3 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.
Efeze 2:1
Dood in zonde is natuurlijk een beeld en moet ook zo worden opgevat; want de betekenis is geestelijke dood, en door geestelijke dood verstaan wij het algeheel gebrek aan alles wat heilig, hemels, geestelijk en Goddelijk is; algeheel gebrek aan, deel in en gelijkvormigheid aan het leven van God, dat zuiver en eeuwig, heilig, rein, wijs en goed is en altijd woont in het glorierijk licht van Zijn eigen oneindige volmaaktheden. Dus is dood zijn: geen deel hebben aan God, geen kennis van Hem; geen geloof in, geen vertrouwen, geen hoop op Hem; geen gevoel van Zijn tegenwoordigheid; geen eerbied voor Zijn vreselijke Majesteit; geen begeerte naar Hem of overbuiging tot Hem; geen beven voor Zijn Woord; geen vertrouwen op Zijn beloften; geen verlangen naar Zijn genade; geen bekommernis om en geen belangstelling in Zijn heerlijkheid.
Het is voor Hem te bestaan als een redeloos dier, alleen erop uit, als een dier, om zijn honger of dierlijke lusten te voldoen, zonder enige gedachte wat het einde ervan zijn zal, en altijd geneigd elk natuurlijk plan uit te voeren, alsof hij zijn eigen schepper, zijn eigen rechter, zijn eigen heer en zijn eigen god is. O, wat een vreselijke toestand is het, zo dood te zijn in de zonde en dit niet te weten, niet te voelen, zich geenszins bewust van het tegenwoordig gevaar en het zekere einde, tenzij hij ervan verlost wordt door een krachtige daad van Souvereine macht! Het is dat gebrek aan alle bewustzijn en gevoel dat de dood van de ziel slechts maakt tot een afspiegeling, tot een voorspel van die tweede dood, die zich uitstrekt over een grenzeloze eeuwigheid.
Wil toch niet stug, gelijk een paard weerstreven,
of als een muil, door domheid voortgedreven.
Gebit en toom, door ’s mensen hand bestierd,
beteug’len ’t woest en redeloos gediert’.
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen,
maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
ziet zich omringd met zijn weldadigheên.
Ps. 32:5
Aan de lezer…
U die dit leest, hoor hoe ernstig dit woord is: dood door de misdaden en de zonden. Niet ziek, niet zwak, maar dood; zonder kennis van God, zonder vreze voor Zijn Majesteit, zonder verlangen naar Zijn genade. En het vreselijkste is dat de dode zijn toestand niet voelt. Leeft u zo, onbekommerd, alsof u uw eigen heer en uw eigen god bent? Dan is dit woord u gezonden als een roep van genade, opdat u nog zou ontwaken voordat de tweede dood u overvalt.
Maar misschien voelt u juist wél uw doodsheid, uw koudheid en onvermogen, en klaagt u daarover voor God. Weet dan dat een dode niet klaagt. Dat u beeft voor Zijn Woord en zucht naar Zijn tegenwoordigheid, is het werk van Hem Die levend maakt. Wat geen mens in zichzelf kan wekken, doet Hij door Zijn soevereine macht. Laat u dan niet ontmoedigen door uw armoede, maar breng haar tot Hem; want „u heeft Hij mede levend gemaakt”.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.
Efeze 2:1
Dood in de zonde is natuurlijk een beeld en moet ook zo worden opgevat. De betekenis is geestelijke dood, en onder geestelijke dood verstaan wij het volledige gemis van alles wat heilig, hemels, geestelijk en goddelijk is. Het is het volledige gemis van deel aan en gelijkvormigheid met het leven van God, dat zuiver en eeuwig, heilig, rein, wijs en goed is en altijd woont in het glorierijke licht van Zijn eigen oneindige volmaaktheden. Dood zijn is dus: geen deel hebben aan God en geen kennis van Hem; geen geloof in Hem, geen vertrouwen op Hem en geen hoop op Hem; geen besef van Zijn tegenwoordigheid; geen eerbied voor Zijn ontzagwekkende Majesteit; geen begeerte naar Hem of neiging tot Hem; geen beven voor Zijn Woord; geen vertrouwen op Zijn beloften; geen verlangen naar Zijn genade; geen zorg om en geen belangstelling voor Zijn heerlijkheid.
Het is voor Hem bestaan als een redeloos dier, dat er alleen op uit is om zijn honger of zijn dierlijke lusten te stillen, zonder enige gedachte aan wat het einde daarvan zal zijn. Zo iemand is altijd geneigd elk natuurlijk plan uit te voeren, alsof hij zijn eigen schepper, zijn eigen rechter, zijn eigen heer en zijn eigen god is. O, wat een vreselijke toestand is het, zo dood te zijn in de zonde en dat niet te weten en niet te voelen, zich helemaal niet bewust van het huidige gevaar en het zekere einde, tenzij hij daarvan verlost wordt door een krachtige daad van soevereine macht! Juist dat gemis van alle besef en gevoel maakt de dood van de ziel tot een afspiegeling en een voorspel van die tweede dood, die zich uitstrekt over een grenzeloze eeuwigheid.
Wil toch niet stug, gelijk een paard weerstreven,
of als een muil, door domheid voortgedreven.
Gebit en toom, door ’s mensen hand bestierd,
beteug’len ’t woest en redeloos gediert’.
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen,
maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
ziet zich omringd met zijn weldadigheên.
Ps. 32:5
Aan de lezer…
U die dit leest, hoor hoe ernstig dit woord is: dood door de misdaden en de zonden. Niet ziek, niet zwak, maar dood: zonder kennis van God, zonder vreze voor Zijn Majesteit, zonder verlangen naar Zijn genade. En het vreselijkste is dat de dode zijn toestand niet voelt. Leeft u zo, onbekommerd, alsof u uw eigen heer en uw eigen god bent? Dan is dit woord u gezonden als een roepstem van genade, zodat u nog zou ontwaken voordat de tweede dood u overvalt.
Maar misschien voelt u juist wél uw doodsheid, uw koudheid en uw onvermogen, en klaagt u daarover voor God. Weet dan dat een dode niet klaagt. Dat u beeft voor Zijn Woord en zucht naar Zijn tegenwoordigheid, is het werk van Hem Die levend maakt. Wat geen mens in zichzelf kan wekken, doet Hij door Zijn soevereine macht. Laat u dan niet ontmoedigen door uw armoede, maar breng haar bij Hem; want „u heeft Hij mede levend gemaakt”.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And you hath He quickened, who were dead in trespasses and sins.
Ephesians 2:1
Death in sin is of course a figure, and must be interpreted as such; for moral death is its meaning, and by moral death we understand the utter absence of everything holy, heavenly, spiritual, and divine—the entire lack of participation in, and conformity to the life which God lives as essentially and eternally holy, pure, wise, and good, and forever dwelling in the glorious light of His own infinite perfections. To be dead, then, is to have no present part or lot with God; no knowledge of Him, no faith, no trust, no hope in Him; no sense of His presence, no reverence of His awesome Majesty; no desire after Him or inclination toward Him; no trembling at His Word, no reliance on His promise, no longing for His grace, no care or concern for His glory.
It is to be as a beast before Him, intent like a brute on satisfying the cravings of lust, or the movements of mere animal passion, without any thought or concern what shall be the outcome, and to be bent upon carrying out into action every selfish purpose, as if we were self-creators, and were our own judge, our own lord, and our own God. O what a terrible state is it to be thus dead in sin, and not to know it, not to feel it, to be in no way sensible of its present danger and certain end, unless delivered from it by a mighty act of sovereign power! It is this lack of all sense and feeling which makes the death of the soul to be but a representation of, as it is the prelude to, that second death which stretches through a boundless eternity.
To the reader…
You who read this, hear how solemn this word is: dead in trespasses and sins. Not sick, not weak, but dead: without knowledge of God, without reverence for His Majesty, without longing for His grace. And the most dreadful thing is that the dead do not feel their condition. Are you living like that, unconcerned, as if you were your own lord and your own god? Then this word has been sent to you as a call of grace, that you might yet awake before the second death overtakes you.
But perhaps you do feel your deadness, your coldness and your inability, and you mourn over it before God. Know, then, that a dead man does not mourn. That you tremble at His Word and sigh for His presence is the work of Him Who makes alive. What no man can awaken in himself, He does by His sovereign power. So do not be discouraged by your poverty, but bring it to Him; for “you hath He quickened.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y a vosotros os dio vida, estando muertos en vuestros delitos y pecados.
Efesios 2:1
La muerte en el pecado es, desde luego, una figura, y debe interpretarse como tal; pues su significado es la muerte moral, y por muerte moral entendemos la ausencia total de todo lo santo, celestial, espiritual y divino: la carencia completa de participación en la vida que Dios vive, y de conformidad con ella, siendo Él esencial y eternamente santo, puro, sabio y bueno, y morando para siempre en la gloriosa luz de Sus propias perfecciones infinitas. Estar muerto, pues, es no tener ahora parte ni suerte con Dios; ningún conocimiento de Él, ninguna fe, ninguna confianza, ninguna esperanza en Él; ningún sentir de Su presencia, ninguna reverencia ante Su Majestad imponente; ningún deseo de Él ni inclinación hacia Él; ningún temblor ante Su Palabra, ninguna confianza en Su promesa, ningún anhelo de Su gracia, ningún cuidado ni preocupación por Su gloria.
Es ser como una bestia delante de Él, empeñado como un bruto en satisfacer los antojos de la concupiscencia o los impulsos de la mera pasión animal, sin pensamiento ni preocupación alguna por cuál será el desenlace, y estar resuelto a llevar a cabo todo propósito egoísta, como si fuéramos nuestros propios creadores, y fuéramos nuestro propio juez, nuestro propio señor y nuestro propio dios. ¡Oh, qué estado tan terrible es estar así muerto en el pecado y no saberlo, no sentirlo, no tener conciencia alguna de su peligro presente ni de su fin seguro, a menos que uno sea librado de él por un acto poderoso de poder soberano! Es esta falta de todo sentido y sentimiento lo que hace de la muerte del alma una imagen, así como es el preludio, de aquella muerte segunda que se extiende por una eternidad sin límites.
Al lector…
Usted que lee esto, oiga cuán solemne es esta palabra: muertos en delitos y pecados. No enfermos, no débiles, sino muertos: sin conocimiento de Dios, sin reverencia por Su Majestad, sin anhelo de Su gracia. Y lo más terrible es que los muertos no sienten su estado. ¿Vive usted así, despreocupado, como si fuera su propio señor y su propio dios? Entonces esta palabra le ha sido enviada como un llamado de gracia, para que todavía despierte antes de que le alcance la muerte segunda.
Pero quizá usted sí siente su muerte espiritual, su frialdad y su incapacidad, y se lamenta por ello delante de Dios. Sepa, pues, que un muerto no se lamenta. Que usted tiemble ante Su Palabra y suspire por Su presencia es obra de Aquel que da vida. Lo que ningún hombre puede despertar en sí mismo, Él lo hace por Su poder soberano. No se desanime, pues, por su pobreza, sino llévela a Él; porque “a vosotros os dio vida”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De zegen van Jozef
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Wat is vruchtbaarheid bij een gelovige? Zij brengt ware nederigheid voort. Hij heeft zichzelf gezien; hij weet wat in de mens zit en verafschuwt zichzelf. Zijn hart wordt vernederd door en tegenover God. Zij brengt voort, of liever, de Heere brengt in hem voort, de vrucht van het berouw (2 Kor. 7:10). Hij ziet in wat hij is als zondaar, en heeft oprecht berouw.
Hij brengt de vrucht voort van droefheid naar God, want omdat hij inziet wat zijn zonden de Heere Jezus Christus hebben gekost, treurt hij erover met een onberouwelijke droefheid. Zij brengt een geestelijke gezindheid voort. In plaats van een vleselijke omarming van louter leerstellingen zijn zijn gevoelens in oprechtheid en eenvoud des harten aan de Heere Jezus Christus gehecht. En dit brengt die geestelijke gezindheid teweeg die leven en vrede is en in hemelse dingen behagen schept. Zij brengt deze dingen niet alleen in zijn hart voort, of liever, God brengt ze in hem voort, maar hij brengt ze ook voort met zijn mond.
Als hij over de dingen Gods spreekt, spreekt hij erover met echt gevoel, met echte liefde in zijn hart en echte genade in zijn borst; hij heeft het hart op de tong. Als hij een prediker is, zal hij met kracht spreken. Hij zal de waarheid niet op een harde, aanmatigende en ongevoelige manier brengen, maar omdat hij leven en bevinding in zijn ziel bezit en de dingen Gods innerlijk heeft ervaren, zal wat hij zegt met zalving, dauw, smaak en kracht geuit worden. Het zal het hart bereiken, de geest doen smelten en leven en gevoel bij de toehoorders teweegbrengen.
En ook als hij een toehoorder is, zal hij vruchten met zijn mond voortbrengen. Wat hij zegt, zal met zout op smaak gebracht zijn. Zijn gesprekken zullen met leven en kracht doordrenkt zijn als hij in het gezelschap van Gods kinderen verkeert. De harten van anderen zullen als het ware met het zijne versmelten en zoete vereniging en wederzijdse uitwisseling vinden.
Sterker nog, hij brengt vruchten voort in zijn leven. Hij is geen dronkaard of overspeler. Als hij door de duisternis verborgen is, weet hij dat God hem wel ziet, ook al zien mensenogen hem niet. Hij zal geen slaaf van de zonde zijn; God zal hem bevrijden. De zonde zal geen heerschappij over hem voeren. Hij zit af en toe wellicht verstrengeld in verborgen begeerten die in hem werkzaam zijn, maar hij zal God smeken ze te beteugelen en hem uit elke strik te halen.
Lezen: Markus 4:1-20
Aan de lezer…
Misschien schrikt u, waarde lezer, wanneer u leest dat ware vruchtbaarheid begint met nederigheid en zelfafkeer. U had wellicht iets heerlijkers verwacht. Maar hier ligt een verborgen troost. Hebt u uzelf gezien als zondaar? Treurt u over wat uw zonden de Heere Jezus Christus gekost hebben? Dat is geen teken dat God van u weg is, maar dat Hij in u werkt; het is de droefheid naar God, die een onberouwelijk berouw werkt.
En wat de Heere in het hart werkt, laat Hij ook naar buiten komen: in woorden met zout besprenkeld, in een gesprek dat leven en kracht heeft, in een wandel die verborgen begeerten haat. Zit u nog verstrikt in een zonde die u telkens weer overvalt? Wees eerlijk, en blijf God smeken dat Hij haar beteugelt en u uit de strik haalt. Ik zeg het met vrijmoedigheid: de zonde zal geen heerschappij over u voeren. Wie in de duisternis weet dat God ziet, mag ook weten dat God bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Wat is vruchtbaarheid bij een gelovige? Zij brengt ware nederigheid voort. Hij heeft zichzelf gezien; hij weet wat er in de mens is en verfoeit zichzelf. Zijn hart wordt vernederd door God en voor God. Zij brengt in hem de vrucht van het berouw voort, of liever, de Heere brengt die in hem voort (2 Kor. 7:10). Hij ziet in wat hij als zondaar is, en heeft oprecht berouw.
Hij brengt de vrucht voort van droefheid naar God. Omdat hij inziet wat zijn zonden de Heere Jezus Christus gekost hebben, treurt hij erover met een onberouwelijke droefheid. Zij brengt ook een geestelijke gezindheid voort. In plaats van een vleselijk vasthouden aan louter leerstellingen zijn zijn genegenheden in oprechtheid en eenvoud van hart aan de Heere Jezus Christus gehecht. En dit werkt die geestelijke gezindheid die leven en vrede is en behagen schept in hemelse dingen. Zij brengt deze dingen niet alleen in zijn hart voort, of liever, God brengt ze in hem voort, maar hij brengt ze ook voort met zijn mond.
Als hij over de dingen van God spreekt, spreekt hij erover met echt gevoel, met echte liefde in zijn hart en echte genade in zijn binnenste; hij heeft het hart op de tong. Als hij een prediker is, zal hij met kracht spreken. Hij zal de waarheid niet op een harde, aanmatigende en gevoelloze manier brengen. Omdat hij leven en bevinding in zijn ziel heeft en de dingen van God innerlijk heeft ervaren, zal hij wat hij zegt met zalving, dauw, smaak en kracht uitspreken. Het zal het hart bereiken, de geest doen smelten en leven en gevoel bij de hoorders teweegbrengen.
En ook als hij een hoorder is, zal hij met zijn mond vruchten voortbrengen. Wat hij zegt, zal met zout besprenkeld zijn. Zijn gesprekken zullen vol leven en kracht zijn wanneer hij in het gezelschap van Gods kinderen verkeert. De harten van anderen zullen als het ware met het zijne samensmelten, en er zal een zoete gemeenschap en onderlinge uitwisseling zijn.
Sterker nog, hij brengt vruchten voort in zijn leven. Hij is geen dronkaard of overspeler. Als hij in het donker verborgen is, weet hij dat God hem wel ziet, ook al zien mensenogen hem niet. Hij zal geen slaaf van de zonde zijn; God zal hem bevrijden. De zonde zal geen heerschappij over hem voeren. Misschien raakt hij af en toe verstrikt in verborgen begeerten die in hem werken, maar hij zal God smeken die te beteugelen en hem uit elke strik te halen.
Lezen: Markus 4:1-20
Aan de lezer…
Misschien schrikt u, waarde lezer, wanneer u leest dat ware vruchtbaarheid begint met nederigheid en zelfafkeer. U had misschien iets heerlijkers verwacht. Maar hier ligt een verborgen troost. Hebt u uzelf gezien als zondaar? Treurt u over wat uw zonden de Heere Jezus Christus gekost hebben? Dat is geen teken dat God ver van u is, maar dat Hij in u werkt; het is de droefheid naar God, die een onberouwelijk berouw werkt.
En wat de Heere in het hart werkt, laat Hij ook naar buiten komen: in woorden die met zout besprenkeld zijn, in een gesprek dat leven en kracht heeft, in een wandel die verborgen begeerten haat. Zit u nog verstrikt in een zonde die u telkens weer overvalt? Wees eerlijk, en blijf God smeken dat Hij haar beteugelt en u uit de strik haalt. Ik zeg het met vrijmoedigheid: de zonde zal geen heerschappij over u voeren. Wie in het donker weet dat God ziet, mag ook weten dat God bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Joseph is a fruitful bough, even a fruitful bough by a well.
Genesis 49:22
What is fruitfulness in a believer? It brings forth true humility. He has seen himself; he knows what is in man and abhors himself. His heart is humbled by God and before God. It brings forth in him the fruit of repentance, or rather, the Lord brings it forth in him (2 Cor. 7:10). He sees what he is as a sinner, and sincerely repents.
He brings forth the fruit of godly sorrow. Because he sees what his sins cost the Lord Jesus Christ, he mourns over them with a sorrow not to be repented of. It also brings forth spiritual-mindedness. Instead of a carnal holding of mere doctrines, his affections are fixed upon the Lord Jesus Christ in sincerity and simplicity of heart. And this works that spiritual-mindedness which is life and peace and takes delight in heavenly things. It brings forth these things not only in his heart, or rather, God brings them forth in him, but he also brings them forth with his mouth.
When he speaks of the things of God, he speaks of them with real feeling, with real love in his heart and real grace in his bosom; his heart is on his tongue. If he is a minister, he will speak with power. He will not bring the truth in a hard, presumptuous and unfeeling way. Because he has life and experience in his soul and has inwardly known the things of God, he will utter what he says with unction, dew, savour and power. It will reach the heart, melt the spirit and bring life and feeling to the hearers.
And if he is a hearer, he will also bring forth fruit with his mouth. What he says will be seasoned with salt. His conversation will be full of life and power when he is in the company of God’s children. The hearts of others will, as it were, melt together with his, and there will be a sweet communion and mutual interchange.
More than that, he brings forth fruit in his life. He is no drunkard or adulterer. When he is hidden in the dark, he knows that God sees him, even though the eyes of men do not. He will not be a slave to sin; God will deliver him. Sin shall not have dominion over him. He may now and then be entangled by secret lusts working in him, but he will beg of God to curb them and to bring him out of every snare.
Reading: Mark 4:1-20
To the reader…
Perhaps, dear reader, you are startled when you read that true fruitfulness begins with humility and self-abhorrence. You may have expected something more glorious. But here lies a hidden comfort. Have you seen yourself as a sinner? Do you mourn over what your sins cost the Lord Jesus Christ? That is no sign that God is far from you, but that He is at work in you; it is the godly sorrow that works a repentance not to be repented of.
And what the Lord works in the heart He also brings out: in words seasoned with salt, in conversation that has life and power, in a walk that hates secret lusts. Are you still entangled in a sin that overtakes you again and again? Be honest, and keep begging God to curb it and bring you out of the snare. It may be said with confidence: sin shall not have dominion over you. Whoever knows in the dark that God sees may also know that God delivers.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ramo fructífero José, ramo fructífero junto a fuente.
Génesis 49:22
¿Qué es la fecundidad en un creyente? Produce verdadera humildad. Se ha visto a sí mismo; sabe lo que hay en el hombre y se aborrece a sí mismo. Su corazón es humillado por Dios y delante de Dios. Produce en él el fruto del arrepentimiento, o más bien, el Señor lo produce en él (2 Co. 7:10). Ve lo que es como pecador, y se arrepiente sinceramente.
Produce el fruto de la tristeza que es según Dios. Porque ve lo que sus pecados costaron al Señor Jesucristo, se lamenta por ellos con una tristeza de la cual no hay que arrepentirse. Produce también la espiritualidad de ánimo. En vez de un aferrarse carnal a meras doctrinas, sus afectos están puestos en el Señor Jesucristo con sinceridad y sencillez de corazón. Y esto obra aquella espiritualidad de ánimo que es vida y paz y se deleita en las cosas celestiales. No solo produce estas cosas en su corazón, o más bien, Dios las produce en él, sino que también las produce con su boca.
Cuando habla de las cosas de Dios, habla de ellas con verdadero sentimiento, con verdadero amor en su corazón y verdadera gracia en su pecho; su corazón está en su lengua. Si es ministro, hablará con poder. No presentará la verdad de un modo duro, presuntuoso e insensible. Porque tiene vida y experiencia en su alma y ha conocido interiormente las cosas de Dios, pronunciará lo que dice con unción, rocío, sabor y poder. Llegará al corazón, derretirá el espíritu y traerá vida y sentimiento a los oyentes.
Y si es oyente, también producirá fruto con su boca. Lo que diga estará sazonado con sal. Su conversación estará llena de vida y poder cuando esté en compañía de los hijos de Dios. Los corazones de otros se derretirán, por así decirlo, juntamente con el suyo, y habrá una dulce comunión y un intercambio mutuo.
Más aún, produce fruto en su vida. No es borracho ni adúltero. Cuando está escondido en la oscuridad, sabe que Dios le ve, aunque los ojos de los hombres no le vean. No será esclavo del pecado; Dios le librará. El pecado no se enseñoreará de él. Puede de vez en cuando verse enredado por concupiscencias secretas que obran en él, pero rogará a Dios que las refrene y le saque de todo lazo.
Lectura: Marcos 4:1-20
Al lector…
Quizá, querido lector, se sobresalta al leer que la verdadera fecundidad comienza con la humildad y el aborrecimiento de uno mismo. Tal vez esperaba algo más glorioso. Pero aquí yace un consuelo escondido. ¿Se ha visto a sí mismo como pecador? ¿Se lamenta por lo que sus pecados costaron al Señor Jesucristo? Eso no es señal de que Dios esté lejos de usted, sino de que está obrando en usted; es la tristeza que es según Dios, que obra un arrepentimiento del cual no hay que arrepentirse.
Y lo que el Señor obra en el corazón, también lo saca afuera: en palabras sazonadas con sal, en una conversación que tiene vida y poder, en un andar que aborrece las concupiscencias secretas. ¿Está aún enredado en un pecado que le sorprende una y otra vez? Sea sincero, y siga rogando a Dios que lo refrene y le saque del lazo. Puede decirse con confianza: el pecado no se enseñoreará de usted. Quien sabe en la oscuridad que Dios ve, puede saber también que Dios libra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.
Psalm 145:15
De Heere zal al Zijn kinderen, hetzij vroeger of later, ieder van hen in zijn mate, op Hem doen wachten. In welke moeite zij ook verkeren: „aller ogen wachten op U”. Welke bestrijdingen zij ook hebben te verduren: „aller ogen wachten op U”. Welke moeilijkheden er in tijdelijke, welke worstelingen er in geestelijke aangelegenheden ook zijn, wat ook het lot is in de weg der voorzienigheid of oefening in de genade, de Heere zal al Zijn kinderen op de een of andere tijd dit doen ervaren: „aller ogen wachten op U”. Wachten op U voor uitredding; wachten op U voor een openbaring; wachten op U voor een teder woord door Uw mond tot de ziel gesproken; wachten op U voor een toeknikje van Uw goedgunstig aangezicht; wachten op U voor een bewijs van eeuwigdurende gunst.
En hij die niet weet wat het zeggen wil „op God te wachten”, in deze wegen namelijk bij nacht en bij dag op Hem te wachten, als de Heere dit in hem werkt, te wachten op Hem als hij op bed ligt, of achter zijn toonbank staat, of in het eenzame veld vertoeft, of in de drukke straten verkeert, weet van deze dingen niets af; hem ontbreken die Goddelijke kenmerken die de Heilige Geest op Zijn levend gemaakt volk afdrukt.
„En Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er is „spijze” waarvoor zij op God wachten, om die uit Zijn hand te ontvangen. En het wordt genoemd hun spijze. Het behoort hun toe. Al Gods uitverkorenen hebben een voorraad, voor hen opgelegd in Christus; want het heeft de Vader behaagd dat in Hem al de volheid wonen zou. „Ik zal hun kost rijkelijk zegenen” (Psalm 132:15). Ofschoon geen van Gods levend gemaakt volk ooit aanspraak durft te maken op de zegeningen van Gods hand, heeft de Heere evenwel zodanige zegeningen opgelegd in Christus, dat deze dadelijk en voor eeuwig de hunne zijn; want zo zegt de apostel: „Alles is uwe.”
Het is hun spijze dan; dat is de spijze, bijzonder voor de uitverkorenen. Het bloed is geplengd voor hun zonden en voor hun zonden alléén; gerechtigheid is voor hen betaald en voor hen alléén; liefde is hun gegeven en hun alléén; beloften zijn geopenbaard tot hun troost en tot hun troost alléén; een eeuwige erfenis, een onbevlekkelijke en onverderfelijke erfenis, die niet verwelkt, wordt in de hemelen voor hen bewaard en voor hen alléén. Het is hun spijze, omdat het de hunne is in Christus, in Christus weggelegd ten behoeve van hen. Maar het is ook het hunne in een ander opzicht, en wel daarom, dat zij het enige volk zijn dat daarnaar hongert en dat er begeerte naar heeft. Zij hebben een mond en een maag die erop teren kan.
Zij zijn het enige volk waarvan de ogen waarlijk open zijn om te zien wat spijze is. Anderen voeden zich met schaduwen; zij kennen niets van het zalvend voedsel van het Evangelie. En de Heere zeide tot Zijn discipelen: Ik heb een spijze te eten, die gij niet kent. Zijn spijze was de verborgen mededeling van Gods liefde, de bezoeken van Zijns Vaders tegenwoordigheid, de Goddelijke gemeenschap die Hij genoot met Zijn Vader, toen de discipelen van Hem weggegaan waren; om te doen de wil Desgenen, Die Hem gezonden had, en om Zijn werk te volbrengen. Evenzo is het voor Gods kinderen; er is spijze in Christus.
En de Heere doet hen naar deze spijze hongeren. Hij brengt deze niet slechts voor hun ogen uit, maar Hij legt onuitsprekelijke begeerten ernaar in hun ziel om erdoor gevoed te worden. Gods volk kan zich niet verzadigen met de dop, noch met as, noch met een Oostenwind, noch met vergiftige wijndruiven, noch met de bittere druiven van Gomorra (Deut. 32:32). Zij moeten spijze hebben, smakelijke spijze, welke hun ziel gaarne heeft; spijze die God Zelf mededeelt en die Zijn hand alleen kan toebrengen en hun kan geven, zodat zij deze van Hem ontvangen mogen als hun zielverzadigend deel.
Aan de lezer…
Wacht u op de Heere, en valt het wachten u lang? Misschien ligt u er ’s nachts wakker van, of draagt u het met u mee achter de toonbank of in de drukke straat: een zucht om een teder woord, om een toeknikje van Zijn goedgunstig aangezicht, om een bewijs van Zijn gunst. Weet dan dat dit wachten zelf een kenmerk is dat de Heilige Geest op Zijn levend gemaakt volk drukt. „Aller ogen wachten op U.”
En het blijft niet bij wachten: „Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er is in Christus een voorraad weggelegd, en die is bestemd voor zulke hongerigen als u bent. Kunt u zich niet verzadigen met de dop en de as van deze wereld, verlangt uw ziel naar het zalvend voedsel van het Evangelie, dan is dat geen bewijs dat u buitengesloten bent, maar dat de Heere die honger Zelf in u gelegd heeft. Hij zal u op Zijn tijd uit Zijn hand voeden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.
Psalm 145:15
De Heere zal al Zijn kinderen, vroeg of laat, ieder in zijn mate, op Hem laten wachten. In welke moeite zij ook verkeren: „aller ogen wachten op U”. Welke bestrijdingen zij ook moeten verduren: „aller ogen wachten op U”. Welke moeilijkheden er ook zijn in tijdelijke zaken en welke worstelingen in geestelijke zaken, wat ook hun lot is op de weg van de voorzienigheid of hun oefening in de genade, de Heere zal al Zijn kinderen op de een of andere tijd dit laten ervaren: „aller ogen wachten op U”. Wachten op U om uitredding; wachten op U om een openbaring; wachten op U om een teder woord uit Uw mond tot de ziel gesproken; wachten op U om een knikje van Uw goedgunstig aangezicht; wachten op U om een bewijs van eeuwige gunst.
En wie niet weet wat het betekent „op God te wachten” – namelijk op deze manieren bij nacht en bij dag op Hem te wachten, als de Heere dit in hem werkt; op Hem te wachten als hij op bed ligt, of achter zijn toonbank staat, of in het eenzame veld is, of door de drukke straten gaat – die weet van deze dingen niets af. Hem ontbreken de Goddelijke kenmerken die de Heilige Geest op Zijn levend gemaakt volk drukt.
„En Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er is „spijze” waarop zij bij God wachten, om die uit Zijn hand te ontvangen. En het wordt hun spijze genoemd. Zij hoort hun toe. Al Gods uitverkorenen hebben een voorraad die voor hen in Christus is weggelegd, want het heeft de Vader behaagd dat in Hem al de volheid zou wonen. „Ik zal hun kost rijkelijk zegenen” (Psalm 132:15). Hoewel niemand van Gods levend gemaakt volk ooit aanspraak durft te maken op de zegeningen van Gods hand, heeft de Heere toch zulke zegeningen in Christus weggelegd dat zij werkelijk en voor eeuwig de hunne zijn; want zo zegt de apostel: „Alles is uwe.”
Het is dus hun spijze; dat wil zeggen de spijze die in het bijzonder voor de uitverkorenen is. Het bloed is vergoten voor hun zonden en voor hun zonden alléén; de gerechtigheid is voor hen betaald en voor hen alléén; de liefde is hun gegeven en hun alléén; de beloften zijn geopenbaard tot hun troost en tot hun troost alléén; een eeuwige erfenis, een onverderfelijke en onbevlekte erfenis die niet verwelkt, wordt in de hemelen voor hen bewaard en voor hen alléén. Het is hun spijze omdat het de hunne is in Christus, in Christus voor hen weggelegd. Maar het is ook in een ander opzicht het hunne, namelijk omdat zij het enige volk zijn dat ernaar hongert en er begeerte naar heeft. Zij hebben een mond en een maag die ervan kunnen leven.
Zij zijn het enige volk van wie de ogen werkelijk geopend zijn om te zien wat spijze is. Anderen voeden zich met schaduwen; zij kennen niets van het zalvende voedsel van het Evangelie. En de Heere zei tot Zijn discipelen: Ik heb een spijze te eten, die u niet kent. Zijn spijze was de verborgen mededeling van Gods liefde, de bezoeken van de tegenwoordigheid van Zijn Vader, de Goddelijke gemeenschap die Hij met Zijn Vader genoot toen de discipelen van Hem weggegaan waren: de wil te doen van Hem Die Hem gezonden had, en Zijn werk te volbrengen. Zo is het ook voor Gods kinderen: er is spijze in Christus.
En de Heere laat hen naar deze spijze hongeren. Hij stelt haar hun niet alleen voor ogen, maar Hij legt onuitsprekelijke begeerten in hun ziel om erdoor gevoed te worden. Gods volk kan zich niet verzadigen met draf, noch met as, noch met een oostenwind, noch met giftige druiven, noch met de bittere druiven van Gomorra (Deut. 32:32). Zij moeten spijze hebben, smakelijke spijze die hun ziel graag heeft; spijze die God Zelf meedeelt en die alleen Zijn hand kan aanreiken en hun kan geven, zodat zij die van Hem mogen ontvangen als het deel dat hun ziel verzadigt.
Aan de lezer…
Wacht u op de Heere, en valt het wachten u lang? Misschien ligt u er ’s nachts wakker van, of draagt u het met u mee achter de toonbank of in de drukke straat: een zucht om een teder woord, om een knikje van Zijn goedgunstig aangezicht, om een bewijs van Zijn gunst. Weet dan dat dit wachten zelf een kenmerk is dat de Heilige Geest op Zijn levend gemaakt volk drukt. „Aller ogen wachten op U.”
En het blijft niet bij wachten: „Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er is in Christus een voorraad weggelegd, en die is bestemd voor zulke hongerigen als u. Kunt u zich niet verzadigen met de draf en de as van deze wereld, verlangt uw ziel naar het zalvende voedsel van het Evangelie, dan is dat geen bewijs dat u buitengesloten bent, maar dat de Heere die honger Zelf in u gelegd heeft. Hij zal u op Zijn tijd uit Zijn hand voeden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The eyes of all wait upon thee; and thou givest them their meat in due season.
Psalm 145:15
The Lord will bring all His children sooner or later, each in their measure, to “wait upon Him.” Whatever trouble they are in, “the eyes of all wait upon you;” whatever temptations they have to pass through, “the eyes of all wait upon you;” whatever difficulty in temporal things, whatever conflict in spiritual things, whatever hardship in providence, whatever exercise in grace be their lot, the Lord will bring all His children at one time or another into this experience, “the eyes of all wait upon you.” “Wait upon you” for deliverance; “wait upon you” for a manifestation; “wait upon you” for the lifting up the light of your countenance; “wait upon you” for one soft word spoken by your mouth to the soul; “wait upon you” for one smile of your approving countenance; “wait upon you” for one testimony of your everlasting favor.
And he that knows not what it is to “wait upon God” in this manner, wait upon Him by night and by day as the Lord works it in him, wait upon Him on his bed, wait upon Him behind his counter, wait upon Him in the solitary fields, wait upon Him in the crowded streets—he lacks that evidence, he lacks that divine feature, which the Holy Spirit has stamped here upon all the living family.
“And you give them their food in due season.” There is “food,” then, that they are waiting upon God for, to receive at His hands. And it is called “their food.” It belongs to them. All the elect of God have provision laid up for them in Christ; for “it has pleased the Father, that in Him should all fullness dwell.” “I will abundantly bless her provision” (Psalm 132:15). Though none of God’s quickened family ever dare to claim the blessing at God’s hands, yet the Lord has so stored up blessings in Christ, that they are actually and eternally theirs; for, as the Apostle says, “all things are yours.”
It is “their food” then; that is, the food specially to the elect. Blood shed for their sins, and for their sins only; righteousness brought in for them, and for them only; love bestowed upon them, and upon them only; promises revealed for their comfort, and for their comfort only; an eternal inheritance, “incorruptible and undefiled, and that fades not away, reserved in heaven for them,” and for them only. It is “their food,” because it is theirs in Christ, being lodged in Christ for their benefit.
But it is theirs in another sense; and that is, they are the only people who hunger after it, who have an appetite for it, who have a mouth to feed upon it, who have a stomach to digest it. They are the only people whose eyes are really open to see what “food” is. Others feed upon shadows; they know nothing of the savory food of the gospel. As the Lord said to His disciples, “I have food to eat which you know not of.” His food was the hidden communications of God’s love, the visitations of His Father’s presence, the divine communion that He enjoyed with His Father while the disciples were gone away, “to do the will of Him that sent Him, and to finish His work.”
So, for the children of God, there is food in Christ; and this food the Lord gives them a hunger after. He not only sets before their eyes what the food is, but He kindles inexpressible longings in their soul to be fed therewith. God’s people cannot feed upon husks, nor upon ashes, nor upon chaff, nor upon the east wind, nor upon grapes of gall and the bitter clusters of Gomorrah (Deuteronomy 32:32). They must have “food,” “savory food such as their soul loves,” that which God Himself communicates, and which His hand alone can bring down, and give unto them, so that they may receive it from Him as their soul-satisfying portion.
To the reader…
Are you waiting upon the Lord, and does the waiting seem long to you? Perhaps it keeps you awake at night, or you carry it with you behind the counter or in the busy street: a sigh for a tender word, for a nod of His favourable countenance, for a token of His favour. Know, then, that this waiting is itself a mark which the Holy Spirit stamps upon His quickened people. “The eyes of all wait upon Thee.”
And it does not end with waiting: “Thou givest them their meat in due season.” There is a store laid up in Christ, and it is meant for hungry ones such as you. If you cannot satisfy yourself with the husks and ashes of this world, if your soul longs for the savoury food of the gospel, that is no proof that you are shut out, but that the Lord Himself has placed that hunger within you. He will feed you from His hand in His own time.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ojos de todos esperan en Ti, y Tú les das su comida en su tiempo.
Salmo 145:15
El Señor llevará a todos Sus hijos tarde o temprano, a cada uno en su medida, a “esperar en Él”. Cualquiera que sea la angustia en que estén, “los ojos de todos esperan en Ti”; cualesquiera que sean las tentaciones por las que tengan que pasar, “los ojos de todos esperan en Ti”; cualquiera que sea la dificultad en las cosas temporales, cualquiera que sea el conflicto en las cosas espirituales, cualquiera que sea la penalidad en la providencia, cualquiera que sea el ejercicio en la gracia que les toque, el Señor llevará a todos Sus hijos en uno u otro momento a esta experiencia: “los ojos de todos esperan en Ti”. “Esperan en Ti” para ser librados; “esperan en Ti” para una manifestación; “esperan en Ti” para que alces la luz de Tu rostro; “esperan en Ti” para una sola palabra suave dicha por Tu boca al alma; “esperan en Ti” para una sola sonrisa de Tu rostro aprobador; “esperan en Ti” para un solo testimonio de Tu favor eterno.
Y el que no sabe lo que es “esperar en Dios” de esta manera, esperar en Él de noche y de día según el Señor lo obra en él, esperar en Él en su lecho, esperar en Él detrás de su mostrador, esperar en Él en los campos solitarios, esperar en Él en las calles concurridas, carece de esa evidencia, carece de ese rasgo divino que el Espíritu Santo ha impreso aquí en toda la familia viviente.
“Y Tú les das su comida en su tiempo.” Hay, pues, una “comida” que ellos esperan recibir de manos de Dios. Y se la llama “su comida”. Les pertenece. Todos los escogidos de Dios tienen provisión guardada para ellos en Cristo; porque “agradó al Padre que en Él habitase toda plenitud”. “A su mantenimiento daré bendición” (Salmo 132:15). Aunque ninguno de la familia vivificada de Dios se atreve jamás a reclamar la bendición de manos de Dios, sin embargo el Señor ha atesorado de tal manera las bendiciones en Cristo que son real y eternamente suyas; porque, como dice el apóstol, “todo es vuestro”.
Es, pues, “su comida”; es decir, la comida destinada especialmente a los escogidos. Sangre derramada por sus pecados, y solo por sus pecados; justicia traída para ellos, y solo para ellos; amor derramado sobre ellos, y solo sobre ellos; promesas reveladas para su consuelo, y solo para su consuelo; una herencia eterna, “incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse, reservada en los cielos” para ellos, y solo para ellos. Es “su comida” porque es suya en Cristo, estando depositada en Cristo para su provecho.
Pero es suya en otro sentido también; y es que ellos son los únicos que tienen hambre de ella, que tienen apetito de ella, que tienen boca para alimentarse de ella, que tienen estómago para digerirla. Son los únicos cuyos ojos están realmente abiertos para ver lo que es “comida”. Otros se alimentan de sombras; no saben nada de la sabrosa comida del evangelio. Como dijo el Señor a Sus discípulos: “Yo tengo una comida que comer, que vosotros no sabéis.” Su comida eran las comunicaciones escondidas del amor de Dios, las visitas de la presencia de Su Padre, la comunión divina que gozaba con Su Padre mientras los discípulos se habían ido, “que haga la voluntad del que Me envió, y que acabe Su obra”.
Así, para los hijos de Dios hay comida en Cristo; y el Señor les da hambre de esta comida. No solo pone delante de sus ojos lo que es la comida, sino que enciende en su alma anhelos indecibles de ser alimentados con ella. El pueblo de Dios no puede alimentarse de algarrobas, ni de ceniza, ni de tamo, ni del viento solano, ni de uvas de hiel y de los racimos amargos de Gomorra (Deuteronomio 32:32). Tienen que tener “comida”, “un guisado como su alma gusta”, aquello que Dios mismo comunica y que solo Su mano puede hacer descender y darles, para que lo reciban de Él como la porción que sacia su alma.
Al lector…
¿Está usted esperando en el Señor, y le parece larga la espera? Quizá le quita el sueño por la noche, o la lleva consigo detrás del mostrador o en la calle concurrida: un suspiro por una palabra tierna, por una mirada de Su rostro favorable, por una prenda de Su favor. Sepa entonces que este esperar es en sí mismo una señal que el Espíritu Santo imprime en Su pueblo vivificado. “Los ojos de todos esperan en Ti.”
Y no termina en la espera: “Tú les das su comida en su tiempo.” Hay una provisión guardada en Cristo, y está destinada a hambrientos como usted. Si no puede saciarse con las algarrobas y la ceniza de este mundo, si su alma anhela la sabrosa comida del evangelio, eso no prueba que usted esté excluido, sino que el Señor mismo ha puesto en usted esa hambre. Él le alimentará de Su mano a Su tiempo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl