6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
1 Johannes 5:4
Indien wij gezaligd zullen worden, zal het geloof de zege behalen; wij moeten een geloof hebben dat over dood en hel zal triomferen en een heerlijke overwinning behalen over vijanden binnen en buiten ons en over helse vijanden. Ziedaar de toestand waarin de zaak staat: wij moeten óf overwinnen, óf overwonnen worden; wij moeten zegevieren en met een onverwelkelijke kroon van heerlijkheid gekroond worden, of in de worsteling bezwijken, overwonnen door de zonde en de Satan. Maar van Gods volk zal niemand in de strijd verslagen worden; en toch schijnen zij dikwijls ternauwernood te ontsnappen; toch zal het geloof vroeger of later de overwinning behalen, want Jezus is het Die voor hen strijdt. Hij zal het geloof, Zijn eigen gave, met eeuwige heerlijkheid kronen. Hij zal niet toelaten dat de Zijnen bezwijken in de goede strijd des geloofs, want Hij zal elke zwakke arm kracht, elke zwakke knie sterkte geven, en Hij zal hen meer dan overwinnaars maken.
Wanneer dus God de Heilige Geest door Zijn levendmakende kracht in de ziel wil werken, geeft Hij het geloof meer en meer kracht om in de eniggeboren Zoon van God te geloven, meer voortdurende zegen uit Zijn volheid te ontvangen, ernstiger met God te worstelen om een geestelijke zegen, standvastiger te staan in de strijd tegen elke vijand, met meer volharding de goede strijd des geloofs te strijden, en nooit kwartier te vragen vóórdat dit geloof zijn glorierijk doel heeft bereikt, hetwelk is Jezus te zien zoals Hij is in Zijn eeuwig koninkrijk.
Des Heeren engel schaart
een onverwinb’re hemelwacht
rondom hem die Gods wil betracht:
dus is hij wel bewaard.
Komt, smaakt nu en beschouwt
de goedheid van d’ Alzegenaar!
Welzalig wij, die in gevaar
alleen op Hem betrouwt!
Ps. 34:4
Aan de lezer…
Schijnt u, lezer, in de strijd ternauwernood staande te blijven? Zijn de vijanden binnen en buiten u zo sterk, dat u vreest eindelijk toch te bezwijken? Ik spreek het ernstig uit: wij moeten overwinnen of overwonnen worden. Maar hij zegt er ook bij dat niemand van Gods volk in de strijd verslagen zal worden, al ontkomen zij dikwijls maar net.
Want de overwinning hangt niet aan de kracht van uw arm, maar aan Hem Die voor u strijdt. Het geloof is Zijn eigen gave, en Hij zal het met eeuwige heerlijkheid kronen. Hij geeft elke zwakke arm kracht en elke knikkende knie sterkte. Vraag dan geen kwartier en geef de strijd niet op. Blijf zien op de eniggeboren Zoon van God, totdat u Hem zult zien zoals Hij is in Zijn eeuwig koninkrijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
1 Johannes 5:4
Als wij zalig zullen worden, moet het geloof de overwinning behalen. Wij moeten een geloof hebben dat over dood en hel triomfeert en een heerlijke overwinning behaalt over vijanden binnen en buiten ons en over helse vijanden. Zo staat de zaak: wij moeten óf overwinnen, óf overwonnen worden. Wij moeten zegevieren en gekroond worden met een onverwelkelijke kroon van heerlijkheid, of in de worsteling bezwijken, overwonnen door de zonde en de satan. Maar niemand van Gods volk zal in de strijd verslagen worden. Al lijken zij vaak ternauwernood te ontkomen, toch zal het geloof vroeg of laat de overwinning behalen, want het is Jezus Die voor hen strijdt.
Hij zal het geloof, Zijn eigen gave, met eeuwige heerlijkheid kronen. Hij zal niet toelaten dat de Zijnen bezwijken in de goede strijd van het geloof, want Hij zal elke zwakke arm kracht en elke zwakke knie sterkte geven, en Hij zal hen meer dan overwinnaars maken.
Wanneer God de Heilige Geest dan door Zijn levendmakende kracht in de ziel wil werken, geeft Hij het geloof steeds meer kracht. Kracht om te geloven in de eniggeboren Zoon van God, om voortdurend meer zegen uit Zijn volheid te ontvangen, om ernstiger met God te worstelen om een geestelijke zegen, en om standvastiger te staan in de strijd tegen elke vijand. Kracht ook om met meer volharding de goede strijd van het geloof te strijden, en nooit om kwartier te vragen voordat dit geloof zijn heerlijke doel bereikt heeft: Jezus te zien zoals Hij is, in Zijn eeuwig koninkrijk.
Des Heeren engel schaart
een onverwinb’re hemelwacht
rondom hem die Gods wil betracht:
dus is hij wel bewaard.
Komt, smaakt nu en beschouwt
de goedheid van d’ Alzegenaar!
Welzalig wij, die in gevaar
alleen op Hem betrouwt!
Ps. 34:4
Aan de lezer…
Lijkt het, lezer, alsof u in de strijd ternauwernood staande blijft? Zijn de vijanden binnen en buiten u zo sterk dat u vreest uiteindelijk toch te bezwijken? Ik spreek het ernstig uit: wij moeten overwinnen of overwonnen worden. Maar daar komt bij dat niemand van Gods volk in de strijd verslagen zal worden, al ontkomen zij vaak maar net.
Want de overwinning hangt niet af van de kracht van uw arm, maar van Hem Die voor u strijdt. Het geloof is Zijn eigen gave, en Hij zal het met eeuwige heerlijkheid kronen. Hij geeft elke zwakke arm kracht en elke knikkende knie sterkte. Vraag dan geen kwartier en geef de strijd niet op. Blijf zien op de eniggeboren Zoon van God, totdat u Hem zult zien zoals Hij is in Zijn eeuwig koninkrijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For whatsoever is born of God overcometh the world: and this is the victory that overcometh the world, even our faith.
1 John 5:4
If we are to be saved our faith must gain the day; we must have a faith that shall triumph over death and hell and gain a glorious conquest over every internal and external and infernal foe. This is just the state, then, in which the matter stands–we must either conquer or be conquered; we must either gain the day and be crowned with an immortal crown of glory, or else sink in the strife, defeated by sin and Satan. But none of God’s people will be defeated in the fight; and yet they often seem, as it were, to escape defeat by the very skin of their teeth; yet faith will sooner or later gain the day, for Jesus is its finisher as well as its author. He will crown the faith of His own gift with eternal glory. He will never allow His dear family to be overcome in the good fight of faith, for He will give strength to every weak arm and power to every feeble knee, and has engaged to bring them off more than conquerors.
Thus as the Lord the Spirit is pleased to work in the soul by His living energy, He strengthens faith more and more to believe in the name of the only begotten Son of God, to receive more continual supplies out of His fullness, to wrestle more earnestly with God for a spiritual blessing, to stand more firmly in the evil day against every assaulting foe, to fight more strenuously the good fight of faith, and never cry defeat until faith gains its glorious end, which is to see Jesus as He is in the realms of eternal day.
To the reader…
Does it seem that you are barely keeping your feet in the battle? Are the enemies within and without so strong that you fear you will give way in the end after all? I say it solemnly: we must either conquer or be conquered. But to that must be added that none of God’s people will be defeated in the fight, although they often escape only just.
For the victory does not depend on the strength of your arm, but on Him Who fights for you. Faith is His own gift, and He will crown it with eternal glory. He gives strength to every weak arm and power to every feeble knee. Do not ask for quarter, then, and do not give up the fight. Keep looking to the only begotten Son of God, until you see Him as He is in His everlasting kingdom.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque todo aquello que es nacido de Dios vence al mundo: y esta es la victoria que vence al mundo, nuestra fe.
1 Juan 5:4
Si hemos de ser salvos, nuestra fe ha de ganar la batalla; hemos de tener una fe que triunfe sobre la muerte y el infierno y obtenga una gloriosa conquista sobre todo enemigo interior, exterior e infernal. Así, pues, está planteado el asunto: hemos de vencer o ser vencidos; hemos de ganar la batalla y ser coronados con una inmortal corona de gloria, o bien sucumbir en la lucha, derrotados por el pecado y Satanás. Pero ninguno del pueblo de Dios será derrotado en la lucha; y sin embargo, a menudo parecen, por así decirlo, escapar de la derrota con la piel de sus dientes; aun así, la fe tarde o temprano ganará la batalla, porque Jesús es su consumador tanto como su autor. Él coronará con gloria eterna la fe que Él mismo ha dado. Nunca permitirá que Su amada familia sea vencida en la buena batalla de la fe, porque dará fuerza a todo brazo débil y poder a toda rodilla endeble, y se ha comprometido a hacerlos más que vencedores.
Así, según al Señor el Espíritu Le place obrar en el alma por Su energía viva, fortalece la fe más y más para creer en el nombre del unigénito Hijo de Dios, para recibir provisiones más continuas de Su plenitud, para luchar más fervientemente con Dios por una bendición espiritual, para estar más firmes en el día malo contra todo enemigo que asalta, para pelear más esforzadamente la buena batalla de la fe, y para no darse nunca por vencida hasta que la fe alcance su glorioso fin, que es ver a Jesús como Él es en las regiones del día eterno.
Al lector…
¿Le parece que apenas se mantiene en pie en la batalla? ¿Son tan fuertes los enemigos de dentro y de fuera que teme ceder al final después de todo? Lo digo con solemnidad: hemos de vencer o ser vencidos. Pero a ello hay que añadir que ninguno del pueblo de Dios será derrotado en la lucha, aunque a menudo escapen por muy poco.
Porque la victoria no depende de la fuerza de su brazo, sino de Aquel que pelea por usted. La fe es Su propio don, y Él la coronará con gloria eterna. Él da fuerza a todo brazo débil y poder a toda rodilla endeble. No pida tregua, pues, ni abandone la lucha. Siga mirando al unigénito Hijo de Dios, hasta que Lo vea como Él es en Su reino eterno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ hemelvaart
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
Dood! O, wat houdt de angst voor de dood het tere geweten van Gods kinderen soms gevangen! Er zijn enkele belijders die voorwenden altijd boven de angst voor de dood te staan. Maar ik ben bang dat in de meeste gevallen dit zelfvertrouwen eerder lijkt op de vermetelheid van menig misdadiger die gehangen zal worden voor de gevangenispoort, dan op de heerlijke vrede die de Heere soms geeft aan Zijn beproefde kinderen. Dit hoogmoedige zelfvertrouwen komt niet voort uit enig goddelijk getuigenis dat in hun geweten is gekomen door de kracht van God; dat is iets anders. Het is bij velen gevoelloze roekeloosheid die op de letter van de wet berust, de vrucht van onwetendheid en zinnelijke onverschilligheid, niet het levende zelfvertrouwen van het geloof, en dus, ofschoon het een andere vorm aanneemt, ontspringt het aan dezelfde bron als het zogenaamde vertrouwen van de misdadiger.
Gods kinderen, die ertoe gebracht zijn te voelen wat eeuwigheid is, hoe heilig en rechtvaardig de God is met Wie ze te maken hebben, en dat ze duizend hellen hebben verdiend, beseffen vaak op pijnlijke wijze, vooral als hun tabernakels zwak zijn, wat het betekent om heel diep te zinken onder de angst voor de dood. Als alles donker van binnen en somber buiten is; als ze hun kenmerken niet zien; als er geen heerlijk getuigenis is van het recht op het bloed en de liefde van het Lam; als ongeloof en ontrouw alles lijken te zijn wat ze hebben; als hun gezinnen en omstandigheden allemaal voor hun ogen verschijnen en de duivel als een zondvloed opkomt om hen te overweldigen met duizend verschrikkingen – in die tijden houdt de dood, de wrede dood, hen vast in droeve gevangenschap.
Welnu, de Heere des levens en der heerlijkheid heeft „de gevangenis gevangen genomen”. Hij „heeft de dood te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie” (2 Tim. 1:10). De Heilige Schrift spreekt derhalve niet van Gods kinderen die sterven; er staat „die ontslapen”. Aldus wordt geschreven over Stefanus dat, ofschoon hij gehavend en verpletterd door stenen stierf, „hij ontsliep” (Hand. 7:60).
Lezen: Handelingen 7:44-60
Aan de lezer…
Misschien, lezer, houdt de angst voor de dood u gevangen. U beseft iets van de eeuwigheid en van de heiligheid van God, u ziet uw kenmerken niet, het is donker van binnen en somber buiten. Schaam u daar niet voor tegenover de vermetelen die beweren nergens bang voor te zijn. Een teer geweten dat beeft, is beter dan een gevoelloos hart dat lacht.
Maar blijf niet bij uw vrees staan. De Heere des levens en der heerlijkheid heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd. Hij heeft de dood te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie. Daarom spreekt de Schrift van de Zijnen niet als stervenden, maar als ontslapenen. Zucht dan tot Hem om een getuigenis in uw geweten. Hij Die de dood overwon, kan ook uw angst voor de dood overwinnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
De dood! O, wat houdt de angst voor de dood het tere geweten van Gods kinderen soms gevangen! Er zijn sommige belijders die voorwenden altijd boven de angst voor de dood te staan. Maar ik vrees dat dit zelfvertrouwen in de meeste gevallen meer lijkt op de vermetelheid van menige misdadiger die voor de gevangenispoort gehangen zal worden, dan op de heerlijke vrede die de Heere soms aan Zijn beproefde kinderen geeft. Dit hoogmoedige zelfvertrouwen komt niet voort uit enig goddelijk getuigenis dat door de kracht van God in hun geweten is gekomen; dat is iets anders. Bij velen is het een gevoelloze roekeloosheid die op de letter van de wet berust, de vrucht van onwetendheid en zinnelijke onverschilligheid, en niet het levende vertrouwen van het geloof. Daarom ontspringt het, hoewel het een andere vorm aanneemt, aan dezelfde bron als het zogenaamde vertrouwen van de misdadiger.
Gods kinderen zijn ertoe gebracht te voelen wat de eeuwigheid is, hoe heilig en rechtvaardig de God is met Wie ze te maken hebben, en dat ze duizend hellen verdiend hebben. Zij beseffen vaak op pijnlijke wijze, vooral wanneer hun tabernakel zwak is, wat het betekent om heel diep weg te zinken onder de angst voor de dood. Wanneer alles donker is van binnen en somber van buiten; wanneer ze hun kenmerken niet zien; wanneer er geen heerlijk getuigenis is van hun recht op het bloed en de liefde van het Lam; wanneer ongeloof en ontrouw alles lijken te zijn wat ze hebben; wanneer hun gezin en hun omstandigheden hun allemaal voor ogen komen en de duivel als een zondvloed opkomt om hen met duizend verschrikkingen te overweldigen, dan houdt de dood, de wrede dood, hen in droeve gevangenschap vast.
Welnu, de Heere van het leven en van de heerlijkheid heeft „de gevangenis gevangen genomen”. Hij „heeft de dood te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie” (2 Tim. 1:10). Daarom spreekt de Heilige Schrift niet van Gods kinderen die sterven, maar van hen „die ontslapen”. Zo staat er over Stefanus geschreven dat „hij ontsliep”, hoewel hij gehavend en verpletterd door stenen stierf (Hand. 7:60).
Lezen: Handelingen 7:44-60
Aan de lezer…
Misschien, lezer, houdt de angst voor de dood u gevangen. U beseft iets van de eeuwigheid en van de heiligheid van God, u ziet uw kenmerken niet, het is donker van binnen en somber van buiten. Schaam u daar niet voor tegenover de vermetelen die beweren nergens bang voor te zijn. Een teer geweten dat beeft, is beter dan een gevoelloos hart dat lacht.
Maar blijf niet bij uw vrees staan. De Heere van het leven en van de heerlijkheid heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd. Hij heeft de dood tenietgedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie. Daarom spreekt de Schrift van de Zijnen niet als stervenden, maar als ontslapenen. Zucht dan tot Hem om een getuigenis in uw geweten. Hij Die de dood overwon, kan ook uw angst voor de dood overwinnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast ascended on high, Thou hast led captivity captive: Thou hast received gifts for men; yea, for the rebellious also, that the LORD God might dwell among them.
Psalm 68:18
Death! Oh, how the fear of death sometimes holds the tender conscience of God’s children captive! There are some professors who pretend to be always above the fear of death. But I fear that in most cases this self-confidence is more like the daring of many a criminal who is to be hanged before the prison gate than the blessed peace which the Lord sometimes gives to His tried children. This proud self-confidence does not spring from any divine testimony that has come into their conscience by the power of God; that is another thing. In many it is an unfeeling recklessness resting upon the letter of the law, the fruit of ignorance and carnal indifference, and not the living confidence of faith. Therefore, though it takes another form, it springs from the same source as the so-called confidence of the criminal.
God’s children have been brought to feel what eternity is, how holy and just is the God with Whom they have to do, and that they have deserved a thousand hells. They often know painfully, especially when their tabernacle is weak, what it is to sink very low under the fear of death. When all is dark within and gloomy without; when they do not see their marks; when there is no blessed testimony of their interest in the blood and love of the Lamb; when unbelief and infidelity seem to be all they have; when their family and their circumstances all come before their eyes and the devil comes in like a flood to overwhelm them with a thousand terrors, then death, cruel death, holds them in sad captivity.
Well, the Lord of life and glory has “led captivity captive.” He “hath abolished death, and hath brought life and immortality to light through the gospel” (2 Tim. 1:10). Therefore the Holy Scripture does not speak of God’s children as dying, but as those who “fall asleep.” So it is written of Stephen that “he fell asleep,” though he died bruised and crushed by stones (Acts 7:60).
Reading: Acts 7:44-60
To the reader…
Perhaps, reader, the fear of death holds you captive. You know something of eternity and of the holiness of God, you do not see your marks, it is dark within and gloomy without. Do not be ashamed of that before the presumptuous who claim to be afraid of nothing. A tender conscience that trembles is better than an unfeeling heart that laughs.
But do not remain standing in your fear. The Lord of life and glory has led captivity captive. He has abolished death and brought life and immortality to light through the gospel. Therefore the Scripture speaks of His own not as dying, but as falling asleep. Sigh to Him, then, for a testimony in your conscience. He Who overcame death can overcome your fear of death as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subiste a lo alto, cautivaste la cautividad, tomaste dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos JAH Dios.
Salmo 68:18
¡La muerte! ¡Oh, cómo el temor de la muerte tiene a veces cautiva la conciencia tierna de los hijos de Dios! Hay algunos que hacen profesión de religión y pretenden estar siempre por encima del temor de la muerte. Pero me temo que en la mayoría de los casos esta confianza en sí mismos se parece más a la osadía de muchos criminales que han de ser ahorcados ante la puerta de la cárcel que a la bendita paz que el Señor da a veces a Sus hijos probados. Esta orgullosa confianza en sí mismos no brota de ningún testimonio divino que haya entrado en su conciencia por el poder de Dios; eso es otra cosa. En muchos es una temeridad insensible que descansa en la letra de la ley, fruto de la ignorancia y de la indiferencia carnal, y no la confianza viva de la fe. Por eso, aunque tome otra forma, brota de la misma fuente que la llamada confianza del criminal.
A los hijos de Dios se les ha hecho sentir lo que es la eternidad, cuán santo y justo es el Dios con Quien tienen que ver, y que han merecido mil infiernos. A menudo saben dolorosamente, sobre todo cuando su tabernáculo está débil, lo que es hundirse muy hondo bajo el temor de la muerte. Cuando todo está oscuro por dentro y sombrío por fuera; cuando no ven sus señales; cuando no hay un bendito testimonio de su parte en la sangre y el amor del Cordero; cuando la incredulidad y la infidelidad parecen ser todo lo que tienen; cuando su familia y sus circunstancias se les presentan ante los ojos y el diablo entra como un río para abrumarlos con mil terrores, entonces la muerte, la cruel muerte, los tiene en triste cautiverio.
Pues bien, el Señor de la vida y de la gloria ha “cautivado la cautividad”. Él “quitó la muerte, y sacó a la luz la vida y la inmortalidad por el evangelio” (2 Tim. 1:10). Por eso la Santa Escritura no habla de los hijos de Dios como de quienes mueren, sino como de quienes “duermen”. Así está escrito de Esteban que “durmió”, aunque murió magullado y aplastado por las piedras (Hechos 7:60).
Lectura: Hechos 7:44-60
Al lector…
Quizá, lector, el temor de la muerte le tenga cautivo. Usted sabe algo de la eternidad y de la santidad de Dios, no ve sus señales, todo está oscuro por dentro y sombrío por fuera. No se avergüence de ello ante los presuntuosos que dicen no temer nada. Una conciencia tierna que tiembla es mejor que un corazón insensible que se ríe.
Pero no se quede detenido en su temor. El Señor de la vida y de la gloria ha cautivado la cautividad. Él ha quitado la muerte y ha sacado a la luz la vida y la inmortalidad por el evangelio. Por eso la Escritura no habla de los Suyos como de quienes mueren, sino como de quienes duermen. Suspire, pues, a Él por un testimonio en su conciencia. Aquel que venció la muerte puede vencer también su temor a la muerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.
Psalm 119:31
In welke staat of trap van bevinding gij zijn moogt, het zal uw wijsheid en uw genade zijn vast te houden aan het getuigenis van God. Heeft de Heere maar even een werk der genade in uw hart begonnen? Toont Hij u wat gij van nature zijt en brengt Hij u voor ogen de zonden uwer jonkheid, en dit door diepe overtuigingen? Het zal uw wijsheid en genade zijn aan dat getuigenis vast te houden, niet van uw verstand afgedreven te worden in moedeloosheid, noch te vervallen in een vleselijk vertrouwen, maar u te houden bij dat getuigenis, hetwelk de Heere Zelf heeft ingeplant. Heeft de Heere u doen zuchten en schreien uit de diepte van een verbroken hart en heeft Hij u doen neervallen voor Zijn waarheid? Houd u bij dat getuigenis; Hij zal u niet beschaamd doen uitkomen.
Wederom, indien de Heere een weinig meer voor u gedaan heeft en u een lichtstraaltje van barmhartigheid en gunst heeft betoond, een bewijsje van uw aandeel in het bloed van het Lam, dan zal het u tot wijsheid zijn ook aan dat getuigenis vast te kleven. Gij zult er ontmoeten die u vermetel willen voortdrijven, en ook die u in moedeloosheid willen terugdrijven; gij zult er tegenkomen die u willen neerdrukken in dezelfde twijfelingen en vrezen waarin hun eigen gemoederen verkeren. Ook zult gij er vinden die u terzijde willen afleiden in het ijdel vertrouwen waarin zij zelf wandelen. Het zal u dan tot wijsheid zijn te blijven bij het getuigenis dat God heeft geopenbaard; en Hij kan in uw ziel dat geloof werken waardoor gij zult kunnen en willen vastkleven aan Zijn getuigenis.
Maar, zullen sommigen zeggen: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Ik wil u vragen: Wat zijn de gewaarwordingen uws harten jegens Hem? Is er vreze Gods? Is er een heilige eerbied in uw hart? Is er een diep ontzag? Is er enige werkzaamheid in uw ziel? Een uitstorting uws harten voor God? Een indruk van Zijn tegenwoordigheid? Een vrees om Hem te beledigen? Een verlangen naar Hem? Een diep besef van Zijn volmaaktheden? Dan is er reden te geloven dat er enig getuigenis van God in uw consciëntie is en dat gij daaraan vastkleeft. Is uw godsdienst evenwel zodanig dat zij u leidt tot een ijdel vertrouwen, tot eigengerechtigheid, tot vermetelheid, tot valse gerustheid, en tot een zorgeloze, lichtzinnige, beuzelachtige geest, maak er dan staat op dat gij niet vastkleeft aan Gods getuigenissen, of liever, gij hebt geen getuigenis van God om daaraan vast te houden.
Doch als de Heere in uw ziel enig gevoel geeft van Zijn ongenoegen, omdat gij u misdragen hebt tegenover Hem en u een schuld over uw ziel gebracht hebt en onrust in uw gemoed, dan zal het u tot wijsheid zijn te doen zoals de Heere spreekt in Leviticus 26:41: aan de straffen uwer ongerechtigheid een welgevallen te hebben, uw mond in het stof te steken en te belijden dat gij dwaas gedaan hebt. Dan niet terzijde af te gaan tot een vermetel vertrouwen, waardoor gij de scherpte van het zwaard Gods in uw ziel zou willen verstompen, maar het liever in uw hart te laten ingaan en het in uw consciëntie te omhelzen, ja, daaraan vast te kleven als het getuigenis van God. „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Vast te kleven aan alles wat God in de consciëntie openbaart, hetzij oordeel, hetzij barmhartigheid, hetzij een bemoediging, hetzij een afwijzing, hetzij een getuigenis voor, hetzij tegen; wat het ook zij, als het met kracht vergezeld is en door de Geest in de ziel wordt toegepast, kleef eraan vast, want dit houdt de ziel op een veilige en gezegende plaats.
Aan de lezer…
Misschien vraagt u, waarde lezer: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Zie dan eens in uw hart. Is er vreze Gods, een heilige eerbied, een vrees om Hem te beledigen, een verlangen naar Hem? Dan is er reden te geloven dat God enig getuigenis in uw consciëntie gelegd heeft. Het mag klein zijn: een overtuiging van zonde, een zucht uit de diepte, een lichtstraaltje van barmhartigheid. Maar wat Hij Zelf heeft ingeplant, is het waard om aan vast te houden.
Laat u dan niet afdrijven, noch door wie u vermetel wil voortdrijven, noch door wie u in moedeloosheid wil terugtrekken. En brengt de Heere u Zijn ongenoegen te gevoelen omdat u dwaas gedaan hebt, verstomp dan het zwaard niet, maar buig u en belijd. Kleef vast aan alles wat Hij met kracht in uw ziel openbaart, hetzij oordeel, hetzij barmhartigheid. En bid met de psalmist: „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Dat is een veilige en gezegende plaats.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.
Psalm 119:31
In welke staat of fase van bevinding u ook bent, het zal uw wijsheid en uw genade zijn vast te houden aan het getuigenis van God. Is de Heere nog maar pas een werk van genade in uw hart begonnen? Laat Hij u zien wat u van nature bent, en stelt Hij u door diepe overtuigingen de zonden van uw jeugd voor ogen? Dan zal het uw wijsheid en genade zijn aan dat getuigenis vast te houden. Laat u dan niet van uw verstand afdrijven in moedeloosheid, en verval ook niet in vleselijk vertrouwen, maar houd u aan dat getuigenis dat de Heere Zelf heeft ingeplant. Heeft de Heere u doen zuchten en wenen uit de diepte van een verbroken hart, en heeft Hij u doen neervallen voor Zijn waarheid? Houd u aan dat getuigenis; Hij zal u niet beschaamd laten uitkomen.
En verder: als de Heere iets meer voor u gedaan heeft en u een straaltje licht van barmhartigheid en gunst heeft laten zien, een klein bewijs van uw deel aan het bloed van het Lam, dan zal het uw wijsheid zijn ook aan dat getuigenis vast te kleven. U zult mensen ontmoeten die u vermetel vooruit willen drijven, en ook mensen die u in moedeloosheid terug willen drijven. U zult mensen tegenkomen die u willen neerdrukken in dezelfde twijfels en vrezen waarin zij zelf verkeren. Ook zult u mensen vinden die u opzij willen leiden in het ijdel vertrouwen waarin zij zelf wandelen. Dan zal het uw wijsheid zijn te blijven bij het getuigenis dat God geopenbaard heeft. En Hij kan in uw ziel het geloof werken waardoor u aan Zijn getuigenis zult kunnen en willen vastkleven.
Maar sommigen zullen zeggen: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Ik wil u vragen: Wat leeft er in uw hart tegenover Hem? Is er vreze Gods? Is er een heilige eerbied in uw hart? Is er een diep ontzag? Is er enige werkzaamheid in uw ziel? Een uitstorten van uw hart voor God? Een indruk van Zijn tegenwoordigheid? Een vrees om Hem te beledigen? Een verlangen naar Hem? Een diep besef van Zijn volmaaktheden? Dan is er reden te geloven dat er enig getuigenis van God in uw geweten is, en dat u daaraan vastkleeft. Maar is uw godsdienst zo dat hij u leidt tot een ijdel vertrouwen, tot eigengerechtigheid, tot vermetelheid, tot valse gerustheid en tot een zorgeloze, lichtzinnige, oppervlakkige geest? Wees er dan zeker van dat u niet aan Gods getuigenissen vastkleeft, of liever: dat u geen getuigenis van God hebt om aan vast te houden.
Maar als de Heere in uw ziel iets laat voelen van Zijn ongenoegen, omdat u zich tegenover Hem misdragen hebt en schuld over uw ziel en onrust in uw gemoed gebracht hebt, dan zal het uw wijsheid zijn te doen wat de Heere zegt in Leviticus 26:41: een welgevallen te hebben aan de straffen van uw ongerechtigheid, uw mond in het stof te steken en te belijden dat u dwaas gehandeld hebt. Ga dan niet opzij naar een vermetel vertrouwen, waarmee u de scherpte van Gods zwaard in uw ziel zou willen afstompen. Laat het liever in uw hart binnengaan, omhels het in uw geweten, ja, kleef eraan vast als het getuigenis van God. „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Kleef vast aan alles wat God in het geweten openbaart, of het nu oordeel is of barmhartigheid, bemoediging of afwijzing, een getuigenis vóór of tegen. Wat het ook is, als het met kracht gepaard gaat en door de Geest in de ziel wordt toegepast, kleef eraan vast, want dat houdt de ziel op een veilige en gezegende plaats.
Aan de lezer…
Misschien vraagt u: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Kijk dan eens in uw hart. Is er vreze Gods, een heilige eerbied, een vrees om Hem te beledigen, een verlangen naar Hem? Dan is er reden te geloven dat God enig getuigenis in uw geweten gelegd heeft. Het mag klein zijn: een overtuiging van zonde, een zucht uit de diepte, een straaltje licht van barmhartigheid. Maar wat Hij Zelf heeft ingeplant, is het waard om aan vast te houden.
Laat u dan niet afdrijven, niet door wie u vermetel vooruit wil drijven en niet door wie u in moedeloosheid wil terugtrekken. En laat de Heere u Zijn ongenoegen voelen omdat u dwaas gehandeld hebt, stomp het zwaard dan niet af, maar buig u en belijd. Kleef vast aan alles wat Hij met kracht in uw ziel openbaart, of het nu oordeel is of barmhartigheid. En bid met de psalmist: „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Dat is een veilige en gezegende plaats.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have stuck unto Thy testimonies: O LORD, put me not to shame.
Psalm 119:31
In whatever state or stage of experience you are, it will be your wisdom and your mercy to hold fast to God’s testimony. Has the Lord just begun a work of grace in your heart? Is He showing to you what you are by nature, and bringing before your eyes the sins of your youth, and plunging you in deep convictions? It will be your wisdom, and it will be your mercy, to hold fast to that testimony; not to be driven from your standing into despair, nor pushed forward into fleshly confidence; but to hold fast to that testimony which God Himself has implanted.
Has God made you to sigh and cry from the depths of a broken heart—to fall down before His truth? Hold fast to that testimony; He will not put you to shame. Again, if the Lord has done a little more for you, shown you the least glimpse of mercy and favor, and given you some little testimony of your saving interest in the blood of the Lamb, it will be your wisdom, and it will be your mercy, to hold fast to that testimony too.
You will find those who would push you presumptuously forward; you will find those who would drive you despairingly backward; you will find those who would pull you down into those doubts and fears that their own minds are exercised with, and you will find those who would draw you aside into the vain confidence in which they themselves are standing. It will be your wisdom and mercy to abide by the testimony which God Himself has revealed; and He can work in your soul that faith whereby you can and will hold fast to His testimony.
But some may say, “How do I know that I am holding fast to God’s testimonies?” I would ask, what are the feelings of your hearts towards them? Is there godly fear? Is there holy reverence? Is there trembling awe? Is there any exercise of soul? any pouring out of the heart before God? any realizing of His presence? any trembling lest you should offend Him? any desire after Him? any solemn feelings whereby your soul is exercised upon His perfections? Then there is reason to believe there is some testimony of God in your conscience, and that you are holding fast to it.
But if your religion be such as leads to vain confidence, to self-righteousness, to presumption, to false security, and to a careless, light, trifling spirit, depend upon it—you are not holding fast to God’s testimony, or else you have no testimony from God to hold fast unto. But if the Lord is bringing into your soul some sense of His displeasure; if you have trifled with Him, and brought guilt into your soul and trouble into your mind, it will be your wisdom, and it will be your mercy to do, as the Lord speaks in Leviticus 26:41, “accept the punishment of your iniquity;” to put your mouth in the dust, and confess that you are vile; not to turn aside to presumptuous confidence as though you would blunt the edge of God’s sword in your soul, but to receive it in your heart, embrace it in your conscience, and to cleave to it as the testimony of God Himself.
“I have held fast unto Your testimonies.” To cleave to everything which God makes known in the conscience, be it judgment, be it mercy, be it a smile, be it a frown, be it a testimony for, be it a testimony against, whatever it be that comes with power, and is brought to the soul by the application of the Spirit—to cleave to it, keeps the soul in a safe and blessed spot.
To the reader…
Perhaps you ask: “How can I know that I am holding fast to God’s testimony?” Then look into your heart. Is there the fear of God, a holy reverence, a fear of offending Him, a longing after Him? Then there is reason to believe that God has laid some testimony in your conscience. It may be small: a conviction of sin, a sigh from the depths, a little ray of the light of mercy. But what He Himself has planted is worth holding fast to.
Do not let yourself be driven off, then, neither by those who would push you presumptuously forward nor by those who would pull you back into despondency. And if the Lord makes you feel His displeasure because you have acted foolishly, do not blunt the sword, but bow down and confess. Cleave to all that He reveals with power in your soul, whether it is judgment or mercy. And pray with the psalmist: “I have stuck unto Thy testimonies: O LORD, put me not to shame.” That is a safe and blessed place.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Allegádome he a Tus testimonios; oh Jehová, no me avergüences.
Salmo 119:31
En cualquier estado o etapa de experiencia en que usted se encuentre, será su sabiduría y su misericordia aferrarse al testimonio de Dios. ¿Acaba el Señor de comenzar una obra de gracia en su corazón? ¿Le está mostrando lo que usted es por naturaleza, poniendo ante sus ojos los pecados de su juventud y sumergiéndole en profundas convicciones? Será su sabiduría, y será su misericordia, aferrarse a ese testimonio; no dejarse arrojar de su posición a la desesperación, ni empujar hacia adelante a una confianza carnal, sino aferrarse a ese testimonio que Dios mismo ha implantado.
¿Le ha hecho Dios suspirar y clamar desde lo profundo de un corazón quebrantado, postrarse ante Su verdad? Aférrese a ese testimonio; Él no le avergonzará. Además, si el Señor ha hecho un poco más por usted, si le ha mostrado el menor vislumbre de misericordia y favor, y le ha dado algún pequeño testimonio de su parte salvadora en la sangre del Cordero, será su sabiduría, y será su misericordia, aferrarse también a ese testimonio.
Encontrará a quienes querrían empujarle presuntuosamente hacia adelante; encontrará a quienes querrían hacerle retroceder desesperado; encontrará a quienes querrían arrastrarle a esas dudas y temores con que sus propias mentes están ejercitadas, y encontrará a quienes querrían desviarle hacia la vana confianza en que ellos mismos están. Será su sabiduría y misericordia permanecer en el testimonio que Dios mismo ha revelado; y Él puede obrar en su alma esa fe por la cual usted puede aferrarse a Su testimonio, y lo hará.
Pero alguno dirá: “¿Cómo sé que me estoy aferrando a los testimonios de Dios?” Yo preguntaría: ¿cuáles son los sentimientos de su corazón hacia ellos? ¿Hay temor piadoso? ¿Hay santa reverencia? ¿Hay un temblor reverente? ¿Hay algún ejercicio del alma? ¿Algún derramar del corazón delante de Dios? ¿Algún sentir de Su presencia? ¿Algún temor de ofenderle? ¿Algún deseo de Él? ¿Algún sentimiento solemne por el cual su alma es ejercitada en Sus perfecciones? Entonces hay razón para creer que hay algún testimonio de Dios en su conciencia, y que usted se está aferrando a él.
Pero si su religión es tal que conduce a una vana confianza, a la justicia propia, a la presunción, a una falsa seguridad y a un espíritu descuidado, ligero y frívolo, tenga por seguro que no se está aferrando al testimonio de Dios, o bien no tiene testimonio de Dios al cual aferrarse. Pero si el Señor está trayendo a su alma algún sentir de Su desagrado; si usted ha jugado con Él y ha traído culpa a su alma y turbación a su mente, será su sabiduría, y será su misericordia, hacer lo que el Señor dice en Levítico 26:41: “aceptar el castigo de su iniquidad”; poner la boca en el polvo y confesar que es vil; no desviarse a una confianza presuntuosa como si quisiera embotar el filo de la espada de Dios en su alma, sino recibirla en su corazón, abrazarla en su conciencia y allegarse a ella como al testimonio de Dios mismo.
“Allegádome he a Tus testimonios.” Allegarse a todo lo que Dios da a conocer en la conciencia, sea juicio, sea misericordia, sea una sonrisa, sea un ceño, sea un testimonio a favor, sea un testimonio en contra, cualquier cosa que venga con poder y sea traída al alma por la aplicación del Espíritu; allegarse a ello mantiene al alma en un lugar seguro y bendito.
Al lector…
Quizá pregunte usted: “¿Cómo puedo saber que me estoy aferrando al testimonio de Dios?” Mire entonces en su corazón. ¿Hay temor de Dios, una santa reverencia, un temor de ofenderle, un anhelo de Él? Entonces hay razón para creer que Dios ha puesto algún testimonio en su conciencia. Puede ser pequeño: una convicción de pecado, un suspiro desde lo profundo, un pequeño rayo de la luz de la misericordia. Pero lo que Él mismo ha plantado vale la pena retenerlo.
No se deje, pues, apartar, ni por quienes querrían empujarle presuntuosamente hacia adelante ni por quienes querrían hacerle retroceder al desaliento. Y si el Señor le hace sentir Su desagrado porque ha obrado neciamente, no embote la espada, sino inclínese y confiese. Alléguese a todo lo que Él revela con poder en su alma, sea juicio o misericordia. Y ore con el salmista: “Allegádome he a Tus testimonios; oh Jehová, no me avergüences.” Ese es un lugar seguro y bendito.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl