5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs en de arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus, voor onze God en Vader.
1 Thessalonicensen 1:3
Lucht en beweging onderhouden de gezondheid van het lichaam. Om de genadegaven van de Geest gezond te houden, moeten zij vaak worden geoefend en beademd. Zij moeten worden beademd door de zuivere adem van de hemel en geoefend door de werking van de Heilige Geest, Die hen aanzet tot werkzaamheid en inspanning. En zoals een mens in de natuur gezondheid en kracht krijgt door zijn ledematen te gebruiken en zijn spieren te bewegen, zo krijgen ook op geestelijk gebied de genadegaven van de Geest kracht door toepassing en oefening. Door te volharden in het geloof, door veel te verdragen in de hoop en door voort te gaan ondanks alle moeilijkheden, wordt de liefde sterker, vaster, actiever, gezonder en krachtiger.
Het is een schijngeloof om de hele dag te slapen in de leunstoel van de luiaard. Het is een hoop van de huichelaar als hij niets verdraagt omwille van Christus. Het is slechts liefde van de lippen en de tong, het is een naamloze liefde als zij geen werk verricht voor haar geliefde. Overweeg deze dingen in het licht van uw eigen ervaring. Onderzoek of u in uw hart niet alleen geloof kunt vinden, maar ook zijn werken. Niet alleen hoop, maar ook geduld. Niet alleen liefde, maar ook arbeid.
De apostel sprak erover zonder ophouden het werk van het geloof, de arbeid van de liefde en de verdraagzaamheid van de hoop te gedenken. Zijn oog was niet alleen gericht op de genadegaven van de gelovige, maar ook op de beoefening ervan. En toen hij hun geloof ijverig zag werken, hun hoop geduldig zag verdragen en hun liefde onvermoeibaar zag werken tot eer van God en het welzijn van Zijn volk, was hij ervan overtuigd dat de genadegaven van de Geest door Goddelijke kracht in hen waren gewerkt.
Leer mij, o God van zaligheden,
mijn leven in Uw dienst besteden.
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand!
Uw goede Geest bestier’ mijn schreden
en leid’ mij in een effen land.
Ps. 143:10
Aan de lezer…
Hoe goed is het, eens eerlijk te vragen hoe het staat met de genade in uw eigen hart! Ik vraag niet alleen of u geloof, hoop en liefde bezit, maar of zij ook werken. Zoals het lichaam lucht en beweging nodig heeft om gezond te blijven, zo worden de genadegaven van de Geest sterker door oefening. Hij zegt het eerlijk: het is een schijngeloof dat slaapt in de leunstoel van de luiaard, en een liefde van alleen de lippen die niets doet voor haar Geliefde.
Onderzoek dan uzelf, niet om te wanhopen, maar om oprecht te worden. Vindt u geloof dat, hoe zwak ook, blijft volharden? Hoop die geduldig iets verdraagt om Christus’ wil? Liefde die, al is het in kleine dingen, voor God en Zijn volk arbeidt? Daaraan zag de apostel dat de Geest werkelijk gewerkt had. En ontdekt u veel gebrek, vraag dan dat Zijn goede Geest uw schreden besture en u leere uw leven in Zijn dienst te besteden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs en de arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus, voor onze God en Vader.
1 Thessalonicensen 1:3
Lucht en beweging houden het lichaam gezond. Om de genadegaven van de Geest gezond te houden, moeten zij vaak worden geoefend en van adem voorzien. Zij moeten worden beademd door de zuivere adem van de hemel en geoefend door de werking van de Heilige Geest, Die hen aanzet tot werkzaamheid en inspanning. En zoals een mens in de natuur gezondheid en kracht krijgt door zijn ledematen te gebruiken en zijn spieren te bewegen, zo krijgen ook op geestelijk gebied de genadegaven van de Geest kracht door gebruik en oefening. Door te volharden in het geloof, door veel te verdragen in de hoop en door voort te gaan ondanks alle moeilijkheden, wordt de liefde sterker, vaster, werkzamer, gezonder en krachtiger.
Het is een schijngeloof dat de hele dag slaapt in de leunstoel van de luiaard. Het is een hoop van de huichelaar als hij niets verdraagt omwille van Christus. Het is slechts een liefde van de lippen en de tong, een liefde alleen in naam, als zij geen werk verricht voor haar geliefde. Overweeg deze dingen in het licht van uw eigen ervaring. Onderzoek of u in uw hart niet alleen geloof kunt vinden, maar ook de werken ervan. Niet alleen hoop, maar ook geduld. Niet alleen liefde, maar ook arbeid.
De apostel sprak erover dat hij zonder ophouden gedacht aan het werk van het geloof, de arbeid van de liefde en de verdraagzaamheid van de hoop. Zijn oog was niet alleen gericht op de genadegaven van de gelovigen, maar ook op de beoefening ervan. En toen hij hun geloof ijverig zag werken, hun hoop geduldig zag verdragen en hun liefde onvermoeibaar zag arbeiden tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk, was hij ervan overtuigd dat de genadegaven van de Geest door Goddelijke kracht in hen gewerkt waren.
Leer mij, o God van zaligheden,
mijn leven in Uw dienst besteden.
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand!
Uw goede Geest bestier’ mijn schreden
en leid’ mij in een effen land.
Ps. 143:10
Aan de lezer…
Hoe goed is het om eens eerlijk te vragen hoe het staat met de genade in uw eigen hart! Ik vraag niet alleen of u geloof, hoop en liefde bezit, maar of zij ook werken. Zoals het lichaam lucht en beweging nodig heeft om gezond te blijven, zo worden de genadegaven van de Geest sterker door oefening. Hier wordt eerlijk gezegd: het is een schijngeloof dat slaapt in de leunstoel van de luiaard, en een liefde van alleen de lippen die niets doet voor haar Geliefde.
Onderzoek dan uzelf, niet om te wanhopen, maar om oprecht te worden. Vindt u geloof dat, hoe zwak ook, blijft volharden? Hoop die geduldig iets verdraagt om Christus’ wil? Liefde die, al is het in kleine dingen, voor God en Zijn volk arbeidt? Daaraan zag de apostel dat de Geest werkelijk gewerkt had. En ontdekt u veel gebrek, vraag dan of Zijn goede Geest uw schreden wil besturen en u wil leren uw leven in Zijn dienst te besteden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Remembering without ceasing your work of faith, and labour of love, and patience of hope in our Lord Jesus Christ, in the sight of God and our Father.
1 Thessalonians 1:3
It is air and exercise that keep the body healthy. So it is spiritually. The graces of the Spirit need to be often exercised and well aired to keep them healthy—aired with the pure breath of heaven, and exercised with the operations of the Holy Spirit drawing them forth into activity and energy. And just as in nature a man gains health and strength by using his limbs and working his muscles, so in spiritual things these graces of the Spirit gain strength by use and exercise. Faith by working hard, hope by enduring much, and love by laboring long in the face of difficulties, become each more strengthened, more confirmed, more active, healthy, and energetic.
It is a false faith to sleep all day in the sluggard’s arm-chair; it is the hypocrite’s hope who endures nothing for Christ’s sake; it is love in ‘lip and tongue and name’ that undergoes no labor to please the beloved Object. Look at these things in the light of your own experience. See whether you can find not only faith in your heart, but its work; not only hope, but its patience; not only love, but its labor.
The Apostle remembered without ceasing their work of faith, and labor of love, and patience of hope. His eye was fixed not so much upon their Christian graces as their exercises of them, and as he saw their faith working diligently, their hope suffering patiently, and their love laboring unweariedly for the glory of God and the good of His people, he was satisfied they were the graces of the Spirit wrought in their heart by a divine power.
To the reader…
How good it is to ask honestly, for once, how things stand with grace in your own heart! I do not only ask whether you possess faith, hope and love, but whether they are at work. Just as the body needs air and exercise to stay healthy, so the graces of the Spirit grow stronger by exercise. It is said honestly here: it is a false faith that sleeps in the sluggard’s arm-chair, and a love of the lips only that does nothing for its Beloved.
Examine yourself, then, not to despair, but to become sincere. Do you find faith that, however weak, keeps on persevering? Hope that patiently bears something for Christ’s sake? Love that, even in small things, labours for God and His people? By this the apostle saw that the Spirit had truly been at work. And if you discover much lacking, ask that His good Spirit would order your steps and teach you to spend your life in His service.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sin cesar acordándonos delante del Dios y Padre nuestro de la obra de vuestra fe, y del trabajo de amor, y de la tolerancia de la esperanza del Señor nuestro Jesucristo.
1 Tesalonicenses 1:3
Es el aire y el ejercicio lo que mantiene sano el cuerpo. Así sucede espiritualmente. Las gracias del Espíritu necesitan ser ejercitadas a menudo y bien aireadas para mantenerse sanas: aireadas con el aliento puro del cielo, y ejercitadas por las operaciones del Espíritu Santo, que las sacan a la actividad y al vigor. Y así como en lo natural un hombre gana salud y fuerza usando sus miembros y trabajando sus músculos, así en las cosas espirituales estas gracias del Espíritu ganan fuerza por el uso y el ejercicio. La fe trabajando duro, la esperanza soportando mucho, y el amor trabajando largo tiempo frente a las dificultades, se vuelven cada uno más fortalecidos, más confirmados, más activos, sanos y vigorosos.
Es una fe falsa la que duerme todo el día en el sillón del perezoso; es la esperanza del hipócrita la que no soporta nada por amor de Cristo; es un amor de ‘labios, lengua y nombre’ el que no emprende trabajo alguno por agradar al amado Objeto. Mire estas cosas a la luz de su propia experiencia. Vea si puede hallar en su corazón no solo fe, sino su obra; no solo esperanza, sino su tolerancia; no solo amor, sino su trabajo.
El apóstol se acordaba sin cesar de la obra de su fe, y del trabajo de amor, y de la tolerancia de la esperanza. Su mirada estaba fija no tanto en sus gracias cristianas como en el ejercicio de ellas; y al ver su fe obrando con diligencia, su esperanza sufriendo con paciencia y su amor trabajando incansablemente para la gloria de Dios y el bien de Su pueblo, quedaba convencido de que eran gracias del Espíritu obradas en su corazón por un poder divino.
Al lector…
¡Qué bueno es preguntarse sinceramente, por una vez, cómo está la gracia en su propio corazón! No pregunto solo si posee usted fe, esperanza y amor, sino si están obrando. Así como el cuerpo necesita aire y ejercicio para mantenerse sano, así las gracias del Espíritu se fortalecen con el ejercicio. Aquí se dice con sinceridad: es una fe falsa la que duerme en el sillón del perezoso, y un amor solo de labios el que no hace nada por su Amado.
Examínese, pues, no para desesperar, sino para llegar a ser sincero. ¿Halla una fe que, por débil que sea, sigue perseverando? ¿Una esperanza que soporta con paciencia algo por amor de Cristo? ¿Un amor que, aun en cosas pequeñas, trabaja para Dios y para Su pueblo? En esto vio el apóstol que el Espíritu había obrado de verdad. Y si descubre que falta mucho, pida que Su buen Espíritu ordene sus pasos y le enseñe a emplear su vida en Su servicio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De wonderen van Christus
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5, 6
Toen de Heere des levens en der heerlijkheid op aarde kwam, kwam Hij als een arm man. God was vastbesloten de menselijke grootheidswaan te bezoedelen; daarom zendt Hij Zijn eniggeboren Zoon naar de wereld, om in een stal te worden geboren en in een kribbe als wieg te worden gelegd; om de zoon van arme ouders te zijn, en met Zijn handen Zijn dagelijkse kost te verdienen. Daarom zei men: „Is Deze niet de Zoon des timmermans?” (Matth. 13:55). „Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?” (Joh. 7:15). De afstamming van Jezus, hoewel deze van David zelf was, werd door de nederige omstandigheden waarin Hij werd geboren onduidelijk. Toen Hij ter wereld kwam, waren arme mensen Zijn gezelschap.
Hij koos arme vissers als discipelen, en Hij ging overwegend met armen om. Het was daarom geen wonder dat tot deze arme mensen zo vanzelfsprekend het evangelie werd verkondigd. En aangezien het zo lijnrecht tegenover elk toen bekend gebruik stond, was het, als bewijs voor Zijn hemelse opdracht, van dezelfde orde als Zijn opwekking van de doden, het ziende maken van de blinden, het horende maken van de doven, het doen wandelen van de lammen en het reinigen van de melaatsen (Matth. 11:5).
Maar er is nog een diepere betekenis; er is een geestelijke uitleg met betrekking tot de woorden. De „armen”, geestelijk bezien, zijn de „armen van geest”, de ontroostbaren, de boetvaardigen, de vernederden, de verwarden, de naakten en de beproefden, die niets zijn en niets in zichzelf hebben dat geestelijk goed is. Welnu, dezen wordt het evangelie verkondigd. Juist door hun armoede kan het evangelie worden ontvangen, en wordt het evangelie hun dierbaar. Zoals de blinden het gezichtsvermogen nodig hadden, en ziende werden – zoals de lammen en kreupelen de kracht om te lopen nodig hadden, en de kracht om te lopen ontvingen – zoals de melaatsen gereinigd moesten worden, en gereinigd werden – zoals de doven het gehoor nodig hadden, en konden horen – zoals de doden opgewekt moesten worden, en werden opgewekt: zo maakte de geestelijke armoede van de armen van geest hen gereed voor het evangelie, en konden zij daardoor het evangelie ontvangen.
Lezen: 2 Korinthe 8:1-14
Aan de lezer…
Wanneer u zich arm voelt, niet in geld maar in uw ziel, kunt u zich ontroostbaar, verward en naakt weten, zonder iets in uzelf dat geestelijk goed is. Denk dan aan Hem Die in een stal geboren werd en in een kribbe lag, Die met Zijn handen Zijn brood verdiende en Wiens gezelschap de armen waren. Hij heeft Zich niet geschaamd voor armoede.
„En de armen wordt het Evangelie verkondigd.” Juist door hun armoede kan het Evangelie ontvangen worden, en juist daardoor wordt het dierbaar. Zoals de blinden ogen nodig hadden en de doden leven, zo heeft de arme van geest genade nodig, en dat is geen beletsel maar een bereiding. U hoeft niet eerst rijk te worden om te mogen komen. Kom zoals u bent, met lege handen; voor zulken is de blijde boodschap bestemd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5, 6
Toen de Heere van het leven en van de heerlijkheid op aarde kwam, kwam Hij als een arm man. God had besloten de menselijke grootheidswaan te bezoedelen. Daarom zendt Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld, om in een stal geboren te worden en in een kribbe als wieg gelegd te worden, om de zoon van arme ouders te zijn en met Zijn handen Zijn dagelijks brood te verdienen. Daarom zei men: „Is Deze niet de Zoon des timmermans?” (Matth. 13:55). „Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?” (Joh. 7:15). De afstamming van Jezus, hoewel die van David zelf was, raakte door de nederige omstandigheden waarin Hij geboren werd, op de achtergrond. Toen Hij in de wereld kwam, waren arme mensen Zijn gezelschap.
Hij koos arme vissers als discipelen, en Hij ging vooral met armen om. Het was daarom geen wonder dat juist aan deze arme mensen zo vanzelfsprekend het Evangelie verkondigd werd. En omdat dit lijnrecht inging tegen alles wat toen gebruikelijk was, was het als bewijs van Zijn hemelse zending van dezelfde orde als het opwekken van de doden, het ziende maken van de blinden, het horende maken van de doven, het doen wandelen van de lammen en het reinigen van de melaatsen (Matth. 11:5).
Maar er is nog een diepere betekenis; de woorden hebben ook een geestelijke uitleg. De „armen” zijn geestelijk gezien de „armen van geest”: de ontroostbaren, de boetvaardigen, de vernederden, de verwarden, de naakten en de beproefden, die niets zijn en niets in zichzelf hebben dat geestelijk goed is. Welnu, aan hen wordt het Evangelie verkondigd. Juist door hun armoede kan het Evangelie ontvangen worden en wordt het hun dierbaar.
De blinden hadden het gezicht nodig, en werden ziende. De lammen en kreupelen hadden kracht nodig om te lopen, en ontvingen die kracht. De melaatsen moesten gereinigd worden, en werden gereinigd. De doven hadden het gehoor nodig, en konden horen. De doden moesten opgewekt worden, en werden opgewekt. Zo maakte de geestelijke armoede van de armen van geest hen gereed voor het Evangelie, en konden zij daardoor het Evangelie ontvangen.
Lezen: 2 Korinthe 8:1-14
Aan de lezer…
Wanneer u zich arm voelt, niet in geld maar in uw ziel, kunt u zich ontroostbaar, verward en naakt weten, zonder iets in uzelf dat geestelijk goed is. Denk dan aan Hem Die in een stal geboren werd en in een kribbe lag, Die met Zijn handen Zijn brood verdiende en Wiens gezelschap de armen waren. Hij heeft Zich niet geschaamd voor armoede.
„En de armen wordt het Evangelie verkondigd.” Juist door hun armoede kan het Evangelie ontvangen worden, en juist daardoor wordt het dierbaar. Zoals de blinden ogen nodig hadden en de doden leven, zo heeft de arme van geest genade nodig, en dat is geen beletsel maar een voorbereiding. U hoeft niet eerst rijk te worden om te mogen komen. Kom zoals u bent, met lege handen; voor zulke mensen is de blijde boodschap bestemd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them. And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:5, 6
When the Lord of life and glory came to earth, He came as a poor man. God had determined to stain the pride of human greatness. Therefore He sends His only-begotten Son into the world, to be born in a stable and laid in a manger for a cradle, to be the son of poor parents and to earn His daily bread with His hands. That is why it was said, “Is not this the carpenter’s son?” (Matthew 13:55). “How knoweth this man letters, having never learned?” (John 7:15). The descent of Jesus, though it was from David himself, was thrown into the background by the lowly circumstances in which He was born. When He came into the world, poor people were His company.
He chose poor fishermen as disciples, and He went about chiefly among the poor. It was therefore no wonder that to these very poor people the gospel was so naturally preached. And because this ran directly contrary to everything that was customary at that time, it was, as a proof of His heavenly mission, of the same order as raising the dead, giving sight to the blind, making the deaf hear, making the lame walk and cleansing the lepers (Matthew 11:5).
But there is a deeper meaning still; the words have a spiritual interpretation as well. The “poor,” spiritually speaking, are the “poor in spirit”: the disconsolate, the penitent, the humbled, the perplexed, the naked and the tried, who are nothing and have nothing in themselves that is spiritually good. Well, to them the gospel is preached. It is precisely through their poverty that the gospel can be received and becomes precious to them.
The blind needed sight, and were made to see. The lame and crippled needed strength to walk, and received that strength. The lepers had to be cleansed, and were cleansed. The deaf needed hearing, and could hear. The dead had to be raised, and were raised. So the spiritual poverty of the poor in spirit made them ready for the gospel, and through it they could receive the gospel.
Reading: 2 Corinthians 8:1-14
To the reader…
When you feel poor, not in money but in your soul, you may know yourself to be disconsolate, perplexed and naked, without anything in yourself that is spiritually good. Then think of Him Who was born in a stable and lay in a manger, Who earned His bread with His hands and Whose company was the poor. He was not ashamed of poverty.
“And the poor have the gospel preached to them.” It is through their very poverty that the gospel can be received, and through it that it becomes precious. As the blind needed eyes and the dead needed life, so the poor in spirit need grace, and that is no hindrance but a preparation. You do not have to become rich first before you may come. Come as you are, with empty hands; the glad tidings are meant for such as you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ciegos ven, y los cojos andan; los leprosos son limpiados, y los sordos oyen; los muertos son resucitados, y a los pobres es anunciado el evangelio. Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:5, 6
Cuando el Señor de la vida y de la gloria vino a la tierra, vino como un hombre pobre. Dios había determinado manchar la soberbia de la grandeza humana. Por eso envía a Su Hijo unigénito al mundo, para nacer en un establo y ser puesto en un pesebre por cuna, para ser hijo de padres pobres y ganar Su pan de cada día con Sus manos. Por eso se decía: “¿No es Este el hijo del carpintero?” (Mateo 13:55). “¿Cómo sabe Este letras, no habiendo aprendido?” (Juan 7:15). La ascendencia de Jesús, aunque venía del mismo David, quedaba en segundo plano por las humildes circunstancias en que nació. Cuando vino al mundo, los pobres fueron Su compañía.
Escogió a pobres pescadores como discípulos, y anduvo principalmente entre los pobres. No era, pues, de extrañar que a estos mismos pobres se les predicara el evangelio con tanta naturalidad. Y como esto iba directamente en contra de todo lo que era costumbre en aquel tiempo, era, como prueba de Su misión celestial, del mismo orden que resucitar a los muertos, dar vista a los ciegos, hacer oír a los sordos, hacer andar a los cojos y limpiar a los leprosos (Mateo 11:5).
Pero hay todavía un sentido más profundo; las palabras tienen también una interpretación espiritual. Los “pobres”, hablando espiritualmente, son los “pobres en espíritu”: los desconsolados, los penitentes, los humillados, los perplejos, los desnudos y los probados, que no son nada ni tienen nada en sí mismos que sea espiritualmente bueno. Pues bien, a ellos se les anuncia el evangelio. Es precisamente por su pobreza que el evangelio puede ser recibido y se les hace precioso.
Los ciegos necesitaban vista, y fueron hechos ver. Los cojos y tullidos necesitaban fuerza para andar, y recibieron esa fuerza. Los leprosos tenían que ser limpiados, y fueron limpiados. Los sordos necesitaban oído, y pudieron oír. Los muertos tenían que ser resucitados, y fueron resucitados. Así la pobreza espiritual de los pobres en espíritu los preparó para el evangelio, y por medio de ella pudieron recibir el evangelio.
Lectura: 2 Corintios 8:1-14
Al lector…
Cuando se siente pobre, no en dinero sino en su alma, puede que se sepa desconsolado, perplejo y desnudo, sin nada en sí mismo que sea espiritualmente bueno. Piense entonces en Aquel que nació en un establo y yació en un pesebre, que ganó Su pan con Sus manos y Cuya compañía eran los pobres. Él no se avergonzó de la pobreza.
“Y a los pobres es anunciado el evangelio.” Es precisamente por su pobreza que el evangelio puede ser recibido, y por ella que se hace precioso. Como los ciegos necesitaban ojos y los muertos necesitaban vida, así los pobres en espíritu necesitan gracia, y eso no es un estorbo sino una preparación. No tiene que hacerse rico primero antes de poder venir. Venga tal como está, con las manos vacías; las buenas nuevas son para gente como usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.
1 Kronieken 4:10
Een rijkelijk zegenen is hetgeen de ziel zoekt, nadat zij heeft kennis genomen van de ellende en bitterheid der zonde, en ook heeft gesmaakt de zoetheid van de zaligheid in God. En dit rijkelijk zegenen ziet op geestelijke en eeuwige zegeningen. Vergeleken met zulke zegeningen als deze, ziet de ziel hoe ijdel en ledig alle aardse dingen zijn; wat een ijdel speeltuig, wat een ijdele dromen, wat een voorbijgaande schaduwen. Zij verwondert zich over de dwaasheid der mensen in het jagen achter voorbijgaande schaduwen, over het doorbrengen van de tijd met hun hart te zetten op gezondheid, geld, op het leven zelf, in een najagen van niets dan ellende en verderf. Elk verdwijnend geluid van de klok, dat zij hoort, elk lichaam, dat zij langzaam ten grave ziet dragen, geeft haar een diepe indruk wat betreft de staat dergenen, die leven en sterven in hun zonden. Zo leert zij meer en meer de tijd tegenover de eeuwigheid stellen, de aarde tegenover de hemel, zondaren tegenover heiligen, belijders tegenover belijders.
Door deze dingen wordt zij met Baruch onderwezen voor zichzelf geen grote, maar wezenlijke dingen te zoeken; dingen, die langer duren dan de tijd en passen voor de eeuwigheid. Zij wordt ertoe gebracht om maar weinig acht te geven op hetgeen de mensen goed of groot achten, maar zij let inzonderheid op die dingen, waarop God Zijn stempel zet, zoals een tedere consciëntie, een verbroken hart, een verslagen geest, een nederig gemoed, een afgescheidenheid van de wereld en al wat werelds is, een onderwerping aan Zijn heilige wil, een zachtmoedig verdragen van het kruis, een gelijkvormigheid aan Christus’ lijdend beeld en aan een leven tot Gods heerlijkheid. Gelijk het dan ook de Heere wel behaagt haar te koesteren met enige ontdekking van Zichzelf in het schenken van een zoete bevinding van Zijn goedertierenheid en barmhartigheid, van Zijn verzoenend bloed, van Zijn stervende liefde. En het zou te lang duren, nog meer van deze zegeningen te vermelden, die alleen maar in Hem gevonden worden.
Want Zijn zegeningen zijn niet als de blote tijdelijke weldaden, die wij uit Zijn hand genieten, want die alle verderven door het gebruik, maar zij zijn voor de eeuwigheid, en eenmaal gegeven, worden zij nooit meer weggenomen. Deze worden dus voorsmaakjes van de eeuwige genietingen, want zij zijn volstrekt onberouwelijk. Toen Izaäk eenmaal Jakob in Gods Naam gezegend had, kon de zegen, die door bedrog verkregen was, maar eens gegeven, niet herroepen worden. Daarom zeide hij tot Ezau: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Zo is het ook wanneer de Heere Zijn volk heeft gezegend met enige van deze geestelijke zegeningen, die opgesloten liggen in Zijn onuitputtelijke volheid, want deze zegeningen zijn Hemzelf gelijk, onveranderlijk, en Hij is en blijft Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid.
Aan de lezer…
Dat gebed om zegen stelt ook u de vraag: wat vraagt u eigenlijk van de Heere? Gezondheid, geld, een gemakkelijk leven? Wie de bitterheid der zonde en de zoetheid van de zaligheid heeft gesmaakt, leert gaandeweg hoe ijdel en voorbijgaand zulke dingen zijn. Elke klok die slaat en elke baar die voorbijgaat, roept het: de tijd staat tegenover de eeuwigheid. Daarom zucht een levende ziel met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.”
Vraag dan grote dingen, niet in de ogen der mensen, maar in Gods ogen: een tedere consciëntie, een verbroken hart, een nederig gemoed, een gelijkvormigheid aan Christus’ beeld. Zulke zegeningen verderven niet door het gebruik. Wat de Heere eenmaal gegeven heeft, neemt Hij niet terug; gelijk Izaäk zeide: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Hij is Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.
1 Kronieken 4:10
Een rijke zegen is wat de ziel zoekt, nadat zij de ellende en bitterheid van de zonde heeft leren kennen en ook de zoetheid van de zaligheid in God heeft gesmaakt. En deze rijke zegen betreft geestelijke en eeuwige zegeningen. Vergeleken met zulke zegeningen ziet de ziel hoe ijdel en leeg alle aardse dingen zijn: wat een ijdel speelgoed, wat een ijdele dromen, wat een voorbijgaande schaduwen. Zij verwondert zich over de dwaasheid van de mensen die voorbijgaande schaduwen najagen, en die hun tijd doorbrengen met hun hart te zetten op gezondheid, op geld, op het leven zelf, en zo niets anders najagen dan ellende en verderf. Elke wegstervende slag van de klok die zij hoort, elk lichaam dat zij langzaam ten grave ziet dragen, geeft haar een diepe indruk van de staat van hen die in hun zonden leven en sterven. Zo leert zij steeds meer de tijd te stellen tegenover de eeuwigheid, de aarde tegenover de hemel, zondaren tegenover heiligen, belijders tegenover belijders.
Door deze dingen wordt zij met Baruch geleerd voor zichzelf geen grote dingen te zoeken, maar wezenlijke dingen: dingen die langer duren dan de tijd en passen bij de eeuwigheid. Zij wordt ertoe gebracht weinig acht te slaan op wat de mensen goed of groot vinden, maar zij let vooral op de dingen waarop God Zijn stempel zet. Zoals een teder geweten, een verbroken hart, een verslagen geest, een nederig gemoed, een afgescheiden zijn van de wereld en van alles wat werelds is, een onderwerping aan Zijn heilige wil, een zachtmoedig dragen van het kruis, een gelijkvormigheid aan het lijdende beeld van Christus en een leven tot Gods heerlijkheid. Zo behaagt het de Heere ook haar te koesteren met enige ontdekking van Zichzelf, door haar een zoete bevinding te schenken van Zijn goedertierenheid en barmhartigheid, van Zijn verzoenend bloed, van Zijn stervende liefde. Het zou te lang duren om nog meer van deze zegeningen te noemen, die alleen in Hem gevonden worden.
Want Zijn zegeningen zijn niet als de louter tijdelijke weldaden die wij uit Zijn hand genieten, want die vergaan allemaal door het gebruik. Zij zijn voor de eeuwigheid, en wanneer zij eenmaal gegeven zijn, worden zij nooit meer weggenomen. Zo worden zij voorsmaken van de eeuwige genietingen, want zij zijn volstrekt onberouwelijk. Toen Izaäk Jakob eenmaal in Gods Naam gezegend had, kon de zegen, hoewel hij door bedrog verkregen was, niet meer herroepen worden toen hij eenmaal gegeven was. Daarom zei hij tot Ezau: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Zo is het ook wanneer de Heere Zijn volk gezegend heeft met enkele van deze geestelijke zegeningen, die in Zijn onuitputtelijke volheid besloten liggen. Want deze zegeningen zijn als Hijzelf, onveranderlijk, en Hij is en blijft Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid.
Aan de lezer…
Dat gebed om zegen stelt ook u de vraag: wat vraagt u eigenlijk van de Heere? Gezondheid, geld, een gemakkelijk leven? Wie de bitterheid van de zonde en de zoetheid van de zaligheid heeft gesmaakt, leert gaandeweg hoe ijdel en voorbijgaand zulke dingen zijn. Elke klok die slaat en elke baar die voorbijgaat, roept het: de tijd staat tegenover de eeuwigheid. Daarom zucht een levende ziel met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen wildet.”
Vraag dan grote dingen, niet in de ogen van de mensen, maar in Gods ogen: een teder geweten, een verbroken hart, een nederig gemoed, een gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Zulke zegeningen vergaan niet door het gebruik. Wat de Heere eenmaal gegeven heeft, neemt Hij niet terug; zoals Izaäk zei: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.” Hij is Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Oh that thou wouldest bless me indeed!
1 Chronicles 4:10
An “indeed” blessing is what the soul is seeking after which has ever felt the misery and bitterness of sin, and ever tasted the sweetness of God’s salvation. And these “indeed” blessings are seen to be spiritual and eternal. Compared with such blessings as these, it sees how vain and empty are all earthly things, what vain toys, what idle dreams, what passing shadows. It wonders at the folly of men in hunting after such vain shows, and spending time, health, money, life itself, in a pursuit of nothing but misery and destruction.
Every passing funeral bell that it hears, every corpse borne slowly along to the grave that it sees, impresses it with solemn feelings as to the state of those who live and die in their sins. Thus it learns more and more to contrast time with eternity, earth with heaven, sinners with saints, and professors with possessors. By these things it is taught, with Baruch, not “to seek great things” for itself, but real things; things which will outlast time, and fit it for eternity. It is thus brought to care little for the opinion of men as to what is good or great, but much for what God has stamped His own approbation upon, such as a tender conscience, a broken heart, a contrite spirit, a humble mind, a separation from the world and everything worldly, a submission to His holy will, a meek endurance of the cross, a conformity to Christ’s suffering image, and a living to God’s glory.
As, then, the gracious Lord is pleased to indulge it with some discovery of Himself, shedding abroad a sweet sense of His goodness and mercy, atoning blood, and dying love, it is made to long more and more for the manifestation of those blessings which alone are to be found in Him. For His blessings are not like the mere temporal mercies which we enjoy at His hands, all of which perish in the using, but are forever and ever; and when once given are never taken away. They thus become pledges and foretastes of eternal joys, for they are absolutely irreversible.
When Isaac had once blessed Jacob in God’s Name, though the blessing had been obtained by deceit, yet having been once given, it could not be recalled. He said, therefore, to Esau, “I have blessed him, and he shall be blessed.” So when the Lord has blessed His people with any of those spiritual blessings which are stored up in His inexhaustible fullness, these blessings are like Himself, unchanging and unchangeable; for “He is in one mind and none can turn Him;” “The same yesterday, today, and forever.”
To the reader…
That prayer for blessing puts a question to you as well: what are you really asking of the Lord? Health, money, an easy life? Whoever has tasted the bitterness of sin and the sweetness of salvation gradually learns how vain and passing such things are. Every bell that tolls and every coffin that passes by proclaims it: time stands over against eternity. That is why a living soul sighs with Jabez, “Oh that Thou wouldest bless me indeed!”
Ask, then, for great things, not in the eyes of men, but in God’s eyes: a tender conscience, a broken heart, a humble mind, a conformity to the image of Christ. Such blessings do not perish in the using. What the Lord has once given, He does not take back; as Isaac said, “I have blessed him, yea, and he shall be blessed.” He is the same, yesterday, and to day, and for ever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Oh, si en verdad me dieras bendición!
1 Crónicas 4:10
Una bendición “en verdad” es lo que busca el alma que alguna vez ha sentido la miseria y la amargura del pecado, y alguna vez ha gustado la dulzura de la salvación de Dios. Y se ve que estas bendiciones “en verdad” son espirituales y eternas. Comparadas con bendiciones como estas, el alma ve cuán vanas y vacías son todas las cosas terrenales: qué juguetes vanos, qué sueños ociosos, qué sombras pasajeras. Se asombra de la necedad de los hombres que van a la caza de tales vanas apariencias, y gastan tiempo, salud, dinero y la vida misma en la búsqueda de nada más que miseria y destrucción.
Cada campana fúnebre que oye pasar, cada cadáver que ve llevar lentamente a la tumba, le imprime sentimientos solemnes acerca del estado de los que viven y mueren en sus pecados. Así aprende cada vez más a contrastar el tiempo con la eternidad, la tierra con el cielo, los pecadores con los santos, y a los que profesan con los que poseen. Por estas cosas se le enseña, como a Baruc, a no “buscar para sí grandezas”, sino cosas reales; cosas que sobrevivirán al tiempo y le prepararán para la eternidad. Así es llevada a preocuparse poco por la opinión de los hombres en cuanto a lo que es bueno o grande, pero mucho por aquello sobre lo cual Dios ha estampado Su propia aprobación, como una conciencia tierna, un corazón quebrantado, un espíritu contrito, una mente humilde, una separación del mundo y de todo lo mundano, una sumisión a Su santa voluntad, un sufrir mansamente la cruz, una conformidad con la imagen sufriente de Cristo y un vivir para la gloria de Dios.
Así, pues, a medida que al misericordioso Señor le place favorecerla con algún descubrimiento de Sí mismo, derramando un dulce sentir de Su bondad y misericordia, de Su sangre expiatoria y Su amor agonizante, el alma es hecha anhelar cada vez más la manifestación de aquellas bendiciones que solo se hallan en Él. Porque Sus bendiciones no son como las meras misericordias temporales que recibimos de Su mano, todas las cuales perecen con el uso, sino que son por siempre jamás; y una vez dadas, nunca son quitadas. Así llegan a ser prendas y anticipos de gozos eternos, porque son absolutamente irrevocables.
Cuando Isaac hubo bendecido una vez a Jacob en el Nombre de Dios, aunque la bendición había sido obtenida con engaño, una vez dada no podía ser revocada. Por eso dijo a Esaú: “Yo le bendije, y será bendito.” Así, cuando el Señor ha bendecido a Su pueblo con alguna de aquellas bendiciones espirituales que están atesoradas en Su plenitud inagotable, estas bendiciones son como Él mismo, invariables e inmutables; porque “si Él se determina en una cosa, ¿quién lo apartará?”; Él es “el mismo ayer, y hoy, y por los siglos”.
Al lector…
Esa oración pidiendo bendición le hace también a usted una pregunta: ¿qué es lo que realmente pide al Señor? ¿Salud, dinero, una vida fácil? Quien ha gustado la amargura del pecado y la dulzura de la salvación aprende poco a poco cuán vanas y pasajeras son tales cosas. Cada campana que dobla y cada ataúd que pasa lo proclaman: el tiempo está frente a la eternidad. Por eso un alma viviente suspira con Jabes: “¡Oh, si en verdad me dieras bendición!”
Pida, pues, cosas grandes, no a los ojos de los hombres, sino a los ojos de Dios: una conciencia tierna, un corazón quebrantado, una mente humilde, una conformidad con la imagen de Cristo. Tales bendiciones no perecen con el uso. Lo que el Señor ha dado una vez, no lo quita; como dijo Isaac: “Yo le bendije, y será bendito.” Él es el mismo ayer, y hoy, y por los siglos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl