gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt.
1 Petrus 1:8a
Hoe spreekt dit tot onze harten! En zijn er niet enigen, zo niet velen van ons, die ook kunnen zeggen: „Dewelke wij niet gezien en nochtans liefhebben”? Hebben wij Hem niet lief, waarde lezers? Is Zijn naam ons niet kostbaar als de uitgegoten zalf? Maar wij hebben Hem niet gezien. Neen, niet door het oog des lichaams; maar wij hebben Hem gezien door het oog des geloofs, want Hij heeft Zich aan ons of aan enigen onzer geopenbaard, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als van de eengeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid.
Het is dus door het geloof dat wij Jezus zien. Wij lezen van Mozes dat „hij door het geloof Egypte verlaten heeft, niet vrezende de toorn des konings; want hij hield zich vast als ziende de Onzienlijke”. Zo zien wij de Heere Jezus, Die onzichtbaar is, door het geloof; want daar „het geloof een vaste grond is der dingen die men hoopt”, zo is het ook „het bewijs der zaken die men niet ziet”. Dus zien wij dat wij Jezus zien als Hij tot de ziel komt en Zich aan haar openbaart.
En daar Hij altijd met Zijn liefde komt, en door Zich te openbaren Zich in Zijn liefde openbaart, zo doet die geopenbaarde liefde in het hart van de gelovige wederliefde ontbranden. Het is het bijzondere werk van de Heilige Geest van Christus te getuigen, Hem te verheerlijken, van de dingen te ontvangen die van Christus zijn en ze aan de ziel te vertonen. Zo omhelst en geniet de liefde wat zij gelooft van de Persoon en het werk van Christus, in het licht van Christus’ eigen openbaring van Zichzelf en door de gezegende werking en de getuigenis van de Heilige Geest.
Ik loof de Heer, mijn God,
mijn zang klimm’ op naar ’t hemelhof,
mijn mond zing’ eeuwig tot zijn lof
om mijn gelukkig lot.
Mijn ziel, loof d’ Opperheer!
’t Zachtmoedig volk zal ’t straks verstaan,
door vreugd met u zijn aangedaan
en juichen tot zijn eer.
Psalm 34:1
Aan de lezer…
Wanneer u gevraagd wordt of u Hem liefhebt, Die u nooit met het oog des lichaams hebt gezien, durft u het misschien nauwelijks te zeggen, omdat uw liefde u zo koud en zwak toeschijnt. Maar is Zijn naam u niet dierbaar? Verlangt u niet naar een woord van Hem, naar een blik van Zijn genade? Dat verlangen is niet uit uzelf; het is de wederliefde die ontbrandt waar Hij Zich in Zijn liefde geopenbaard heeft.
Want het is het werk van de Heilige Geest om van Christus te getuigen en de dingen van Christus aan de ziel te vertonen. Ziet u Hem nu niet, wacht dan op Hem door het geloof, zoals Mozes standhield als ziende de Onzienlijke. Hij komt nooit anders dan met Zijn liefde, en waar Hij komt, wordt een koud hart verwarmd. Zoek dan niet in uw eigen gevoelens de grond van uw hoop, maar in Hem, vol van genade en waarheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt.
1 Petrus 1:8a
Hoe spreekt dit tot onze harten! En zijn er niet sommigen, zo niet velen van ons, die ook kunnen zeggen: „Dewelke wij niet gezien en nochtans liefhebben”? Hebben wij Hem niet lief, waarde lezers? Is Zijn Naam ons niet kostbaar als een uitgegoten zalf? Maar wij hebben Hem niet gezien. Nee, niet met het oog van het lichaam; maar wij hebben Hem gezien met het oog van het geloof. Want Hij heeft Zich aan ons, of aan sommigen van ons, geopenbaard, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid.
Het is dus door het geloof dat wij Jezus zien. Wij lezen van Mozes dat „hij door het geloof Egypte verlaten heeft, niet vrezende de toorn des konings; want hij hield zich vast als ziende de Onzienlijke”. Zo zien wij de Heere Jezus, Die onzichtbaar is, door het geloof. Want zoals „het geloof een vaste grond is der dingen die men hoopt”, zo is het ook „het bewijs der zaken die men niet ziet”. Zo zien wij dus dat wij Jezus zien wanneer Hij tot de ziel komt en Zich aan haar openbaart.
En omdat Hij altijd met Zijn liefde komt, en Zich bij het openbaren in Zijn liefde openbaart, doet die geopenbaarde liefde in het hart van de gelovige wederliefde ontbranden. Het is het bijzondere werk van de Heilige Geest om van Christus te getuigen, Hem te verheerlijken, en te ontvangen van wat van Christus is en dat aan de ziel te tonen. Zo omhelst en geniet de liefde wat zij gelooft van de Persoon en het werk van Christus, in het licht van Christus’ eigen openbaring van Zichzelf en door de gezegende werking en het getuigenis van de Heilige Geest.
Ik loof de Heer, mijn God,
mijn zang klimm’ op naar ’t hemelhof,
mijn mond zing’ eeuwig tot zijn lof
om mijn gelukkig lot.
Mijn ziel, loof d’ Opperheer!
’t Zachtmoedig volk zal ’t straks verstaan,
door vreugd met u zijn aangedaan
en juichen tot zijn eer.
Psalm 34:1
Aan de lezer…
Wanneer u gevraagd wordt of u Hem liefhebt, Die u nooit met het oog van het lichaam hebt gezien, durft u het misschien nauwelijks te zeggen, omdat uw liefde u zo koud en zwak lijkt. Maar is Zijn Naam u niet dierbaar? Verlangt u niet naar een woord van Hem, naar een blik van Zijn genade? Dat verlangen komt niet uit uzelf; het is de wederliefde die ontbrandt waar Hij Zich in Zijn liefde geopenbaard heeft.
Want het is het werk van de Heilige Geest om van Christus te getuigen en wat van Christus is aan de ziel te tonen. Ziet u Hem nu niet, wacht dan op Hem door het geloof, zoals Mozes zich vasthield als ziende de Onzienlijke. Hij komt nooit anders dan met Zijn liefde, en waar Hij komt, wordt een koud hart verwarmd. Zoek de grond van uw hoop dan niet in uw eigen gevoelens, maar in Hem, vol van genade en waarheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Whom having not seen, ye love.
1 Peter 1:8
How this speaks to our hearts; and cannot some, if not many of us say too, “Whom having not seen, we love?” Do we not love Him, dear readers? Is not His Name precious to us as the ointment poured forth? But we have not seen Him. No, not by the eye of sense and nature; but we have seen Him by the eye of faith; for He has manifested Himself to us, or to some of us, and we have seen His glory, the glory as of the only-begotten of the Father, full of grace and truth.
It is, then, by faith that we see Jesus. We read of Moses that, “by faith he forsook Egypt, not fearing the wrath of the king; for he endured, as seeing Him Who is invisible.” So by faith we see Jesus Who is invisible; for as faith is “the substance of things hoped for,” so is it “the evidence of things not seen.”
Thus we see that it is by Jesus coming to the soul and manifesting Himself unto it that we see Him. And as He always comes with His love, and in manifesting Himself manifests Himself in His love, that manifested love kindles, raises, and draws up a corresponding love in the believer’s heart. It is the express, the special work of the Holy Spirit to testify of Christ, to glorify Him, to receive of the things which are Christ’s and to show them unto the soul; and thus in the light of Christ’s own manifestations of Himself and the blessed Spirit’s work and witness of Him, what faith believes of the Person and work of Christ love embraces and enjoys.
To the reader…
When you are asked whether you love Him, Whom you have never seen with the eye of the body, you perhaps hardly dare to say so, because your love seems so cold and weak to you. But is not His Name precious to you? Do you not long for a word from Him, for a glimpse of His grace? That longing does not come from yourself; it is the answering love that is kindled where He has revealed Himself in His love.
For it is the work of the Holy Spirit to testify of Christ and to show the things of Christ to the soul. If you do not see Him now, wait for Him by faith, as Moses endured as seeing Him Who is invisible. He never comes but with His love, and where He comes, a cold heart is warmed. Do not seek the ground of your hope, then, in your own feelings, but in Him, full of grace and truth.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al cual, no habiendo visto, Le amáis.
1 Pedro 1:8
¡Cómo habla esto a nuestros corazones! ¿Y no pueden algunos, si no muchos de nosotros, decir también: “Al cual, no habiendo visto, Le amamos”? ¿No Le amamos, queridos lectores? ¿No es Su Nombre precioso para nosotros como ungüento derramado? Pero no Le hemos visto. No, no con el ojo de los sentidos y de la naturaleza; pero Le hemos visto con el ojo de la fe; porque Él se nos ha manifestado, o se ha manifestado a algunos de nosotros, y hemos visto Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad.
Es, pues, por la fe que vemos a Jesús. Leemos de Moisés que “por fe dejó a Egipto, no temiendo la ira del rey; porque se sostuvo como viendo al Invisible”. Así por la fe vemos a Jesús, que es invisible; porque así como la fe es “la sustancia de las cosas que se esperan”, así es “la demostración de las cosas que no se ven”.
Así vemos que es por la venida de Jesús al alma, y por Su manifestación a ella, que Le vemos. Y como Él siempre viene con Su amor, y al manifestarse se manifiesta en Su amor, ese amor manifestado enciende, levanta y atrae un amor correspondiente en el corazón del creyente. Es la obra expresa y especial del Espíritu Santo dar testimonio de Cristo, glorificarle, tomar de lo que es de Cristo y mostrarlo al alma; y así, a la luz de las propias manifestaciones de Cristo y de la obra y el testimonio del bendito Espíritu acerca de Él, lo que la fe cree de la Persona y la obra de Cristo, el amor lo abraza y lo disfruta.
Al lector…
Cuando se le pregunta si ama a Aquel a quien nunca ha visto con el ojo del cuerpo, quizá apenas se atreve a decirlo, porque su amor le parece tan frío y débil. Pero ¿no es Su Nombre precioso para usted? ¿No anhela una palabra de Él, un destello de Su gracia? Ese anhelo no viene de usted mismo; es el amor que responde, encendido allí donde Él se ha revelado en Su amor.
Porque es la obra del Espíritu Santo dar testimonio de Cristo y mostrar al alma las cosas de Cristo. Si ahora no Le ve, espérele por la fe, como Moisés se sostuvo como viendo al Invisible. Él nunca viene sino con Su amor, y donde Él viene, un corazón frío se calienta. No busque, pues, el fundamento de su esperanza en sus propios sentimientos, sino en Él, lleno de gracia y de verdad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossensen 2:9
Zijn geliefde Zoon te verheerlijken is vanaf het begin der tijden het voornemen van de Vader geweest, en zowel in het plan als in de uitvoering heeft Hij getoond hoe diepgaand Zijn oneindige wijsheid, macht en liefde zijn. Dat de eeuwige Zoon van God met Zijn goddelijke Persoon het vlees en het bloed van de kinderen innig en onverbrekelijk verenigt, opdat Hij in die hoedanigheid de rijkdom van de allerhoogste genade, de toppen en dalen van de eeuwige liefde en de volheid van de ongeschapen heerlijkheid van een Drie-enige HEERE zichtbaar kan maken, is vanaf het begin der tijden de vaste richtlijn en het vaste doel van de grote en heerlijke, door Zichzelf zelfbestaande IK BEN. En de hele schepping, de voorzienigheid en alle gebeurtenissen en omstandigheden met betrekking tot tijd en ruimte waren oorspronkelijk ingesteld om dit oorspronkelijke plan ten uitvoer te kunnen brengen.
De schepping, met al haar wonderen van macht en wijsheid, was niet noodzakelijk voor het geluk of de heerlijkheid van de zelfbestaande HEERE. Vader, Zoon en Heilige Geest hadden, vanaf het begin der tijden, die heilige, innige verbinding en onderlinge omgang met elkaar, die wederzijdse liefde en onzegbare vriendschap van drie onderscheiden Personen en toch slechts één God, Die de schepping vergroten noch schaden kon. De tijd, met al zijn voorvallen, is slechts een moment; de ruimte, met al haar dimensies, is slechts een vlek vergeleken met het bestaan van een God Die de eeuwigheid bewoont en daarmee alle tijd en alle ruimte vult.
Dat een zelfbestaande God meer dan genoeg heeft aan Zijn eigen geluk en Zijn eigen heerlijkheid, is een waarheid die even vanzelfsprekend is voor een gelovig hart als het bestaan van God Zelf. Maar het behaagde de heilige Drie-enige HEERE dat Zijn hemelse heerlijkheid naar buiten toe zou worden geopenbaard, en dit moest door de menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid, tot stand worden gebracht.
Lezen: Kolossensen 2:1-15
Aan de lezer…
U die zich soms zo klein en nietig voelt dat u zich afvraagt of de grote God wel aan u kan denken, bedenk dit: Hij Die de eeuwigheid bewoont, Die alle tijd en alle ruimte vult, had uw aanbidding niet nodig om gelukkig te zijn. Vader, Zoon en Heilige Geest waren van eeuwigheid volkomen in Zichzelf. En toch behaagde het Hem Zijn heerlijkheid naar buiten te openbaren, en dat niet op afstand, maar in het vlees en bloed van de kinderen.
Zie dan op Hem in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Daar is de toegang voor een arme zondaar: niet een God Die in onbereikbaar licht verborgen blijft, maar de Zoon Die onze natuur heeft aangenomen. Is uw hart leeg, uw wijsheid kort en uw kracht op? In Hem is volheid, genoeg voor een eeuwigheid. Het was van den beginne het voornemen van de Vader Zijn geliefde Zoon te verheerlijken; wie dan arm en ledig tot die Zoon komt, gaat in de weg die God Zelf gebaand heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossensen 2:9
Het is van eeuwigheid het voornemen van de Vader geweest om Zijn geliefde Zoon te verheerlijken. Zowel in het plan als in de uitvoering ervan heeft Hij getoond hoe diep Zijn oneindige wijsheid, macht en liefde zijn. De eeuwige Zoon van God zou in Zijn goddelijke Persoon het vlees en bloed van de kinderen innig en onverbrekelijk met Zich verenigen, zodat Hij in die hoedanigheid de rijkdom van de allerhoogste genade, de hoogten en diepten van de eeuwige liefde en de volheid van de ongeschapen heerlijkheid van een Drie-enige HEERE zichtbaar kon maken. Dat is van eeuwigheid het vaste plan en het vaste doel geweest van de grote en heerlijke, door Zichzelf bestaande IK BEN. En de hele schepping, de voorzienigheid en alle gebeurtenissen en omstandigheden in tijd en ruimte waren oorspronkelijk erop gericht dit oorspronkelijke plan ten uitvoer te brengen.
De schepping, met al haar wonderen van macht en wijsheid, was niet nodig voor het geluk of de heerlijkheid van de zelfbestaande HEERE. Vader, Zoon en Heilige Geest hadden van eeuwigheid die heilige, innige gemeenschap en onderlinge omgang met elkaar, die wederzijdse liefde en onuitsprekelijke vriendschap van drie onderscheiden Personen en toch maar één God, waaraan de schepping niets kon toevoegen en niets kon afdoen. De tijd, met al zijn gebeurtenissen, is maar een ogenblik; de ruimte, met al haar afmetingen, is maar een stip vergeleken met het bestaan van een God Die de eeuwigheid bewoont en daarmee alle tijd en alle ruimte vult.
Dat een zelfbestaande God meer dan genoeg heeft aan Zijn eigen geluk en Zijn eigen heerlijkheid, is voor een gelovig hart een waarheid die even vanzelfsprekend is als het bestaan van God Zelf. Maar het behaagde de heilige Drie-enige HEERE dat Zijn hemelse heerlijkheid naar buiten geopenbaard zou worden. Dat moest tot stand komen door de menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid.
Lezen: Kolossensen 2:1-15
Aan de lezer…
U die zich soms zo klein en nietig voelt dat u zich afvraagt of de grote God wel aan u kan denken, bedenk dit: Hij Die de eeuwigheid bewoont, Die alle tijd en alle ruimte vult, had uw aanbidding niet nodig om gelukkig te zijn. Vader, Zoon en Heilige Geest waren van eeuwigheid volkomen in Zichzelf. En toch behaagde het Hem Zijn heerlijkheid naar buiten te openbaren, en dat niet op afstand, maar in het vlees en bloed van de kinderen.
Zie dan op Hem in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Daar is de toegang voor een arme zondaar: niet een God Die in onbereikbaar licht verborgen blijft, maar de Zoon Die onze natuur heeft aangenomen. Is uw hart leeg, uw wijsheid kort en uw kracht op? In Hem is volheid, genoeg voor een eeuwigheid. Het was van eeuwigheid het voornemen van de Vader om Zijn geliefde Zoon te verheerlijken; wie dan arm en leeg tot die Zoon komt, gaat de weg die God Zelf gebaand heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For in Him dwelleth all the fulness of the Godhead bodily.
Colossians 2:9
It has been the purpose of the Father from all eternity to glorify His dear Son. Both in the plan and in its execution He has shown how deep are His infinite wisdom, power and love. The eternal Son of God was to unite intimately and indissolubly to Himself, in His Divine Person, the flesh and blood of the children, so that in that character He might make visible the riches of the highest grace, the heights and depths of eternal love and the fulness of the uncreated glory of a Triune JEHOVAH. That has been from all eternity the fixed plan and the fixed purpose of the great and glorious, self-existent I AM. And the whole of creation, providence and all the events and circumstances in time and space were originally directed to the carrying out of this original plan.
Creation, with all its wonders of power and wisdom, was not needed for the happiness or the glory of the self-existent JEHOVAH. Father, Son and Holy Ghost had from all eternity that holy, intimate communion and mutual fellowship with each other, that mutual love and unspeakable friendship of three distinct Persons and yet but one God, to which creation could add nothing and from which it could take nothing away. Time, with all its events, is but a moment; space, with all its dimensions, is but a speck compared with the existence of a God Who inhabiteth eternity and thereby fills all time and all space.
That a self-existent God has more than enough in His own happiness and His own glory is to a believing heart a truth as self-evident as the existence of God Himself. But it pleased the holy Triune JEHOVAH that His heavenly glory should be manifested outwardly. That was to be brought about by the incarnation of the Son of God, the second Person of the holy Trinity.
Reading: Colossians 2:1-15
To the reader…
You who sometimes feel so small and insignificant that you wonder whether the great God can think of you at all, consider this: He Who inhabits eternity, Who fills all time and all space, did not need your worship in order to be happy. Father, Son and Holy Ghost were from all eternity complete in Themselves. And yet it pleased Him to manifest His glory outwardly, and that not at a distance, but in the flesh and blood of the children.
Look, then, to Him in Whom dwells all the fulness of the Godhead bodily. There is the way of access for a poor sinner: not a God Who remains hidden in unapproachable light, but the Son Who has taken our nature. Is your heart empty, your wisdom short and your strength spent? In Him is fulness, enough for an eternity. It was the Father’s purpose from all eternity to glorify His dear Son; whoever, then, comes poor and empty to that Son walks the way that God Himself has made.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente.
Colosenses 2:9
Ha sido el propósito del Padre desde toda la eternidad glorificar a Su amado Hijo. Tanto en el plan como en su ejecución ha mostrado cuán profundos son Su infinita sabiduría, poder y amor. El eterno Hijo de Dios había de unir a Sí mismo, íntima e indisolublemente, en Su Persona divina, la carne y la sangre de los hijos, para que en ese carácter hiciera visibles las riquezas de la más alta gracia, las alturas y profundidades del amor eterno y la plenitud de la gloria increada de un JEHOVÁ trino. Ese ha sido desde toda la eternidad el plan fijo y el propósito fijo del grande y glorioso YO SOY, que existe por Sí mismo. Y toda la creación, la providencia y todos los acontecimientos y circunstancias en el tiempo y el espacio fueron dirigidos originalmente a la realización de este plan original.
La creación, con todas sus maravillas de poder y sabiduría, no era necesaria para la felicidad ni para la gloria del JEHOVÁ que existe por Sí mismo. El Padre, el Hijo y el Espíritu Santo tenían desde toda la eternidad esa santa e íntima comunión y mutua compañía entre Sí, ese amor mutuo y esa amistad inefable de tres Personas distintas y sin embargo un solo Dios, a la cual la creación no podía añadir nada ni quitar nada. El tiempo, con todos sus acontecimientos, no es más que un momento; el espacio, con todas sus dimensiones, no es más que una mota comparado con la existencia de un Dios que habita la eternidad y por ello llena todo tiempo y todo espacio.
Que un Dios que existe por Sí mismo tiene más que suficiente en Su propia felicidad y Su propia gloria es para un corazón creyente una verdad tan evidente como la existencia de Dios mismo. Pero agradó al santo JEHOVÁ trino que Su gloria celestial se manifestara exteriormente. Eso había de realizarse por la encarnación del Hijo de Dios, la segunda Persona de la santa Trinidad.
Lectura: Colosenses 2:1-15
Al lector…
Usted que a veces se siente tan pequeño e insignificante que se pregunta si el gran Dios puede siquiera pensar en usted, considere esto: Aquel que habita la eternidad, que llena todo tiempo y todo espacio, no necesitaba su adoración para ser feliz. El Padre, el Hijo y el Espíritu Santo eran desde toda la eternidad completos en Sí mismos. Y sin embargo le agradó manifestar Su gloria exteriormente, y eso no a distancia, sino en la carne y la sangre de los hijos.
Mire, pues, a Aquel en Quien habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente. Ahí está el camino de acceso para un pobre pecador: no un Dios que permanece oculto en luz inaccesible, sino el Hijo que ha tomado nuestra naturaleza. ¿Está su corazón vacío, su sabiduría escasa y su fuerza agotada? En Él hay plenitud, suficiente para una eternidad. Fue el propósito del Padre desde toda la eternidad glorificar a Su amado Hijo; quien viene, pues, pobre y vacío a ese Hijo anda por el camino que Dios mismo ha hecho.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen; want Gij zijt met mij, Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Psalm 23:4
De dood, de koning der verschrikkingen! De dood, met zijn zeis in zijn niet te ontwijken hand, maait miljoenen mensen van het veld des levens af. De dood begluurt zijn slachtoffers op elke hoek; de dood zal zeer spoedig u en mij in het graf leggen, en hij werpt zijn schaduw overal waar hij komt. Hij bezoekt de ziekenkamer en werpt daar een schaduw; hij beweegt zich over de wieg en zijn schaduw valt op het aangezicht van het kind. Hij komt met een brief uit het verre Indië, of met een zwartomrande rouwbrief uit onze omgeving, en die wordt ons ter hand gesteld.
En deze tijdingen of tekenen werpen een zwarte schaduw over onze harten. In waarheid, waar is er een plaats waar de dood zijn schaduw niet vertoont? Waar is het huis waar zijn schaduw nooit is waargenomen? Een feit is het dat hij nooit zonder schaduw komt. Hij is de laatste vijand, hij is de uiteindelijke vervulling van de oorspronkelijke vloek.
En ofschoon de dood voor een kind van God van zijn verschrikkingen is ontdaan, van zijn angel is beroofd en van zijn overwinning ontwapend, en ofschoon hij voor de stervende gelovige slechts een doorgang des levens is, om in te gaan in de gewesten der eeuwige zaligheid, wij kunnen zeggen wat wij willen, maar ook die doorgang werpt een schaduw af. Zelfs David, ofschoon vervuld van een zoet vertrouwen dat de Heere zijn Herder was, ten tijde dat zijn beker overvloeide van des Heeren goedertierenheid en liefde, noemt het „een dal der schaduw des doods”. De stok en de staf vertroostten hem en hij vreesde geen kwaad, maar toch was het een dal waarover dreigende bergen en donkere wouden hingen, en de schaduw des doods was er van het begin tot het einde over uitgespreid.
Evenwel is het maar een schaduw. Voor de genadeloze, voor degene die Christus niet kent, voor de onboetvaardige en ongelovige, is het geen schijn, maar werkelijkheid, want de toorn Gods, die brandt tot in het onderste van de hel, wacht hem op aan het eind van het dal, om hem neder te stoten in de poel die brandt van vuur en sulfer. Doch voor degenen die in de Heere sterven, in de zoete genieting van de vrede door Zijn bloed, is het slechts een voorbijgaande schaduw. Voor hen stierf de dood toen Jezus stierf. De dood werd in Zijn graf begraven, doch stond niet met Hem op, want Hij vernietigde hem en bracht het leven en de onverderfelijkheid aan het licht.
Aan de lezer…
Ziet u met vreze naar dat donkere dal dat voor u ligt? Waarde lezer, schaam u daar niet over; ook David noemde het een dal der schaduw des doods, en de schaduw lag er van het begin tot het einde over. Misschien is er een rouwbrief in uw huis gekomen, of staat u bij een ziekbed, en voelt u die koude schaduw over uw hart vallen. Het is waar: de dood komt nooit zonder schaduw.
Maar hoor wat de Psalm zegt: „Gij zijt met mij.” Voor wie in de Heere sterft, in de vrede door Zijn bloed, is het maar een schaduw, en een schaduw kan niet doden. Jezus stierf, en de dood werd in Zijn graf begraven, maar stond niet met Hem op. Klem u dan vast aan die Herder, ook al is uw geloof zwak en uw zicht beneveld. Zijn stok en Zijn staf zijn er om u te vertroosten, en Hij Die het leven en de onverderfelijkheid aan het licht bracht, zal u door het dal heen dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen; want Gij zijt met mij, Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Psalm 23:4
De dood, de koning van de verschrikkingen! De dood maait met de zeis in zijn onontkoombare hand miljoenen mensen weg van het veld van het leven. De dood loert op elke hoek op zijn slachtoffers; de dood zal u en mij heel binnenkort in het graf leggen, en hij werpt zijn schaduw overal waar hij komt. Hij bezoekt de ziekenkamer en werpt daar een schaduw; hij beweegt zich over de wieg en zijn schaduw valt op het gezicht van het kind. Hij komt met een brief uit het verre Indië, of met een rouwbrief met zwarte rand uit onze omgeving, en die wordt ons in handen gegeven.
En zulke berichten of tekenen werpen een zwarte schaduw over ons hart. Waar is in waarheid een plaats waar de dood zijn schaduw niet laat zien? Waar is het huis waar zijn schaduw nooit is opgemerkt? Het is een feit dat hij nooit zonder schaduw komt. Hij is de laatste vijand, hij is de uiteindelijke vervulling van de oorspronkelijke vloek.
De dood is voor een kind van God ontdaan van zijn verschrikkingen, beroofd van zijn angel en ontwapend in zijn overwinning, en voor de stervende gelovige is hij slechts een doorgang naar het leven, om de gewesten van de eeuwige zaligheid binnen te gaan. Toch, wij kunnen zeggen wat wij willen, ook die doorgang werpt een schaduw af. Zelfs David, hoewel vervuld van een zoet vertrouwen dat de Heere zijn Herder was, in een tijd dat zijn beker overvloeide van de goedertierenheid en liefde van de Heere, noemt het „een dal der schaduw des doods”. De stok en de staf vertroostten hem en hij vreesde geen kwaad, maar toch was het een dal waarboven dreigende bergen en donkere wouden hingen, en de schaduw van de dood lag er van begin tot eind over uitgespreid.
Toch is het maar een schaduw. Voor de mens zonder genade, voor wie Christus niet kent, voor de onboetvaardige en ongelovige, is het geen schijn maar werkelijkheid, want de toorn van God, die brandt tot in het onderste van de hel, wacht hem aan het einde van het dal op om hem neer te stoten in de poel die brandt van vuur en zwavel. Maar voor hen die in de Heere sterven, in het zoete genieten van de vrede door Zijn bloed, is het slechts een voorbijgaande schaduw. Voor hen stierf de dood toen Jezus stierf. De dood werd in Zijn graf begraven, maar stond niet met Hem op, want Hij vernietigde hem en bracht het leven en de onverderfelijkheid aan het licht.
Aan de lezer…
Ziet u met vrees naar dat donkere dal dat voor u ligt? Schaam u daar niet voor; ook David noemde het een dal van de schaduw van de dood, en de schaduw lag er van begin tot eind over. Misschien is er een rouwbrief in uw huis gekomen, of staat u bij een ziekbed, en voelt u die koude schaduw over uw hart vallen. Het is waar: de dood komt nooit zonder schaduw.
Maar hoor wat de psalm zegt: „Gij zijt met mij.” Voor wie in de Heere sterft, in de vrede door Zijn bloed, is het maar een schaduw, en een schaduw kan niet doden. Jezus stierf, en de dood werd in Zijn graf begraven, maar stond niet met Hem op. Klem u dan vast aan die Herder, ook al is uw geloof zwak en uw zicht beneveld. Zijn stok en Zijn staf zijn er om u te vertroosten, en Hij Die het leven en de onverderfelijkheid aan het licht bracht, zal u door het dal heen dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Yea, though I walk through the valley of the shadow of death, I will fear no evil: for thou art with me; thy rod and thy staff they comfort me.”
Psalm 23:4
Death, the gaunt king of terrors; Death, who with his scythe in his resistless hand, mows down whole millions of the human race; Death, who awaits his victims at every corner; Death, that must soon lay you and I low in the grave, casts a shadow wherever he comes. He visits the sick room, and casts a shadow there; he hangs over the cradle, and his shadow falls on the infant’s face; he comes in the letter from abroad, or with the black seal and mourning envelope put into our hand at home; and these tidings or these tokens cast a deep shadow over our hearts. Indeed, where is the place where death does not cast his shadow? where the house where this shade has never fallen? In fact, he never comes without it. He is “the last enemy;” he is the final fulfillment of the original curse.
And though death, to a saint of God, is stripped of its terrors, robbed of its sting, and disarmed of its victory; though, to the expiring believer it is but a portal of life into the mansions of eternal bliss, yet, say what we may, the portal casts a shadow. Even David, though full of sweet confidence that “the Lord was his Shepherd,” at the very time when “his cup ran over” with the Lord’s goodness and love, calls it “the valley of the shadow of death.” “The rod and the staff” comforted him, and he “feared no evil,” but it was still “a valley,” overhung by frowning mountains and dark, overarching woods, and “the shadow of death” was spread upon it from the entrance to the end. And yet it is but a “shadow.”
To the graceless, the Christless, the impenitent, the unbelieving, it is a substance, for the wrath of God, which burns to the lowest hell, awaits them at the end of the valley, to plunge them into the lake that burns with fire and brimstone. But to those who die in the Lord, in the sweet enjoyment of peace through His blood, it is but a passing shadow. For them the substance died when Jesus died. It was buried in His tomb, but did not rise with Him, for He destroyed it when He “abolished death and brought life and immortality to light.”
To the reader…
Do you look with fear at that dark valley that lies ahead of you? Do not be ashamed of it; David too called it a valley of the shadow of death, and the shadow lay over it from beginning to end. Perhaps a letter of mourning has come into your home, or you stand by a sickbed, and you feel that cold shadow fall over your heart. It is true: death never comes without a shadow.
But hear what the psalm says: “Thou art with me.” For whoever dies in the Lord, in the peace that comes through His blood, it is only a shadow, and a shadow cannot kill. Jesus died, and death was buried in His tomb, but did not rise with Him. Cling, then, to that Shepherd, even though your faith is weak and your sight clouded. His rod and His staff are there to comfort you, and He Who brought life and immortality to light will carry you through the valley.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Aunque ande en valle de sombra de muerte, no temeré mal alguno; porque Tú estarás conmigo: Tu vara y Tu cayado me infundirán aliento.”
Salmo 23:4
La muerte, el descarnado rey de los terrores; la muerte, que con su guadaña en su mano irresistible siega millones enteros de la raza humana; la muerte, que aguarda a sus víctimas en cada esquina; la muerte, que pronto ha de abatirnos a usted y a mí en la tumba, proyecta una sombra dondequiera que llega. Visita el cuarto del enfermo, y proyecta allí una sombra; se cierne sobre la cuna, y su sombra cae sobre el rostro del niño; llega en la carta del extranjero, o con el sello negro y el sobre de luto que se nos pone en la mano en casa; y estas noticias o estas señales proyectan una honda sombra sobre nuestro corazón. En verdad, ¿dónde está el lugar en que la muerte no proyecte su sombra? ¿Dónde la casa sobre la que nunca ha caído esta sombra? De hecho, nunca viene sin ella. Es “el postrer enemigo”; es el cumplimiento final de la maldición original.
Y aunque la muerte, para un santo de Dios, está despojada de sus terrores, privada de su aguijón y desarmada de su victoria; aunque para el creyente que expira no es sino un pórtico de vida hacia las moradas de la dicha eterna, aun así, digamos lo que digamos, el pórtico proyecta una sombra. Aun David, aunque lleno de dulce confianza en que “Jehová era su pastor”, en el mismo momento en que “su copa rebosaba” de la bondad y el amor del Señor, lo llama “valle de sombra de muerte”. “La vara y el cayado” le infundían aliento, y “no temía mal alguno”, pero seguía siendo “un valle”, dominado por montañas amenazantes y bosques oscuros que lo cubrían como una bóveda, y “la sombra de muerte” se extendía sobre él desde la entrada hasta el fin. Y sin embargo no es más que una “sombra”.
Para los que no tienen gracia, los que están sin Cristo, los impenitentes, los incrédulos, es una realidad, porque la ira de Dios, que arde hasta el infierno más profundo, los aguarda al final del valle, para precipitarlos en el lago que arde con fuego y azufre. Pero para los que mueren en el Señor, en el dulce gozo de la paz por medio de Su sangre, no es sino una sombra pasajera. Para ellos la realidad murió cuando Jesús murió. Fue sepultada en Su tumba, pero no resucitó con Él, porque Él la destruyó cuando “quitó la muerte, y sacó a la luz la vida y la inmortalidad”.
Al lector…
¿Mira usted con temor ese valle oscuro que tiene por delante? No se avergüence de ello; también David lo llamó valle de sombra de muerte, y la sombra se extendía sobre él de principio a fin. Quizá ha llegado a su casa una carta de luto, o está junto a un lecho de enfermo, y siente caer esa fría sombra sobre su corazón. Es verdad: la muerte nunca viene sin sombra.
Pero escuche lo que dice el salmo: “Tú estarás conmigo.” Para quien muere en el Señor, en la paz que viene por Su sangre, no es más que una sombra, y una sombra no puede matar. Jesús murió, y la muerte fue sepultada en Su tumba, pero no resucitó con Él. Aférrese, pues, a ese Pastor, aunque su fe sea débil y su vista esté nublada. Su vara y Su cayado están ahí para infundirle aliento, y Aquel que sacó a la luz la vida y la inmortalidad le llevará a través del valle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl