September 28
Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet.
Jesaja 35:4
Vreest niet. „Ach Heere,” zegt de ziel, „ik vrees; ik vrees voor mijzelf meer dan voor iemand! Ik vrees mijn laag, goddeloos hart, mijn sterke lusten en begeerlijkheden, en mijn talrijke inwendige vijanden, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld. Gij zegt: Vrees niet! Maar ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Nog zegt de Heere: „Vrees niet.” Laat ons zien of wij niet iets vinden kunnen om dit tot klaarheid te brengen.
Er is ginds een hoop volk en een zwakke vrouw in gezelschap van haar man. Hij zegt tot haar, daar zij beeft en vreest om door die menigte heen te komen: „Vrees niet; vat mijn arm en houd mij vast.” Zij vat zijn arm en vreest niet. Zo is het ook met de schroomachtige ziel en haar vijanden. Zij zegt: „Hoe kom ik door zoveel moeilijkheden heen? Hoe kan ik mijn weg vervolgen door deze twijfelingen en vrezen?” Haar Man, de Heere, komt en zegt: „Vrees niet! Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij!” De ziel hoort, gehoorzaamt en kleeft aan, en haar vijanden maken ruimte, haar twijfelingen en vrezen verdwijnen en zij gaat veilig voort.
Of neem een andere gemeenzame vergelijking. Hier is een kind dat vreest voor een grote hond. Maar de vader zegt: „Vrees niet! Hij zal je geen kwaad doen; blijf maar dicht bij mij.” „Bevrijd mijn ziel,” zegt David, „van het zwaard; mijn eenzame van het geweld des honds.” Wie is die hond anders dan satan, die grote hond, wiens kaken dampen van het bloed? Maar indien de Heere zegt: „Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.
Maar wat heeft de vreesachtige ziel deze Goddelijke toezeggingen van „Vrees niet” dan ook nodig! Want zonder Hem is het al zwakheid, met Hem al sterkte; zonder Hem niets dan vrees, met Hem enkel vrijmoedigheid. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij”, en zij maakt het „Vrees niet” van de Heere zo werkdadig. Gelijk Augustinus gewoonlijk zei: „Geef mij hetgeen Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt.” De last kan wel blijven, maar er wordt kracht gegeven om deze te dragen; de beproevingen worden niet verminderd, maar de kracht om ze te doorstaan wordt vermeerderd; de boosheden van het hart worden niet weggenomen, maar er wordt genade medegedeeld om ze te onderwerpen.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zegt: „Ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Vreest u uw eigen goddeloos hart meer dan enige vijand buiten u, uw lusten, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld? En hoort u dan dat woord „Vrees niet”, en weet u niet hoe u het moet vasthouden? Zie dan naar de zwakke vrouw in de menigte: zij wordt niet sterk door zichzelf, maar door de arm die haar wordt aangeboden.
Zo zegt de Heere tot u: „Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij.” Satan mag een grote hond zijn, maar hij is een geketende vijand. Zonder Hem is het al zwakheid, met Hem al sterkte. Misschien blijft uw last, misschien worden de beproevingen niet minder; maar Hij geeft kracht om te dragen en genade om te onderwerpen. Blijf maar dicht bij Hem, zoals een kind dicht bij zijn vader blijft, en u zult veilig voortgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet.
Jesaja 35:4
Vrees niet. „Ach Heere,” zegt de ziel, „ik vrees; ik vrees voor mijzelf meer dan voor iemand! Ik vrees mijn laag, goddeloos hart, mijn sterke lusten en begeerlijkheden, en mijn talrijke inwendige vijanden, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld. Gij zegt: Vrees niet! Maar ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Toch zegt de Heere: „Vrees niet.” Laten we zien of we niet iets kunnen vinden om dit duidelijk te maken.
Daar is een menigte mensen, en een zwakke vrouw in gezelschap van haar man. Omdat zij beeft en bang is om door die menigte heen te komen, zegt hij tegen haar: „Vrees niet; vat mijn arm en houd mij vast.” Zij pakt zijn arm en is niet bang. Zo is het ook met de schuchtere ziel en haar vijanden. Zij zegt: „Hoe kom ik door zoveel moeilijkheden heen? Hoe kan ik mijn weg vervolgen door deze twijfelingen en vrezen?” Haar Man, de Heere, komt en zegt: „Vrees niet! Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij!” De ziel hoort, gehoorzaamt en klemt zich aan Hem vast; haar vijanden maken ruimte, haar twijfels en vrezen verdwijnen en zij gaat veilig verder.
Of neem een andere alledaagse vergelijking. Hier is een kind dat bang is voor een grote hond. Maar de vader zegt: „Vrees niet! Hij zal je geen kwaad doen; blijf maar dicht bij mij.” „Bevrijd mijn ziel,” zegt David, „van het zwaard; mijn eenzame van het geweld des honds.” Wie is die hond anders dan satan, die grote hond, wiens kaken dampen van het bloed? Maar als de Heere zegt: „Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.
Maar wat heeft de vreesachtige ziel deze Goddelijke toezeggingen van „Vrees niet” dan ook nodig! Want zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte; zonder Hem niets dan vrees, met Hem louter vrijmoedigheid. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij”, en die heerschappij maakt het „Vrees niet” van de Heere zo krachtig. Zoals Augustinus altijd zei: „Geef mij hetgeen Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt.” De last kan wel blijven, maar er wordt kracht gegeven om hem te dragen. De beproevingen worden niet minder, maar de kracht om ze te doorstaan wordt groter. Het kwaad van het hart wordt niet weggenomen, maar er wordt genade meegedeeld om het te onderwerpen.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zegt: „Ik vrees, ik kan niet anders dan vrezen.” Vreest u uw eigen goddeloos hart meer dan welke vijand buiten u ook, uw lusten, de strikken van satan en de verzoekingen van de wereld? En hoort u dan dat woord „Vrees niet”, en weet u niet hoe u het moet vasthouden? Kijk dan naar de zwakke vrouw in de menigte: zij wordt niet sterk door zichzelf, maar door de arm die haar wordt aangeboden.
Zo zegt de Heere tegen u: „Grijp Mijn sterkte aan, houd u bij Mij.” Satan mag een grote hond zijn, maar hij is een geketende vijand. Zonder Hem is alles zwakheid, met Hem alles sterkte. Misschien blijft uw last, misschien worden de beproevingen niet minder; maar Hij geeft kracht om te dragen en genade om te onderwerpen. Blijf maar dicht bij Hem, zoals een kind dicht bij zijn vader blijft, en u zult veilig verdergaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Say to them that are of a fearful heart, Be strong, fear not.
Isaiah 35:4
“Fear not.” “Ah! but Lord,” the soul says, “I do fear. I fear myself more than anybody. I fear my base, wicked heart, my strong lusts and passions, and my numerous inward enemies, the snares of Satan, and the temptations of the world. You say, ‘Fear not.’ But I do fear. I cannot help but fear.” Still the Lord says, “Fear not.” Let us see if we cannot find something to explain this a little more clearly.
There is a crowd yonder, and a weak woman in company with her husband. He says to her all trembling and fearing to pass through the crush, “Fear not; take hold of my arm, cling close to me.” She takes hold of his arm and fears not. So with the timid soul and its enemies. It says, “How can I press through this crowd of difficulties; how elbow my way through these opposing doubts and fears?” Its husband, the Lord, comes and says, “Fear not; take hold of My strength; cleave close to Me!” The soul hears, obeys, and clings; its enemies give way; its doubts and fears part asunder, and it passes safely through.
Or take another familiar comparison. Here is a child trembling before a large mastiff; but the father says, “Fear not, he will not hurt you, only keep close to me.” “Deliver my soul,” cried David, “from the sword; my darling from the power of the dog.” Who is that dog but Satan, that huge mastiff, whose jaws are reeking with blood? If the Lord says, “Fear not,” why need we fear him? He is a chained enemy.
But how the timid soul needs these divine “Fear nots!” For without Him, it is all weakness; with Him, all strength; without Him, all trembling; with Him, all boldness. “Where the word of a king is there is power;” and this makes the Lord’s “Fear nots” so efficacious. As Augustine used to say, “Give what you command, and command what you will.” The burden still remains, but strength is given to bear it; the trials are not lessened, but power to endure them is increased; the evils of the heart are not removed, but grace is communicated to subdue them.
To the reader…
Here is a word for anyone who says, “I fear; I cannot help but fear.” Do you fear your own wicked heart more than any enemy outside you, your lusts, the snares of Satan and the temptations of the world? And then do you hear that word “Fear not,” and not know how to hold on to it? Look, then, at the weak woman in the crowd: she is not made strong by herself, but by the arm that is offered to her.
So the Lord says to you, “Take hold of My strength; keep close to Me.” Satan may be a great dog, but he is a chained enemy. Without Him all is weakness; with Him all is strength. Perhaps your burden remains, perhaps the trials do not grow less; but He gives strength to bear and grace to subdue. Only stay close to Him, as a child stays close to his father, and you will go on safely.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Decid a los de corazón apocado: Confortaos, no temáis.
Isaías 35:4
“No temáis.” “¡Ah, pero Señor!”, dice el alma, “sí temo. Me temo a mí mismo más que a nadie. Temo mi corazón bajo y malvado, mis fuertes concupiscencias y pasiones, y mis numerosos enemigos interiores, los lazos de Satanás y las tentaciones del mundo. Tú dices: ‘No temáis’. Pero sí temo. No puedo evitar temer.” Aun así, el Señor dice: “No temáis”. Veamos si no podemos hallar algo que explique esto un poco más claramente.
Allá hay una multitud, y una mujer débil en compañía de su marido. Él le dice, mientras ella tiembla y teme pasar por el apretujón: “No temas; tómate de mi brazo, agárrate bien a mí”. Ella se toma de su brazo y no teme. Así sucede con el alma tímida y sus enemigos. Dice: “¿Cómo puedo abrirme paso por esta multitud de dificultades? ¿Cómo hacerme lugar a codazos entre estas dudas y temores que se me oponen?” Su Esposo, el Señor, viene y le dice: “No temas; échate mano de Mi fuerza; allégate a Mí”. El alma oye, obedece y se aferra; sus enemigos ceden; sus dudas y temores se apartan, y pasa a salvo.
O tome usted otra comparación familiar. He aquí un niño que tiembla delante de un gran mastín; pero el padre le dice: “No temas, no te hará daño; solo quédate cerca de mí”. “Libra de la espada mi alma”, clamaba David, “del poder del perro mi única.” ¿Quién es ese perro sino Satanás, ese enorme mastín cuyas fauces chorrean sangre? Si el Señor dice: “No temáis”, ¿por qué hemos de temerle? Es un enemigo encadenado.
¡Pero cuánto necesita el alma tímida estos divinos “No temáis”! Porque sin Él es toda debilidad; con Él, toda fuerza; sin Él, todo temblor; con Él, todo denuedo. “Donde está la palabra del rey, allí hay potestad”; y esto es lo que hace tan eficaces los “No temáis” del Señor. Como solía decir Agustín: “Da lo que mandas, y manda lo que quieras”. La carga sigue estando, pero se da fuerza para llevarla; las pruebas no disminuyen, pero aumenta el poder para soportarlas; los males del corazón no son quitados, pero se comunica gracia para someterlos.
Al lector…
He aquí una palabra para todo el que dice: “Temo; no puedo evitar temer”. ¿Teme usted su propio corazón malvado más que a cualquier enemigo de fuera, sus concupiscencias, los lazos de Satanás y las tentaciones del mundo? ¿Y oye luego esa palabra, “No temáis”, y no sabe cómo aferrarse a ella? Mire, entonces, a la mujer débil en medio de la multitud: no se hace fuerte por sí misma, sino por el brazo que se le ofrece.
Así le dice el Señor a usted: “Échate mano de Mi fuerza; quédate cerca de Mí”. Satanás puede ser un gran perro, pero es un enemigo encadenado. Sin Él todo es debilidad; con Él todo es fuerza. Quizá su carga permanezca, quizá las pruebas no disminuyan; pero Él da fuerza para llevar y gracia para someter. Solo quédese cerca de Él, como un niño se queda cerca de su padre, y seguirá adelante a salvo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl