vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.
Psalm 103:4
De kroning eens konings zet het laatste en hoogste zegel op zijn gezag als regent. Dit deed de bruid zeggen: „Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Zions! de koning Salomo, met de kroon waarmede hem zijn moeder kroonde op de dag zijner bruiloft, en op de dag der vreugde zijns harten” (Hooglied 3:11). En welk een dag zal het zijn, wanneer de ware Salomo, van Welke gene de afschaduwing was, als Heere van alles zal gekroond worden! Zo wordt er een kroon gezet op de ziel die van al haar ziekten genezen en wier leven van het verderf verlost is. Het is alsof God niet voldaan kon zijn voordat Hij de kroon Zijner goedertierenheid op de ziel had gezet, tot Hij Zelf het hart met Zijn eigen liefde had gekroond.
En wat is het gevolg? De ziel zet een kroon van heerlijkheid op Zijn hoofd. Zo draagt de ziel de kroon der genade en God de kroon der heerlijkheid. Dat is het gekroond te zijn met goedertierenheid en barmhartigheden. En o, welk een kroon is dat! Hoe kroont zij al onze ongerechtigheden en verbergt ze voor Gods aangezicht, gelijk een kroon het hoofd van een vorst bedekt. Hoe kroont zij al onze beproevingen die wij doorstaan hebben, hoe groot en scherp zij voor het vlees ook waren.
Hoe kroont zij al onze tekortkomingen, door op dat zwakke hart de kroon van Gods goedertierenheid te zetten. Hoe kroont zij al onze gebeden, door ons te doen zien hoe genadig zij verhoord zijn. Hoe kroont zij al Gods wegen met ons in het rijk Zijner voorzienigheid en Zijner genade, en drukt zij op die alle het zegel Zijner goedertierenheid, want de kroon omvat alles. Evenals de kroon des konings zijn koningschap, zijn waardigheid en zijn macht in zich sluit — want alles wordt daardoor zinnebeeldig voorgesteld — zo omvat en verzekert ook Gods goedertierenheid, als een kroon op het hart gezet, elke zegen voor tijd en eeuwigheid.
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,
die trouwe Heer voor Zijn gena vergelden?
’k Zal bij de kelk des heils Zijn naam vermelden
en roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.
Ps. 116:7
Aan de lezer…
Kent u dat? U kijkt terug op uw weg en ziet misschien vooral ongerechtigheden, tekortkomingen en beproevingen die scherp waren voor het vlees. Maar zie eens wat de Heere daarover heenlegt: de kroon van Zijn goedertierenheid. Zij bedekt uw ongerechtigheden voor Gods aangezicht, zoals een kroon het hoofd van een vorst bedekt. Zij kroont ook uw zwakke gebeden, en doet u soms zien hoe genadig zij verhoord zijn.
God is niet voldaan voordat Hij het hart met Zijn eigen liefde gekroond heeft. Hebt u daar iets van gesmaakt, dan zult u de kroon van heerlijkheid niet op uw eigen hoofd willen zetten, maar op het Zijne. Want Hij draagt de kroon der heerlijkheid, en de ziel de kroon der genade. Wat zult u Hem vergelden? Roep Hem aan met blijde erkentenis, want in Zijn goedertierenheid ligt elke zegen voor tijd en eeuwigheid besloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.
Psalm 103:4
De kroning van een koning zet het laatste en hoogste zegel op zijn gezag als vorst. Daarom zei de bruid: „Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Zions! de koning Salomo, met de kroon waarmede hem zijn moeder kroonde op de dag zijner bruiloft, en op de dag der vreugde zijns harten” (Hooglied 3:11). En wat zal het een dag zijn wanneer de ware Salomo, van Wie die eerste de afschaduwing was, gekroond zal worden als Heere van alles! Zo wordt er ook een kroon gezet op de ziel die van al haar ziekten genezen is en van wie het leven van het verderf verlost is. Het is alsof God niet voldaan kon zijn voordat Hij de kroon van Zijn goedertierenheid op de ziel had gezet, totdat Hij Zelf het hart met Zijn eigen liefde had gekroond.
En wat is het gevolg? De ziel zet een kroon van heerlijkheid op Zijn hoofd. Zo draagt de ziel de kroon van de genade en God de kroon van de heerlijkheid. Dat is gekroond zijn met goedertierenheid en barmhartigheden. En o, wat een kroon is dat! Hoe kroont zij al onze ongerechtigheden en verbergt zij ze voor Gods aangezicht, zoals een kroon het hoofd van een vorst bedekt. Hoe kroont zij al de beproevingen die wij hebben doorstaan, hoe groot en scherp die voor het vlees ook waren.
Hoe kroont zij al onze tekortkomingen, door op dat zwakke hart de kroon van Gods goedertierenheid te zetten. Hoe kroont zij al onze gebeden, door ons te laten zien hoe genadig zij verhoord zijn. Hoe kroont zij al Gods wegen met ons in het rijk van Zijn voorzienigheid en van Zijn genade, en drukt zij op al die wegen het zegel van Zijn goedertierenheid, want de kroon omvat alles. Zoals de kroon van een koning zijn koningschap, zijn waardigheid en zijn macht in zich sluit, omdat zij dat alles zinnebeeldig voorstelt, zo omvat en verzekert ook Gods goedertierenheid, als een kroon op het hart gezet, elke zegen voor tijd en eeuwigheid.
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,
die trouwe Heer voor Zijn gena vergelden?
’k Zal bij de kelk des heils Zijn naam vermelden
en roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.
Ps. 116:7
Aan de lezer…
Kent u dat? U kijkt terug op uw weg en ziet misschien vooral ongerechtigheden, tekortkomingen en beproevingen die scherp waren voor het vlees. Maar zie eens wat de Heere daaroverheen legt: de kroon van Zijn goedertierenheid. Zij bedekt uw ongerechtigheden voor Gods aangezicht, zoals een kroon het hoofd van een vorst bedekt. Zij kroont ook uw zwakke gebeden, en laat u soms zien hoe genadig zij verhoord zijn.
God is niet voldaan voordat Hij het hart met Zijn eigen liefde gekroond heeft. Hebt u daar iets van geproefd, dan zult u de kroon van heerlijkheid niet op uw eigen hoofd willen zetten, maar op het Zijne. Want Hij draagt de kroon van de heerlijkheid, en de ziel de kroon van de genade. Wat zult u Hem vergelden? Roep Hem aan met blijde erkentenis, want in Zijn goedertierenheid ligt elke zegen voor tijd en eeuwigheid besloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who crowneth thee with lovingkindness and tender mercies.
Psalm 103:4
The coronation of a king puts the last and highest seal upon his reigning authority. This made the spouse say, “Go forth, O daughters of Zion, and behold king Solomon with the crown with which his mother crowned him in the day of his espousals, and in the day of the gladness of his heart” (Song Sol. 3:11). And what a day will that be when the anti-typical Solomon is crowned Lord of all.
Thus there is a crown put upon the soul which is healed of all its diseases, and whose life is redeemed from destruction. It is as if God could not be satisfied until He had put the crown of His loving-kindness upon the soul, until He had Himself crowned the heart with His own love. And what is the effect? The soul puts a crown of glory upon His head. So the soul has the crown of grace, and God has the crown of glory. This is being crowned with loving-kindness and tender mercies. And O what a crown it is!
How it crowns all our iniquities, hides them from God’s sight as a crown covers a monarch’s brow. How it crowns all our trials that we have had to pass through, severe and cutting as they were at the time to the flesh. How it crowns all our bereavements by putting upon the bereaved heart the crown of God’s loving-kindness. How it crowns all our prayers by enabling us to see their gracious answer. How it crowns all God’s dealings with us in providence and in grace, and stamps loving-kindness upon them all; for the crown includes everything in it. As the Queen’s crown includes her royalty, her dignity, her power–for all are symboled thereby–so God’s loving-kindness, put upon the heart as a crown, includes and secures every blessing for time and eternity.
To the reader…
Do you know this? You look back on your way and perhaps see mainly iniquities, shortcomings and trials that were sharp to the flesh. But see what the Lord lays over all that: the crown of His lovingkindness. It covers your iniquities from God’s sight, as a crown covers a monarch’s head. It also crowns your feeble prayers, and sometimes lets you see how graciously they have been answered.
God is not satisfied until He has crowned the heart with His own love. If you have tasted something of that, you will not want to set the crown of glory on your own head, but on His. For He wears the crown of glory, and the soul the crown of grace. What shall you render unto Him? Call upon Him with glad thanksgiving, for in His lovingkindness every blessing for time and eternity is contained.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que te corona de favores y misericordias.
Salmo 103:4
La coronación de un rey pone el último y más alto sello sobre su autoridad real. Esto hizo decir a la esposa: “Salid, oh doncellas de Sion, y ved al rey Salomón con la corona con que le coronó su madre el día de su desposorio, y el día del gozo de su corazón” (Cantares 3:11). ¡Y qué día será aquel en que el Salomón verdadero, del cual el otro era figura, sea coronado Señor de todo!
Así también se pone una corona sobre el alma que ha sido sanada de todas sus dolencias, y cuya vida ha sido rescatada del hoyo. Es como si Dios no pudiera quedar satisfecho hasta haber puesto la corona de Su misericordia sobre el alma, hasta haber coronado Él mismo el corazón con Su propio amor. ¿Y cuál es el efecto? El alma pone una corona de gloria sobre Su cabeza. Así el alma tiene la corona de la gracia, y Dios tiene la corona de la gloria. Esto es ser coronado de favores y misericordias. ¡Y oh, qué corona es!
Cómo corona todas nuestras iniquidades, ocultándolas de la vista de Dios como una corona cubre la frente de un monarca. Cómo corona todas las pruebas por las que hemos tenido que pasar, por severas y punzantes que fueran para la carne en su momento. Cómo corona todas nuestras pérdidas, poniendo sobre el corazón afligido la corona de la misericordia de Dios. Cómo corona todas nuestras oraciones, haciéndonos ver su respuesta llena de gracia. Cómo corona todos los tratos de Dios con nosotros en la providencia y en la gracia, y estampa sobre todos ellos Su misericordia; porque la corona lo incluye todo. Así como la corona de la Reina incluye su realeza, su dignidad y su poder, pues todo ello está simbolizado por ella, así la misericordia de Dios, puesta como corona sobre el corazón, incluye y asegura toda bendición para el tiempo y para la eternidad.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Mira atrás en su camino y quizá ve sobre todo iniquidades, faltas y pruebas que fueron punzantes para la carne. Pero vea lo que el Señor pone encima de todo ello: la corona de Su misericordia. Esta cubre sus iniquidades de la vista de Dios, como una corona cubre la cabeza de un monarca. También corona sus débiles oraciones, y a veces le deja ver con cuánta gracia han sido respondidas.
Dios no queda satisfecho hasta haber coronado el corazón con Su propio amor. Si usted ha gustado algo de eso, no querrá poner la corona de gloria sobre su propia cabeza, sino sobre la Suya. Porque Él lleva la corona de la gloria, y el alma la corona de la gracia. ¿Qué pagará usted a Él? Invóquele con alegre acción de gracias, porque en Su misericordia está contenida toda bendición para el tiempo y para la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Door Christus tot God gaan
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Het woord „volkomenlijk” heeft voor mijn gevoel iets zeer zoets en is betekenisvol. Volgens mij worden er twee dingen mee uitgedrukt. In de eerste plaats lijkt het woord, in de betekenis van „tot het uiterste” of „tot het einde”, de hopeloze toestand weer te geven van degenen die Hij redt; ten tweede lijkt het ook de algehele toereikendheid en alomtegenwoordigheid uit te drukken van die almachtige arm die een arme zondaar uit de onderste plaatsen van de hel kan plukken. De Heere Jezus Christus moest een groots werk verrichten.
Zou God Zijn eniggeboren Zoon naar de wereld sturen om een kleine taak uit te voeren? Zouden God en mens in één heerlijk Persoon zijn verenigd om een kleine taak uit te voeren? Zou een eeuwig verbond zijn aangegaan tussen de drie Personen in de Drie-eenheid om een kleine taak uit te voeren? En zou de eniggeboren Zoon van God uit Zijns Vaders boezem zijn gekomen, waar Hij sedert het begin der tijden woonde, om een kleine taak uit te voeren?
Laat de daad van de Heere Jezus Christus, het verenigen van onze natuur met Zijn eigen goddelijke en heerlijke Persoon, op zich al niet duidelijk zien hoe groot de verlossing wel moet zijn, als zo’n daad nodig was om deze tot stand te brengen? En laat het niet tevens zien hoe diep de mens moet zijn gezonken, dat zo’n offer noodzakelijk was — dat niets volstond dan Gods wezensgelijke en eeuwige Zoon; dat Hij, Die van het begin der tijden tot het einde der tijden was, Zich zo ver moest verlagen dat Hij bloedde en stierf om ons van de zondeval te verlossen, en de diepte moest ingaan waarin wij gezonken waren en waarin onze eerste voorouder zichzelf en zijn hele nakomelingschap had gestort? Als God de gezegende Geest het belieft om in hun hart de diepte van de val te openbaren, reken er dan op dat ze naar elk woord van de tekst verlangen — zij verlangen dat „volkomenlijk” geopenbaard te krijgen in de ervaring van hun hart.
Lezen: Hebreeën 10:1-18
Aan de lezer…
Deze woorden spreken tot u, als u iets gezien hebt van de diepte waarin u gezonken bent. Bent u bang dat uw zaak te hopeloos is, dat u te ver weg bent om nog gered te worden? Zie dan op dat ene woord: „volkomenlijk”. Het spreekt van de hopeloze toestand van hen die Hij redt, maar ook van een arm die een arme zondaar uit de onderste plaatsen van de hel kan plukken.
Denk niet dat de Heere Jezus voor een kleine taak kwam. Hij verliet de boezem des Vaders, nam onze natuur aan, bloedde en stierf, en ging de diepte in waarin wij gezonken waren. Zou zulk een Zaligmaker te kort schieten voor uw nood? Hoe dieper u uw val ziet, hoe meer u naar dit woord zult verlangen. Vraag Hem dan dat Hij het in de ervaring van uw hart openbaart; Hij leeft altijd om te bidden voor hen die door Hem tot God gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Het woord „volkomenlijk” heeft voor mijn gevoel iets heel zoets en is vol betekenis. Volgens mij worden er twee dingen mee uitgedrukt. In de eerste plaats lijkt het woord, in de betekenis van „tot het uiterste” of „tot het einde”, de hopeloze toestand weer te geven van hen die Hij zalig maakt. In de tweede plaats lijkt het ook de volkomen toereikendheid en almacht uit te drukken van die almachtige arm die een arme zondaar uit de onderste hel kan wegrukken. De Heere Jezus Christus moest een groot werk verrichten.
Zou God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld zenden om een klein werk te doen? Zouden God en mens in één heerlijk Persoon verenigd zijn om een klein werk te doen? Zou er een eeuwig verbond gesloten zijn tussen de drie Personen van de Drie-eenheid om een klein werk te doen? En zou de eniggeboren Zoon van God gekomen zijn uit de schoot van Zijn Vader, waar Hij van eeuwigheid woonde, om een klein werk te doen?
Laat juist deze daad van de Heere Jezus Christus, dat Hij onze natuur verenigde met Zijn eigen goddelijke en heerlijke Persoon, niet al duidelijk zien hoe groot de verlossing moet zijn, als zo’n daad nodig was om haar tot stand te brengen? En laat het niet tevens zien hoe diep de mens gezonken moet zijn, dat zo’n offer noodzakelijk was? Niets volstond dan Gods wezensgelijke en eeuwige Zoon. Hij, Die van eeuwigheid tot eeuwigheid was, moest Zich zo diep vernederen dat Hij bloedde en stierf om ons uit de val te verlossen. Hij moest afdalen in de diepte waarin wij gezonken waren en waarin onze eerste vader zichzelf en heel zijn nageslacht had gestort. Als het God de gezegende Geest behaagt hun in het hart de diepte van de val te openbaren, reken er dan op dat zij naar elk woord van de tekst verlangen; zij verlangen dat „volkomenlijk” in de ervaring van hun hart geopenbaard te krijgen.
Lezen: Hebreeën 10:1-18
Aan de lezer…
Deze woorden spreken tot u, als u iets gezien hebt van de diepte waarin u gezonken bent. Bent u bang dat uw zaak te hopeloos is, dat u te ver weg bent om nog gered te worden? Zie dan op dat ene woord: „volkomenlijk”. Het spreekt van de hopeloze toestand van hen die Hij zalig maakt, maar ook van een arm die een arme zondaar uit de onderste hel kan wegrukken.
Denk niet dat de Heere Jezus voor een klein werk kwam. Hij verliet de schoot van de Vader, nam onze natuur aan, bloedde en stierf, en daalde af in de diepte waarin wij gezonken waren. Zou zo’n Zaligmaker tekortschieten voor uw nood? Hoe dieper u uw val ziet, hoe meer u naar dit woord zult verlangen. Vraag Hem dan dat Hij het in de ervaring van uw hart openbaart; Hij leeft altijd om te bidden voor hen die door Hem tot God gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.
Hebrews 7:25
The word “uttermost” has to my feeling something very sweet about it and is full of meaning. In my judgment two things are expressed by it. In the first place, the word, in the sense of “to the very extremity” or “to the end,” seems to set forth the hopeless condition of those whom He saves. In the second place, it seems also to express the complete sufficiency and omnipotence of that almighty arm which can pluck a poor sinner out of the lowest hell. The Lord Jesus Christ had a great work to accomplish.
Would God send His only-begotten Son into the world to do a little work? Would God and man be united in one glorious Person to do a little work? Would an everlasting covenant have been made between the three Persons of the Trinity to do a little work? And would the only-begotten Son of God have come out of the bosom of His Father, where He dwelt from eternity, to do a little work?
Does not this very act of the Lord Jesus Christ, that He united our nature to His own divine and glorious Person, already show clearly how great the salvation must be, if such an act was needed to accomplish it? And does it not at the same time show how deeply man must have sunk, that such a sacrifice was necessary? Nothing would suffice but God’s co-equal and co-eternal Son. He, Who was from everlasting to everlasting, had to humble Himself so low that He bled and died to redeem us from the fall.
He had to descend into the depth into which we had sunk and into which our first father had plunged himself and all his posterity. When it pleases God the blessed Spirit to reveal to them in their heart the depth of the fall, depend upon it that they long for every word of the text; they long to have that “uttermost” revealed in the experience of their heart.
Reading: Hebrews 10:1-18
To the reader…
These words speak to you, if you have seen something of the depth into which you have sunk. Are you afraid that your case is too hopeless, that you are too far gone to be saved? Then look at that one word: “uttermost.” It speaks of the hopeless condition of those whom He saves, but also of an arm that can pluck a poor sinner out of the lowest hell.
Do not think that the Lord Jesus came for a little work. He left the bosom of the Father, took our nature upon Him, bled and died, and descended into the depth into which we had sunk. Would such a Saviour fall short for your need? The more deeply you see your fall, the more you will long for this word. Ask Him, then, to reveal it in the experience of your heart; He ever lives to make intercession for those who come unto God by Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos.
Hebreos 7:25
La palabra “eternamente”, que en el original significa “hasta lo sumo”, tiene a mi sentir algo muy dulce y está llena de significado. A mi juicio, dos cosas se expresan en ella. En primer lugar, la palabra, en el sentido de “hasta el último extremo” o “hasta el fin”, parece presentar la condición desesperada de aquellos a quienes Él salva. En segundo lugar, parece expresar también la completa suficiencia y omnipotencia de aquel brazo todopoderoso que puede arrancar a un pobre pecador del infierno más profundo. El Señor Jesucristo tenía una gran obra que cumplir.
¿Enviaría Dios a Su Hijo unigénito al mundo para hacer una obra pequeña? ¿Se unirían Dios y el hombre en una Persona gloriosa para hacer una obra pequeña? ¿Se habría hecho un pacto eterno entre las tres Personas de la Trinidad para hacer una obra pequeña? ¿Y habría salido el Hijo unigénito de Dios del seno de Su Padre, donde moraba desde la eternidad, para hacer una obra pequeña?
¿No muestra ya claramente este mismo acto del Señor Jesucristo, el haber unido nuestra naturaleza a Su propia Persona divina y gloriosa, cuán grande debe ser la salvación, si se necesitó tal acto para cumplirla? ¿Y no muestra al mismo tiempo cuán hondo debe haber caído el hombre, para que fuera necesario tal sacrificio? Nada bastaría sino el Hijo de Dios, igual y coeterno con Él. Él, que era desde la eternidad hasta la eternidad, tuvo que humillarse tan hondo que sangró y murió para redimirnos de la caída.
Tuvo que descender a la profundidad en la que nosotros nos habíamos hundido y en la que nuestro primer padre se había precipitado a sí mismo y a toda su posteridad. Cuando a Dios el bendito Espíritu le place revelarles en su corazón la profundidad de la caída, esté seguro de que anhelan cada palabra del texto; anhelan que ese “hasta lo sumo” les sea revelado en la experiencia de su corazón.
Lectura: Hebreos 10:1-18
Al lector…
Estas palabras le hablan a usted, si ha visto algo de la profundidad en la que se ha hundido. ¿Teme que su caso sea demasiado desesperado, que esté demasiado perdido para ser salvo? Mire entonces esa sola palabra: “hasta lo sumo”. Habla de la condición desesperada de aquellos a quienes Él salva, pero también de un brazo que puede arrancar a un pobre pecador del infierno más profundo.
No piense que el Señor Jesús vino para una obra pequeña. Dejó el seno del Padre, tomó nuestra naturaleza, sangró y murió, y descendió a la profundidad en la que nos habíamos hundido. ¿Se quedaría corto un Salvador así para su necesidad? Cuanto más hondo vea usted su caída, más anhelará esta palabra. Pídale, pues, que la revele en la experiencia de su corazón; Él vive siempre para interceder por los que por Él se allegan a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging.
Kolossenzen 2:6, 7
Het is een schoon gezicht een edele boom te zien, en wij mogen dan uit de stevigheid van de boom wel oordelen dat de grond waarin hij geplant is, kracht en voedsel bezit; want alleen in een diepe en goede grond zullen de bomen groeien. Doch let op de bomen der gerechtigheid, de plantingen des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde! Welk een diepte en rijkdom is er in de hemelse grond waarin zij geplant zijn! Beschouw het ware, wezenlijke en eeuwige Zoonschap, de heerlijke Godheid van Jezus, en beschouw die Godheid in vereniging met Zijn lijdende menselijke natuur.
Wat een goede grond vinden wij daarin! Wat een uitgestrektheid om duizenden en duizenden bomen te voeden! Wat een diepte voor de bomen om daarin wortel te schieten! Wat een vruchtbaarheid daarin om hen te bekleden met groene bladeren en hen te beladen met vruchten! De meest vruchtbare gronden mogen uitgeput raken, maar deze grond is onuitputtelijk. Kan de Godheid worden uitgeput? Is Haar natuur niet oneindig? En beschouwen wij dan wat onze gezegende Heere nu is aan de rechterhand Gods: wat een volkomen en volmaakte Zaligmaker Hij is voor de ziel om op te steunen!
Nogmaals, hoe dieper en uitgebreider een boom zijn wortels in de grond schiet, hoe meer voedsel hij opneemt, en zo is het ook met een gelovig hart. Hoe meer Christus door het geloof wordt vastgehouden, hoe meer de ziel in Hem geworteld wordt; en hoe dieper zij in Hem wortelt, hoe vaster zij staat en hoe meer hemels voedsel zij uit Hem opneemt. Dit is te zijn „geworteld in Christus”.
Een godsdienst kan niet anders zijn dan een oppervlakkige, bedrieglijke en verderfelijke godsdienst, indien hij niet geworteld is in Christus, want dan moet hij in zichzelf geworteld zijn. Doch indien hij geplant en geworteld is in Christus, dan is er een genoegzame, een gepaste, een heerlijke volheid in Hem, waarin of in Wie de ziel diep mag inwortelen. Niet slechts voor de tijd, maar voor de eeuwigheid; want zulk een geloof kan nooit vernietigd worden, zulk een liefde kan nooit vergaan, zulk een hoop kan nooit beschaamd worden.
Aan de lezer…
Wat een troost ligt er in deze woorden voor wie zich voelt als een dorre boom, met weinig groene bladeren en nog minder vrucht! U ziet bij uzelf geen stevigheid, en u vreest dat uw godsdienst niet dieper gaat dan de oppervlakte. Zoek de oorzaak dan niet in de grond, maar in het wortelen. De grond die God voor Zijn planting gegeven heeft, is onuitputtelijk: de heerlijke Godheid van Jezus, verenigd met Zijn lijdende menselijke natuur.
Hoe meer Christus door het geloof wordt vastgehouden, hoe dieper de ziel in Hem wortelt en hoe meer hemels voedsel zij uit Hem opneemt. Geworteld in uzelf, zult u verdorren; geworteld in Hem, zult u vast staan. Zoek het dan niet in uw eigen kracht, maar in Hem Die aan de rechterhand Gods een volkomen en volmaakte Zaligmaker is. Een geloof, een liefde en een hoop die in Hem geworteld zijn, kunnen nooit beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging.
Kolossenzen 2:6, 7
Het is een mooi gezicht om een edele boom te zien, en uit de stevigheid van de boom mogen wij dan wel opmaken dat de grond waarin hij geplant is, kracht en voedsel bevat; want alleen in een diepe en goede grond groeien de bomen. Maar let op de bomen der gerechtigheid, de plantingen van de Heere, opdat Hij verheerlijkt wordt! Wat een diepte en rijkdom is er in de hemelse grond waarin zij geplant zijn! Denk aan het ware, wezenlijke en eeuwige Zoonschap, de heerlijke Godheid van Jezus, en zie die Godheid in vereniging met Zijn lijdende menselijke natuur.
Wat een goede grond vinden wij daarin! Wat een uitgestrektheid om duizenden en duizenden bomen te voeden! Wat een diepte voor de bomen om daarin wortel te schieten! Wat een vruchtbaarheid om hen te bekleden met groene bladeren en hen te beladen met vruchten! De meest vruchtbare gronden kunnen uitgeput raken, maar deze grond is onuitputtelijk. Kan de Godheid worden uitgeput? Is Haar natuur niet oneindig? En zien wij dan wat onze gezegende Heere nu is aan de rechterhand van God: wat een volkomen en volmaakte Zaligmaker is Hij voor de ziel om op te steunen!
Verder: hoe dieper en wijder een boom zijn wortels in de grond schiet, hoe meer voedsel hij opneemt, en zo is het ook met een gelovig hart. Hoe meer Christus door het geloof wordt vastgehouden, hoe meer de ziel in Hem geworteld raakt; en hoe dieper zij in Hem wortelt, hoe vaster zij staat en hoe meer hemels voedsel zij uit Hem opneemt. Dat is „geworteld in Christus” zijn.
Een godsdienst die niet in Christus geworteld is, kan niet anders zijn dan oppervlakkig, bedrieglijk en verderfelijk, want dan moet hij in zichzelf geworteld zijn. Maar als hij in Christus geplant en geworteld is, dan is er in Hem een toereikende, passende en heerlijke volheid, waarin, of in Wie, de ziel diep mag wortelen. Niet alleen voor de tijd, maar voor de eeuwigheid; want zo’n geloof kan nooit vernietigd worden, zo’n liefde kan nooit vergaan, zo’n hoop kan nooit beschaamd worden.
Aan de lezer…
Wat een troost ligt er in deze woorden voor wie zich voelt als een dorre boom, met weinig groene bladeren en nog minder vrucht! U ziet bij uzelf geen stevigheid, en u vreest dat uw godsdienst niet dieper gaat dan de oppervlakte. Zoek de oorzaak dan niet in de grond, maar in het wortelen. De grond die God voor Zijn planting gegeven heeft, is onuitputtelijk: de heerlijke Godheid van Jezus, verenigd met Zijn lijdende menselijke natuur.
Hoe meer Christus door het geloof wordt vastgehouden, hoe dieper de ziel in Hem wortelt en hoe meer hemels voedsel zij uit Hem opneemt. Geworteld in uzelf zult u verdorren; geworteld in Hem zult u vast staan. Zoek het dan niet in uw eigen kracht, maar in Hem Die aan de rechterhand van God een volkomen en volmaakte Zaligmaker is. Een geloof, een liefde en een hoop die in Hem geworteld zijn, kunnen nooit beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As ye have therefore received Christ Jesus the Lord, so walk ye in Him: rooted and built up in Him, and stablished in the faith, as ye have been taught, abounding therein with thanksgiving.
Colossians 2:6–7
It is a goodly sight to see a noble tree; and we may gather from the strength of the tree the strength of the soil, for only in deep and good soil will such trees grow. But look at the trees of righteousness, the planting of the Lord, that He may be glorified! What depth and richness there is in the heavenly soil in which they are planted! View the true, real, and eternal Sonship, the glorious Deity of Jesus, and view that Deity in union with His suffering humanity! What soil is there! What breadth to hold thousands and thousands of noble trees! What depth for them to root in! What fertility to clothe them with verdure and load them with fruit!
The most fertile natural soils may be exhausted, but this is inexhaustible. For can Deity be exhausted? Is it not its very nature to be infinite? And when we view what our most blessed Lord now is at the right hand of God, what a perfect and complete Savior He is for the soul to lay hold of!
Again, as the more deeply and widely that a tree spreads its roots into the soil, the more nourishment does it suck up; so it is with a believing heart. The more Christ is laid hold of by faith, the more the soul roots down into Him; and the firmer hold it takes of Him, and the more deeply it roots into Him, the stronger it stands, and the more heavenly nourishment it draws out of His fullness. This is being “rooted in Christ.”
A religion must always be a shallow, deceptive, and ruinous religion if it has not Christ to root in, for then it must be rooted in self. But if it is planted and rooted in Christ, then there is a sufficiency, a suitability, a glorious fullness in Him in which the soul may take the deepest root, and not only for time but for eternity; for such a faith can never be confounded, such a love never perish, and such a hope be never put to shame.
To the reader…
What comfort there is in these words for anyone who feels like a withered tree, with few green leaves and even less fruit! You see no steadfastness in yourself, and you fear that your religion goes no deeper than the surface. Then do not look for the cause in the soil, but in the rooting. The soil God has given for His planting is inexhaustible: the glorious Deity of Jesus, united with His suffering human nature.
The more Christ is laid hold of by faith, the deeper the soul roots in Him and the more heavenly nourishment it draws from Him. Rooted in yourself, you will wither; rooted in Him, you will stand firm. So do not look for it in your own strength, but in Him Who at the right hand of God is a perfect and complete Saviour. A faith, a love and a hope that are rooted in Him can never be put to shame.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto, de la manera que habéis recibido al Señor Jesucristo, andad en él: arraigados y sobreedificados en él, y confirmados en la fe, así como habéis sido enseñados, creciendo en ella con hacimiento de gracias.
Colosenses 2:6–7
Es hermoso ver un árbol noble; y por la fuerza del árbol podemos deducir la fuerza del suelo, pues solo en tierra profunda y buena crecen tales árboles. ¡Pero mire usted los árboles de justicia, plantío de Jehová, para gloria Suya! ¡Qué profundidad y riqueza hay en el suelo celestial en que están plantados! ¡Contemple la verdadera, real y eterna Filiación, la gloriosa Deidad de Jesús, y contemple esa Deidad en unión con Su humanidad sufriente! ¡Qué suelo hay allí! ¡Qué anchura para sostener miles y miles de árboles nobles! ¡Qué profundidad para que echen raíces! ¡Qué fertilidad para vestirlos de verdor y cargarlos de fruto!
Los suelos naturales más fértiles pueden agotarse, pero este es inagotable. Porque ¿puede agotarse la Deidad? ¿No es de su misma naturaleza ser infinita? Y cuando contemplamos lo que nuestro benditísimo Señor es ahora a la diestra de Dios, ¡qué Salvador tan perfecto y completo es Él para que el alma se aferre a Él!
Además, así como cuanto más hondo y más ancho extiende un árbol sus raíces en el suelo, tanto más alimento absorbe, así sucede con un corazón creyente. Cuanto más se aferra uno a Cristo por la fe, tanto más echa el alma raíces en Él; y cuanto más firmemente se aferra a Él, y cuanto más hondo arraiga en Él, tanto más fuerte se mantiene en pie, y tanto más alimento celestial saca de Su plenitud. Esto es estar “arraigado en Cristo”.
Una religión siempre tiene que ser una religión superficial, engañosa y ruinosa si no tiene a Cristo en quien arraigar, porque entonces tiene que estar arraigada en el yo. Pero si está plantada y arraigada en Cristo, entonces hay en Él una suficiencia, una idoneidad, una plenitud gloriosa en la cual el alma puede echar las raíces más hondas, y no solo para el tiempo, sino para la eternidad; porque tal fe nunca puede ser confundida, tal amor nunca perecer, y tal esperanza nunca ser avergonzada.
Al lector…
¡Qué consuelo hay en estas palabras para todo el que se siente como un árbol marchito, con pocas hojas verdes y aún menos fruto! No ve firmeza en sí mismo, y teme que su religión no pase de la superficie. Entonces no busque la causa en el suelo, sino en el arraigo. El suelo que Dios ha dado para Su plantío es inagotable: la gloriosa Deidad de Jesús, unida a Su naturaleza humana sufriente.
Cuanto más se aferra uno a Cristo por la fe, tanto más hondo arraiga el alma en Él y tanto más alimento celestial saca de Él. Arraigado en usted mismo, se marchitará; arraigado en Él, se mantendrá firme. No lo busque, pues, en su propia fuerza, sino en Aquel que a la diestra de Dios es un Salvador perfecto y completo. Una fe, un amor y una esperanza arraigados en Él nunca pueden ser avergonzados.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl