gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis, en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lukas 1:79
Wat bewoog God de Vader om Zijn eigen Zoon in de wereld te zenden? Was het niet de vrije barmhartigheid Gods, die uit Zijn boezem voor Zijn kinderen vloeide? Welke verdienste, welk recht kunnen Zijn kinderen dan ooit hebben? Hun ellende is hun recht. Hun onwaardigheid, hun diep gezonken staat, de diepte van hun val — deze dingen wekten Gods mededogen op.
Het is niet wat ik gedaan heb voor de heerlijkheid Gods; niet wat ik doe, of trachten zal te doen; niet mijn wijsheid, mijn kracht, mijn voornemens, mijn vroomheid, mijn heiligheid. Neen, mijn ellende, mijn hulpeloosheid, mijn onwaardigheid, mijn diep gezonken staat, mijn gevallen toestand, die ik alleen gevoel omdat ik deel heb aan het bloed en de liefde des Lams — dat is wat mij Gods barmhartigheid doet nodig hebben, en dat geeft mij het recht door de Heere Jezus tot God te gaan om genade te ontvangen. Zit gij in de duisternis en de schaduw des doods, ver van de weg des vredes, verontrust, neergedrukt, aangevochten, beschaamd? Dan zijt gij juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat sluit u uit? Uw zonden? Neen; God heeft ze vergeven. Uw onwaardigheid? Neen; er is een kleed der gerechtigheid voor u bereid. Uw onheiligheid? Neen; „Hij is u gemaakt van God tot heiligmaking.” Uw onwetendheid? Neen; „Hij is u gemaakt van God tot wijsheid.” De hinderpalen zijn: eigengerechtigheid, zelfverheffing, hovaardij, huichelarij, laatdunkendheid; een naam van te leven; een vorm van godzaligheid; het zitten op uw droesem en rustig zijn in Zion; dit zijn de hinderpalen.
Maar hulpeloosheid, hopeloosheid, wereldsgezindheid, armoede, dit zijn geen hinderpalen; deze zijn aanspraken. Wanneer deze gevoeld worden, tonen zij dat uw naam geschreven is in het Boek des Levens, dat de Heere des levens en der heerlijkheid voor u in deze wereld gekomen is; en vroeger of later zult gij er de zoete blijdschap over in uw hart gevoelen, en dan in staat zijn Hem voor Zijn genade te aanbidden.
Wie is aan onze God gelijk,
die armen opricht uit het slijk,
nooddruftigen, van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten?
Ps. 113:4
Aan de lezer…
Zit u, waarde lezer, in duisternis en in de schaduw des doods, neergedrukt, aangevochten en beschaamd? Meent u dat uw ellende u buitensluit, en dat u eerst iets moet aanbrengen voordat u tot God mag gaan? Dan hoort u hier iets wonderlijks: uw ellende is uw recht. Niet uw vroomheid, niet uw voornemens, maar uw hulpeloosheid en onwaardigheid zijn het die Gods barmhartigheid nodig maken. U bent juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat u werkelijk in de weg staat, is niet uw armoede, maar eigengerechtigheid, hovaardij en een rustig zitten op uw droesem. Weest dan niet bevreesd voor uw nood, maar voor een naam van te leven en een blote vorm van godzaligheid. Gevoelde hulpeloosheid is geen hinderpaal, maar een aanspraak. Vroeger of later zal Hij, Die de armen opricht uit het slijk, de zoete blijdschap daarover in uw hart doen gevoelen, en dan zult u Hem voor Zijn genade aanbidden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis, en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lukas 1:79
Wat bewoog God de Vader om Zijn eigen Zoon in de wereld te zenden? Was het niet de vrije barmhartigheid van God, die uit Zijn hart naar Zijn kinderen uitging? Welke verdienste, welk recht kunnen Zijn kinderen dan ooit hebben? Hun ellende is hun recht. Hun onwaardigheid, hun diep gezonken staat, de diepte van hun val: dat waren de dingen die Gods medelijden opwekten.
Het is niet wat ik gedaan heb voor de heerlijkheid van God; niet wat ik doe of zal proberen te doen; niet mijn wijsheid, mijn kracht, mijn voornemens, mijn vroomheid, mijn heiligheid. Nee, mijn ellende, mijn hulpeloosheid, mijn onwaardigheid, mijn diep gezonken staat, mijn gevallen toestand, die ik alleen voel omdat ik deel heb aan het bloed en de liefde van het Lam: dat is het wat maakt dat ik Gods barmhartigheid nodig heb. En dat geeft mij het recht om door de Heere Jezus tot God te gaan om genade te ontvangen. Zit u in de duisternis en de schaduw des doods, ver van de weg des vredes, verontrust, neergedrukt, aangevochten, beschaamd? Dan bent u juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat sluit u uit? Uw zonden? Nee, God heeft ze vergeven. Uw onwaardigheid? Nee, er is een kleed van gerechtigheid voor u bereid. Uw onheiligheid? Nee, „Hij is u gemaakt van God tot heiligmaking.” Uw onwetendheid? Nee, „Hij is u gemaakt van God tot wijsheid.” De hindernissen zijn: eigengerechtigheid, zelfverheffing, hoogmoed, huichelarij, verwaandheid; een naam hebben dat men leeft; een vorm van godzaligheid; het stil zitten op uw droesem en gerust zijn in Sion. Dat zijn de hindernissen.
Maar hulpeloosheid, hopeloosheid, wereldsgezindheid en armoede zijn geen hindernissen; het zijn aanspraken. Wanneer deze gevoeld worden, laten zij zien dat uw naam geschreven is in het Boek des Levens, en dat de Heere van leven en heerlijkheid voor u in deze wereld gekomen is. Vroeg of laat zult u daarover de zoete blijdschap in uw hart voelen, en dan zult u in staat zijn Hem om Zijn genade te aanbidden.
Wie is aan onze God gelijk,
die armen opricht uit het slijk,
nooddruftigen, van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten?
Ps. 113:4
Aan de lezer…
Zit u in duisternis en in de schaduw des doods, neergedrukt, aangevochten en beschaamd? Denkt u dat uw ellende u buitensluit, en dat u eerst iets moet meebrengen voordat u tot God mag gaan? Dan hoort u hier iets wonderlijks: uw ellende is uw recht. Niet uw vroomheid, niet uw voornemens, maar uw hulpeloosheid en onwaardigheid maken dat u Gods barmhartigheid nodig hebt. U bent juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat u werkelijk in de weg staat, is niet uw armoede, maar eigengerechtigheid, hoogmoed en een gerust zitten op uw droesem. Wees dan niet bang voor uw nood, maar voor een naam dat u leeft en een kale vorm van godzaligheid. Gevoelde hulpeloosheid is geen hindernis, maar een aanspraak. Vroeg of laat zal Hij Die de armen opricht uit het slijk, u de zoete blijdschap daarover in uw hart doen voelen, en dan zult u Hem om Zijn genade aanbidden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To give light to them that sit in darkness and in the shadow of death, to guide our feet into the way of peace.
Luke 1:79
What was it that moved the divine Father to send His own Son into the world? Was it not the free mercy of God flowing forth from His bosom to His family? Then, what merit, what claim can His family ever have? Their misery is their claim. Their worthlessness, their sunken state, the depth of their fall—these things call forth God’s compassion.
It is not what I have done for the glory of God; not what I am doing, or trying to do; not my wisdom, my strength, my resolutions, my piety, my holiness. No! my misery, my helplessness, my worthlessness, my deeply sunken state, my fallen condition; which I feel only because of a saving interest in the blood and love of the Lamb—this it is that makes me need God’s mercy; and this it is that qualifies me to go to God through Jesus to receive mercy—for “He is able to save unto the uttermost all that come unto God by Him.”
Are you sitting in darkness and the shadow of death—far from the way of peace, troubled, perplexed, exercised, confused? You are the very characters for whom Jesus came. Are not unutterable mercies locked up in the bosom of God for you? What is to exclude you? Your sins? No! God has pardoned them. Your worthlessness? No! there is a robe of righteousness prepared for you. Your demerits? No! the merits of Jesus are upon your side.
Your unholiness? No! “He is made to you sanctification.” Your ignorance? No! “He is made to you wisdom.” These are no barriers. I will tell you what is a barrier—self-righteousness, self-esteem, self-exaltation, pride, hypocrisy, presumption; a name to live, a form of godliness, being settled upon your lees, and at ease in Zion—these are barriers.
But helplessness, hopelessness, worthlessness, misery—these are not barriers; they are qualifications; they show, when felt, that your name is in the book of life, that the Lord of life and glory appeared in this world for you; and sooner or later, you will have the sweet enjoyment of it in your heart; and then be enabled to adore Him for His grace, and admire and bless His Name for glorifying His love and mercy in your free and full salvation.
To the reader…
Are you sitting in darkness and in the shadow of death, cast down, tempted, and ashamed? Do you think your misery shuts you out, and that you must first bring something before you may go to God? Then you hear something wonderful here: your misery is your claim. Not your piety, not your resolutions, but your helplessness and unworthiness are what make you need God’s mercy. You are in the very state of soul for which the Lord Jesus came.
What truly stands in your way is not your poverty, but self-righteousness, pride, and being settled at ease upon your lees. So do not be afraid of your need, but of a name to live and a bare form of godliness. Felt helplessness is no barrier, but a qualification. Sooner or later He Who raises the poor out of the dust will make you feel the sweet joy of it in your heart, and then you will adore Him for His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para dar luz a los que habitan en tinieblas y en sombra de muerte; para encaminar nuestros pies por camino de paz.
Lucas 1:79
¿Qué fue lo que movió al Padre divino a enviar a Su propio Hijo al mundo? ¿No fue la libre misericordia de Dios que brotaba de Su seno hacia Su familia? Entonces, ¿qué mérito, qué derecho puede tener jamás Su familia? Su miseria es su derecho. Su indignidad, su estado hundido, la profundidad de su caída: estas cosas son las que despiertan la compasión de Dios.
No es lo que yo he hecho para la gloria de Dios; no lo que estoy haciendo o intentando hacer; no mi sabiduría, mi fuerza, mis resoluciones, mi piedad, mi santidad. ¡No! Mi miseria, mi impotencia, mi indignidad, mi estado profundamente hundido, mi condición caída, que siento solo a causa de una parte salvadora en la sangre y el amor del Cordero: esto es lo que me hace necesitar la misericordia de Dios; y esto es lo que me capacita para ir a Dios por medio de Jesús a recibir misericordia, porque Él “puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios”.
¿Está usted sentado en tinieblas y en sombra de muerte, lejos del camino de paz, turbado, perplejo, ejercitado, confundido? Usted es precisamente de aquellos por quienes Jesús vino. ¿No hay misericordias indecibles guardadas en el seno de Dios para usted? ¿Qué le va a excluir? ¿Sus pecados? ¡No! Dios los ha perdonado. ¿Su indignidad? ¡No! Hay un manto de justicia preparado para usted. ¿Sus deméritos? ¡No! Los méritos de Jesús están de su parte.
¿Su falta de santidad? ¡No! “Él os ha sido hecho santificación”. ¿Su ignorancia? ¡No! “Él os ha sido hecho sabiduría”. Estas no son barreras. Le diré lo que es una barrera: la justicia propia, la propia estima, la propia exaltación, el orgullo, la hipocresía, la presunción; un nombre de que vive, una apariencia de piedad, el estar asentado sobre sus heces y reposado en Sion: estas son barreras.
Pero la impotencia, la desesperanza, la indignidad, la miseria: estas no son barreras; son requisitos; muestran, cuando se sienten, que su nombre está en el libro de la vida, que el Señor de la vida y de la gloria apareció en este mundo por usted; y tarde o temprano usted tendrá el dulce gozo de ello en su corazón; y entonces será capacitado para adorarle por Su gracia, y admirar y bendecir Su Nombre por glorificar Su amor y misericordia en su salvación libre y completa.
Al lector…
¿Está usted sentado en tinieblas y en sombra de muerte, abatido, tentado y avergonzado? ¿Piensa que su miseria le deja fuera, y que primero debe traer algo antes de poder ir a Dios? Entonces oye aquí algo maravilloso: su miseria es su derecho. No su piedad, no sus resoluciones, sino su impotencia e indignidad son lo que le hace necesitar la misericordia de Dios. Usted está en el mismo estado de alma por el cual vino el Señor Jesús.
Lo que de verdad le estorba no es su pobreza, sino la justicia propia, el orgullo y el estar asentado y reposado sobre sus heces. No tema, pues, su necesidad, sino un nombre de que vive y una mera apariencia de piedad. La impotencia sentida no es una barrera, sino un requisito. Tarde o temprano Aquel que levanta del polvo al pobre le hará sentir el dulce gozo de ello en su corazón, y entonces Le adorará por Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Er zijn met name twee dingen die David God aan Zijn volk zag verlenen: het ene was Gods blik, en het andere de onthulling van Gods genade: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Maar hoe kijkt God naar Zijn volk? Ziet de Heere alles? Gaan Zijn ogen niet heen en weer over de aarde om het kwade en het goede te zien? En komen alle geheimen niet aan het licht voor Zijn alwetende ogen? Stellen Zijn oogleden de mensenkinderen niet op de proef? Dat doen ze!
Maar toch is er een begunstigd volk, dat de Heere op een bijzondere wijze bekijkt, op een manier waarvan David wenste dat de Heere naar hem zou omzien. Hij ziet op hen in Christus. Hij ziet niet op hen als op zichzelf staand. Als Hij hen zag als op zichzelf staand, zouden Zijn woede, toorn en verontwaardiging tegen hen moeten uitbarsten. Maar Hij beziet hen in hun eeuwige en levende verbinding met de Zoon van Zijn liefde, zoals de apostel zegt: „in Hem volmaakt” (Kol. 2:10).
En hen beziende als eeuwig in Christus staand, als gekocht door verzoenend bloed en gewassen in de fontein die in een dag werd geopend voor alle zonde en alle onreinheid, als gekleed in Zijn glorieuze rechtvaardigheid en liefgehad met stervende liefde, ziet Hij hen niet zoals ze in zichzelf zijn, ellendig, ongelukkig, arm, blind en naakt, maar Hij ziet hen als zonder smet, zonder blaam, in de Zoon van Zijn liefde, zoals de apostel het in enkele woorden uitdrukt: „Begenadigd in de Geliefde” (Ef. 1:6). David zag wat een gezegende staat dit was: dat de Heere, als Hij naar Zijn volk keek, hen niet zag als arme, schuldige, ellendige zondaars, maar als staande in Christus, verenigd met Christus, deel hebbend aan Christus, waardoor Hij hen kon bezien met aanvaarding in Zijn geliefde Zoon.
Lezen: Numeri 23:13-24
Aan de lezer…
U die soms niet durft op te zien, omdat u weet hoe u in uzelf bent, ellendig, arm, blind en naakt: vreest u het oog van Hem Die alles ziet, Wiens ogen heen en weer gaan over de aarde en voor Wie geen geheim verborgen blijft? Indien Hij u alleen in uzelf aanzag, dan zou die vrees gegrond zijn, want dan moest Zijn toorn wel uitbarsten.
Maar er is een volk dat Hij op een bijzondere wijze aanziet: in Christus, gekocht door verzoenend bloed, gewassen in de geopende fontein, gekleed in Zijn rechtvaardigheid. Zo gezien zijn zij zonder smet en zonder blaam, begenadigd in de Geliefde. Laat dan de bede van David de uwe zijn: „Zie mij aan, wees mij genadig.” Zoek niet in uzelf een reden om aangenomen te worden, maar zie op de Zoon van Zijn liefde. Want wie Hij in Hem aanziet, die beziet Hij met aanvaarding in Zijn geliefde Zoon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Er zijn vooral twee dingen die David God aan Zijn volk zag schenken: het ene was Gods aanzien, het andere de ontdekking van Gods genade: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Maar hoe ziet God Zijn volk aan? Ziet de Heere niet alles? Doorlopen Zijn ogen niet de aarde om het kwade en het goede te zien? Komen niet alle geheimen aan het licht voor Zijn alwetende ogen? Beproeven Zijn oogleden de mensenkinderen niet? Jazeker!
Maar toch is er een begunstigd volk dat de Heere op een bijzondere wijze aanziet, zoals David wenste dat de Heere ook naar hem zou omzien. Hij ziet hen aan in Christus. Hij ziet hen niet aan zoals ze op zichzelf staan. Als Hij hen zo zou zien, zouden Zijn gramschap, toorn en verontwaardiging tegen hen moeten losbarsten. Maar Hij ziet hen in hun eeuwige en levende verbinding met de Zoon van Zijn liefde, zoals de apostel zegt: „in Hem volmaakt” (Kol. 2:10).
Hij ziet hen als eeuwig in Christus staand, als gekocht door verzoenend bloed en gewassen in de fontein die op één dag geopend werd tegen alle zonde en onreinheid, als gekleed in Zijn heerlijke gerechtigheid en liefgehad met stervende liefde. Daarom ziet Hij hen niet zoals ze in zichzelf zijn, ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt, maar ziet Hij hen zonder smet en zonder blaam in de Zoon van Zijn liefde. Zo drukt de apostel het in een paar woorden uit: „Begenadigd in de Geliefde” (Ef. 1:6). David zag wat een gezegende staat dit was. Wanneer de Heere naar Zijn volk keek, zag Hij hen niet als arme, schuldige, ellendige zondaren, maar als staande in Christus, verenigd met Christus en deel hebbend aan Christus, zodat Hij hen met welgevallen kon aanzien in Zijn geliefde Zoon.
Lezen: Numeri 23:13-24
Aan de lezer…
U die soms niet durft op te kijken, omdat u weet hoe u in uzelf bent, ellendig, arm, blind en naakt: vreest u het oog van Hem Die alles ziet, Wiens ogen de aarde doorlopen en voor Wie geen geheim verborgen blijft? Als Hij u alleen in uzelf zou aanzien, zou die vrees terecht zijn, want dan zou Zijn toorn wel moeten losbarsten.
Maar er is een volk dat Hij op een bijzondere wijze aanziet: in Christus, gekocht door verzoenend bloed, gewassen in de geopende fontein, gekleed in Zijn gerechtigheid. Zo gezien zijn zij zonder smet en zonder blaam, begenadigd in de Geliefde. Laat de bede van David dan de uwe zijn: „Zie mij aan, wees mij genadig.” Zoek in uzelf geen reden om aangenomen te worden, maar zie op de Zoon van Zijn liefde. Want wie Hij in Hem aanziet, die ziet Hij met welgevallen aan in Zijn geliefde Zoon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
There are especially two things that David saw God bestow upon His people: the one was God’s look, the other the discovery of God’s mercy: “Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.” But how does God look upon His people? Does not the Lord see all things? Do not His eyes run to and fro through the earth, beholding the evil and the good? Are not all secrets brought to light before His all-seeing eyes? Do not His eyelids try the children of men? Yes, indeed!
But still there is a favoured people upon whom the Lord looks in a special way, as David desired that the Lord would look upon him too. He looks upon them in Christ. He does not look upon them as they stand in themselves. If He saw them so, His wrath, anger and indignation would have to break forth against them. But He sees them in their eternal and living union with the Son of His love, as the apostle says, “complete in Him” (Col. 2:10).
He sees them as eternally standing in Christ, as bought with atoning blood and washed in the fountain opened in one day for all sin and uncleanness, as clothed in His glorious righteousness and loved with dying love. Therefore He does not see them as they are in themselves, wretched, miserable, poor, blind and naked, but sees them without spot and without blemish in the Son of His love. So the apostle expresses it in a few words: “Accepted in the Beloved” (Eph. 1:6).
David saw what a blessed state this was. When the Lord looked upon His people, He did not see them as poor, guilty, wretched sinners, but as standing in Christ, united to Christ and partaking of Christ, so that He could look upon them with delight in His beloved Son.
Reading: Numbers 23:13-24
To the reader…
You who sometimes do not dare to look up, because you know how you are in yourself, wretched, poor, blind and naked: do you fear the eye of Him Who sees all things, Whose eyes run to and fro through the earth and from Whom no secret remains hidden? If He looked upon you only in yourself, that fear would be justified, for then His anger would have to break forth.
But there is a people upon whom He looks in a special way: in Christ, bought with atoning blood, washed in the opened fountain, clothed in His righteousness. Seen so, they are without spot and without blemish, accepted in the Beloved. Let David’s prayer, then, be yours: “Look Thou upon me, and be merciful unto me.” Do not seek in yourself a reason to be accepted, but look to the Son of His love. For whoever He looks upon in Him, He looks upon with delight in His beloved Son.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
Hay especialmente dos cosas que David vio que Dios otorgaba a Su pueblo: la una era la mirada de Dios, la otra el descubrimiento de la misericordia de Dios: “Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.” Pero ¿cómo mira Dios a Su pueblo? ¿No ve el Señor todas las cosas? ¿No contemplan Sus ojos toda la tierra, mirando a los malos y a los buenos? ¿No salen a la luz todos los secretos delante de Sus ojos que todo lo ven? ¿No examinan Sus párpados a los hijos de los hombres? ¡Sí, por cierto!
Pero aun así hay un pueblo favorecido al que el Señor mira de una manera especial, como David deseaba que el Señor le mirara también a él. Los mira en Cristo. No los mira tal como son en sí mismos. Si los viera así, Su ira, Su enojo y Su indignación tendrían que estallar contra ellos. Pero los ve en su unión eterna y viva con el Hijo de Su amor, como dice el apóstol: “completos en Él” (Colosenses 2:10).
Los ve como estando eternamente en Cristo, como comprados con sangre expiatoria y lavados en el manantial abierto en un día para todo pecado e inmundicia, como vestidos de Su gloriosa justicia y amados con amor que murió por ellos. Por eso no los ve tal como son en sí mismos, desventurados, miserables, pobres, ciegos y desnudos, sino que los ve sin mancha y sin defecto en el Hijo de Su amor. Así lo expresa el apóstol en pocas palabras: “Aceptos en el Amado” (Efesios 1:6).
David vio qué estado tan bienaventurado era este. Cuando el Señor miraba a Su pueblo, no los veía como pobres, culpables y miserables pecadores, sino como estando en Cristo, unidos a Cristo y partícipes de Cristo, de modo que podía mirarlos con deleite en Su amado Hijo.
Lectura: Números 23:13-24
Al lector…
Usted que a veces no se atreve a alzar la vista, porque sabe cómo es en sí mismo, desventurado, pobre, ciego y desnudo: ¿teme el ojo de Aquel que ve todas las cosas, cuyos ojos contemplan toda la tierra y para Quien ningún secreto queda oculto? Si Él le mirara solo en sí mismo, ese temor estaría justificado, porque entonces Su ira tendría que estallar.
Pero hay un pueblo al que Él mira de una manera especial: en Cristo, comprado con sangre expiatoria, lavado en el manantial abierto, vestido de Su justicia. Vistos así, están sin mancha y sin defecto, aceptos en el Amado. Sea, pues, la oración de David también la suya: “Mírame, y ten misericordia de mí.” No busque en sí mismo un motivo para ser aceptado, sino mire al Hijo de Su amor. Porque a quien Él mira en Él, lo mira con deleite en Su amado Hijo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hij zal het goede niet onthouden degenen, die in oprechtheid wandelen.
Psalm 84:12
Er zijn er die oprecht wandelen, ja zeer oprecht in de vreze Gods, en die toch weinig of geen blijvende bewijzen hebben dat zij voor tegenwoordig deelgenoten zijn van de genade Gods, of dat zij hiernamaals delen zullen in Christus’ heerlijkheid. Doch dit ene bewijs bezitten zij, ofschoon zij er de dadelijke vertroosting niet uit hebben: dat zij oprecht wandelen voor God en mensen. Laat niemand, hoe diep ingeleid of hogelijk begunstigd, dit bewijs der genade in anderen verachten. En gij, die oprecht wandelt uit een levend beginsel van de vreze Gods, hebt hier een vast bewijs van de Heere Zelf dat Hij een bijzonder oog over u heeft.
Maar wat is in oprechtheid wandelen? O, hier is de grote moeilijkheid in de godsdienst. Wij mogen spreken, mogen prediken en horen, wij mogen schijnen te geloven, maar als wij komen om te handelen, te wandelen en in onze dagelijkse praktijk uit te dragen hetgeen wij belijden, dan is het dat de grootste moeilijkheid wordt gevoeld. „De ziel der godsdienst,” zegt Bunyan, „is het praktische gedeelte.” En het is als wij tot dit praktische gedeelte komen, dat het dagelijks kruis begint. De wandel, het spreken, onze dagelijkse handelwijze, dit alles bij elkaar is de grootste moeilijkheid, gelijk het ook de allerbelangrijkste vrucht is van eens christens belijdenis.
Dag na dag te wandelen onder alle omstandigheden en te midden van een verscheidenheid van verzoekingen die ons omringen, en dat met een teder, oprecht gemoed in de vreze Gods, en gedurig het besef om te dragen dat hart en mond en leven open liggen voor Zijn al doorzoekend oog; te betrachten wat Hem behaagt en te mijden wat Hem mishaagt: dit is waarlijk in de godsdienst de steile berg, die zo veel moeite veroorzaakt om te beklimmen! Wij kunnen vlug genoeg spreken, maar o, te wandelen in het rechte en nauwe pad! Christen te zijn, zowel uit- als inwendig, voor God en mensen, voor de kerk en voor de wereld, en in alle opzichten te spreken en te handelen met een onwankelbaar vasthouden aan onze belijdenis: dit is wat de natuur nooit heeft gedaan en wat de natuur nooit doen kan. Om zo te handelen en om zo te geloven, daartoe hebben wij nodig dat de Heere die kracht en genade in ons werke en in ons openbare.
Aan de lezer…
Wanneer u oprecht wandelt in de vreze Gods, en toch zo weinig blijvende bewijzen in uw ziel vindt dat u deel hebt aan Zijn genade, dan is dit woord voor u. U ziet anderen die hoog begunstigd zijn, en durft uzelf nauwelijks onder Gods volk te rekenen. Maar veracht het bewijs niet dat Hij Zelf u geeft. Een teder, oprecht gemoed, dat wil betrachten wat Hem behaagt en mijden wat Hem mishaagt, groeit niet uit de natuur; de natuur heeft dat nooit gedaan en kan het nooit doen.
U weet hoe steil die berg is. Spreken gaat vlug genoeg, maar dag na dag te wandelen in het rechte en nauwe pad, onder het oog dat hart en mond en leven doorzoekt, dat is het dagelijks kruis. Vraag dan de Heere dat Hij die kracht en genade in u werke en openbare. Want Hij heeft gezegd dat Hij het goede niet zal onthouden aan wie in oprechtheid wandelen, en Hij heeft een bijzonder oog over u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij zal het goede niet onthouden degenen, die in oprechtheid wandelen.
Psalm 84:12
Er zijn mensen die oprecht wandelen, ja zeer oprecht in de vreze Gods, en die toch weinig of geen blijvende bewijzen hebben dat zij nu deel hebben aan de genade van God, of dat zij later zullen delen in de heerlijkheid van Christus. Maar dit ene bewijs hebben zij wel, ook al hebben zij er niet daadwerkelijk de troost van: dat zij oprecht wandelen voor God en mensen. Laat niemand, hoe diep hij ook ingeleid of hoe hoog hij ook begunstigd is, dit bewijs van genade in anderen verachten. En u, die oprecht wandelt vanuit een levend beginsel van de vreze Gods, hebt hier een vast bewijs van de Heere Zelf dat Hij in het bijzonder een oog op u heeft.
Maar wat is in oprechtheid wandelen? O, hier ligt de grote moeilijkheid in de godsdienst. Wij kunnen spreken, prediken en horen, wij kunnen lijken te geloven, maar wanneer het aankomt op handelen, wandelen en in onze dagelijkse praktijk uitdragen wat wij belijden, dan wordt de grootste moeilijkheid gevoeld. „De ziel der godsdienst,” zegt Bunyan, „is het praktische gedeelte.” En juist wanneer wij bij dat praktische gedeelte komen, begint het dagelijks kruis. De wandel, het spreken, ons dagelijks handelen: dat alles samen is de grootste moeilijkheid, zoals het ook de allerbelangrijkste vrucht is van de belijdenis van een christen.
Dag na dag wandelen onder alle omstandigheden en te midden van allerlei verzoekingen die ons omringen, en dat met een teder, oprecht gemoed in de vreze Gods. Steeds het besef met ons meedragen dat hart en mond en leven openliggen voor Zijn alles doorzoekend oog. Doen wat Hem behaagt en mijden wat Hem mishaagt. Dat is werkelijk de steile berg in de godsdienst, die zoveel moeite kost om te beklimmen! Spreken kunnen wij snel genoeg, maar o, wandelen op het rechte en nauwe pad! Christen zijn, zowel uitwendig als inwendig, voor God en mensen, voor de kerk en voor de wereld, en in alle opzichten spreken en handelen met een onwankelbaar vasthouden aan onze belijdenis: dat heeft de natuur nooit gedaan en dat kan de natuur nooit doen. Om zo te handelen en zo te geloven, hebben wij nodig dat de Heere die kracht en genade in ons werkt en in ons openbaart.
Aan de lezer…
Wanneer u oprecht wandelt in de vreze Gods, en toch zo weinig blijvende bewijzen in uw ziel vindt dat u deel hebt aan Zijn genade, dan is dit woord voor u. U ziet anderen die hoog begunstigd zijn, en durft uzelf nauwelijks tot Gods volk te rekenen. Maar veracht het bewijs niet dat Hij Zelf u geeft. Een teder, oprecht gemoed, dat wil doen wat Hem behaagt en mijden wat Hem mishaagt, groeit niet uit de natuur; de natuur heeft dat nooit gedaan en kan het nooit doen.
U weet hoe steil die berg is. Spreken gaat snel genoeg, maar dag na dag wandelen op het rechte en nauwe pad, onder het oog dat hart en mond en leven doorzoekt, dat is het dagelijks kruis. Vraag de Heere dan of Hij die kracht en genade in u wil werken en openbaren. Want Hij heeft gezegd dat Hij het goede niet zal onthouden aan wie in oprechtheid wandelen, en Hij heeft in het bijzonder een oog op u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
No good thing will He withhold from them that walk uprightly.
Psalm 84:11
There are those who walk uprightly, very uprightly, in the fear of God, and yet have little comfortable or abiding evidence that they are at present partakers of God’s grace, or will be hereafter sharers of Christ’s glory. But this one evidence they certainly do possess, though they can take no present comfort from it, that they walk uprightly before God and man. Let no one, however deeply experienced or highly favored, despise this evidence of grace in others; and you who walk uprightly from a living principle of godly fear have here a marked testimony from the Lord Himself that He has a special regard for you.
But what is it to “walk uprightly?” Oh! here is the grand difficulty in religion. We may talk; we may preach; we may hear; we may seem to believe; but it is when we come to act, to walk, and carry out into daily and hourly practice what we profess, that the main difficulty is felt and found. “The soul of religion,” says Bunyan, “is the practical part;” and it is when we come to this “practical part” that the daily, hourly cross commences. The walk, the conversation, the daily, hourly conduct is, after all, the main difficulty, as it is the all-important fruit of a Christian profession.
To walk day after day, under all circumstances, and amid all the varied temptations that beset us, uprightly, tenderly, and sincerely in the fear of God; to feel continually that heart, lip, and life are all open before His all-penetrating eye; to do the things which He approves, and to flee from the things which He abhors—oh! this in religion is the steep hill which it is such a struggle to climb! We can talk fast enough; but oh! to walk in the straight and narrow path; to be a Christian outwardly as well as inwardly, before God and man, before the Church and the world; and in all points to speak and act with undeviating consistency with our profession—this is what nature never has done, and what nature never can do. In thus acting, as much as in believing, do we need God’s power and grace to work in, and be made manifest in us.
To the reader…
When you walk uprightly in the fear of God, and yet find so little abiding evidence in your soul that you share in His grace, this word is for you. You see others who are highly favored, and you scarcely dare to count yourself among God’s people. But do not despise the evidence He Himself gives you. A tender, upright mind, which wants to do what pleases Him and shun what displeases Him, does not grow out of nature; nature has never done it and never can.
You know how steep that hill is. Talking comes easily enough, but walking day after day on the straight and narrow path, under the eye that searches heart and lip and life, that is the daily cross. Ask the Lord, then, to work that power and grace in you and make it manifest. For He has said that He will withhold no good thing from those who walk uprightly, and He has a special eye upon you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quitará el bien a los que en integridad andan.
Salmo 84:11
Hay quienes andan en integridad, en mucha integridad, en el temor de Dios, y sin embargo tienen poca evidencia consoladora o duradera de que sean ahora participantes de la gracia de Dios, o de que hayan de ser después partícipes de la gloria de Cristo. Pero esta sola evidencia ciertamente la poseen, aunque no puedan sacar de ella consuelo presente: que andan en integridad delante de Dios y de los hombres. Que nadie, por profunda que sea su experiencia o por altamente favorecido que sea, desprecie esta evidencia de gracia en otros; y ustedes, los que andan en integridad por un principio vivo de temor piadoso, tienen aquí un testimonio señalado del Señor mismo de que Él tiene una consideración especial por ustedes.
Pero ¿qué es “andar en integridad”? ¡Oh, aquí está la gran dificultad en la religión! Podemos hablar; podemos predicar; podemos oír; podemos parecer creer; pero es cuando llegamos a obrar, a andar y a llevar a la práctica diaria y de cada hora lo que profesamos, cuando se siente y se encuentra la dificultad principal. “El alma de la religión”, dice Bunyan, “es la parte práctica”; y es cuando llegamos a esta “parte práctica” cuando comienza la cruz diaria, de cada hora. El andar, la conducta, el proceder diario y de cada hora es, al fin y al cabo, la dificultad principal, así como es el fruto de suma importancia de una profesión cristiana.
Andar día tras día, en todas las circunstancias y en medio de todas las variadas tentaciones que nos asedian, en integridad, con ternura y sinceridad en el temor de Dios; sentir continuamente que corazón, labios y vida están todos abiertos delante de Su ojo que todo lo penetra; hacer las cosas que Él aprueba y huir de las cosas que Él aborrece: ¡oh, esta es en la religión la cuesta empinada que tanto cuesta subir! Hablar, hablamos con bastante soltura; pero ¡oh, andar por el camino estrecho y angosto; ser cristiano por fuera tanto como por dentro, delante de Dios y de los hombres, delante de la Iglesia y del mundo; y en todo punto hablar y obrar con una coherencia inquebrantable con nuestra profesión! Esto es lo que la naturaleza nunca ha hecho y nunca puede hacer. Para obrar así, tanto como para creer, necesitamos que el poder y la gracia de Dios obren en nosotros y se manifiesten en nosotros.
Al lector…
Cuando usted anda en integridad en el temor de Dios, y sin embargo halla en su alma tan poca evidencia duradera de que participa de Su gracia, esta palabra es para usted. Ve a otros que son altamente favorecidos, y apenas se atreve a contarse entre el pueblo de Dios. Pero no desprecie la evidencia que Él mismo le da. Un ánimo tierno e íntegro, que quiere hacer lo que a Él le agrada y huir de lo que le desagrada, no brota de la naturaleza; la naturaleza nunca lo ha hecho y nunca puede hacerlo.
Usted sabe cuán empinada es esa cuesta. Hablar resulta bastante fácil, pero andar día tras día por el camino estrecho y angosto, bajo el ojo que escudriña corazón, labios y vida, esa es la cruz diaria. Pida, pues, al Señor que obre en usted ese poder y esa gracia y los manifieste. Porque Él ha dicho que no quitará el bien a los que en integridad andan, y tiene puesto en usted un ojo especial.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl