Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · gisteren
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

28 september Korenaren uit de volle oogst

Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
Hebreeën 11:16

Door een beter land te begeren, wilden die pelgrims iets hemels: iets dat smaakte, geurde en rook naar God en dat van God gegeven was. Zij wilden een hemelse godsdienst, een geestelijk geloof, een genadige hoop en een liefde die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort. Zij wilden iets dat van de hemel kwam en naar de hemel leidde. Het schonk hemelse gevoelens, hemelse gewaarwordingen, hemelse vreugde en hemelse blijdschap, waardoor het hart werd gereinigd van de liefde tot de zonde, van vleselijkheid en wereldsgezindheid, omdat zij iets zoeters te smaken, iets om meer lief te hebben en iets heiligers te genieten hadden. Het zijn die hemelse bezoeken, dat indruppelen van de gunst, de goedheid en de genade van God in de ziel, waardoor zij levend gehouden wordt te midden van de doodheid. Zij verzoeten haar te midden van al het bittere, zij schragen haar wanneer zij wegzinkt en zij verhinderen dat zij verdrinkt, ook al worstelt zij met vele wateren.

Een vleselijk gemoed heeft geen smaak voor hemelse dingen. Het heeft geen zoete vreugde in het Woord van God, geen genoegen in de Heere Jezus zoals Hij Zich in het Woord heeft geopenbaard, geen genoegen in de stille overdenkingen in de binnenkamer, in het onderzoeken van de Schriften, in gemeenschap met God, of zelfs in de omgang met God, of zelfs in de omgang met Gods volk. Er moet een hemels beginsel in de ziel zijn om hemelse dingen te verstaan, te genieten en zich erin te verheugen. De Heilige Geest moet in ons een nieuw hart, een nieuwe natuur gewerkt hebben, die in staat is hemelse dingen te verstaan, te genieten en zich erin te verheugen, omdat zij alles in zich bevatten wat lieflijk en kostbaar is voor de ziel.

Daarom verlangden zij naar een beter vaderland, dat is: naar een hemelse stad. Een stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is; waar lieflijkheden zijn aan Gods rechterhand, eeuwig en altoos; waar de zuivere rivier van het water des levens altijd stroomt; waar de boom groeit waarvan de bladeren zijn tot genezing van de volken. Het is zo’n stad als Johannes beschrijft in het boek Openbaring, waar alles geluk, harmonie en vrede is.

Ps. 119:1

Aan de lezer…

Weet u eigenlijk wat u begeert? Bent u tevreden met een godsdienst die naar de aarde smaakt, of hongert u naar iets wat geurt en ruikt naar God, iets wat van de hemel komt en naar de hemel leidt? Misschien voelt u uw doodheid, uw wegzinken, uw worstelen met vele wateren, en vreest u dat er geen hemels beginsel in u is. Maar wie in de stille binnenkamer, in de Schriften en in de Heere Jezus iets zoeters zoekt dan de wereld kan geven, heeft dat verlangen niet van zichzelf.

Het zijn de hemelse bezoeken, het indruppelen van Gods gunst en goedheid, die uw ziel levend houden, haar verzoeten in het bittere en haar verhinderen te verdrinken. Laat uw hart dan uitgaan naar de stad die fundamenten heeft, waar de rivier van het water des levens altijd stroomt. Want voor zulke pelgrims schaamt God Zich niet; Hij heeft hun een stad bereid.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

28 september 365 dagen met Philpot

Zie mij aan

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132

Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat deze woorden wel duizenden keren over mijn lippen zijn gekomen: „Zie mij aan.” Zelden kniel ik in gebed neer voor de Heere der heerscharen zonder te zeggen: „Zie mij aan.” Wat zeggen die woorden veel! Het is alsof de ziel wenste dat de Heere niet aan hem voorbij zou gaan, hem Zijn aandacht niet onwaardig zou achten en hem de toegang tot Zijn aanwezigheid niet zou ontzeggen, maar met medelijden, liefde en ontferming naar hem zou kijken. Maar dit verlangen, dat de Heere „hem aanziet”, ging samen met een duidelijk besef van zijn hulpeloosheid, zondigheid en onwaardigheid.

Het was alsof David, met nederigheid bekleed, aan de voetbank van de genade lag. Hij besefte zijn zonden, voelde de innerlijke verachtelijkheid van zijn hart en achtte zichzelf onwaardig de geringste glimlach van Gods aangezicht of het zachtste gefluister van Gods liefde te ontvangen. Maar toch moest hij wel zien dat de Heere een volk had dat Zijn Naam beminde; ja, hij voelde zelf iets van diezelfde liefde. Misschien genoot hij niet de volle verzekering ervan. Misschien was zijn hart diep bedroefd en gekweld. Angsten en twijfels gingen door hem heen, maar toch voelde hij midden in dit alles een tedere genegenheid uitgaan naar de Naam van de Heere, die zijn ziel dierbaar was. Hij voelde dat hij vrij toegang kon krijgen tot Zijn heilige aanwezigheid, en zijn hart was gesmolten van liefde en tederheid voor de Naam van God. „Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief” (Hoogl. 1:3).

Maar met deze verborgen en heilige liefde voor de Naam van de Heere was een diep besef van zijn eigen onwaardigheid vermengd. Die twee gevoelens gaan altijd samen. Ver van mijn hart, en ver van het uwe, u die Gods Naam vreest, is dat schaamteloze, aanmatigende vertrouwen dat Gods genade opeist. Het is niet vermengd met enige godsvrucht in het hart van een zondaar, en niet met het besef van onwaardigheid, zwakheid en verdorvenheid dat altijd in een wedergeboren hart leeft. Nee, u kunt ervan verzekerd zijn dat overal waar werkelijk liefde tot de Naam van Jezus is, daar altijd het diepste besef van onze eigen onwaardigheid mee vermengd is.

Lezen: Psalm 69:1-17

Aan de lezer…

Kent u dat? Die korte bede: „Zie mij aan.” Misschien komt zij vaak over uw lippen, terwijl u zich tegelijk zo onwaardig voelt dat u nauwelijks durft te hopen op de geringste glimlach van Gods aangezicht. U voelt de verachtelijkheid van uw hart, en angsten en twijfels gaan door u heen. Laat dat besef van onwaardigheid u niet doen denken dat u buiten Zijn volk staat.

Want vraag uzelf af: is Zijn Naam u dierbaar? Gaat er, midden in al uw zorgen, een tedere genegenheid uit naar de Naam van de Heere Jezus, als naar een olie die uitgestort wordt? Dan zijn die twee, de liefde tot Zijn Naam en het diepe besef van eigen onwaardigheid, niet met elkaar in strijd; zij gaan altijd samen in een wedergeboren hart. Te vrezen is het schaamteloze, aanmatigende vertrouwen, niet de arme, verootmoedigde ziel die aan de voetbank van de genade ligt en blijft roepen: „Zie mij aan.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

28 september Door Baca’s vallei

Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet.
Jesaja 35:4

Vrees niet. „Ach Heere,” zegt de ziel, „ik vrees; ik vrees voor mijzelf meer dan voor iemand! Ik vrees mijn laag, goddeloos hart, mijn sterke lusten en begeerlijkheden, en mijn talrijke inwendige vijanden, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld. Gij zegt: Vrees niet! Maar ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Toch zegt de Heere: „Vrees niet.” Laten we zien of we niet iets kunnen vinden om dit duidelijk te maken.

Daar is een menigte mensen, en een zwakke vrouw in gezelschap van haar man. Omdat zij beeft en bang is om door die menigte heen te komen, zegt hij tegen haar: „Vrees niet; vat mijn arm en houd mij vast.” Zij pakt zijn arm en is niet bang. Zo is het ook met de schuchtere ziel en haar vijanden. Zij zegt: „Hoe kom ik door zoveel moeilijkheden heen? Hoe kan ik mijn weg vervolgen door deze twijfelingen en vrezen?” Haar Man, de Heere, komt en zegt: „Vrees niet! Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij!” De ziel hoort, gehoorzaamt en klemt zich aan Hem vast; haar vijanden maken ruimte, haar twijfels en vrezen verdwijnen en zij gaat veilig verder.

Of neem een andere alledaagse vergelijking. Hier is een kind dat bang is voor een grote hond. Maar de vader zegt: „Vrees niet! Hij zal je geen kwaad doen; blijf maar dicht bij mij.” „Bevrijd mijn ziel,” zegt David, „van het zwaard; mijn eenzame van het geweld des honds.” Wie is die hond anders dan satan, die grote hond, wiens kaken dampen van het bloed? Maar als de Heere zegt: „Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.

Maar wat heeft de vreesachtige ziel deze Goddelijke toezeggingen van „Vrees niet” dan ook nodig! Want zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte; zonder Hem niets dan vrees, met Hem louter vrijmoedigheid. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij”, en die heerschappij maakt het „Vrees niet” van de Heere zo krachtig. Zoals Augustinus altijd zei: „Geef mij hetgeen Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt.” De last kan wel blijven, maar er wordt kracht gegeven om hem te dragen. De beproevingen worden niet minder, maar de kracht om ze te doorstaan wordt groter. Het kwaad van het hart wordt niet weggenomen, maar er wordt genade meegedeeld om het te onderwerpen.

Aan de lezer…

Hier staat een woord voor wie zegt: „Ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Vreest u uw eigen goddeloos hart meer dan welke vijand buiten u ook, uw lusten, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld? En hoort u dan dat woord „Vrees niet”, en weet u niet hoe u het moet vasthouden? Kijk dan naar de zwakke vrouw in de menigte: zij wordt niet sterk door zichzelf, maar door de arm die haar wordt aangeboden.

Zo zegt de Heere tegen u: „Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij.” Satan mag een grote hond zijn, maar hij is een geketende vijand. Zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte. Misschien blijft uw last, misschien worden de beproevingen niet minder; maar Hij geeft kracht om te dragen en genade om te onderwerpen. Blijf maar dicht bij Hem, zoals een kind dicht bij zijn vader blijft, en u zult veilig verdergaan.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina