gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hope; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
Hosea 2:14
Het „dal Achor” betekent het „dal van beroerte”. Het was het dal waar Achan werd gestenigd. En waarom gestenigd? Omdat hij het gevloekte voorwerp genomen had; omdat zijn oog was geboeid door het Babylonische kleed en de gouden tong, en hij ze in zijn tent had begraven. Dit kan een licht werpen op de geestelijke betekenis van het „dal van Achor”.
Misschien zijt gij schuldig geweest aan de zonde van Achan; misschien hebt gij het gevloekte voorwerp genomen; hebt gij u misschien te veel met de wereld ingelaten; misschien hebt gij dingen gedaan die Gods misnoegen opwekten. Dat het geweten in elks binnenste uitspraak doe. Het gevolg daarvan is, dat gij in het „dal van Achor” zijt geraakt! Beroerte, smart en beschaming zijn uw lot, en gij weet niet of het lot van Achan u daar niet wacht.
Nu is in het „dal van Achor”, of van smart, beschaming en vrees, de „deur der hope” geopend. Maar waarom in het dal van Achor? Opdat wij zouden ophouden op onszelf te hopen; opdat de hoop van een gezond en zuiver Evangelie binnen het voorhangsel moge binnengaan als een veilig en onwrikbaar anker, en er alleen hoop zij op het dierbaar bloed des Lams en op een liefelijke openbaring van dat bloed aan het geweten. Dit is de „deur der hope”, door welke de ziel doordringt tot in de tegenwoordigheid van God; Jezus, gezeten op de troon als gezegend Hogepriester. Zij ziet daar de troon der genade, het besprengde verzoendeksel, en de grote Hogepriester, Die machtig en gewillig is om „volkomenlijk zalig te maken”.
Door deze „deur der hope”, waardoor Christus gezien wordt, gaat de ziel uit in begeerten, zuchtingen, honger en dorst naar Hem; en door deze „deur der hope” dalen bezoeken, glimlachen, liefdespanden, getuigenissen, barmhartigheden en gunsten neder.
Zo is er dan een „deur der hope” die niet langer gegrendeld, gesloten en dichtgeschoven is, maar wijd openstaat in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Hier is een vernieuwing van bezoeken waaraan men bijna wanhoopte; van vreugde die nimmer scheen terug te keren; van hoop die bijna vervlogen was; van vertroostingen van weleer, maar aan welke men bijna met vrees denkt, of ze ook bedrieglijk geweest zijn. „Aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.”
Dus toog ’t verkoren volk des Heeren
al juichend uit op Gods begeren.
Het land der heid’nen van rondom
schonk Hij hun tot een eigendom.
Psalm 105:23
Aan de lezer…
Bent u in het dal Achor, waarde lezer, het dal van beroerte? Spreekt uw geweten u aan over dingen die Gods misnoegen opwekten, over een hart dat zich te veel met de wereld inliet? U weet niet of het lot van Achan u niet wacht, en smart en beschaming zijn uw deel. Het is een bitter dal, en het is geen geringe zaak daar te vertoeven.
Maar hoor wat de Heere belooft: juist daar opent Hij een deur der hope. Niet opdat u weer op uzelf zou hopen, maar opdat al uw hoop zou rusten op het dierbaar bloed des Lams. Die deur staat wijd open in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Daar worden bezoeken vernieuwd waaraan u bijna wanhoopte, en vreugde die nooit scheen terug te keren. En wie zo door die deur mag gaan, zal er weer zingen als in de dagen zijner jeugd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hope; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
Hosea 2:14
Het „dal Achor” betekent het „dal van beroerte”. Het was het dal waar Achan werd gestenigd. En waarom werd hij gestenigd? Omdat hij het vervloekte goed had genomen; omdat zijn oog gevangen was door het Babylonische kleed en de gouden tong, en hij die in zijn tent had begraven. Dit kan licht werpen op de geestelijke betekenis van het „dal van Achor”.
Misschien bent u schuldig geweest aan de zonde van Achan. Misschien hebt u het vervloekte goed genomen, hebt u zich misschien te veel met de wereld ingelaten, of hebt u misschien dingen gedaan die Gods misnoegen opwekten. Laat het geweten in ieders binnenste daarover uitspraak doen. Het gevolg is dat u in het „dal van Achor” terecht bent gekomen! Beroering, smart en beschaming zijn dan uw lot, en u weet niet of het lot van Achan daar niet op u wacht.
Nu wordt juist in het „dal van Achor”, het dal van smart, beschaming en vrees, de „deur der hope” geopend. Maar waarom in het dal van Achor? Opdat wij zouden ophouden op onszelf te hopen. Opdat de hoop van een gezond en zuiver Evangelie binnen het voorhangsel mag ingaan als een veilig en onwrikbaar anker, en er alleen hoop is op het dierbare bloed van het Lam en op een lieflijke openbaring van dat bloed aan het geweten. Dit is de „deur der hope”, waardoor de ziel doordringt tot in de tegenwoordigheid van God, waar Jezus op de troon zit als de gezegende Hogepriester. Zij ziet daar de troon van de genade, het met bloed besprenkelde verzoendeksel, en de grote Hogepriester, Die machtig en bereid is om „volkomenlijk zalig te maken”.
Door deze „deur der hope”, waardoor Christus gezien wordt, gaat de ziel naar Hem uit in verlangen, zuchten, honger en dorst; en door deze „deur der hope” dalen bezoeken, glimlachen, liefdespanden, getuigenissen, barmhartigheden en gunsten neer.
Zo is er dus een „deur der hope” die niet langer vergrendeld, gesloten en dicht is, maar wijd openstaat in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Hier worden bezoeken vernieuwd waaraan men bijna wanhoopte; vreugde die nooit meer leek terug te keren; hoop die bijna vervlogen was; vertroostingen van vroeger, waaraan men bijna met vrees terugdenkt, of ook die misschien bedrieglijk zijn geweest. „Aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.”
Dus toog ’t verkoren volk des Heeren
al juichend uit op Gods begeren.
Het land der heid’nen van rondom
schonk Hij hun tot een eigendom.
Psalm 105:23
Aan de lezer…
Bent u in het dal Achor, waarde lezer, het dal van beroerte? Spreekt uw geweten u aan over dingen die Gods misnoegen opwekten, over een hart dat zich te veel met de wereld inliet? U weet niet of het lot van Achan niet op u wacht, en smart en beschaming zijn uw deel. Het is een bitter dal, en het is geen kleine zaak daar te verblijven.
Maar hoor wat de Heere belooft: juist daar opent Hij een deur der hope. Niet opdat u weer op uzelf zou hopen, maar opdat al uw hoop zou rusten op het dierbare bloed van het Lam. Die deur staat wijd open in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Daar worden bezoeken vernieuwd waaraan u bijna wanhoopte, en vreugde die nooit meer leek terug te keren. En wie zo door die deur mag gaan, zal er weer zingen als in de dagen van zijn jeugd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will give her her vineyards from thence, and the valley of Achor for a door of hope: and she shall sing there, as in the days of her youth, and as in the day when she came up out of the land of Egypt.
Hosea 2:15
Now the “valley of Achor” signifies the “valley of trouble.” It was the valley in which Achan was stoned. And why stoned? Because he had taken the accursed thing; because his eye had been captivated by the Babylonish garment and golden wedge, and he had buried them in the tent. This may throw a light on what the “valley of Achor” is spiritually. Perhaps you have been guilty of Achan’s sin; you have been taking the accursed thing; have been too deeply connected with the world; have done things which God’s displeasure is against. Let conscience speak in the bosom of each. The consequence has been, that you have got into the “valley of Achor!” Trouble, sorrow, and confusion are your lot, and you do not know whether the lot of Achan may not await you there.
Now it is in this “valley of Achor,” or sorrow, confusion, and fear, that the “door of hope” is opened. But why “in the valley of Achor?” That we may cease to hope in self; that a sound and true gospel hope may enter within the veil as an anchor sure and steadfast, and there be no hope but in the precious blood of the Lamb, and in a sweet manifestation of that blood to the conscience. This is the “door of hope” through which the soul looks into the very presence of God; sees Jesus on the throne of grace, the sprinkled mercy-seat, and the great High Priest “able and willing to save to the uttermost.”
Through this “door of hope,” by which Christ is seen, the soul goes forth in desires, breathings, hungerings, and thirstings after Him; and through this “door of hope” descend visits, smiles, tokens, testimonies, mercies, and favors. And thus, there is “a door of hope,” no longer barred, closed, and shut back, but thrown wide open in the bleeding side of an incarnate God. Here is a renewing of visits almost despaired of; of joys that seemed never to return; of hopes almost extinct; of consolations remembered, but remembered almost with fear, lest they should have been delusive. “There she will sing as in the days of her youth, as in the day she came up out of Egypt.”
To the reader…
Are you in the valley of Achor, dear reader, the valley of trouble? Does your conscience speak to you about things that brought on God’s displeasure, about a heart that was too deeply connected with the world? You do not know whether the lot of Achan may not await you, and sorrow and confusion are your portion. It is a bitter valley, and it is no small thing to dwell there.
But hear what the Lord promises: it is just there that He opens a door of hope. Not that you would hope in yourself again, but that all your hope would rest on the precious blood of the Lamb. That door stands wide open in the bleeding side of an incarnate God. There visits are renewed that you had almost despaired of, and joys that seemed never to return. And whoever may go through that door will sing there again as in the days of his youth.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y le daré sus viñas desde allí, y el valle de Acor por puerta de esperanza; y allí cantará como en los tiempos de su juventud, y como en el día de su subida de la tierra de Egipto.
Oseas 2:15
Ahora bien, el “valle de Acor” significa el “valle de la turbación”. Fue el valle en que Acán fue apedreado. ¿Y por qué apedreado? Porque había tomado del anatema; porque su ojo había sido cautivado por el manto babilónico y el lingote de oro, y los había escondido en la tienda. Esto puede arrojar luz sobre lo que es espiritualmente el “valle de Acor”. Quizá usted ha sido culpable del pecado de Acán; ha estado tomando del anatema; ha estado demasiado ligado al mundo; ha hecho cosas contra las cuales está el desagrado de Dios. Deje que la conciencia hable en el pecho de cada uno. La consecuencia ha sido que usted ha ido a parar al “valle de Acor”. Turbación, dolor y confusión son su suerte, y no sabe si la suerte de Acán no le aguarda allí.
Pues bien, es en este “valle de Acor”, de dolor, confusión y temor, donde se abre la “puerta de esperanza”. Pero ¿por qué “en el valle de Acor”? Para que dejemos de esperar en nosotros mismos; para que una esperanza evangélica sana y verdadera entre hasta dentro del velo como ancla segura y firme, y no haya esperanza sino en la sangre preciosa del Cordero y en una dulce manifestación de esa sangre a la conciencia. Esta es la “puerta de esperanza” por la cual el alma mira a la misma presencia de Dios; ve a Jesús en el trono de la gracia, el propiciatorio rociado, y al gran Sumo Sacerdote “poderoso y dispuesto para salvar eternamente”.
Por esta “puerta de esperanza”, por la cual se ve a Cristo, el alma sale en deseos, anhelos, hambre y sed de Él; y por esta “puerta de esperanza” descienden visitas, sonrisas, señales, testimonios, misericordias y favores. Y así hay “una puerta de esperanza”, ya no atrancada, cerrada y echada atrás, sino abierta de par en par en el costado sangrante de un Dios encarnado. Aquí hay una renovación de visitas de las que casi se había desesperado; de gozos que parecían no volver nunca; de esperanzas casi extinguidas; de consolaciones recordadas, pero recordadas casi con temor, no fuera que hubieran sido engañosas. “Allí cantará como en los tiempos de su juventud, y como en el día de su subida de la tierra de Egipto”.
Al lector…
¿Está usted en el valle de Acor, querido lector, el valle de la turbación? ¿Le habla su conciencia de cosas que atrajeron el desagrado de Dios, de un corazón que estaba demasiado ligado al mundo? No sabe si la suerte de Acán no le aguarda, y el dolor y la confusión son su porción. Es un valle amargo, y no es poca cosa morar allí.
Pero escuche lo que promete el Señor: es precisamente allí donde Él abre una puerta de esperanza. No para que vuelva a esperar en sí mismo, sino para que toda su esperanza descanse en la sangre preciosa del Cordero. Esa puerta está abierta de par en par en el costado sangrante de un Dios encarnado. Allí se renuevan visitas de las que casi había desesperado, y gozos que parecían no volver nunca. Y quien puede pasar por esa puerta cantará allí otra vez como en los tiempos de su juventud.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossensen 2:9
Zijn geliefde Zoon te verheerlijken is vanaf het begin der tijden het voornemen van de Vader geweest, en zowel in het plan als in de uitvoering heeft Hij getoond hoe diepgaand Zijn oneindige wijsheid, macht en liefde zijn. Dat de eeuwige Zoon van God met Zijn goddelijke Persoon het vlees en het bloed van de kinderen innig en onverbrekelijk verenigt, opdat Hij in die hoedanigheid de rijkdom van de allerhoogste genade, de toppen en dalen van de eeuwige liefde en de volheid van de ongeschapen heerlijkheid van een Drie-enige HEERE zichtbaar kan maken, is vanaf het begin der tijden de vaste richtlijn en het vaste doel van de grote en heerlijke, door Zichzelf zelfbestaande IK BEN. En de hele schepping, de voorzienigheid en alle gebeurtenissen en omstandigheden met betrekking tot tijd en ruimte waren oorspronkelijk ingesteld om dit oorspronkelijke plan ten uitvoer te kunnen brengen.
De schepping, met al haar wonderen van macht en wijsheid, was niet noodzakelijk voor het geluk of de heerlijkheid van de zelfbestaande HEERE. Vader, Zoon en Heilige Geest hadden, vanaf het begin der tijden, die heilige, innige verbinding en onderlinge omgang met elkaar, die wederzijdse liefde en onzegbare vriendschap van drie onderscheiden Personen en toch slechts één God, Die de schepping vergroten noch schaden kon. De tijd, met al zijn voorvallen, is slechts een moment; de ruimte, met al haar dimensies, is slechts een vlek vergeleken met het bestaan van een God Die de eeuwigheid bewoont en daarmee alle tijd en alle ruimte vult.
Dat een zelfbestaande God meer dan genoeg heeft aan Zijn eigen geluk en Zijn eigen heerlijkheid, is een waarheid die even vanzelfsprekend is voor een gelovig hart als het bestaan van God Zelf. Maar het behaagde de heilige Drie-enige HEERE dat Zijn hemelse heerlijkheid naar buiten toe zou worden geopenbaard, en dit moest door de menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid, tot stand worden gebracht.
Lezen: Kolossensen 2:1-15
Aan de lezer…
U die zich soms zo klein en nietig voelt dat u zich afvraagt of de grote God wel aan u kan denken, bedenk dit: Hij Die de eeuwigheid bewoont, Die alle tijd en alle ruimte vult, had uw aanbidding niet nodig om gelukkig te zijn. Vader, Zoon en Heilige Geest waren van eeuwigheid volkomen in Zichzelf. En toch behaagde het Hem Zijn heerlijkheid naar buiten te openbaren, en dat niet op afstand, maar in het vlees en bloed van de kinderen.
Zie dan op Hem in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Daar is de toegang voor een arme zondaar: niet een God Die in onbereikbaar licht verborgen blijft, maar de Zoon Die onze natuur heeft aangenomen. Is uw hart leeg, uw wijsheid kort en uw kracht op? In Hem is volheid, genoeg voor een eeuwigheid. Het was van den beginne het voornemen van de Vader Zijn geliefde Zoon te verheerlijken; wie dan arm en ledig tot die Zoon komt, gaat in de weg die God Zelf gebaand heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossensen 2:9
Het is van eeuwigheid het voornemen van de Vader geweest om Zijn geliefde Zoon te verheerlijken. Zowel in het plan als in de uitvoering ervan heeft Hij getoond hoe diep Zijn oneindige wijsheid, macht en liefde zijn. De eeuwige Zoon van God zou in Zijn goddelijke Persoon het vlees en bloed van de kinderen innig en onverbrekelijk met Zich verenigen, zodat Hij in die hoedanigheid de rijkdom van de allerhoogste genade, de hoogten en diepten van de eeuwige liefde en de volheid van de ongeschapen heerlijkheid van een Drie-enige HEERE zichtbaar kon maken. Dat is van eeuwigheid het vaste plan en het vaste doel geweest van de grote en heerlijke, door Zichzelf bestaande IK BEN. En de hele schepping, de voorzienigheid en alle gebeurtenissen en omstandigheden in tijd en ruimte waren oorspronkelijk erop gericht dit oorspronkelijke plan ten uitvoer te brengen.
De schepping, met al haar wonderen van macht en wijsheid, was niet nodig voor het geluk of de heerlijkheid van de zelfbestaande HEERE. Vader, Zoon en Heilige Geest hadden van eeuwigheid die heilige, innige gemeenschap en onderlinge omgang met elkaar, die wederzijdse liefde en onuitsprekelijke vriendschap van drie onderscheiden Personen en toch maar één God, waaraan de schepping niets kon toevoegen en niets kon afdoen. De tijd, met al zijn gebeurtenissen, is maar een ogenblik; de ruimte, met al haar afmetingen, is maar een stip vergeleken met het bestaan van een God Die de eeuwigheid bewoont en daarmee alle tijd en alle ruimte vult.
Dat een zelfbestaande God meer dan genoeg heeft aan Zijn eigen geluk en Zijn eigen heerlijkheid, is voor een gelovig hart een waarheid die even vanzelfsprekend is als het bestaan van God Zelf. Maar het behaagde de heilige Drie-enige HEERE dat Zijn hemelse heerlijkheid naar buiten geopenbaard zou worden. Dat moest tot stand komen door de menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid.
Lezen: Kolossensen 2:1-15
Aan de lezer…
U die zich soms zo klein en nietig voelt dat u zich afvraagt of de grote God wel aan u kan denken, bedenk dit: Hij Die de eeuwigheid bewoont, Die alle tijd en alle ruimte vult, had uw aanbidding niet nodig om gelukkig te zijn. Vader, Zoon en Heilige Geest waren van eeuwigheid volkomen in Zichzelf. En toch behaagde het Hem Zijn heerlijkheid naar buiten te openbaren, en dat niet op afstand, maar in het vlees en bloed van de kinderen.
Zie dan op Hem in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Daar is de toegang voor een arme zondaar: niet een God Die in onbereikbaar licht verborgen blijft, maar de Zoon Die onze natuur heeft aangenomen. Is uw hart leeg, uw wijsheid kort en uw kracht op? In Hem is volheid, genoeg voor een eeuwigheid. Het was van eeuwigheid het voornemen van de Vader om Zijn geliefde Zoon te verheerlijken; wie dan arm en leeg tot die Zoon komt, gaat de weg die God Zelf gebaand heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For in Him dwelleth all the fulness of the Godhead bodily.
Colossians 2:9
It has been the purpose of the Father from all eternity to glorify His dear Son. Both in the plan and in its execution He has shown how deep are His infinite wisdom, power and love. The eternal Son of God was to unite intimately and indissolubly to Himself, in His Divine Person, the flesh and blood of the children, so that in that character He might make visible the riches of the highest grace, the heights and depths of eternal love and the fulness of the uncreated glory of a Triune JEHOVAH. That has been from all eternity the fixed plan and the fixed purpose of the great and glorious, self-existent I AM. And the whole of creation, providence and all the events and circumstances in time and space were originally directed to the carrying out of this original plan.
Creation, with all its wonders of power and wisdom, was not needed for the happiness or the glory of the self-existent JEHOVAH. Father, Son and Holy Ghost had from all eternity that holy, intimate communion and mutual fellowship with each other, that mutual love and unspeakable friendship of three distinct Persons and yet but one God, to which creation could add nothing and from which it could take nothing away. Time, with all its events, is but a moment; space, with all its dimensions, is but a speck compared with the existence of a God Who inhabiteth eternity and thereby fills all time and all space.
That a self-existent God has more than enough in His own happiness and His own glory is to a believing heart a truth as self-evident as the existence of God Himself. But it pleased the holy Triune JEHOVAH that His heavenly glory should be manifested outwardly. That was to be brought about by the incarnation of the Son of God, the second Person of the holy Trinity.
Reading: Colossians 2:1-15
To the reader…
You who sometimes feel so small and insignificant that you wonder whether the great God can think of you at all, consider this: He Who inhabits eternity, Who fills all time and all space, did not need your worship in order to be happy. Father, Son and Holy Ghost were from all eternity complete in Themselves. And yet it pleased Him to manifest His glory outwardly, and that not at a distance, but in the flesh and blood of the children.
Look, then, to Him in Whom dwells all the fulness of the Godhead bodily. There is the way of access for a poor sinner: not a God Who remains hidden in unapproachable light, but the Son Who has taken our nature. Is your heart empty, your wisdom short and your strength spent? In Him is fulness, enough for an eternity. It was the Father’s purpose from all eternity to glorify His dear Son; whoever, then, comes poor and empty to that Son walks the way that God Himself has made.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente.
Colosenses 2:9
Ha sido el propósito del Padre desde toda la eternidad glorificar a Su amado Hijo. Tanto en el plan como en su ejecución ha mostrado cuán profundos son Su infinita sabiduría, poder y amor. El eterno Hijo de Dios había de unir a Sí mismo, íntima e indisolublemente, en Su Persona divina, la carne y la sangre de los hijos, para que en ese carácter hiciera visibles las riquezas de la más alta gracia, las alturas y profundidades del amor eterno y la plenitud de la gloria increada de un JEHOVÁ trino. Ese ha sido desde toda la eternidad el plan fijo y el propósito fijo del grande y glorioso YO SOY, que existe por Sí mismo. Y toda la creación, la providencia y todos los acontecimientos y circunstancias en el tiempo y el espacio fueron dirigidos originalmente a la realización de este plan original.
La creación, con todas sus maravillas de poder y sabiduría, no era necesaria para la felicidad ni para la gloria del JEHOVÁ que existe por Sí mismo. El Padre, el Hijo y el Espíritu Santo tenían desde toda la eternidad esa santa e íntima comunión y mutua compañía entre Sí, ese amor mutuo y esa amistad inefable de tres Personas distintas y sin embargo un solo Dios, a la cual la creación no podía añadir nada ni quitar nada. El tiempo, con todos sus acontecimientos, no es más que un momento; el espacio, con todas sus dimensiones, no es más que una mota comparado con la existencia de un Dios que habita la eternidad y por ello llena todo tiempo y todo espacio.
Que un Dios que existe por Sí mismo tiene más que suficiente en Su propia felicidad y Su propia gloria es para un corazón creyente una verdad tan evidente como la existencia de Dios mismo. Pero agradó al santo JEHOVÁ trino que Su gloria celestial se manifestara exteriormente. Eso había de realizarse por la encarnación del Hijo de Dios, la segunda Persona de la santa Trinidad.
Lectura: Colosenses 2:1-15
Al lector…
Usted que a veces se siente tan pequeño e insignificante que se pregunta si el gran Dios puede siquiera pensar en usted, considere esto: Aquel que habita la eternidad, que llena todo tiempo y todo espacio, no necesitaba su adoración para ser feliz. El Padre, el Hijo y el Espíritu Santo eran desde toda la eternidad completos en Sí mismos. Y sin embargo le agradó manifestar Su gloria exteriormente, y eso no a distancia, sino en la carne y la sangre de los hijos.
Mire, pues, a Aquel en Quien habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente. Ahí está el camino de acceso para un pobre pecador: no un Dios que permanece oculto en luz inaccesible, sino el Hijo que ha tomado nuestra naturaleza. ¿Está su corazón vacío, su sabiduría escasa y su fuerza agotada? En Él hay plenitud, suficiente para una eternidad. Fue el propósito del Padre desde toda la eternidad glorificar a Su amado Hijo; quien viene, pues, pobre y vacío a ese Hijo anda por el camino que Dios mismo ha hecho.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Efeze 3:19
De uitnemende heilige, de apostel Paulus, die in de derde hemel was opgetrokken geweest en daar heerlijke gezichten had gezien en onuitsprekelijke woorden gehoord, besluit, hoewel hij de menselijke taal te arm achtte om de alles overtreffende liefde van Christus uit te drukken, ten laatste ervan te zeggen: „Die de kennis te boven gaat.” En inderdaad moet zij de kennis te boven gaan. Is zij niet oneindig? Welke maat van de liefde van Christus kan er dan bepaald worden? Indien Christus God is en als zodanig de Vader gelijk, dan is Zijn liefde even oneindig als Zijn Godheid. Onze liefde is de liefde van het schepsel; de liefde van God is even groot als de Godheid, even oneindig als de uit Zichzelf bestaande „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Derhalve moet zij alle kennis te boven gaan.
Gij moogt u er somtijds over verwonderen — en het is een wonder dat de hemel vervullen zal met beurtzangen van eeuwige lof en prijs — hoe zulk een heerlijke Jezus als Hij is, ooit van de hemel kan neerzien op zulke verachtelijke kruipers, op zulke aardwormen, wat meer is, op zulke zondaren, die Hem telkens en telkens weer getergd hebben door hun misdaden. Ja, dat deze verhoogde Christus in de hoogte van Zijn heerlijkheid, van de hemel, Zijn paleis, kan neerzien op zulke ellendige schepselen als wij: dit is de verborgenheid die de engelen met verbazing vervult. Doch het is de heerlijkheid van Christus aldus lief te hebben; het is Zijn bijzondere heerlijkheid Zijn heiligen ten hemel te leiden, opdat zij getuigen en deelgenoten Zijner heerlijkheid zouden zijn.
Derhalve is het niet omdat wij zulke verachtelijke kruipers zijn, dat wij zulke onwaardige schepselen zijn, die ten uiterste onwaardig zijn dat enige notitie van ons zou genomen worden; wij moeten geheel deze ongeëvenaarde liefde van ons afwerpen en zeggen: „Kan Christus zulk één als mij liefhebben? Kan de heerlijke Zoon van God van de hemel, Zijn woonplaats, een oog van medelijden en ontferming, van liefde en toegenegenheid werpen op zulk één als ik ben; één die bij tijden nauwelijks zichzelf kan verdragen, één die zichzelf de onreinste der onreinen, de slechtste onder de slechtsten ziet en gevoelt? O, wat moet ik zijn in het oog van de heerlijke Zoon van God?” En toch zegt Hij: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Deze liefde heeft ongekende breedten en lengten en diepten en hoogten. Haar breedte gaat alle menselijk begrip te boven; haar lengte gaat boven alle menselijke berekening; haar diepte overtreft alle peilen van schepselen, en haar hoogte overtreft zelfs der engelen schatting. Nu, dit is de reden waarom deze liefde ons geschonken wordt. Wij hebben een liefde als deze nodig, een liefde die zich over ons uitspreidt, die afdaalt tot onze diepste diepten; een liefde die ons in de hemel kan doen aanlanden. Een liefde minder dan deze is geen liefde.
Wij zouden door onze zonde de liefde uitputten, ware zij niet zoals hier is voorgesteld. Lang geleden zouden wij deze liefde reeds verzondigd hebben en door onze ondankbaarheid, opstand en misdaden hebben doen opdrogen. Maar zij is wat zij is: zo wonderlijk, zo diep, zo lang, zo breed en hoog; zij is zozeer gepast voor elke behoefte en elk leed.
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af: „Kan Christus zulk één als mij liefhebben?” Ziet u uzelf als de onreinste der onreinen, als iemand die zichzelf nauwelijks kan verdragen? Dan weet u iets van het wonder dat de engelen met verbazing vervult: dat de verhoogde Christus in Zijn heerlijkheid kan neerzien op zulke ellendige schepselen. Uw onwaardigheid is groot, maar zij is niet groter dan Zijn liefde.
Want deze liefde is niet als de onze. Zij is even oneindig als Zijn Godheid; zij daalt af tot onze diepste diepten en gaat alle kennis te boven. Een kleinere liefde zouden wij allang door onze zonden hebben uitgeput en doen opdrogen. Maar deze liefde is gepast voor elke behoefte en elk leed. Houd dan uw oog op Hem, Die nog zegt: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Efeze 3:19
De apostel Paulus, die uitnemende heilige, was opgenomen in de derde hemel en had daar heerlijke gezichten gezien en onuitsprekelijke woorden gehoord. Toch vond hij de menselijke taal te arm om de alles overtreffende liefde van Christus uit te drukken, en ten slotte zegt hij ervan: „Die de kennis te boven gaat.” En inderdaad moet zij de kennis te boven gaan. Is zij niet oneindig? Welke maat kan er dan aan de liefde van Christus gesteld worden? Als Christus God is en als zodanig aan de Vader gelijk, dan is Zijn liefde even oneindig als Zijn Godheid. Onze liefde is de liefde van een schepsel; de liefde van God is even groot als de Godheid, even oneindig als de uit Zichzelf bestaande „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Daarom moet zij alle kennis te boven gaan.
U mag zich er soms over verwonderen — en het is een wonder dat de hemel zal vervullen met beurtzangen van eeuwige lof en prijs — hoe zo’n heerlijke Jezus als Hij ooit vanuit de hemel kan neerzien op zulke verachtelijke kruipers, op zulke aardwormen, ja meer nog, op zulke zondaren, die Hem keer op keer getergd hebben door hun misdaden. Ja, dat deze verhoogde Christus vanuit de hoogte van Zijn heerlijkheid, vanuit de hemel, Zijn paleis, kan neerzien op zulke ellendige schepselen als wij: dat is de verborgenheid die de engelen met verbazing vervult. Maar het is de heerlijkheid van Christus zo lief te hebben; het is Zijn bijzondere heerlijkheid Zijn heiligen naar de hemel te leiden, zodat zij getuigen van Zijn heerlijkheid zouden zijn en daarin zouden delen.
Daarom mogen wij, omdat wij zulke verachtelijke kruipers zijn, zulke onwaardige schepselen die het in het geheel niet waard zijn dat er enige notitie van ons genomen wordt, deze ongeëvenaarde liefde niet van ons afwerpen en zeggen: „Kan Christus iemand als ik liefhebben? Kan de heerlijke Zoon van God vanuit de hemel, Zijn woonplaats, een oog van medelijden en ontferming, van liefde en genegenheid laten vallen op iemand zoals ik; iemand die zichzelf soms nauwelijks kan verdragen, iemand die zichzelf ziet en voelt als de onreinste van de onreinen, de slechtste van de slechtsten? O, wat moet ik dan zijn in het oog van de heerlijke Zoon van God?” En toch zegt Hij: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Deze liefde heeft een ongekende breedte en lengte en diepte en hoogte. Haar breedte gaat alle menselijk begrip te boven; haar lengte gaat alle menselijke berekening te boven; haar diepte overtreft elke peiling van schepselen, en haar hoogte overtreft zelfs de schatting van de engelen. Dat is nu de reden waarom deze liefde ons geschonken wordt. Wij hebben zo’n liefde nodig, een liefde die zich over ons uitspreidt, die afdaalt tot onze diepste diepten; een liefde die ons in de hemel kan doen aankomen. Een liefde die minder is dan deze, is geen liefde.
Wij zouden de liefde door onze zonde uitputten, als zij niet was zoals zij hier wordt voorgesteld. Lang geleden zouden wij deze liefde al verzondigd hebben en door onze ondankbaarheid, opstand en misdaden hebben doen opdrogen. Maar zij is wat zij is: zo wonderlijk, zo diep, zo lang, zo breed en hoog; zo passend voor elke behoefte en elk leed.
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af: „Kan Christus iemand als ik liefhebben?” Ziet u uzelf als de onreinste van de onreinen, als iemand die zichzelf nauwelijks kan verdragen? Dan weet u iets van het wonder dat de engelen met verbazing vervult: dat de verhoogde Christus in Zijn heerlijkheid kan neerzien op zulke ellendige schepselen. Uw onwaardigheid is groot, maar zij is niet groter dan Zijn liefde.
Want deze liefde is niet als de onze. Zij is even oneindig als Zijn Godheid; zij daalt af tot onze diepste diepten en gaat alle kennis te boven. Een kleinere liefde zouden wij allang door onze zonden hebben uitgeput en doen opdrogen. Maar deze liefde past bij elke behoefte en elk leed. Houd uw oog dan op Hem gericht, Die nog altijd zegt: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The love of Christ, which passeth knowledge.”
Ephesians 3:19
That eminent saint, the Apostle Paul, who had been in the third heaven, and there saw glorious sights, and heard unspeakable words, though he exhausted human language to set forth the surpassing excellency of the love of Christ, comes at last to this point—“It passes knowledge.” Indeed it must pass knowledge. Is it not infinite? What measure, then, can be assigned to the love of Christ? If Christ be God, and as such the equal of the Father, His love is as infinite as Deity.
Our love is the love of the creature; the love of God is as great as Deity, as infinite as the self-existent I AM; it must needs therefore pass knowledge. You may wonder sometimes—and it is a wonder that will fill heaven itself with anthems of eternal praise—how such a glorious Jesus as this can ever look down from heaven upon such crawling reptiles, on such worms of earth—what is more, upon such sinners who have provoked Him over and over again by their misdeeds. Yes, that this exalted Christ, in the height of His glory, can look down from heaven His dwelling-place on such poor, miserable, wretched creatures as we—this is the mystery that fills angels with astonishment.
But it is the glory of Christ thus to love; it is His special glory to take His saints to heaven, that they might be witnesses of His glory and partakers of it. Therefore, it is not because we are such crawling reptiles, that we are such undeserving creatures, that we are so utterly unworthy of the least notice from Him, we are to put away all this matchless love from us, and say, “Can Christ love one like me? Can the glorious Son of God from heaven His dwelling-place cast an eye of pity and compassion, love and tenderness upon one like me, who can scarcely at times bear with myself; who see and feel myself one of the vilest of the vile, and the worst of the worst? Oh, what must I be in the sight of the glorious Son of God?”
And yet, He says, “I have loved you with an everlasting love.” This love has breadths, and lengths, and depths, and heights unknown. Its breadth exceeds all human span; its length outvies all creature line; its depth surpasses all finite measurement; and its height excels even angelic computation.
Now this is the very reason why this love is so adapted to us. We need a love like this; a love to spread itself over us, to come down to our lowest depths; a love that can land us safe in heaven. A love short of this would be no love at all. We would exhaust it by our sins if this love were not what it is here represented. Long ago we would have out-sinned this love, and drained it dry by our ingratitude, rebellion, and misdoing. But because it is what it is, love so wondrous, so deep, so long, so broad, so high; it is because it is what it is, that it is so suitable to every want and woe.
To the reader…
Sometimes you ask yourself, “Can Christ love someone like me?” Do you see yourself as the vilest of the vile, as someone who can scarcely bear with himself? Then you know something of the wonder that fills the angels with astonishment: that the exalted Christ in His glory can look down on such wretched creatures. Your unworthiness is great, but it is not greater than His love.
For this love is not like ours. It is as infinite as His Godhead; it comes down to our lowest depths and passes all knowledge. A smaller love we would long ago have exhausted and drained dry by our sins. But this love fits every want and every woe. Keep your eye fixed on Him, then, Who still says, “I have loved thee with an everlasting love.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El amor de Cristo, que excede a todo conocimiento.”
Efesios 3:19
Aquel eminente santo, el apóstol Pablo, que había estado en el tercer cielo, y allí vio visiones gloriosas y oyó palabras inefables, aunque agotó el lenguaje humano para exponer la excelencia sin igual del amor de Cristo, llega al fin a este punto: “Excede a todo conocimiento.” Ciertamente ha de exceder a todo conocimiento. ¿No es infinito? ¿Qué medida, pues, puede asignarse al amor de Cristo? Si Cristo es Dios, y como tal igual al Padre, Su amor es tan infinito como la Deidad.
Nuestro amor es el amor de la criatura; el amor de Dios es tan grande como la Deidad, tan infinito como el YO SOY que existe por Sí mismo; por tanto, necesariamente excede a todo conocimiento. Quizá se pregunte usted a veces —y es una maravilla que llenará el cielo mismo de himnos de alabanza eterna— cómo un Jesús tan glorioso como este puede jamás mirar desde el cielo a tales reptiles que se arrastran, a tales gusanos de la tierra; más aún, a tales pecadores que Le han provocado una y otra vez con sus malas obras. Sí, que este Cristo exaltado, en la altura de Su gloria, pueda mirar desde el cielo, Su morada, a criaturas tan pobres, miserables y desdichadas como nosotros: este es el misterio que llena de asombro a los ángeles.
Pero es la gloria de Cristo amar así; es Su gloria especial llevar a Sus santos al cielo, para que sean testigos de Su gloria y participantes de ella. Por tanto, no porque seamos tales reptiles que se arrastran, tan indignas criaturas, tan enteramente indignos de la menor atención de Su parte, hemos de apartar de nosotros todo este amor sin igual y decir: “¿Puede Cristo amar a uno como yo? ¿Puede el glorioso Hijo de Dios, desde el cielo, Su morada, echar una mirada de piedad y compasión, de amor y ternura, sobre uno como yo, que a veces apenas puedo soportarme a mí mismo; que me veo y me siento uno de los más viles entre los viles, y el peor de los peores? ¡Oh, qué debo de ser a los ojos del glorioso Hijo de Dios!”
Y sin embargo, Él dice: “Con amor eterno te he amado.” Este amor tiene anchuras y longitudes, profundidades y alturas desconocidas. Su anchura excede todo palmo humano; su longitud sobrepasa toda línea de criatura; su profundidad supera toda medida finita; y su altura aventaja aun al cálculo de los ángeles.
Ahora bien, esta es la razón misma por la que este amor se adapta tan bien a nosotros. Necesitamos un amor como este; un amor que se extienda sobre nosotros, que descienda hasta nuestras más bajas profundidades; un amor que pueda dejarnos a salvo en el cielo. Un amor menor que este no sería amor en absoluto. Lo agotaríamos con nuestros pecados si este amor no fuera lo que aquí se representa. Hace mucho que habríamos sobrepasado este amor con nuestro pecar, y lo habríamos dejado seco con nuestra ingratitud, rebelión y malas obras. Pero porque es lo que es, un amor tan maravilloso, tan profundo, tan largo, tan ancho, tan alto; es porque es lo que es, que resulta tan adecuado a toda necesidad y toda aflicción.
Al lector…
A veces se pregunta usted: “¿Puede Cristo amar a alguien como yo?” ¿Se ve como el más vil de los viles, como alguien que apenas puede soportarse a sí mismo? Entonces sabe algo de la maravilla que llena de asombro a los ángeles: que el Cristo exaltado en Su gloria pueda mirar a criaturas tan desdichadas. Su indignidad es grande, pero no es mayor que Su amor.
Porque este amor no es como el nuestro. Es tan infinito como Su Deidad; desciende hasta nuestras más bajas profundidades y excede a todo conocimiento. Un amor menor lo habríamos agotado y dejado seco hace mucho con nuestros pecados. Pero este amor se ajusta a toda necesidad y a toda aflicción. Mantenga, pues, los ojos fijos en Aquel que todavía dice: “Con amor eterno te he amado.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl