan de wereld kan geven, heeft dat verlangen niet van zichzelf.
Het zijn de hemelse bezoeken, het indruppelen van Gods gunst en goedheid, die uw ziel levend houden, haar verzoeten in het bittere en haar verhinderen te verdrinken. Laat uw hart dan uitgaan naar de stad die fundamenten heeft, waar de rivier van het water des levens altijd stroomt. Want voor zulke pelgrims schaamt God Zich niet; Hij heeft hun een stad bereid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But now they desire a better country, that is, an heavenly: wherefore God is not ashamed to be called their God: for He hath prepared for them a city.
Hebrews 11:16
In desiring a better country these ancient pilgrims wanted something heavenly, something that tasted of God, savored of God, smelt of God, and was given of God—a heavenly religion, a spiritual faith, a gracious hope, and a love shed abroad in the heart by the Holy Spirit—something which came from heaven and led to heaven; which gave heavenly feelings, heavenly sensations, heavenly delights, and heavenly joys, whereby the heart was purified from the love of sin, carnality, and worldliness by having something sweeter to taste, better to love, and more holy to enjoy.
It is these heavenly visitations, droppings-in of the favor, goodness, and mercy of God, which keep the soul alive in its many deaths, sweeten it amid its many bitters, hold it up amid its many sinkings, and keep it from being drowned while conflicting with many waters.
A carnal mind has no taste for heavenly things, no sweet delight in the Word of God; no delight in the Lord Jesus as revealing Himself in the Word; no delight in closet duties, secret meditation, searching the Scriptures, communion with God, or even in the company of God’s dear family. There must be a ‘heavenly element’ in the soul to understand, realize, enjoy, and delight in heavenly things. The Holy Spirit must have wrought in us a new heart, a new nature, capable of understanding, enjoying, and delighting in heavenly realities, as containing in them, that which is sweet and precious to the soul.
They desired, therefore, a better country, that is, a heavenly, a city which has foundations, whose Builder and Maker is God; where pleasures are at God’s right hand for evermore; where the pure river of the water of life ever flows; where the tree grows on which are found leaves for the healing of the nations; such a city as John describes in the book of Revelation, where all is happiness, harmony, and peace.
To the reader…
Do you actually know what you desire? Are you content with a religion that tastes of the earth, or do you hunger for something that savours and smells of God, something that comes from heaven and leads to heaven? Perhaps you feel your deadness, your sinking, your struggling with many waters, and you fear there is no heavenly principle in you. But whoever seeks something sweeter than the world can give, in the quiet closet, in the Scriptures, and in the Lord Jesus, does not have that longing of himself.
It is the heavenly visitations, the droppings-in of God’s favour and goodness, that keep your soul alive, sweeten it amid the bitter, and keep it from being drowned. Let your heart go out, then, after the city which has foundations, where the river of the water of life ever flows. For of such pilgrims God is not ashamed; He has prepared for them a city.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero deseaban la mejor, es a saber, la celestial; por lo cual Dios no se avergüenza de llamarse Dios de ellos: porque les había aparejado ciudad.
Hebreos 11:16
Al desear una patria mejor, estos antiguos peregrinos querían algo celestial, algo que supiera a Dios, que tuviera el sabor de Dios, el olor de Dios, y que fuera dado por Dios: una religión celestial, una fe espiritual, una esperanza llena de gracia y un amor derramado en el corazón por el Espíritu Santo; algo que viniera del cielo y condujera al cielo; que diera sentimientos celestiales, sensaciones celestiales, deleites celestiales y gozos celestiales, por los cuales el corazón fuera purificado del amor al pecado, a la carnalidad y a la mundanalidad, al tener algo más dulce que gustar, mejor que amar y más santo que disfrutar.
Son estas visitaciones celestiales, estas gotas del favor, la bondad y la misericordia de Dios que caen en el alma, las que mantienen viva el alma en sus muchas muertes, la endulzan en medio de sus muchas amarguras, la sostienen en medio de sus muchos hundimientos y la guardan de ahogarse mientras lucha con muchas aguas.
Una mente carnal no tiene gusto por las cosas celestiales, ni dulce deleite en la Palabra de Dios; ni deleite en el Señor Jesús tal como Él se revela en la Palabra; ni deleite en los deberes de la cámara secreta, en la meditación a solas, en escudriñar las Escrituras, en la comunión con Dios, ni aun en la compañía de la amada familia de Dios. Tiene que haber un ‘elemento celestial’ en el alma para entender, percibir, disfrutar y deleitarse en las cosas celestiales. El Espíritu Santo tiene que haber obrado en nosotros un corazón nuevo, una naturaleza nueva, capaz de entender, disfrutar y deleitarse en las realidades celestiales, como cosas que contienen lo que es dulce y precioso para el alma.
Deseaban, pues, una patria mejor, es a saber, la celestial, la ciudad con fundamentos, el artífice y hacedor de la cual es Dios; donde hay deleites a la diestra de Dios para siempre; donde fluye siempre el río limpio del agua de vida; donde crece el árbol en el que se hallan hojas para la sanidad de las naciones; una ciudad tal como la describe Juan en el libro del Apocalipsis, donde todo es felicidad, armonía y paz.
Al lector…
¿Sabe usted realmente lo que desea? ¿Se contenta con una religión que sabe a la tierra, o tiene hambre de algo que tenga el sabor y el olor de Dios, algo que viene del cielo y conduce al cielo? Quizá siente su muerte interior, su hundimiento, su lucha con muchas aguas, y teme que no haya en usted ningún principio celestial. Pero quien busca algo más dulce de lo que el mundo puede dar, en la cámara secreta, en las Escrituras y en el Señor Jesús, no tiene ese anhelo por sí mismo.
Son las visitaciones celestiales, las gotas del favor y de la bondad de Dios que caen en el alma, las que mantienen viva su alma, la endulzan en medio de lo amargo y la guardan de ahogarse. Deje, pues, que su corazón se dirija a la ciudad que tiene fundamentos, donde fluye siempre el río del agua de vida. Porque de tales peregrinos Dios no se avergüenza; les ha aparejado ciudad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat deze woorden wel duizenden keren over mijn lippen zijn gekomen: „Zie mij aan.” Zelden kniel ik in gebed voor de Heere der heerscharen neer zonder te zeggen: „Zie mij aan.” Wat zijn die woorden veelzeggend! Alsof de ziel wenste dat de Heere niet aan hem voorbij zou gaan, hem Zijn aandacht niet onwaardig zou achten en hem niet de toegang tot Zijn aanwezigheid zou ontzeggen, maar naar hem zou kijken met medelijden, liefde en mededogen. Maar dit verlangen, dat de Heere „hem aanziet”, ging gepaard met een duidelijk gevoel van zijn hulpeloosheid, zondigheid en onwaardigheid.
Het was alsof David, gekleed in nederigheid, aan de voetenbank der genade lag, zijn zonden besefte, de innerlijke verachtelijkheid van zijn hart voelde en zichzelf onwaardig achtte de geringste glimlach van Gods aangezicht of de geringste fluistering van Gods liefde te ontvangen. Maar toch moest hij wel inzien dat de Heere een volk had dat Zijn Naam beminde; nee, hijzelf voelde iets van diezelfde liefde. Hij genoot wellicht niet het volledige vertrouwen ervan. Zijn hart was wellicht diepbedroefd en gekweld. Angsten en twijfels gingen door hem heen, maar toch, te midden van dit alles, voelde hij een tedere genegenheid uitgaan naar de Naam van de Heere, die zijn ziel dierbaar was; hij voelde dat hij gemakkelijk toegang tot Zijn heilige aanwezigheid kon krijgen; en zijn hart was gesmolten door de liefde en tederheid voor de Naam van God. „Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief” (Hoogl. 1:3).
Maar vermengd met deze verborgen en heilige liefde voor de Naam van de Heere was een diep besef van zijn eigen onwaardigheid. En die twee gevoelens gaan altijd samen. Verre van mijn hart, en verre van het uwe, die Gods Naam vreest, is dat schaamteloze, aanmatigende vertrouwen dat Gods genade opeist en dat niet is vermengd met enige godsvrucht in een zondaarsgemoed, niet is vermengd met een besef van onwaardigheid, zwakheid en verdorvenheid, dat altijd in een herboren hart leeft. Nee, u kunt er zeker van zijn dat overal waar werkelijk liefde voor de Naam van Jezus aanwezig is, er altijd het diepste besef van onze eigen onwaardigheid mee is vermengd.
Lezen: Psalm 69:1-17
Aan de lezer…
Kent u dat? Die korte bede: „Zie mij aan.” Misschien komt zij vaak over uw lippen, terwijl u zich tegelijk zo onwaardig voelt dat u nauwelijks durft te hopen op de geringste glimlach van Gods aangezicht. U voelt de verachtelijkheid van uw hart, en angsten en twijfels gaan door u heen. Laat dat besef van onwaardigheid u niet doen denken dat u buiten Zijn volk staat.
Want vraag uzelf af: is Zijn Naam u dierbaar? Gaat er, te midden van al uw kommer, een tedere genegenheid uit naar de Naam van de Heere Jezus, als naar een olie die uitgestort wordt? Dan zijn die twee, de liefde tot Zijn Naam en het diepe gevoel van eigen onwaardigheid, niet met elkaar in strijd; zij gaan altijd samen in een herboren hart. Het is het schaamteloze, aanmatigende vertrouwen dat te vrezen is, niet de arme, verootmoedigde ziel die aan de voetenbank der genade ligt en blijft roepen: „Zie mij aan.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat deze woorden wel duizenden keren over mijn lippen zijn gekomen: „Zie mij aan.” Zelden kniel ik in gebed neer voor de Heere der heerscharen zonder te zeggen: „Zie mij aan.” Wat zeggen die woorden veel! Het is alsof de ziel wenste dat de Heere niet aan hem voorbij zou gaan, hem Zijn aandacht niet onwaardig zou achten en hem de toegang tot Zijn aanwezigheid niet zou ontzeggen, maar met medelijden, liefde en ontferming naar hem zou kijken. Maar dit verlangen, dat de Heere „hem aanziet”, ging samen met een duidelijk besef van zijn hulpeloosheid, zondigheid en onwaardigheid.
Het was alsof David, met nederigheid bekleed, aan de voetbank van de genade lag. Hij besefte zijn zonden, voelde de innerlijke verachtelijkheid van zijn hart en achtte zichzelf onwaardig de geringste glimlach van Gods aangezicht of het zachtste gefluister van Gods liefde te ontvangen. Maar toch moest hij wel zien dat de Heere een volk had dat Zijn Naam beminde; ja, hij voelde zelf iets van diezelfde liefde. Misschien genoot hij niet de volle verzekering ervan. Misschien was zijn hart diep bedroefd en gekweld. Angsten en twijfels gingen door hem heen, maar toch voelde hij midden in dit alles een tedere genegenheid uitgaan naar de Naam van de Heere, die zijn ziel dierbaar was. Hij voelde dat hij vrij toegang kon krijgen tot Zijn heilige aanwezigheid, en zijn hart was gesmolten van liefde en tederheid voor de Naam van God. „Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief” (Hoogl. 1:3).
Maar met deze verborgen en heilige liefde voor de Naam van de Heere was een diep besef van zijn eigen onwaardigheid vermengd. Die twee gevoelens gaan altijd samen. Ver van mijn hart, en ver van het uwe, u die Gods Naam vreest, is dat schaamteloze, aanmatigende vertrouwen dat Gods genade opeist. Het is niet vermengd met enige godsvrucht in het hart van een zondaar, en niet met het besef van onwaardigheid, zwakheid en verdorvenheid dat altijd in een wedergeboren hart leeft. Nee, u kunt ervan verzekerd zijn dat overal waar werkelijk liefde tot de Naam van Jezus is, daar altijd het diepste besef van onze eigen onwaardigheid mee vermengd is.
Lezen: Psalm 69:1-17
Aan de lezer…
Kent u dat? Die korte bede: „Zie mij aan.” Misschien komt zij vaak over uw lippen, terwijl u zich tegelijk zo onwaardig voelt dat u nauwelijks durft te hopen op de geringste glimlach van Gods aangezicht. U voelt de verachtelijkheid van uw hart, en angsten en twijfels gaan door u heen. Laat dat besef van onwaardigheid u niet doen denken dat u buiten Zijn volk staat.
Want vraag uzelf af: is Zijn Naam u dierbaar? Gaat er, midden in al uw zorgen, een tedere genegenheid uit naar de Naam van de Heere Jezus, als naar een olie die uitgestort wordt? Dan zijn die twee, de liefde tot Zijn Naam en het diepe besef van eigen onwaardigheid, niet met elkaar in strijd; zij gaan altijd samen in een wedergeboren hart. Te vrezen is het schaamteloze, aanmatigende vertrouwen, niet de arme, verootmoedigde ziel die aan de voetbank van de genade ligt en blijft roepen: „Zie mij aan.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
I think I may honestly say that these words have passed my lips thousands of times: “Look Thou upon me.” Seldom do I kneel down in prayer before the Lord of hosts without saying, “Look Thou upon me.” How much these words say! It is as though the soul desired that the Lord would not pass him by, would not count him unworthy of His notice and would not deny him access to His presence, but would look upon him with pity, love and compassion. But this desire, that the Lord would “look upon him,” went together with a clear sense of his helplessness, sinfulness and unworthiness.
It was as though David, clothed with humility, lay at the footstool of mercy. He was sensible of his sins, felt the inward vileness of his heart, and counted himself unworthy to receive the least smile of God’s countenance or the softest whisper of God’s love. But still he could not help seeing that the Lord had a people that loved His Name; yes, he himself felt something of that same love. Perhaps he did not enjoy the full assurance of it. Perhaps his heart was deeply grieved and distressed.
Fears and doubts passed through him, but yet in the midst of all this he felt a tender affection going out towards the Name of the Lord, which was precious to his soul. He felt that he could have free access to His holy presence, and his heart was melted with love and tenderness towards the Name of God. “Thy Name is as ointment poured forth, therefore do the virgins love Thee” (Song 1:3).
But with this secret and holy love to the Name of the Lord there was mingled a deep sense of his own unworthiness. These two feelings always go together. Far from my heart, and far from yours, you who fear God’s Name, be that bold, presumptuous confidence that lays claim to God’s mercy. It is not mingled with any godly fear in the heart of a sinner, nor with the sense of unworthiness, weakness and corruption that always lives in a regenerate heart. No, you may be sure that wherever there is real love to the Name of Jesus, the deepest sense of our own unworthiness is always mingled with it.
Reading: Psalm 69:1-16
To the reader…
Do you know it? That short petition: “Look Thou upon me.” Perhaps it often passes your lips, while at the same time you feel so unworthy that you scarcely dare hope for the least smile of God’s countenance. You feel the vileness of your heart, and fears and doubts pass through you. Do not let that sense of unworthiness make you think that you stand outside His people.
For ask yourself: is His Name precious to you? In the midst of all your cares, does a tender affection go out towards the Name of the Lord Jesus, as towards ointment poured forth? Then those two, love to His Name and a deep sense of your own unworthiness, are not at odds with each other; they always go together in a regenerate heart. What is to be feared is the bold, presumptuous confidence, not the poor, humbled soul that lies at the footstool of mercy and keeps crying, “Look Thou upon me.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
Creo que puedo decir honradamente que estas palabras han pasado por mis labios miles de veces: “Mírame.” Rara vez me arrodillo en oración delante del Señor de los ejércitos sin decir: “Mírame.” ¡Cuánto dicen estas palabras! Es como si el alma deseara que el Señor no pasara de largo, que no la tuviera por indigna de Su atención ni le negara el acceso a Su presencia, sino que la mirara con lástima, amor y compasión. Pero este deseo de que el Señor “le mirara” iba unido a un claro sentir de su impotencia, pecaminosidad e indignidad.
Era como si David, revestido de humildad, estuviera postrado al estrado de la misericordia. Era consciente de sus pecados, sentía la vileza interior de su corazón, y se tenía por indigno de recibir la menor sonrisa del rostro de Dios o el más suave susurro del amor de Dios. Pero aun así no podía dejar de ver que el Señor tenía un pueblo que amaba Su Nombre; sí, él mismo sentía algo de ese mismo amor. Quizá no gozaba de la plena seguridad de ello. Quizá su corazón estaba hondamente afligido y angustiado.
Temores y dudas le atravesaban, pero aun así, en medio de todo esto, sentía un tierno afecto que salía hacia el Nombre del Señor, que era precioso para su alma. Sentía que podía tener libre acceso a Su santa presencia, y su corazón se derretía de amor y ternura hacia el Nombre de Dios. “Ungüento derramado es Tu nombre; por eso las doncellas Te amaron” (Cantares 1:3).
Pero con este amor secreto y santo al Nombre del Señor se mezclaba un hondo sentir de su propia indignidad. Estos dos sentimientos van siempre juntos. Lejos de mi corazón, y lejos del suyo, ustedes que temen el Nombre de Dios, esté esa confianza atrevida y presuntuosa que reclama para sí la misericordia de Dios. Esa confianza no va mezclada con ningún temor piadoso en el corazón de un pecador, ni con el sentir de indignidad, debilidad y corrupción que vive siempre en un corazón regenerado. No, puede estar seguro de que dondequiera que haya verdadero amor al Nombre de Jesús, siempre se mezcla con él el más hondo sentir de nuestra propia indignidad.
Lectura: Salmo 69:1-16
Al lector…
¿La conoce usted? Esa breve petición: “Mírame.” Quizá pase a menudo por sus labios, mientras al mismo tiempo se siente tan indigno que apenas se atreve a esperar la menor sonrisa del rostro de Dios. Siente la vileza de su corazón, y temores y dudas le atraviesan. No deje que ese sentir de indignidad le haga pensar que está fuera de Su pueblo.
Porque pregúntese: ¿le es precioso Su Nombre? En medio de todas sus preocupaciones, ¿sale un tierno afecto hacia el Nombre del Señor Jesús, como hacia ungüento derramado? Entonces esas dos cosas, el amor a Su Nombre y un hondo sentir de su propia indignidad, no están en desacuerdo; siempre van juntas en un corazón regenerado. Lo que hay que temer es la confianza atrevida y presuntuosa, no el alma pobre y humillada que yace al estrado de la misericordia y sigue clamando: “Mírame.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet.
Jesaja 35:4
Vreest niet. „Ach Heere,” zegt de ziel, „ik vrees; ik vrees voor mijzelf meer dan voor iemand! Ik vrees mijn laag, goddeloos hart, mijn sterke lusten en begeerlijkheden, en mijn talrijke inwendige vijanden, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld. Gij zegt: Vrees niet! Maar ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Nog zegt de Heere: „Vrees niet.” Laat ons zien of wij niet iets vinden kunnen om dit tot klaarheid te brengen.
Er is ginds een hoop volk en een zwakke vrouw in gezelschap van haar man. Hij zegt tot haar, daar zij beeft en vreest om door die menigte heen te komen: „Vrees niet; vat mijn arm en houd mij vast.” Zij vat zijn arm en vreest niet. Zo is het ook met de schroomachtige ziel en haar vijanden. Zij zegt: „Hoe kom ik door zoveel moeilijkheden heen? Hoe kan ik mijn weg vervolgen door deze twijfelingen en vrezen?” Haar Man, de Heere, komt en zegt: „Vrees niet! Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij!” De ziel hoort, gehoorzaamt en kleeft aan, en haar vijanden maken ruimte, haar twijfelingen en vrezen verdwijnen en zij gaat veilig voort.
Of neem een andere gemeenzame vergelijking. Hier is een kind dat vreest voor een grote hond. Maar de vader zegt: „Vrees niet! Hij zal je geen kwaad doen; blijf maar dicht bij mij.” „Bevrijd mijn ziel,” zegt David, „van het zwaard; mijn eenzame van het geweld des honds.” Wie is die hond anders dan satan, die grote hond, wiens kaken dampen van het bloed? Maar indien de Heere zegt: „Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.
Maar wat heeft de vreesachtige ziel deze Goddelijke toezeggingen van „Vrees niet” dan ook nodig! Want zonder Hem is het al zwakheid, met Hem al sterkte; zonder Hem niets dan vrees, met Hem enkel vrijmoedigheid. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij”, en zij maakt het „Vrees niet” van de Heere zo werkdadig. Gelijk Augustinus gewoonlijk zei: „Geef mij hetgeen Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt.” De last kan wel blijven, maar er wordt kracht gegeven om deze te dragen; de beproevingen worden niet verminderd, maar de kracht om ze te doorstaan wordt vermeerderd; de boosheden van het hart worden niet weggenomen, maar er wordt genade medegedeeld om ze te onderwerpen.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zegt: „Ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Vreest u uw eigen goddeloos hart meer dan enige vijand buiten u, uw lusten, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld? En hoort u dan dat woord „Vrees niet”, en weet u niet hoe u het moet vasthouden? Zie dan naar de zwakke vrouw in de menigte: zij wordt niet sterk door zichzelf, maar door de arm die haar wordt aangeboden.
Zo zegt de Heere tot u: „Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij.” Satan mag een grote hond zijn, maar hij is een geketende vijand. Zonder Hem is het al zwakheid, met Hem al sterkte. Misschien blijft uw last, misschien worden de beproevingen niet minder; maar Hij geeft kracht om te dragen en genade om te onderwerpen. Blijf maar dicht bij Hem, zoals een kind dicht bij zijn vader blijft, en u zult veilig voortgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet.
Jesaja 35:4
Vrees niet. „Ach Heere,” zegt de ziel, „ik vrees; ik vrees voor mijzelf meer dan voor iemand! Ik vrees mijn laag, goddeloos hart, mijn sterke lusten en begeerlijkheden, en mijn talrijke inwendige vijanden, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld. Gij zegt: Vrees niet! Maar ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Toch zegt de Heere: „Vrees niet.” Laten we zien of we niet iets kunnen vinden om dit duidelijk te maken.
Daar is een menigte mensen, en een zwakke vrouw in gezelschap van haar man. Omdat zij beeft en bang is om door die menigte heen te komen, zegt hij tegen haar: „Vrees niet; vat mijn arm en houd mij vast.” Zij pakt zijn arm en is niet bang. Zo is het ook met de schuchtere ziel en haar vijanden. Zij zegt: „Hoe kom ik door zoveel moeilijkheden heen? Hoe kan ik mijn weg vervolgen door deze twijfelingen en vrezen?” Haar Man, de Heere, komt en zegt: „Vrees niet! Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij!” De ziel hoort, gehoorzaamt en klemt zich aan Hem vast; haar vijanden maken ruimte, haar twijfels en vrezen verdwijnen en zij gaat veilig verder.
Of neem een andere alledaagse vergelijking. Hier is een kind dat bang is voor een grote hond. Maar de vader zegt: „Vrees niet! Hij zal je geen kwaad doen; blijf maar dicht bij mij.” „Bevrijd mijn ziel,” zegt David, „van het zwaard; mijn eenzame van het geweld des honds.” Wie is die hond anders dan satan, die grote hond, wiens kaken dampen van het bloed? Maar als de Heere zegt: „Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.
Maar wat heeft de vreesachtige ziel deze Goddelijke toezeggingen van „Vrees niet” dan ook nodig! Want zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte; zonder Hem niets dan vrees, met Hem louter vrijmoedigheid. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij”, en die heerschappij maakt het „Vrees niet” van de Heere zo krachtig. Zoals Augustinus altijd zei: „Geef mij hetgeen Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt.” De last kan wel blijven, maar er wordt kracht gegeven om hem te dragen. De beproevingen worden niet minder, maar de kracht om ze te doorstaan wordt groter. Het kwaad van het hart wordt niet weggenomen, maar er wordt genade meegedeeld om het te onderwerpen.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zegt: „Ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Vreest u uw eigen goddeloos hart meer dan welke vijand buiten u ook, uw lusten, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld? En hoort u dan dat woord „Vrees niet”, en weet u niet hoe u het moet vasthouden? Kijk dan naar de zwakke vrouw in de menigte: zij wordt niet sterk door zichzelf, maar door de arm die haar wordt aangeboden.
Zo zegt de Heere tegen u: „Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij.” Satan mag een grote hond zijn, maar hij is een geketende vijand. Zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte. Misschien blijft uw last, misschien worden de beproevingen niet minder; maar Hij geeft kracht om te dragen en genade om te onderwerpen. Blijf maar dicht bij Hem, zoals een kind dicht bij zijn vader blijft, en u zult veilig verdergaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Say to them that are of a fearful heart, Be strong, fear not.
Isaiah 35:4
“Fear not.” “Ah! but Lord,” the soul says, “I do fear. I fear myself more than anybody. I fear my base, wicked heart, my strong lusts and passions, and my numerous inward enemies, the snares of Satan, and the temptations of the world. You say, ‘Fear not.’ But I do fear. I cannot help but fear.” Still the Lord says, “Fear not.” Let us see if we cannot find something to explain this a little more clearly.
There is a crowd yonder, and a weak woman in company with her husband. He says to her all trembling and fearing to pass through the crush, “Fear not; take hold of my arm, cling close to me.” She takes hold of his arm and fears not. So with the timid soul and its enemies. It says, “How can I press through this crowd of difficulties; how elbow my way through these opposing doubts and fears?” Its husband, the Lord, comes and says, “Fear not; take hold of My strength; cleave close to Me!” The soul hears, obeys, and clings; its enemies give way; its doubts and fears part asunder, and it passes safely through.
Or take another familiar comparison. Here is a child trembling before a large mastiff; but the father says, “Fear not, he will not hurt you, only keep close to me.” “Deliver my soul,” cried David, “from the sword; my darling from the power of the dog.” Who is that dog but Satan, that huge mastiff, whose jaws are reeking with blood? If the Lord says, “Fear not,” why need we fear him? He is a chained enemy.
But how the timid soul needs these divine “Fear nots!” For without Him, it is all weakness; with Him, all strength; without Him, all trembling; with Him, all boldness. “Where the word of a king is there is power;” and this makes the Lord’s “Fear nots” so efficacious. As Augustine used to say, “Give what you command, and command what you will.” The burden still remains, but strength is given to bear it; the trials are not lessened, but power to endure them is increased; the evils of the heart are not removed, but grace is communicated to subdue them.
To the reader…
Here is a word for anyone who says, “I fear; I cannot help but fear.” Do you fear your own wicked heart more than any enemy outside you, your lusts, the snares of Satan and the temptations of the world? And then do you hear that word “Fear not,” and not know how to hold on to it? Look, then, at the weak woman in the crowd: she is not made strong by herself, but by the arm that is offered to her.
So the Lord says to you, “Take hold of My strength; keep close to Me.” Satan may be a great dog, but he is a chained enemy. Without Him all is weakness; with Him all is strength. Perhaps your burden remains, perhaps the trials do not grow less; but He gives strength to bear and grace to subdue. Only stay close to Him, as a child stays close to his father, and you will go on safely.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Decid a los de corazón apocado: Confortaos, no temáis.
Isaías 35:4
“No temáis.” “¡Ah, pero Señor!”, dice el alma, “sí temo. Me temo a mí mismo más que a nadie. Temo mi corazón bajo y malvado, mis fuertes concupiscencias y pasiones, y mis numerosos enemigos interiores, los lazos de Satanás y las tentaciones del mundo. Tú dices: ‘No temáis’. Pero sí temo. No puedo evitar temer.” Aun así, el Señor dice: “No temáis”. Veamos si no podemos hallar algo que explique esto un poco más claramente.
Allá hay una multitud, y una mujer débil en compañía de su marido. Él le dice, mientras ella tiembla y teme pasar por el apretujón: “No temas; tómate de mi brazo, agárrate bien a mí”. Ella se toma de su brazo y no teme. Así sucede con el alma tímida y sus enemigos. Dice: “¿Cómo puedo abrirme paso por esta multitud de dificultades? ¿Cómo hacerme lugar a codazos entre estas dudas y temores que se me oponen?” Su Esposo, el Señor, viene y le dice: “No temas; échate mano de Mi fuerza; allégate a Mí”. El alma oye, obedece y se aferra; sus enemigos ceden; sus dudas y temores se apartan, y pasa a salvo.
O tome usted otra comparación familiar. He aquí un niño que tiembla delante de un gran mastín; pero el padre le dice: “No temas, no te hará daño; solo quédate cerca de mí”. “Libra de la espada mi alma”, clamaba David, “del poder del perro mi única.” ¿Quién es ese perro sino Satanás, ese enorme mastín cuyas fauces chorrean sangre? Si el Señor dice: “No temáis”, ¿por qué hemos de temerle? Es un enemigo encadenado.
¡Pero cuánto necesita el alma tímida estos divinos “No temáis”! Porque sin Él es toda debilidad; con Él, toda fuerza; sin Él, todo temblor; con Él, todo denuedo. “Donde está la palabra del rey, allí hay potestad”; y esto es lo que hace tan eficaces los “No temáis” del Señor. Como solía decir Agustín: “Da lo que mandas, y manda lo que quieras”. La carga sigue estando, pero se da fuerza para llevarla; las pruebas no disminuyen, pero aumenta el poder para soportarlas; los males del corazón no son quitados, pero se comunica gracia para someterlos.
Al lector…
He aquí una palabra para todo el que dice: “Temo; no puedo evitar temer”. ¿Teme usted su propio corazón malvado más que a cualquier enemigo de fuera, sus concupiscencias, los lazos de Satanás y las tentaciones del mundo? ¿Y oye luego esa palabra, “No temáis”, y no sabe cómo aferrarse a ella? Mire, entonces, a la mujer débil en medio de la multitud: no se hace fuerte por sí misma, sino por el brazo que se le ofrece.
Así le dice el Señor a usted: “Échate mano de Mi fuerza; quédate cerca de Mí”. Satanás puede ser un gran perro, pero es un enemigo encadenado. Sin Él todo es debilidad; con Él todo es fuerza. Quizá su carga permanezca, quizá las pruebas no disminuyan; pero Él da fuerza para llevar y gracia para someter. Solo quédese cerca de Él, como un niño se queda cerca de su padre, y seguirá adelante a salvo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl