gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
In dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
1 Petrus 1:8b
Hier vinden wij geloof, liefde, blijdschap en heerlijkheid verenigd. Het woord „verheugt” betekent eigenlijk opspringen van vreugde. Geestelijke vreugde, heilige vreugde, is daarom van aardse, natuurlijke vreugde niet alleen onderscheiden in aard, maar ook in graad. Natuurlijke vreugde kan nooit zeer hoog stijgen en is niet van lange duur. Zij is uit de aarde aards, en daarom kan zij niet hoog stijgen en lang duren.
Zij wordt altijd belemmerd door de een of andere hinderpaal of teleurstelling; en evenals in de bitterste beker des rechtvaardigen iets geheims is dat hem geheel zoet maakt, zo is er ook in de zoetste beker des goddelozen iets dat hem geheel bitter maakt. Al hun vreugde is dwaasheid, want zelfs „bij het lachen is het hart bedroefd, en het einde dier vreugd is zwaarmoedigheid”. God toornt over de blijdschap van de wereldling; het geweten veroordeelt die, en het vermoeide hart is er dikwijls ziek, dodelijk ziek van. Zij kan geen onderzoek of overweging dulden; zij geeft steeds teleurstelling hier en hiernamaals eeuwig berouw.
Maar hoe geheel anders is de vreugde des geloofs en der liefde! Zij is onuitsprekelijk, want zij is een dier dingen welke het oog niet gezien en het oor niet gehoord heeft, en die in het hart des mensen nooit zijn opgeklommen; en daarom heeft de menselijke taal, welke alleen menselijke gedachten en gevoelens kan uitdrukken, hiervoor geen woorden. Zij die haar bij ervaring kennen, verstaan het wanneer door anderen over haar gesproken wordt, maar niet uit de woorden zelf; zij verstaan het omdat die woorden als het ware korte wenken, doffe en flauwe schaduwen, onvolkomen en onvoldoende uitingen zijn, die door hun eigen ervaring worden verklaard.
„En heerlijke vreugde.” Letterlijk staat er „verheerlijkte”, dat is: de vreugde is een vreugde die God uitsluitend vereert door er het kenmerk van Goddelijke heerlijkheid op te drukken. Daarom is zij een gezegende voorbereiding voor, en een voorsmaak van de heerlijkheid die zal geopenbaard worden.
’k Zal met mijn ganse hart uw eer
vermelden, Heer,
U dank bewijzen.
Psalm 138:1
Aan de lezer…
Hebt u de vreugden van deze wereld beproefd, waarde lezer, en gevonden dat er in de zoetste beker iets bitters ligt? Hebt u gelachen terwijl uw hart bedroefd was? Dan weet u dat natuurlijke vreugde niet hoog stijgt en niet lang duurt. Wees daarover niet ontmoedigd: het is de Heere Die u zo leert dat geen aardse blijdschap uw ziel kan vervullen.
Want er is een andere vreugde, onuitsprekelijk en heerlijk, die opspringt in het hart dat Christus gelooft, hoewel het Hem niet ziet. Misschien hebt u er slechts een korte wenk van gekend, een flauwe schaduw, en kunt u er geen woorden voor vinden. Veracht die kleine dingen niet. Het is een voorsmaak van de heerlijkheid die nog geopenbaard zal worden. Houd dan aan in het geloof, ook in de dagen waarin u weinig voelt; Hij Die die vreugde schenkt, draagt er het stempel van Zijn eigen heerlijkheid op.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
1 Petrus 1:8b
Hier vinden wij geloof, liefde, blijdschap en heerlijkheid verenigd. Het woord „verheugt” betekent eigenlijk: opspringen van vreugde. Geestelijke vreugde, heilige vreugde, verschilt daarom van aardse, natuurlijke vreugde, niet alleen in aard maar ook in mate. Natuurlijke vreugde kan nooit erg hoog stijgen en duurt niet lang. Zij is uit de aarde aards, en daarom kan zij niet hoog stijgen en niet lang duren.
Zij wordt altijd belemmerd door de een of andere hindernis of teleurstelling. En zoals er in de bitterste beker van de rechtvaardige iets verborgens is dat hem helemaal zoet maakt, zo is er ook in de zoetste beker van de goddeloze iets dat hem helemaal bitter maakt. Al hun vreugde is dwaasheid, want zelfs „bij het lachen is het hart bedroefd, en het einde dier vreugd is zwaarmoedigheid”. God toornt over de blijdschap van de wereldling, het geweten veroordeelt haar, en het vermoeide hart wordt er vaak ziek van, dodelijk ziek. Zij verdraagt geen onderzoek of overdenking; zij brengt hier steeds teleurstelling en hiernamaals eeuwig berouw.
Maar hoe totaal anders is de vreugde van het geloof en de liefde! Zij is onuitsprekelijk, want zij is een van de dingen die het oog niet gezien en het oor niet gehoord heeft, en die in het hart van de mens nooit zijn opgekomen. Daarom heeft de menselijke taal, die alleen menselijke gedachten en gevoelens kan uitdrukken, hiervoor geen woorden. Wie haar uit ervaring kent, begrijpt het wanneer anderen over haar spreken, maar niet door de woorden zelf. Zij begrijpen het omdat die woorden als het ware korte wenken zijn, doffe en vage schaduwen, onvolkomen en ontoereikende uitingen, die door hun eigen ervaring worden verklaard.
„En heerlijke vreugde.” Letterlijk staat er „verheerlijkte”. Dat wil zeggen: het is een vreugde die God uitzonderlijk eert door er het kenmerk van Goddelijke heerlijkheid op te drukken. Daarom is zij een gezegende voorbereiding op en een voorsmaak van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden.
’k Zal met mijn ganse hart uw eer
vermelden, Heer,
U dank bewijzen.
Psalm 138:1
Aan de lezer…
Hebt u de vreugden van deze wereld geprobeerd, waarde lezer, en gemerkt dat er in de zoetste beker iets bitters ligt? Hebt u gelachen terwijl uw hart bedroefd was? Dan weet u dat natuurlijke vreugde niet hoog stijgt en niet lang duurt. Wees daarover niet ontmoedigd: het is de Heere Die u zo leert dat geen aardse blijdschap uw ziel kan vervullen.
Want er is een andere vreugde, onuitsprekelijk en heerlijk, die opspringt in het hart dat in Christus gelooft, hoewel het Hem niet ziet. Misschien hebt u er maar een korte wenk van gekend, een vage schaduw, en kunt u er geen woorden voor vinden. Veracht die kleine dingen niet. Het is een voorsmaak van de heerlijkheid die nog geopenbaard zal worden. Volhard dan in het geloof, ook in de dagen waarin u weinig voelt; Hij Die die vreugde schenkt, drukt er het stempel van Zijn eigen heerlijkheid op.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Whom, though now ye see Him not, yet believing, ye rejoice with joy unspeakable and full of glory.
1 Peter 1:8
Here we have linked together faith, love, joy, and glory. The word translated “rejoice” means a high degree of joy, and signifies literally, to leap with joy. Spiritual joy, holy joy, is therefore distinguished from earthly joy, natural joy, not only in nature, but in degree. Natural human joy can never rise very high, nor last very long. It is of the earth, earthy, and therefore can never rise high nor long endure. It is always marred by some check, damp or disappointment; and, as in the bitterest cup of the righteous “There’s something secret sweetens all,” so in the sweetest cup of the ungodly there is something secret embitters all.
All their mirth is madness; for even “in laughter the heart is sorrowful, and the end of that mirth is heaviness.” God frowns upon all the worldling’s pleasure, conscience condemns it, and the weary heart is often sick of it, even unto death. It cannot bear inspection or reflection, has perpetual disappointment stamped upon it here and eternal sorrow hereafter.
But how different is the joy of faith and love. It is unspeakable, for it is one of the things which eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man; and therefore human language, which can only express human thoughts and feelings, has no words for this. Those who have experienced it understand it when spoken of by others, but not from the words themselves, but because those words are as if broken hints, dim and feeble shadows, imperfect and insufficient utterances, but interpreted by their own experience.
“And full of glory.” It is literally “glorified,” that is, the joy is a joy which God especially honors by stamping upon it a divine glory. It is, therefore, a blessed preparation for, and foretaste of the glory that shall be revealed.
To the reader…
Have you tried the joys of this world, dear reader, and found that there is something bitter in the sweetest cup? Have you laughed while your heart was sorrowful? Then you know that natural joy does not rise high and does not last long. Do not be discouraged by that: it is the Lord Who teaches you in this way that no earthly gladness can fill your soul.
For there is another joy, unspeakable and full of glory, that leaps up in the heart that believes in Christ, though it does not see Him. Perhaps you have known only a brief hint of it, a dim shadow, and cannot find words for it. Do not despise those small things. It is a foretaste of the glory that is yet to be revealed. Persevere, then, in faith, even in the days when you feel little; He Who gives that joy stamps it with His own glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual creyendo, aunque al presente no Le veáis, os alegráis con gozo inefable y glorificado.
1 Pedro 1:8
Aquí tenemos unidos la fe, el amor, el gozo y la gloria. La palabra traducida “alegrarse” denota un alto grado de gozo, y significa literalmente saltar de gozo. El gozo espiritual, el gozo santo, se distingue por tanto del gozo terrenal, del gozo natural, no solo en naturaleza, sino en grado. El gozo humano natural nunca puede elevarse muy alto ni durar mucho. Es de la tierra, terrenal, y por eso nunca puede elevarse alto ni durar largo tiempo. Siempre lo estropea algún freno, algún desaliento o alguna decepción; y así como en la copa más amarga del justo “algo secreto lo endulza todo”, así en la copa más dulce del impío algo secreto lo amarga todo.
Toda su alegría es locura; porque aun “en la risa tendrá dolor el corazón; y el término de la alegría es congoja”. Dios mira con desagrado todo el placer del mundano, la conciencia lo condena, y el corazón cansado a menudo está harto de él, hasta la muerte. No soporta el examen ni la reflexión; lleva grabada la decepción perpetua aquí y el dolor eterno después.
Pero ¡cuán distinto es el gozo de la fe y del amor! Es inefable, porque es una de las cosas que ojo no vio, ni oreja oyó, ni han subido en corazón de hombre; y por eso el lenguaje humano, que solo puede expresar pensamientos y sentimientos humanos, no tiene palabras para él. Los que lo han experimentado lo entienden cuando otros hablan de él, pero no por las palabras mismas, sino porque esas palabras son como insinuaciones entrecortadas, sombras tenues y débiles, expresiones imperfectas e insuficientes, pero interpretadas por su propia experiencia.
“Y glorificado.” Así dice literalmente; es decir, el gozo es un gozo que Dios honra especialmente imprimiendo en él una gloria divina. Es, por tanto, una bendita preparación para la gloria que ha de ser revelada, y un anticipo de ella.
Al lector…
¿Ha probado usted los gozos de este mundo, querido lector, y ha hallado que hay algo amargo en la copa más dulce? ¿Se ha reído mientras su corazón estaba triste? Entonces sabe que el gozo natural no se eleva alto ni dura mucho. No se desanime por eso: es el Señor quien le enseña así que ninguna alegría terrenal puede llenar su alma.
Porque hay otro gozo, inefable y glorificado, que salta en el corazón que cree en Cristo, aunque no Le vea. Quizá solo ha conocido de él una breve insinuación, una sombra tenue, y no halla palabras para expresarlo. No desprecie esas cosas pequeñas. Es un anticipo de la gloria que todavía ha de ser revelada. Persevere, pues, en la fe, aun en los días en que siente poco; Aquel que da ese gozo le imprime Su propia gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
Als Ik u voorbijging, zag Ik u.
Ezechiël 16:6,8
De hopeloze, rampzalige en hulpeloze toestand van de Kerk door de zondeval, en het grote mededogen van de gezegende Heere als haar Verbondshoofd en Bruidegom, worden op prachtige wijze beschreven door de profeet Ezechiël, als hij haar vergelijkt met een arme, in de steek gelaten peuter die om de walgelijkheid van haar ziel naar het vlakke veld is verstoten op de dag dat zij werd geboren. Geen oog had medelijden over haar, geen hand werd uitgestoken om haar op enigerlei wijze te verzorgen of eten, warmte of bescherming te geven. Aan haar lot overgelaten om te sterven, zou zij beslist – als niet Hij Die „zeer barmhartig is en een Ontfermer” medelijden met haar had gehad (Jak. 5:11), als niet Hij Wiens liefde alle verstand te boven gaat haar had liefgehad – in een onpeilbare diepte van eeuwigdurende smart zijn gezonken.
Maar juist in dit uur van haar nood kwam Hij voorbij en het werd een tijd der minne, want Hij spreidde Zijn vleugel over haar uit en zwoer haar, kwam met haar in een verbond, en zij werd de Zijne (Ez. 16). Maar voordat zij zich in Zijn armen kon laten sluiten, moest Hijzelf al haar vuil afwassen in de fontein van Zijn eigen bloed, haar zalven met de olie van Zijn genade en de verkwikkende, heiligende invloeden van de Heilige Geest, en haar bekleden met gestikt werk, zelfs de rechtvaardigheid die Hij voor haar schiep door Zijn eigen actieve en lijdende gehoorzaamheid. Dat zijn de drie zegeningen waarover de apostel spreekt als het huidige deel van de heiligen Gods: „En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods” (Ezech. 16:5-10; 1 Kor. 6:11).
Lezen: Ezechiël 16:1-14
Aan de lezer…
Dat woord „Ik zag u” geldt het arme kind, verstoten op het vlakke veld, zonder oog dat medelijden had en zonder hand die zich uitstrekte. Herkent u uzelf daarin? Misschien voelt u uw walgelijkheid zo diep dat u meent dat er voor zulk een als u geen hulp meer is. Maar zie, juist in het uur van de nood kwam Hij voorbij. Hij wachtte niet tot zij zichzelf gereinigd had; Hij zag haar zoals zij was, en het werd een tijd der minne.
Zo handelt Hij Die zeer barmhartig is en een Ontfermer. Hij wast af in de fontein van Zijn eigen bloed, Hij zalft met de olie van Zijn genade, en Hij bekleedt met een gerechtigheid die Hij Zelf heeft gewrocht. Komt u dan met al uw vuil tot Hem, niet om eerst uzelf te verbeteren, maar om afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd te worden in de Naam van de Heere Jezus. Wiens liefde alle verstand te boven gaat, Die zal ook u niet voorbijgaan zonder om te zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als Ik u voorbijging, zag Ik u.
Ezechiël 16:6,8
De hopeloze, rampzalige en hulpeloze toestand van de Kerk door de zondeval, en het grote mededogen van de gezegende Heere als haar Verbondshoofd en Bruidegom, worden prachtig beschreven door de profeet Ezechiël. Hij vergelijkt haar met een arm, in de steek gelaten kindje dat op de dag van haar geboorte vanwege de walgelijkheid van haar ziel op het vlakke veld was weggeworpen. Geen oog had medelijden met haar, geen hand werd uitgestoken om haar op enige wijze te verzorgen of haar voedsel, warmte of bescherming te geven. Aan haar lot overgelaten om te sterven, zou zij zeker in een onpeilbare diepte van eeuwige smart zijn weggezonken, als niet Hij Die „zeer barmhartig is en een Ontfermer” (Jak. 5:11) medelijden met haar had gehad, als niet Hij Wiens liefde alle verstand te boven gaat haar had liefgehad.
Maar juist in dit uur van haar nood kwam Hij voorbij, en het werd een tijd der minne. Want Hij spreidde Zijn vleugel over haar uit, zwoer haar, kwam met haar in een verbond, en zij werd de Zijne (Ez. 16). Maar voordat zij in Zijn armen gesloten kon worden, moest Hij Zelf al haar vuil afwassen in de fontein van Zijn eigen bloed. Hij moest haar zalven met de olie van Zijn genade en de verkwikkende, heiligende invloeden van de Heilige Geest, en haar bekleden met gestikt werk, namelijk de gerechtigheid die Hij voor haar bewerkte door Zijn eigen actieve en lijdende gehoorzaamheid. Dat zijn de drie zegeningen waarover de apostel spreekt als het tegenwoordige deel van de heiligen van God: „En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods” (Ezech. 16:5-10; 1 Kor. 6:11).
Lezen: Ezechiël 16:1-14
Aan de lezer…
Dat woord „Ik zag u” geldt het arme kind, weggeworpen op het vlakke veld, zonder oog dat medelijden had en zonder hand die zich uitstrekte. Herkent u uzelf daarin? Misschien voelt u uw walgelijkheid zo diep dat u denkt dat er voor iemand als u geen hulp meer is. Maar zie, juist in het uur van de nood kwam Hij voorbij. Hij wachtte niet tot zij zichzelf gereinigd had; Hij zag haar zoals zij was, en het werd een tijd der minne.
Zo handelt Hij Die zeer barmhartig is en een Ontfermer. Hij wast af in de fontein van Zijn eigen bloed, Hij zalft met de olie van Zijn genade, en Hij bekleedt met een gerechtigheid die Hij Zelf heeft bewerkt. Kom dan met al uw vuil tot Hem, niet om eerst uzelf te verbeteren, maar om afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd te worden in de Naam van de Heere Jezus. Hij Wiens liefde alle verstand te boven gaat, zal ook u niet voorbijgaan zonder om te zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And when I passed by thee, and saw thee…
Ezekiel 16:6,8
The hopeless, wretched and helpless state of the Church through the fall, and the great compassion of the blessed Lord as her Covenant Head and Bridegroom, are beautifully described by the prophet Ezekiel. He compares her to a poor, forsaken infant that on the day of her birth was cast out into the open field to the loathing of her person. No eye pitied her, no hand was stretched out to care for her in any way or to give her food, warmth or protection. Left to her fate to die, she would certainly have sunk into an unfathomable depth of eternal woe, had not He Who “is very pitiful, and of tender mercy” (James 5:11) had compassion on her, had not He Whose love passeth knowledge loved her.
But in this very hour of her need He passed by, and it became a time of love. For He spread His skirt over her, sware unto her, entered into a covenant with her, and she became His (Ezek. 16). But before she could be taken into His arms, He Himself had to wash away all her filth in the fountain of His own blood. He had to anoint her with the oil of His grace and the refreshing, sanctifying influences of the Holy Ghost, and to clothe her with broidered work, namely the righteousness that He wrought out for her by His own active and passive obedience. These are the three blessings of which the apostle speaks as the present portion of the saints of God: “And such were some of you: but ye are washed, but ye are sanctified, but ye are justified in the Name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God” (Ezek. 16:5-10; 1 Cor. 6:11).
Reading: Ezekiel 16:1-14
To the reader…
That word, “I saw thee,” concerns the poor child cast out into the open field, with no eye to pity and no hand stretched out. Do you recognise yourself in it? Perhaps you feel your loathsomeness so deeply that you think there is no help left for someone like you. But see, in the very hour of need He passed by. He did not wait until she had cleansed herself; He saw her as she was, and it became a time of love.
This is how He acts Who is very pitiful and of tender mercy. He washes in the fountain of His own blood, He anoints with the oil of His grace, and He clothes with a righteousness that He Himself has wrought out. Come to Him, then, with all your filth, not to improve yourself first, but to be washed, sanctified and justified in the Name of the Lord Jesus. He Whose love passes knowledge will not pass you by without looking upon you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y Yo pasé junto a ti, y te vi…
Ezequiel 16:6,8
El estado sin esperanza, miserable y desvalido de la Iglesia por la caída, y la gran compasión del bendito Señor como su Cabeza del pacto y Esposo, son descritos hermosamente por el profeta Ezequiel. La compara con una pobre criatura abandonada que el día de su nacimiento fue echada sobre la haz del campo, con menosprecio de su vida. Ningún ojo se compadeció de ella, ninguna mano se extendió para cuidarla de ningún modo ni para darle alimento, calor o protección. Abandonada a su suerte para morir, ciertamente se habría hundido en una profundidad insondable de ay eterno, si Aquel que “es muy misericordioso y piadoso” (Santiago 5:11) no hubiera tenido compasión de ella, si Aquel cuyo amor excede a todo conocimiento no la hubiera amado.
Pero en esa misma hora de su necesidad Él pasó, y fue un tiempo de amor. Porque extendió Su manto sobre ella, le dio juramento, entró en pacto con ella, y ella fue Suya (Ezequiel 16). Pero antes de que pudiera ser tomada en Sus brazos, Él mismo tuvo que lavar toda su inmundicia en la fuente de Su propia sangre. Tuvo que ungirla con el aceite de Su gracia y las influencias refrescantes y santificadoras del Espíritu Santo, y vestirla de bordado, es decir, de la justicia que Él obró para ella por Su propia obediencia activa y pasiva. Estas son las tres bendiciones de las que habla el apóstol como la porción presente de los santos de Dios: “Y esto erais algunos: mas ya sois lavados, mas ya sois santificados, mas ya sois justificados en el Nombre del Señor Jesús, y por el Espíritu de nuestro Dios” (Ezequiel 16:5-10; 1 Corintios 6:11).
Lectura: Ezequiel 16:1-14
Al lector…
Esa palabra, “te vi”, se refiere a la pobre criatura echada sobre la haz del campo, sin ojo que se compadeciera y sin mano extendida. ¿Se reconoce usted en ella? Quizás siente tan hondamente lo repugnante de su estado que piensa que no queda ayuda para alguien como usted. Pero mire, en la misma hora de la necesidad Él pasó. No esperó hasta que ella se hubiera limpiado a sí misma; la vio tal como estaba, y fue un tiempo de amor.
Así obra Aquel que es muy misericordioso y piadoso. Él lava en la fuente de Su propia sangre, unge con el aceite de Su gracia, y viste con una justicia que Él mismo ha obrado. Venga, pues, a Él con toda su inmundicia, no para mejorarse primero, sino para ser lavado, santificado y justificado en el Nombre del Señor Jesús. Aquel cuyo amor excede a todo conocimiento no pasará junto a usted sin mirarle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
Jacobus 1:4
Het woord „volmaakt”, zoals men dit in de Schrift vindt, betekent niet, toegepast op een kind van God, zulk een staat die aan het begrip van volmaaktheid beantwoordt, als zou het kind van God zonder vlek en zonder rimpel of heilig zijn; maar het wil zeggen dat zulk een kind van God is gerijpt of rijp geworden in het leven Gods, dat hij niet langer een kind, maar een volwassen man geworden is. Gelijk een boom die tot volle wasdom gekomen is. Zo ook: wanneer de Geest des Heeren het werk der lijdzaamheid in uw ziel gewrocht heeft, dan zijt gij met betrekking tot dat werk volmaakt, want het is Gods werk in u; en voor zover gij „geheel oprecht” zijt, dat is, dat gij alles bezit wat genade geven kan en geens dings gebrek hebt aan hetgeen die genade kan mededelen.
Aan de wil van God geheel onderworpen te zijn en daarmede geheel overeen te stemmen, is de hoogte van des christens volmaaktheid hier beneden, en die dit beleeft, heeft niets nodig, want hij heeft alle dingen in Christus. Wat is dan de hoogste trap van genade waartoe een ziel kan opklimmen? Waar schitterde de genade zo verheven als in de Heere Jezus Christus? En waar openbaarde zich de genade meer dan in de donkere hof en op het kruis? Was niet de menselijke natuur van Christus klaarblijkelijk met de Geest vervuld, en blonk niet iedere genade in Hem meer uit in Gethsémané en op Golgotha dan toen Hij op de berg der verheerlijking was?
Zo blinkt de genade in het hart van een kind van God dat onder beproeving en verzoeking zeggen kan: „Uw wil geschiede”, en dat zichzelf de kastijdende roede zijns hemelsen Vaders onderwerpt, meer uit dan wanneer hij zich baadt in de volle stralen van de Zon der gerechtigheid. Hoe menigmaal tasten wij in dit opzicht mis, waar wij verlangen naar genieting, in plaats van te beseffen dat de ware genade ons onderworpen doet zijn aan de wil van God, hetzij wij in de vallei of op de berg verkeren!
Aan de lezer…
Hoe donker kan het worden wanneer u meent dat de genade in u dood is, omdat u geen zoete genietingen meer kent en uw weg door het dal gaat! Verlangt u naar de berg, en tast u dagelijks in het donker? Zie dan naar Hem in Wie de genade het heerlijkst schitterde: niet het meest op de berg der verheerlijking, maar in Gethsémané en op Golgotha, waar Hij Zich onderwierp aan de wil van Zijn Vader.
Zo kan het ook in uw ziel zijn. Waar de Geest des Heeren het werk der lijdzaamheid wrocht, daar blinkt de genade misschien meer uit dan in de dagen van overvloed. Kunt u onder de kastijdende roede, al is het met tranen, stamelen: „Uw wil geschiede”? Dan is daar Gods eigen werk in u, en wat Hij begonnen heeft, rijpt Hij. Wie alles in Christus heeft, mag arm zijn in zichzelf en toch in geen ding gebrekkelijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
Jacobus 1:4
Het woord „volmaakt”, zoals het in de Schrift voorkomt, betekent, toegepast op een kind van God, niet een staat die beantwoordt aan het begrip volmaaktheid, alsof het kind van God zonder vlek en zonder rimpel of heilig zou zijn. Het wil zeggen dat zo’n kind van God gerijpt is of rijp geworden in het leven van God, zodat hij geen kind meer is, maar een volwassen man is geworden. Zoals een boom die tot volle wasdom gekomen is. Zo is het ook: wanneer de Geest van de Heere het werk van de lijdzaamheid in uw ziel gewerkt heeft, dan bent u met betrekking tot dat werk volmaakt, want het is Gods werk in u; en in zoverre bent u ook „geheel oprecht”, dat wil zeggen: u bezit alles wat de genade geven kan en u hebt aan niets gebrek van wat die genade kan meedelen.
Geheel onderworpen zijn aan de wil van God en daarmee geheel instemmen, is het hoogtepunt van de volmaaktheid van de christen hier beneden, en wie dat beleeft, heeft niets nodig, want hij heeft alle dingen in Christus. Wat is dan de hoogste trap van genade waartoe een ziel kan opklimmen? Waar schitterde de genade zo verheven als in de Heere Jezus Christus? En waar openbaarde de genade zich meer dan in de donkere hof en aan het kruis? Was de menselijke natuur van Christus niet duidelijk met de Geest vervuld, en blonk niet elke genade in Hem meer uit in Gethsémané en op Golgotha dan toen Hij op de berg van de verheerlijking was?
Zo blinkt ook de genade in het hart van een kind van God, dat onder beproeving en verzoeking kan zeggen: „Uw wil geschiede”, en dat zich onderwerpt aan de kastijdende roede van zijn hemelse Vader, meer uit dan wanneer hij zich baadt in de volle stralen van de Zon van de gerechtigheid. Hoe vaak vergissen wij ons hierin, wanneer wij verlangen naar genieten, in plaats van te beseffen dat de ware genade ons onderworpen maakt aan de wil van God, of wij nu in het dal of op de berg zijn!
Aan de lezer…
Hoe donker kan het worden wanneer u meent dat de genade in u dood is, omdat u geen zoete genietingen meer kent en uw weg door het dal gaat! Verlangt u naar de berg, en tast u dagelijks in het donker? Zie dan naar Hem in Wie de genade het heerlijkst schitterde: niet het meest op de berg van de verheerlijking, maar in Gethsémané en op Golgotha, waar Hij Zich onderwierp aan de wil van Zijn Vader.
Zo kan het ook in uw ziel zijn. Waar de Geest van de Heere het werk van de lijdzaamheid werkte, daar blinkt de genade misschien meer uit dan in de dagen van overvloed. Kunt u onder de kastijdende roede, al is het met tranen, stamelen: „Uw wil geschiede”? Dan is daar Gods eigen werk in u, en wat Hij begonnen heeft, laat Hij rijpen. Wie alles in Christus heeft, mag arm zijn in zichzelf en toch in geen ding gebrekkelijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“That ye may be perfect and entire, wanting nothing.”
James 1:4
The word “perfect” in the Scripture does not mean, as applied to a saint of God, anything approaching to the usual idea of perfection, as implying spotless, sinless holiness, but one who is ‘matured’ and ripened in the life of God, no longer a child but a grown man. As a tree grown to its full stature is said to have attained perfection; so when the Lord the Spirit has brought forth the work of patience in your soul, as far as regards that work you are perfect, for it is God’s work in you; and so far you are “entire,” that is, possessing all which that grace gives, and “lacking nothing” which that grace can communicate.
To submit wholly to the will of God, and be lost and swallowed up in conformity to it, is the height of Christian perfection here below; and he that has that, lacks nothing, for he has all things in Christ. What, then, is the greatest height of grace to which the soul can arrive? Where did grace shine forth so conspicuously as in the Lord Jesus Christ? and where did grace manifest itself more than in the gloomy garden and on the suffering cross? Was not the human nature of Jesus more manifestly filled with the Spirit, and did not every grace shine forth in Him more conspicuously in Gethsemane and on Calvary than when enraptured upon the Mount of Transfiguration?
So there is more manifested grace in the heart of a saint of God who, under trial and temptation, can say, “Your will be done,” and submit himself to the chastening rod of his heavenly Father, than when he is basking in the full beams of the Sun of righteousness. How often we are mistaken in this matter; longing for enjoyment, instead of seeing that true grace makes us submit to the will of God, whether in the valley or upon the mount!
To the reader…
How dark it can become when you think the grace in you is dead, because you no longer know sweet enjoyments and your way goes through the valley! Do you long for the mount, and do you grope in the dark day by day? Then look to Him in Whom grace shone most gloriously: not most on the Mount of Transfiguration, but in Gethsemane and on Golgotha, where He submitted to His Father’s will.
So it may be in your soul too. Where the Spirit of the Lord has worked the work of patience, grace may shine more brightly there than in the days of abundance. Can you, under the chastening rod, even with tears, stammer, “Thy will be done”? Then God’s own work is there in you, and what He has begun, He will ripen. Whoever has all things in Christ may be poor in himself and yet want for nothing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Para que seáis perfectos y cabales, sin faltar en alguna cosa.”
Santiago 1:4
La palabra “perfecto” en la Escritura, aplicada a un santo de Dios, no significa nada que se acerque a la idea usual de perfección, como si implicara una santidad sin mancha y sin pecado, sino uno que ha “madurado” y se ha sazonado en la vida de Dios, que ya no es un niño sino un hombre hecho. Así como de un árbol que ha alcanzado su plena estatura se dice que ha llegado a la perfección, así, cuando el Señor el Espíritu ha producido la obra de la paciencia en su alma, en lo que toca a esa obra usted es perfecto, porque es obra de Dios en usted; y en esa medida es “cabal”, es decir, posee todo lo que esa gracia da, y “no le falta nada” de lo que esa gracia puede comunicar.
Someterse por entero a la voluntad de Dios, y perderse y quedar absorbido en la conformidad con ella, es la cumbre de la perfección cristiana aquí abajo; y el que tiene eso, nada le falta, porque tiene todas las cosas en Cristo. ¿Cuál es, pues, la mayor altura de gracia a la que el alma puede llegar? ¿Dónde resplandeció la gracia tan notablemente como en el Señor Jesucristo? ¿Y dónde se manifestó la gracia más que en el sombrío huerto y en la cruz del sufrimiento? ¿No estaba la naturaleza humana de Jesús más manifiestamente llena del Espíritu, y no resplandecía toda gracia en Él más notablemente en Getsemaní y en el Calvario que cuando estaba arrebatado en el monte de la Transfiguración?
Así hay más gracia manifestada en el corazón de un santo de Dios que, bajo la prueba y la tentación, puede decir: “Hágase Tu voluntad”, y se somete a la vara de corrección de su Padre celestial, que cuando se recrea en los plenos rayos del Sol de justicia. ¡Cuán a menudo nos equivocamos en esto, anhelando el gozo en lugar de ver que la verdadera gracia nos hace someternos a la voluntad de Dios, sea en el valle o sobre el monte!
Al lector…
¡Qué oscuro puede volverse todo cuando usted piensa que la gracia en usted está muerta, porque ya no conoce dulces gozos y su camino pasa por el valle! ¿Anhela el monte, y anda a tientas en la oscuridad día tras día? Entonces mire a Aquel en Quien la gracia resplandeció más gloriosamente: no tanto en el monte de la Transfiguración, sino en Getsemaní y en el Gólgota, donde se sometió a la voluntad de Su Padre.
Así puede ser también en su alma. Donde el Espíritu del Señor ha obrado la obra de la paciencia, la gracia puede resplandecer allí con más brillo que en los días de abundancia. ¿Puede usted, bajo la vara de corrección, aun con lágrimas, balbucear: “Hágase Tu voluntad”? Entonces la obra misma de Dios está ahí en usted, y lo que Él ha comenzado, lo hará madurar. Quien tiene todas las cosas en Cristo puede ser pobre en sí mismo y, sin embargo, no carecer de nada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl