gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Voorwaar gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
Job 19:28
In bijna elke plant is het zo dat de ziekte begint in de wortel. Zo gij ooit een plant in een bloempot ziet kwijnen, reken erop dat er iets aan de wortel is dat niet goed is. Zij heeft te veel of te weinig water gehad, of door een of andere oorzaak is de wortel ziek geworden. Zo is het in de godsdienst: indien er iets verkeerds is met een mens, is het bijna zeker dat er iets verkeerds is aan de wortel. „De wortel der zaak,” zeide Job, „wordt in mij gevonden.”
Job kon zich op God beroepen dat de wortel van zijn godsdienst goed was. Indien de wortel slecht was geweest, zou „de zaak” niet goed geweest zijn; maar zolang de wortel gezond was, was hij gelijk de haageik, van welke de profeet zegt dat, ofschoon „hij zijn bladeren afwerpt, er nog steunsel in is”, om te bekwamer tijd takken, gelijk een plant, te doen uitspruiten. Zo de godsdienst van een mens geen wortel heeft, of zo de wortel door ziekte is aangetast, dan zal zich dit openbaren in zijn belijdenis. Hij kan geen welvarende ziel hebben — welvarend inwendig en welvarend uitwendig — tenzij de wortel diep in de grond zit en vol is van werkende vezelen, die in stilte het voedsel optrekken uit die rivier welker stromen de stad Gods verblijden. Dan zal hij zijn „als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen” (Jer. 17:8).
Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand’len,
oprecht bij hen, die in oprechtheid wand’len,
Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar
verkeerden toont Gij U een worstelaar.
Want Gij verlost het volk, door druk gebogen,
maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen.
Door U, o Heer, geeft mijne lamp haar licht,
mijn God verdrijft de nacht uit mijn gezicht.
Ps. 18:8
Aan de lezer…
Hoe kan een ziel kwijnen, met weinig groen en nog minder vrucht! Is dat ook uw toestand? Zoek de oorzaak dan niet eerst in de bladeren, maar vraag de Heere u te tonen hoe het met de wortel staat. Is uw godsdienst geworteld in Hem, of staat zij slechts in de bovengrond van een uiterlijke belijdenis? Een wortel die ziek is, openbaart zich vroeg of laat; maar een gezonde wortel houdt steunsel, ook wanneer de bladeren afvallen.
Bent u als de haageik in de winter, kaal en schijnbaar dood, wanhoop daarom niet. Waar de wortel diep in de grond zit en in stilte voedsel optrekt uit de rivier welker stromen de stad Gods verblijden, daar zullen te bekwamer tijd weer takken uitspruiten. Zo wordt u als een boom aan het water geplant, die de hitte niet vreest, wiens loof groen blijft, en die in een jaar van droogte niet ophoudt vrucht te dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Voorwaar gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
Job 19:28
Bij bijna elke plant begint de ziekte in de wortel. Als u ooit een plant in een bloempot ziet kwijnen, reken er dan op dat er iets aan de wortel niet goed is. Zij heeft te veel of te weinig water gehad, of door de een of andere oorzaak is de wortel ziek geworden. Zo is het ook in de godsdienst: als er iets mis is met een mens, is er vrijwel zeker iets mis aan de wortel. „De wortel der zaak,” zei Job, „wordt in mij gevonden.”
Job kon zich op God beroepen dat de wortel van zijn godsdienst goed was. Als de wortel slecht was geweest, zou „de zaak” niet goed geweest zijn. Maar zolang de wortel gezond was, was hij als de haageik, waarvan de profeet zegt dat, hoewel „hij zijn bladeren afwerpt, er nog steunsel in is”, om op de juiste tijd weer takken te laten uitspruiten als een jonge plant. Als de godsdienst van een mens geen wortel heeft, of als de wortel door ziekte is aangetast, zal dat in zijn belijdenis openbaar worden. Hij kan geen welvarende ziel hebben, welvarend van binnen en welvarend van buiten, tenzij de wortel diep in de grond zit en vol is van werkzame vezels. Die trekken in stilte het voedsel op uit die rivier waarvan de beken de stad van God verblijden. Dan zal hij zijn „als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen” (Jer. 17:8).
Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand’len,
oprecht bij hen, die in oprechtheid wand’len,
Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar
verkeerden toont Gij U een worstelaar.
Want Gij verlost het volk, door druk gebogen,
maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen.
Door U, o Heer, geeft mijne lamp haar licht,
mijn God verdrijft de nacht uit mijn gezicht.
Ps. 18:8
Aan de lezer…
Hoe kan een ziel kwijnen, met weinig groen en nog minder vrucht! Is dat ook uw toestand? Zoek de oorzaak dan niet eerst in de bladeren, maar vraag de Heere u te laten zien hoe het met de wortel staat. Is uw godsdienst geworteld in Hem, of staat hij alleen in de bovengrond van een uiterlijke belijdenis? Een zieke wortel wordt vroeg of laat openbaar; maar in een gezonde wortel blijft steunsel, ook wanneer de bladeren afvallen.
Bent u als de haageik in de winter, kaal en schijnbaar dood, wanhoop daarom niet. Waar de wortel diep in de grond zit en in stilte voedsel optrekt uit de rivier waarvan de beken de stad van God verblijden, zullen op de juiste tijd weer takken uitspruiten. Zo wordt u als een boom aan het water geplant, die de hitte niet vreest, waarvan het loof groen blijft, en die in een jaar van droogte niet ophoudt vrucht te dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But ye should say, Why persecute we him, seeing the root of the matter is found in me?
Job 19:28
It is at the root that disease begins, in almost every plant. If ever you see even a plant in a flower-pot unhealthy, depend upon it there is something wrong at the root. It is overwatered or underwatered, or from some other cause the root has become diseased—and the root growth is suspended or unhealthy. So it is in religion—if there is anything wrong with a man, it is almost sure to be something wrong at the root. “The root of the matter,” Job said, “is found in me.” Job could appeal unto God that the root of his religion was right.
If “the root” had been wrong, “the matter” would not have been right; but as long as the root was sound, like “the terebinth tree” of which the prophet speaks, though “it cast its leaves, the substance would still be in it,” to put forth in due time boughs like a plant (Isa. 6:13). If a man’s religion has no root, or if the root be injured by disease, it will be sure to discover itself in his profession. He cannot have a prosperous soul—prosperous inwardly and prosperous outwardly—unless the root be deep in the soil, and unless it be full of active fibers, drawing up secret nourishment from that river the streams whereof make glad the city of God. Then he shall be “like trees planted along a riverbank, with roots that reach deep into the water. Such trees are not bothered by the heat or worried by long months of drought. Their leaves stay green, and they go right on producing delicious fruit.” (Jer. 17:8).
To the reader…
How a soul can languish, with little green and even less fruit! Is that your condition too? Then do not look for the cause first in the leaves, but ask the Lord to show you how it is with the root. Is your religion rooted in Him, or does it stand only in the topsoil of an outward profession? A diseased root will sooner or later come to light; but in a sound root the substance remains, even when the leaves fall.
If you are like the oak in winter, bare and seemingly dead, do not despair because of it. Where the root goes deep into the soil and silently draws up nourishment from the river whose streams make glad the city of God, boughs will spring forth again in due time. So you will be as a tree planted by the waters, which does not fear the heat, whose leaf stays green, and which does not cease from yielding fruit in the year of drought.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas debierais decir: ¿Por qué lo perseguimos? Ya que la raíz del negocio en mí se halla.
Job 19:28
Es en la raíz donde comienza la enfermedad en casi toda planta. Si alguna vez ve usted aun una planta en una maceta que no está sana, tenga por seguro que algo anda mal en la raíz. Tiene demasiada agua o demasiado poca, o por alguna otra causa la raíz ha enfermado, y el crecimiento de la raíz se ha detenido o no es sano. Así es en la religión: si algo anda mal en un hombre, casi con seguridad es algo que anda mal en la raíz. “La raíz del negocio”, dijo Job, “en mí se halla”. Job podía apelar a Dios de que la raíz de su religión era recta.
Si “la raíz” hubiera estado mal, “el negocio” no habría estado bien; pero mientras la raíz estuviera sana, como “el alcornoque” del que habla el profeta, aunque “echara sus hojas, la sustancia aún quedaría en él”, para echar a su tiempo ramas como planta (Isa. 6:13). Si la religión de un hombre no tiene raíz, o si la raíz está dañada por la enfermedad, sin duda se descubrirá en su profesión. No puede tener un alma próspera, próspera por dentro y próspera por fuera, a menos que la raíz esté hundida en la tierra y llena de fibras activas que saquen alimento secreto de aquel río cuyos conductos alegran la ciudad de Dios. Entonces será “como el árbol plantado junto a las aguas, que junto a la corriente echará sus raíces, y no verá cuando viniere el calor, sino que su hoja estará verde; y en el año de sequía no se fatigará, ni dejará de hacer fruto” (Jer. 17:8).
Al lector…
¡Cómo puede languidecer un alma, con poco verdor y aún menos fruto! ¿Es esa también su condición? Entonces no busque la causa primero en las hojas, sino pida al Señor que le muestre cómo está la raíz. ¿Está su religión arraigada en Él, o se sostiene solo en la capa superficial de una profesión exterior? Una raíz enferma saldrá a la luz tarde o temprano; pero en una raíz sana la sustancia permanece, aun cuando caen las hojas.
Si usted es como el roble en invierno, desnudo y aparentemente muerto, no desespere por ello. Donde la raíz penetra hondo en la tierra y saca en silencio alimento del río cuyos conductos alegran la ciudad de Dios, a su tiempo brotarán de nuevo las ramas. Así será usted como el árbol plantado junto a las aguas, que no teme el calor, cuya hoja permanece verde y que no deja de dar fruto en el año de sequía.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
De Heere ziet op Zijn volk met medelijden. Net als toen Hij, na de zondvloed, vanuit Zijn hoge heiligdom neerkeek op Noach en allen die bij hem in de ark waren, en vanuit Zijn hart teder medelijden stroomde, zo kijkt Hij vanuit Zijn hoge heiligdom neer op alle arme, zwoegende, worstelende pelgrims hier beneden, en beziet hen met medelijden en mededogen, vanuit Zijn genadig en medelevend hart. Hij ziet dat sommigen door verzoekingen worden gekweld; anderen worden geplaagd door een zondig, ongelovig hart; anderen geteisterd door omstandigheden; anderen diep waden door tijdelijke beproevingen; anderen rouwen om Zijn afwezigheid; anderen worden vervolgd en verstoten door de mensen. Elk hart kent zijn eigen bitterheid, elk heeft een zwakke plek die het oog van de Heere ziet; en de Heere, als een God van genade, ziet op hen neer en heeft medelijden met hen.
Als Hij ziet dat ze vastzitten in een strik, heeft Hij medelijden met hen omdat ze zo verstrikt zitten; als Hij ziet dat ze opzij worden getrokken door de afgoderij en het kwaad van hun gevallen natuur, heeft Hij medelijden met hen omdat ze dolende zijn; als Hij ziet dat ze aangevallen en gekweld worden door de duivel, ziet Hij op hen neer met mededogen vanwege zijn aanvallen. Maar de Heere heeft de geweldige kracht om Zijn arme, lijdende kinderen te vertroosten, die zwoegen en worstelen door deze woeste, huilende wildernis, want „voor hulp wordt gezorgd door Degene Die machtig is” (vgl. Ps. 89:19); Die „volkomenlijk zalig maken kan” (Hebr. 7:25).
Lezen: Hebreeën 4
Aan de lezer…
Dat woord „Zie mij aan” past bij elke nood; waar knelt het bij u? Wordt u gekweld door verzoekingen, geplaagd door een zondig, ongelovig hart, of waadt u diep door tijdelijke beproevingen? Rouwt u om Zijn afwezigheid, of zit u vast in een strik die u uzelf hebt gespannen? Elk hart kent zijn eigen bitterheid, en misschien meent u dat niemand de uwe ziet. Maar de Heere ziet vanuit Zijn hoge heiligdom neer op alle arme, zwoegende pelgrims, en Hij ziet ook uw zwakke plek.
En Hij ziet niet met een hard oog, maar met teder medelijden, zoals Hij eens neerzag op Noach en de zijnen in de ark. Hij ontfermt Zich over u wanneer u verstrikt bent, wanneer uw gevallen natuur u doet dolen, wanneer de duivel u aanvalt. Bid dan maar: „Zie mij aan, wees mij genadig.” Want voor hulp is gezorgd door Degene Die machtig is, Die volkomenlijk zalig maken kan, ook in deze woeste, huilende wildernis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
De Heere ziet Zijn volk aan met medelijden. Zoals Hij na de zondvloed vanuit Zijn hoog heiligdom neerzag op Noach en allen die met hem in de ark waren, en er teder medelijden uit Zijn hart stroomde, zo ziet Hij vanuit Zijn hoog heiligdom neer op alle arme, zwoegende, worstelende pelgrims hier beneden. Hij ziet hen aan met medelijden en ontferming, vanuit Zijn genadig en meelevend hart. Hij ziet dat sommigen door verzoekingen gekweld worden, anderen geplaagd door een zondig, ongelovig hart, anderen geteisterd door omstandigheden. Anderen waden diep door tijdelijke beproevingen, anderen rouwen over Zijn afwezigheid, en weer anderen worden door de mensen vervolgd en verstoten. Elk hart kent zijn eigen bitterheid, elk heeft een zwakke plek die het oog van de Heere ziet, en de Heere, als een God van genade, ziet op hen neer en heeft medelijden met hen.
Als Hij ziet dat ze vastzitten in een strik, heeft Hij medelijden met hen omdat ze zo verstrikt zijn. Als Hij ziet dat ze opzij worden getrokken door de afgoderij en het kwaad van hun gevallen natuur, heeft Hij medelijden met hen omdat ze dwalen. Als Hij ziet dat ze door de duivel aangevallen en gekweld worden, ziet Hij met ontferming op hen neer vanwege zijn aanvallen. Maar de Heere heeft grote kracht om Zijn arme, lijdende kinderen te troosten, die door deze woeste, huilende wildernis zwoegen en worstelen, want „voor hulp wordt gezorgd door Degene Die machtig is” (vgl. Ps. 89:19), Die „volkomenlijk zalig maken kan” (Hebr. 7:25).
Lezen: Hebreeën 4
Aan de lezer…
Dat woord „Zie mij aan” past bij elke nood; waar knelt het bij u? Wordt u gekweld door verzoekingen, geplaagd door een zondig, ongelovig hart, of waadt u diep door tijdelijke beproevingen? Rouwt u over Zijn afwezigheid, of zit u vast in een strik die u uzelf hebt gespannen? Elk hart kent zijn eigen bitterheid, en misschien denkt u dat niemand de uwe ziet. Maar de Heere ziet vanuit Zijn hoog heiligdom neer op alle arme, zwoegende pelgrims, en Hij ziet ook uw zwakke plek.
En Hij kijkt niet met een hard oog, maar met teder medelijden, zoals Hij eens neerzag op Noach en de zijnen in de ark. Hij ontfermt Zich over u wanneer u verstrikt bent, wanneer uw gevallen natuur u doet dwalen, wanneer de duivel u aanvalt. Bid dan maar: „Zie mij aan, wees mij genadig.” Want voor hulp is gezorgd door Degene Die machtig is, Die volkomenlijk zalig maken kan, ook in deze woeste, huilende wildernis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
The Lord looks upon His people with compassion. As after the flood He looked down from the height of His sanctuary upon Noah and all that were with him in the ark, and tender compassion flowed out of His heart, so He looks down from the height of His sanctuary upon all the poor, toiling, struggling pilgrims here below. He looks upon them with pity and compassion, out of His gracious and sympathising heart. He sees that some are harassed by temptations, others plagued by a sinful, unbelieving heart, others tossed about by circumstances. Others are wading deep through temporal trials, others are mourning over His absence, and others again are persecuted and cast out by men. Every heart knows its own bitterness, each has a weak place that the eye of the Lord sees, and the Lord, as a God of grace, looks down upon them and has compassion on them.
When He sees that they are caught in a snare, He pities them because they are so entangled. When He sees that they are drawn aside by the idolatry and evil of their fallen nature, He pities them because they wander. When He sees that they are assailed and harassed by the devil, He looks down upon them with compassion because of his assaults. But the Lord has great power to comfort His poor, suffering children, who toil and struggle through this waste, howling wilderness, for “help is laid upon One that is mighty” (cf. Ps. 89:19), Who “is able also to save them to the uttermost” (Heb. 7:25).
Reading: Hebrews 4
To the reader…
That word, “Look Thou upon me,” fits every need; where does it pinch with you? Are you harassed by temptations, plagued by a sinful, unbelieving heart, or are you wading deep through temporal trials? Are you mourning over His absence, or caught in a snare that you have laid for yourself? Every heart knows its own bitterness, and perhaps you think that no one sees yours. But the Lord looks down from the height of His sanctuary upon all the poor, toiling pilgrims, and He sees your weak place too.
And He does not look with a hard eye, but with tender compassion, as He once looked down upon Noah and his house in the ark. He has compassion on you when you are entangled, when your fallen nature makes you wander, when the devil assails you. Pray, then: “Look Thou upon me, and be merciful unto me.” For help is laid upon One that is mighty, Who is able to save to the uttermost, even in this waste, howling wilderness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
El Señor mira a Su pueblo con compasión. Así como después del diluvio miró desde la altura de Su santuario a Noé y a todos los que estaban con él en el arca, y una tierna compasión brotó de Su corazón, así mira desde la altura de Su santuario a todos los pobres peregrinos que se afanan y luchan aquí abajo. Los mira con lástima y compasión, desde Su corazón lleno de gracia y de simpatía. Ve que unos son acosados por tentaciones, otros atormentados por un corazón pecaminoso e incrédulo, otros zarandeados por las circunstancias. Otros vadean hondo por pruebas temporales, otros lloran Su ausencia, y otros aún son perseguidos y echados fuera por los hombres. Cada corazón conoce su propia amargura, cada uno tiene un punto débil que el ojo del Señor ve, y el Señor, como Dios de gracia, los mira desde lo alto y se compadece de ellos.
Cuando ve que están atrapados en un lazo, se compadece de ellos porque están tan enredados. Cuando ve que son desviados por la idolatría y la maldad de su naturaleza caída, se compadece de ellos porque se extravían. Cuando ve que son asaltados y acosados por el diablo, los mira con compasión a causa de sus asaltos. Pero el Señor tiene gran poder para consolar a Sus pobres hijos que sufren, que se afanan y luchan a través de este desierto, en soledad de horrible desierto, porque “ha puesto el socorro sobre Valiente” (cf. Salmo 89:19), el cual “puede también salvar eternamente” (Hebreos 7:25).
Lectura: Hebreos 4
Al lector…
Esa palabra, “Mírame”, sirve para toda necesidad; ¿dónde le aprieta a usted? ¿Es acosado por tentaciones, atormentado por un corazón pecaminoso e incrédulo, o vadea hondo por pruebas temporales? ¿Llora Su ausencia, o está atrapado en un lazo que usted mismo se ha tendido? Cada corazón conoce su propia amargura, y quizá piensa que nadie ve la suya. Pero el Señor mira desde la altura de Su santuario a todos los pobres peregrinos que se afanan, y ve también su punto débil.
Y no mira con ojo duro, sino con tierna compasión, como miró en otro tiempo a Noé y a su casa en el arca. Se compadece de usted cuando está enredado, cuando su naturaleza caída le hace extraviarse, cuando el diablo le asalta. Ore, pues: “Mírame, y ten misericordia de mí.” Porque el socorro está puesto sobre Valiente, que puede salvar eternamente, aun en este desierto, en soledad de horrible desierto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed.
Romeinen 3:24-25
Alvorens wij het geloof in Christus’ verzoenend bloed kunnen oefenen, moeten wij de heerlijkheid zien van de Persoon van de Heere des levens. „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd,” zei Johannes, toen hij van zichzelf en andere begunstigde discipelen sprak. „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.” Mag ik u een vraag doen, aan u namelijk, die belijdt deze dingen te kennen? Werden uw ogen ooit gezalfd om de heerlijkheid van Jezus te aanschouwen?
Hebt gij door het geloof ooit de heerlijke Persoon van Immanuël aanschouwd? Hebt gij het anker der hoop ooit op Hem geworpen? Ging de liefde ooit tot Hem uit? Was Hij ooit dierbaar voor uw ziel, al wat aan Hem is gans begeerlijk in uw ogen, zodat gij kondt zeggen: „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde”? Nu, indien gij Zijn Persoon door het oog des geloofs hebt aanschouwd, dan is het geloof uit uw ziel tot Zijn verzoenend bloed uitgegaan, want Zijn verzoenend bloed ontleent al zijn waarde en kracht daaraan, dat het het bloed is van die heerlijke Persoon.
Op dit verzoenend bloed zien wij dan de oneindige waardigheid afgedrukt. Wij bezien het dan als het bloed van de Persoon van Hem, Die de Godmens is, en dan zien wij de waardigheid, onmetelijkheid en heerlijkheid van de Godmens Jezus afgedrukt op het lijden en het bloed dat uit Zijn zuivere mensheid vloeide. Wanneer wij door het oog des geloofs daarop blikken, wat een rijke stroom wordt het dan! Welk een fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinigheid! Welk een waarde daarop gelegd, om een schuldige consciëntie te zuiveren en te reinigen!
Nu, wanneer dit wordt gekend en gevoeld, wordt de ziel gerechtvaardigd. Rechtvaardigmaking is een overgaande daad van God in de boezem van de zondaar. Hij was in waarheid in het hart van God nooit in een ongerechtvaardigde staat, maar hij was dit wel in zijn eigen consciëntie, ook ten opzichte van de wet, en hij was, wat zijn staat betrof, zondaar voor de ogen van een heilig God. Maar op het ogenblik dat hij in staat gesteld werd om door het levend geloof de hand te leggen op het verzoenend bloed van het Lam Gods, op datzelfde ogenblik werd hij gerechtvaardigd, vrijgesproken en aangenomen door het bloed der besprenging op zijn consciëntie, en hij stond voor God witter dan de sneeuw, want „het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden”.
Aan de lezer…
Hebt u, waarde lezer, ooit iets gezien van de heerlijkheid van Hem, Die de Godmens is? Niet alleen van Hem gehoord of over Hem gesproken, maar met gezalfde ogen Zijn Persoon aanschouwd, zodat Hij dierbaar werd voor uw ziel en u moest zeggen: „Wie heb ik nevens U in de hemel?” Misschien durft u daarop niet volmondig ja te zeggen. Vraag het Hem dan, want zonder dat gezicht op Zijn Persoon blijft het bloed voor u een woord zonder kracht.
Maar waar die heerlijkheid gezien wordt, daar gaat het geloof uit naar Zijn verzoenend bloed, en dat wordt een rijke stroom, een fontein geopend tegen de zonde en de onreinigheid. Ligt uw consciëntie onder schuld, voelt u zich een zondaar voor de ogen van een heilig God? Op het ogenblik dat het levend geloof de hand legt op het bloed van het Lam, wordt de ziel vrijgesproken en aangenomen, witter dan de sneeuw. Want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed.
Romeinen 3:24-25
Voordat wij geloof kunnen oefenen in het verzoenend bloed van Christus, moeten wij de heerlijkheid zien van de Persoon van de Heere van het leven. „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd,” zei Johannes, toen hij over zichzelf en andere begunstigde discipelen sprak. „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.” Mag ik u een vraag stellen, u namelijk die belijdt deze dingen te kennen? Zijn uw ogen ooit gezalfd om de heerlijkheid van Jezus te aanschouwen?
Hebt u ooit door het geloof de heerlijke Persoon van Immanuël aanschouwd? Hebt u ooit het anker van de hoop op Hem geworpen? Ging uw liefde ooit naar Hem uit? Was Hij ooit dierbaar voor uw ziel, en was alles aan Hem in uw ogen gans begeerlijk, zodat u kon zeggen: „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde”? Als u Zijn Persoon met het oog van het geloof hebt aanschouwd, dan is het geloof uit uw ziel uitgegaan naar Zijn verzoenend bloed. Want Zijn verzoenend bloed ontleent al zijn waarde en kracht hieraan, dat het het bloed is van die heerlijke Persoon.
Dan zien wij op dit verzoenend bloed de oneindige waardigheid gedrukt. Wij zien het dan als het bloed van de Persoon van Hem Die de Godmens is. Dan zien wij de waardigheid, onmetelijkheid en heerlijkheid van de Godmens Jezus gedrukt op het lijden en het bloed dat uit Zijn zuivere mensheid vloeide. Wanneer wij daar met het oog van het geloof op zien, wat een rijke stroom wordt het dan! Wat een fontein, geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid! Wat een waarde ligt erin om een schuldig geweten te zuiveren en te reinigen!
Wanneer dit gekend en gevoeld wordt, wordt de ziel gerechtvaardigd. Rechtvaardiging is een daad van God die overgaat in het hart van de zondaar. In het hart van God was hij werkelijk nooit in een ongerechtvaardigde staat, maar in zijn eigen geweten was hij dat wel, ook tegenover de wet, en wat zijn staat betrof was hij een zondaar voor de ogen van een heilig God. Maar op het moment dat hij in staat gesteld werd om door het levend geloof de hand te leggen op het verzoenend bloed van het Lam van God, op datzelfde moment werd hij gerechtvaardigd, vrijgesproken en aangenomen door het bloed van de besprenging op zijn geweten. Toen stond hij voor God witter dan de sneeuw, want „het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden”.
Aan de lezer…
Hebt u, waarde lezer, ooit iets gezien van de heerlijkheid van Hem Die de Godmens is? Niet alleen van Hem gehoord of over Hem gesproken, maar met gezalfde ogen Zijn Persoon aanschouwd, zodat Hij dierbaar werd voor uw ziel en u moest zeggen: „Wie heb ik nevens U in de hemel?” Misschien durft u daarop niet volmondig ja te zeggen. Vraag het Hem dan, want zonder dat zicht op Zijn Persoon blijft het bloed voor u een woord zonder kracht.
Maar waar die heerlijkheid gezien wordt, daar gaat het geloof uit naar Zijn verzoenend bloed, en dat wordt een rijke stroom, een fontein geopend tegen de zonde en de onreinheid. Ligt uw geweten onder schuld, voelt u zich een zondaar voor de ogen van een heilig God? Op het moment dat het levend geloof de hand legt op het bloed van het Lam, wordt de ziel vrijgesproken en aangenomen, witter dan de sneeuw. Want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Being justified freely by His grace through the redemption that is in Christ Jesus: Whom God hath set forth to be a propitiation through faith in His blood.
Romans 3:24-25
Before we can have faith in Christ’s atoning blood, we must see the glory of the Person of the Lord of life. “We beheld His glory,” said John, speaking of himself and the other favored disciples, “we beheld His glory, the glory as of the only-begotten of the Father, full of grace and truth.” May I ask you a question, you who profess to know these things? Were your eyes ever anointed to behold the glory of Jesus? Did faith ever contemplate, did hope ever anchor in, did love ever flow forth to the glorious Person of Immanuel? Was He ever precious to your souls? ever “altogether lovely” in your eyes? so that you could say, “Whom have I in heaven but you? and there is none upon earth I desire beside you?”
Now, if you have seen His Person by the eye of faith, you have had faith flowing out of your soul to His atoning blood; for His atoning blood derives all its value, all its validity, and all its efficacy from its being the blood of that glorious Person. Upon that atoning blood we then view infinite dignity stamped. We then view it as the blood of Him Who was God-man; and we then see the dignity, immensity, and glory of the Godhead of Jesus, stamped upon the sufferings and blood that flowed from His pure manhood. When we see that by the eye of faith, what a rich stream does it become! What a fountain opened for sin and uncleanness! What value is stamped upon it to purge and cleanse a guilty conscience!
Now, when this is known and felt, the soul is justified. Justification passes over from the mind of God into the bosom of the sinner. He never really was, in the mind of God, in an unjustified state; but he was in his own conscience, and he was as touching the law, and he was as regards his standing as a sinner before the eyes of a holy Jehovah. But the moment he is enabled, by living faith, to touch and take hold of the atoning blood of the Lamb of God, justification passes over into his soul, and he becomes freely justified, pardoned and accepted, through the blood of sprinkling upon his conscience; and he stands before God whiter and brighter than snow, for “the blood of Jesus Christ cleanses from all sin.”
To the reader…
Dear reader, have you ever seen something of the glory of Him Who is the God-man? Not only heard of Him or spoken about Him, but beheld His Person with anointed eyes, so that He became precious to your soul and you had to say, “Whom have I in heaven but Thee?” Perhaps you do not dare to answer that with a wholehearted yes. Then ask it of Him, for without that sight of His Person the blood remains for you a word without power.
But where that glory is seen, faith goes out to His atoning blood, and it becomes a rich stream, a fountain opened for sin and uncleanness. Does your conscience lie under guilt; do you feel yourself a sinner before the eyes of a holy God? The moment living faith lays its hand on the blood of the Lamb, the soul is justified and accepted, whiter than snow. For the blood of Jesus Christ cleanses from all sin.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Siendo justificados gratuitamente por Su gracia por la redención que es en Cristo Jesús; al cual Dios ha propuesto en propiciación por la fe en Su sangre.
Romanos 3:24-25
Antes de que podamos tener fe en la sangre expiatoria de Cristo, tenemos que ver la gloria de la Persona del Señor de la vida. “Y vimos Su gloria”, dijo Juan, hablando de sí mismo y de los demás discípulos favorecidos, “y vimos Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad”. ¿Puedo hacerles una pregunta, a ustedes que profesan conocer estas cosas? ¿Fueron alguna vez ungidos sus ojos para contemplar la gloria de Jesús? ¿Contempló alguna vez su fe, se ancló alguna vez su esperanza, fluyó alguna vez su amor hacia la gloriosa Persona de Emmanuel? ¿Fue Él alguna vez precioso para sus almas? ¿Fue alguna vez “todo Él codiciable” a sus ojos? ¿De modo que pudieran decir: “¿A quién tengo yo en los cielos? Y fuera de Ti nada deseo en la tierra”?
Ahora bien, si usted ha visto Su Persona con el ojo de la fe, ha tenido fe que fluía de su alma hacia Su sangre expiatoria; porque Su sangre expiatoria deriva todo su valor, toda su validez y toda su eficacia de ser la sangre de aquella gloriosa Persona. Sobre esa sangre expiatoria vemos entonces estampada una dignidad infinita. La vemos entonces como la sangre de Aquel que era Dios-hombre; y vemos entonces la dignidad, la inmensidad y la gloria de la Deidad de Jesús estampadas sobre los sufrimientos y la sangre que fluyeron de Su pura humanidad. Cuando vemos eso con el ojo de la fe, ¡qué rica corriente llega a ser! ¡Qué manantial abierto para el pecado y la inmundicia! ¡Qué valor hay estampado en ella para purgar y limpiar una conciencia culpable!
Ahora bien, cuando esto se conoce y se siente, el alma es justificada. La justificación pasa de la mente de Dios al pecho del pecador. En la mente de Dios, él nunca estuvo realmente en estado de no justificado; pero lo estaba en su propia conciencia, y lo estaba en cuanto a la ley, y lo estaba en cuanto a su condición de pecador ante los ojos de un Jehová santo. Pero en el momento en que es capacitado, por una fe viva, para tocar y asirse de la sangre expiatoria del Cordero de Dios, la justificación pasa a su alma, y él queda gratuitamente justificado, perdonado y aceptado, por la sangre del rociamiento sobre su conciencia; y está delante de Dios más blanco y más resplandeciente que la nieve, porque “la sangre de Jesucristo limpia de todo pecado”.
Al lector…
Querido lector, ¿ha visto usted alguna vez algo de la gloria de Aquel que es el Dios-hombre? No solo oído de Él o hablado de Él, sino contemplado Su Persona con ojos ungidos, de modo que se le hizo precioso a su alma y tuvo que decir: “¿A quién tengo yo en los cielos sino a Ti?” Quizá no se atreva a responder a esto con un sí rotundo. Pídaselo entonces a Él, porque sin esa vista de Su Persona la sangre sigue siendo para usted una palabra sin poder.
Pero donde se ve esa gloria, la fe sale hacia Su sangre expiatoria, y esta llega a ser una rica corriente, un manantial abierto para el pecado y la inmundicia. ¿Yace su conciencia bajo culpa; se siente pecador ante los ojos de un Dios santo? En el momento en que la fe viva pone su mano sobre la sangre del Cordero, el alma es justificada y aceptada, más blanca que la nieve. Porque la sangre de Jesucristo limpia de todo pecado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl