September 26
Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis, en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lukas 1:79
Wat bewoog God de Vader om Zijn eigen Zoon in de wereld te zenden? Was het niet de vrije barmhartigheid Gods, die uit Zijn boezem voor Zijn kinderen vloeide? Welke verdienste, welk recht kunnen Zijn kinderen dan ooit hebben? Hun ellende is hun recht. Hun onwaardigheid, hun diep gezonken staat, de diepte van hun val — deze dingen wekten Gods mededogen op.
Het is niet wat ik gedaan heb voor de heerlijkheid Gods; niet wat ik doe, of trachten zal te doen; niet mijn wijsheid, mijn kracht, mijn voornemens, mijn vroomheid, mijn heiligheid. Neen, mijn ellende, mijn hulpeloosheid, mijn onwaardigheid, mijn diep gezonken staat, mijn gevallen toestand, die ik alleen gevoel omdat ik deel heb aan het bloed en de liefde des Lams — dat is wat mij Gods barmhartigheid doet nodig hebben, en dat geeft mij het recht door de Heere Jezus tot God te gaan om genade te ontvangen. Zit gij in de duisternis en de schaduw des doods, ver van de weg des vredes, verontrust, neergedrukt, aangevochten, beschaamd? Dan zijt gij juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat sluit u uit? Uw zonden? Neen; God heeft ze vergeven. Uw onwaardigheid? Neen; er is een kleed der gerechtigheid voor u bereid. Uw onheiligheid? Neen; „Hij is u gemaakt van God tot heiligmaking.” Uw onwetendheid? Neen; „Hij is u gemaakt van God tot wijsheid.” De hinderpalen zijn: eigengerechtigheid, zelfverheffing, hovaardij, huichelarij, laatdunkendheid; een naam van te leven; een vorm van godzaligheid; het zitten op uw droesem en rustig zijn in Zion; dit zijn de hinderpalen.
Maar hulpeloosheid, hopeloosheid, wereldsgezindheid, armoede, dit zijn geen hinderpalen; deze zijn aanspraken. Wanneer deze gevoeld worden, tonen zij dat uw naam geschreven is in het Boek des Levens, dat de Heere des levens en der heerlijkheid voor u in deze wereld gekomen is; en vroeger of later zult gij er de zoete blijdschap over in uw hart gevoelen, en dan in staat zijn Hem voor Zijn genade te aanbidden.
Wie is aan onze God gelijk,
die armen opricht uit het slijk,
nooddruftigen, van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten?
Ps. 113:4
Aan de lezer…
Zit u, waarde lezer, in duisternis en in de schaduw des doods, neergedrukt, aangevochten en beschaamd? Meent u dat uw ellende u buitensluit, en dat u eerst iets moet aanbrengen voordat u tot God mag gaan? Dan hoort u hier iets wonderlijks: uw ellende is uw recht. Niet uw vroomheid, niet uw voornemens, maar uw hulpeloosheid en onwaardigheid zijn het die Gods barmhartigheid nodig maken. U bent juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat u werkelijk in de weg staat, is niet uw armoede, maar eigengerechtigheid, hovaardij en een rustig zitten op uw droesem. Weest dan niet bevreesd voor uw nood, maar voor een naam van te leven en een blote vorm van godzaligheid. Gevoelde hulpeloosheid is geen hinderpaal, maar een aanspraak. Vroeger of later zal Hij, Die de armen opricht uit het slijk, de zoete blijdschap daarover in uw hart doen gevoelen, en dan zult u Hem voor Zijn genade aanbidden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis, en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lukas 1:79
Wat bewoog God de Vader om Zijn eigen Zoon in de wereld te zenden? Was het niet de vrije barmhartigheid van God, die uit Zijn hart naar Zijn kinderen uitging? Welke verdienste, welk recht kunnen Zijn kinderen dan ooit hebben? Hun ellende is hun recht. Hun onwaardigheid, hun diep gezonken staat, de diepte van hun val: dat waren de dingen die Gods medelijden opwekten.
Het is niet wat ik gedaan heb voor de heerlijkheid van God; niet wat ik doe of zal proberen te doen; niet mijn wijsheid, mijn kracht, mijn voornemens, mijn vroomheid, mijn heiligheid. Nee, mijn ellende, mijn hulpeloosheid, mijn onwaardigheid, mijn diep gezonken staat, mijn gevallen toestand, die ik alleen voel omdat ik deel heb aan het bloed en de liefde van het Lam: dat is het wat maakt dat ik Gods barmhartigheid nodig heb. En dat geeft mij het recht om door de Heere Jezus tot God te gaan om genade te ontvangen. Zit u in de duisternis en de schaduw des doods, ver van de weg des vredes, verontrust, neergedrukt, aangevochten, beschaamd? Dan bent u juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat sluit u uit? Uw zonden? Nee, God heeft ze vergeven. Uw onwaardigheid? Nee, er is een kleed van gerechtigheid voor u bereid. Uw onheiligheid? Nee, „Hij is u gemaakt van God tot heiligmaking.” Uw onwetendheid? Nee, „Hij is u gemaakt van God tot wijsheid.” De hindernissen zijn: eigengerechtigheid, zelfverheffing, hoogmoed, huichelarij, verwaandheid; een naam hebben dat men leeft; een vorm van godzaligheid; het stil zitten op uw droesem en gerust zijn in Sion. Dat zijn de hindernissen.
Maar hulpeloosheid, hopeloosheid, wereldsgezindheid en armoede zijn geen hindernissen; het zijn aanspraken. Wanneer deze gevoeld worden, laten zij zien dat uw naam geschreven is in het Boek des Levens, en dat de Heere van leven en heerlijkheid voor u in deze wereld gekomen is. Vroeg of laat zult u daarover de zoete blijdschap in uw hart voelen, en dan zult u in staat zijn Hem om Zijn genade te aanbidden.
Wie is aan onze God gelijk,
die armen opricht uit het slijk,
nooddruftigen, van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten?
Ps. 113:4
Aan de lezer…
Zit u in duisternis en in de schaduw des doods, neergedrukt, aangevochten en beschaamd? Denkt u dat uw ellende u buitensluit, en dat u eerst iets moet meebrengen voordat u tot God mag gaan? Dan hoort u hier iets wonderlijks: uw ellende is uw recht. Niet uw vroomheid, niet uw voornemens, maar uw hulpeloosheid en onwaardigheid maken dat u Gods barmhartigheid nodig hebt. U bent juist in de gemoedsgesteldheid waarvoor de Heere Jezus kwam.
Wat u werkelijk in de weg staat, is niet uw armoede, maar eigengerechtigheid, hoogmoed en een gerust zitten op uw droesem. Wees dan niet bang voor uw nood, maar voor een naam dat u leeft en een kale vorm van godzaligheid. Gevoelde hulpeloosheid is geen hindernis, maar een aanspraak. Vroeg of laat zal Hij Die de armen opricht uit het slijk, u de zoete blijdschap daarover in uw hart doen voelen, en dan zult u Hem om Zijn genade aanbidden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To give light to them that sit in darkness and in the shadow of death, to guide our feet into the way of peace.
Luke 1:79
What was it that moved the divine Father to send His own Son into the world? Was it not the free mercy of God flowing forth from His bosom to His family? Then, what merit, what claim can His family ever have? Their misery is their claim. Their worthlessness, their sunken state, the depth of their fall—these things call forth God’s compassion.
It is not what I have done for the glory of God; not what I am doing, or trying to do; not my wisdom, my strength, my resolutions, my piety, my holiness. No! my misery, my helplessness, my worthlessness, my deeply sunken state, my fallen condition; which I feel only because of a saving interest in the blood and love of the Lamb—this it is that makes me need God’s mercy; and this it is that qualifies me to go to God through Jesus to receive mercy—for “He is able to save unto the uttermost all that come unto God by Him.”
Are you sitting in darkness and the shadow of death—far from the way of peace, troubled, perplexed, exercised, confused? You are the very characters for whom Jesus came. Are not unutterable mercies locked up in the bosom of God for you? What is to exclude you? Your sins? No! God has pardoned them. Your worthlessness? No! there is a robe of righteousness prepared for you. Your demerits? No! the merits of Jesus are upon your side.
Your unholiness? No! “He is made to you sanctification.” Your ignorance? No! “He is made to you wisdom.” These are no barriers. I will tell you what is a barrier—self-righteousness, self-esteem, self-exaltation, pride, hypocrisy, presumption; a name to live, a form of godliness, being settled upon your lees, and at ease in Zion—these are barriers.
But helplessness, hopelessness, worthlessness, misery—these are not barriers; they are qualifications; they show, when felt, that your name is in the book of life, that the Lord of life and glory appeared in this world for you; and sooner or later, you will have the sweet enjoyment of it in your heart; and then be enabled to adore Him for His grace, and admire and bless His Name for glorifying His love and mercy in your free and full salvation.
To the reader…
Are you sitting in darkness and in the shadow of death, cast down, tempted, and ashamed? Do you think your misery shuts you out, and that you must first bring something before you may go to God? Then you hear something wonderful here: your misery is your claim. Not your piety, not your resolutions, but your helplessness and unworthiness are what make you need God’s mercy. You are in the very state of soul for which the Lord Jesus came.
What truly stands in your way is not your poverty, but self-righteousness, pride, and being settled at ease upon your lees. So do not be afraid of your need, but of a name to live and a bare form of godliness. Felt helplessness is no barrier, but a qualification. Sooner or later He Who raises the poor out of the dust will make you feel the sweet joy of it in your heart, and then you will adore Him for His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para dar luz a los que habitan en tinieblas y en sombra de muerte; para encaminar nuestros pies por camino de paz.
Lucas 1:79
¿Qué fue lo que movió al Padre divino a enviar a Su propio Hijo al mundo? ¿No fue la libre misericordia de Dios que brotaba de Su seno hacia Su familia? Entonces, ¿qué mérito, qué derecho puede tener jamás Su familia? Su miseria es su derecho. Su indignidad, su estado hundido, la profundidad de su caída: estas cosas son las que despiertan la compasión de Dios.
No es lo que yo he hecho para la gloria de Dios; no lo que estoy haciendo o intentando hacer; no mi sabiduría, mi fuerza, mis resoluciones, mi piedad, mi santidad. ¡No! Mi miseria, mi impotencia, mi indignidad, mi estado profundamente hundido, mi condición caída, que siento solo a causa de una parte salvadora en la sangre y el amor del Cordero: esto es lo que me hace necesitar la misericordia de Dios; y esto es lo que me capacita para ir a Dios por medio de Jesús a recibir misericordia, porque Él “puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios”.
¿Está usted sentado en tinieblas y en sombra de muerte, lejos del camino de paz, turbado, perplejo, ejercitado, confundido? Usted es precisamente de aquellos por quienes Jesús vino. ¿No hay misericordias indecibles guardadas en el seno de Dios para usted? ¿Qué le va a excluir? ¿Sus pecados? ¡No! Dios los ha perdonado. ¿Su indignidad? ¡No! Hay un manto de justicia preparado para usted. ¿Sus deméritos? ¡No! Los méritos de Jesús están de su parte.
¿Su falta de santidad? ¡No! “Él os ha sido hecho santificación”. ¿Su ignorancia? ¡No! “Él os ha sido hecho sabiduría”. Estas no son barreras. Le diré lo que es una barrera: la justicia propia, la propia estima, la propia exaltación, el orgullo, la hipocresía, la presunción; un nombre de que vive, una apariencia de piedad, el estar asentado sobre sus heces y reposado en Sion: estas son barreras.
Pero la impotencia, la desesperanza, la indignidad, la miseria: estas no son barreras; son requisitos; muestran, cuando se sienten, que su nombre está en el libro de la vida, que el Señor de la vida y de la gloria apareció en este mundo por usted; y tarde o temprano usted tendrá el dulce gozo de ello en su corazón; y entonces será capacitado para adorarle por Su gracia, y admirar y bendecir Su Nombre por glorificar Su amor y misericordia en su salvación libre y completa.
Al lector…
¿Está usted sentado en tinieblas y en sombra de muerte, abatido, tentado y avergonzado? ¿Piensa que su miseria le deja fuera, y que primero debe traer algo antes de poder ir a Dios? Entonces oye aquí algo maravilloso: su miseria es su derecho. No su piedad, no sus resoluciones, sino su impotencia e indignidad son lo que le hace necesitar la misericordia de Dios. Usted está en el mismo estado de alma por el cual vino el Señor Jesús.
Lo que de verdad le estorba no es su pobreza, sino la justicia propia, el orgullo y el estar asentado y reposado sobre sus heces. No tema, pues, su necesidad, sino un nombre de que vive y una mera apariencia de piedad. La impotencia sentida no es una barrera, sino un requisito. Tarde o temprano Aquel que levanta del polvo al pobre le hará sentir el dulce gozo de ello en su corazón, y entonces Le adorará por Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl