20 de diciembre
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hope; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
Hosea 2:14
Het „dal Achor” betekent het „dal van beroerte”. Het was het dal waar Achan werd gestenigd. En waarom gestenigd? Omdat hij het gevloekte voorwerp genomen had; omdat zijn oog was geboeid door het Babylonische kleed en de gouden tong, en hij ze in zijn tent had begraven. Dit kan een licht werpen op de geestelijke betekenis van het „dal van Achor”.
Misschien zijt gij schuldig geweest aan de zonde van Achan; misschien hebt gij het gevloekte voorwerp genomen; hebt gij u misschien te veel met de wereld ingelaten; misschien hebt gij dingen gedaan die Gods misnoegen opwekten. Dat het geweten in elks binnenste uitspraak doe. Het gevolg daarvan is, dat gij in het „dal van Achor” zijt geraakt! Beroerte, smart en beschaming zijn uw lot, en gij weet niet of het lot van Achan u daar niet wacht.
Nu is in het „dal van Achor”, of van smart, beschaming en vrees, de „deur der hope” geopend. Maar waarom in het dal van Achor? Opdat wij zouden ophouden op onszelf te hopen; opdat de hoop van een gezond en zuiver Evangelie binnen het voorhangsel moge binnengaan als een veilig en onwrikbaar anker, en er alleen hoop zij op het dierbaar bloed des Lams en op een liefelijke openbaring van dat bloed aan het geweten. Dit is de „deur der hope”, door welke de ziel doordringt tot in de tegenwoordigheid van God; Jezus, gezeten op de troon als gezegend Hogepriester. Zij ziet daar de troon der genade, het besprengde verzoendeksel, en de grote Hogepriester, Die machtig en gewillig is om „volkomenlijk zalig te maken”.
Door deze „deur der hope”, waardoor Christus gezien wordt, gaat de ziel uit in begeerten, zuchtingen, honger en dorst naar Hem; en door deze „deur der hope” dalen bezoeken, glimlachen, liefdespanden, getuigenissen, barmhartigheden en gunsten neder.
Zo is er dan een „deur der hope” die niet langer gegrendeld, gesloten en dichtgeschoven is, maar wijd openstaat in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Hier is een vernieuwing van bezoeken waaraan men bijna wanhoopte; van vreugde die nimmer scheen terug te keren; van hoop die bijna vervlogen was; van vertroostingen van weleer, maar aan welke men bijna met vrees denkt, of ze ook bedrieglijk geweest zijn. „Aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.”
Dus toog ’t verkoren volk des Heeren
al juichend uit op Gods begeren.
Het land der heid’nen van rondom
schonk Hij hun tot een eigendom.
Psalm 105:23
Aan de lezer…
Bent u in het dal Achor, waarde lezer, het dal van beroerte? Spreekt uw geweten u aan over dingen die Gods misnoegen opwekten, over een hart dat zich te veel met de wereld inliet? U weet niet of het lot van Achan u niet wacht, en smart en beschaming zijn uw deel. Het is een bitter dal, en het is geen geringe zaak daar te vertoeven.
Maar hoor wat de Heere belooft: juist daar opent Hij een deur der hope. Niet opdat u weer op uzelf zou hopen, maar opdat al uw hoop zou rusten op het dierbaar bloed des Lams. Die deur staat wijd open in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Daar worden bezoeken vernieuwd waaraan u bijna wanhoopte, en vreugde die nooit scheen terug te keren. En wie zo door die deur mag gaan, zal er weer zingen als in de dagen zijner jeugd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hope; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
Hosea 2:14
Het „dal Achor” betekent het „dal van beroerte”. Het was het dal waar Achan werd gestenigd. En waarom werd hij gestenigd? Omdat hij het vervloekte goed had genomen; omdat zijn oog gevangen was door het Babylonische kleed en de gouden tong, en hij die in zijn tent had begraven. Dit kan licht werpen op de geestelijke betekenis van het „dal van Achor”.
Misschien bent u schuldig geweest aan de zonde van Achan. Misschien hebt u het vervloekte goed genomen, hebt u zich misschien te veel met de wereld ingelaten, of hebt u misschien dingen gedaan die Gods misnoegen opwekten. Laat het geweten in ieders binnenste daarover uitspraak doen. Het gevolg is dat u in het „dal van Achor” terecht bent gekomen! Beroering, smart en beschaming zijn dan uw lot, en u weet niet of het lot van Achan daar niet op u wacht.
Nu wordt juist in het „dal van Achor”, het dal van smart, beschaming en vrees, de „deur der hope” geopend. Maar waarom in het dal van Achor? Opdat wij zouden ophouden op onszelf te hopen. Opdat de hoop van een gezond en zuiver Evangelie binnen het voorhangsel mag ingaan als een veilig en onwrikbaar anker, en er alleen hoop is op het dierbare bloed van het Lam en op een lieflijke openbaring van dat bloed aan het geweten. Dit is de „deur der hope”, waardoor de ziel doordringt tot in de tegenwoordigheid van God, waar Jezus op de troon zit als de gezegende Hogepriester. Zij ziet daar de troon van de genade, het met bloed besprenkelde verzoendeksel, en de grote Hogepriester, Die machtig en bereid is om „volkomenlijk zalig te maken”.
Door deze „deur der hope”, waardoor Christus gezien wordt, gaat de ziel naar Hem uit in verlangen, zuchten, honger en dorst; en door deze „deur der hope” dalen bezoeken, glimlachen, liefdespanden, getuigenissen, barmhartigheden en gunsten neer.
Zo is er dus een „deur der hope” die niet langer vergrendeld, gesloten en dicht is, maar wijd openstaat in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Hier worden bezoeken vernieuwd waaraan men bijna wanhoopte; vreugde die nooit meer leek terug te keren; hoop die bijna vervlogen was; vertroostingen van vroeger, waaraan men bijna met vrees terugdenkt, of ook die misschien bedrieglijk zijn geweest. „Aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.”
Dus toog ’t verkoren volk des Heeren
al juichend uit op Gods begeren.
Het land der heid’nen van rondom
schonk Hij hun tot een eigendom.
Psalm 105:23
Aan de lezer…
Bent u in het dal Achor, waarde lezer, het dal van beroerte? Spreekt uw geweten u aan over dingen die Gods misnoegen opwekten, over een hart dat zich te veel met de wereld inliet? U weet niet of het lot van Achan niet op u wacht, en smart en beschaming zijn uw deel. Het is een bitter dal, en het is geen kleine zaak daar te verblijven.
Maar hoor wat de Heere belooft: juist daar opent Hij een deur der hope. Niet opdat u weer op uzelf zou hopen, maar opdat al uw hoop zou rusten op het dierbare bloed van het Lam. Die deur staat wijd open in de bloedende zijde van de vleesgeworden God. Daar worden bezoeken vernieuwd waaraan u bijna wanhoopte, en vreugde die nooit meer leek terug te keren. En wie zo door die deur mag gaan, zal er weer zingen als in de dagen van zijn jeugd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will give her her vineyards from thence, and the valley of Achor for a door of hope: and she shall sing there, as in the days of her youth, and as in the day when she came up out of the land of Egypt.
Hosea 2:15
Now the “valley of Achor” signifies the “valley of trouble.” It was the valley in which Achan was stoned. And why stoned? Because he had taken the accursed thing; because his eye had been captivated by the Babylonish garment and golden wedge, and he had buried them in the tent. This may throw a light on what the “valley of Achor” is spiritually. Perhaps you have been guilty of Achan’s sin; you have been taking the accursed thing; have been too deeply connected with the world; have done things which God’s displeasure is against. Let conscience speak in the bosom of each. The consequence has been, that you have got into the “valley of Achor!” Trouble, sorrow, and confusion are your lot, and you do not know whether the lot of Achan may not await you there.
Now it is in this “valley of Achor,” or sorrow, confusion, and fear, that the “door of hope” is opened. But why “in the valley of Achor?” That we may cease to hope in self; that a sound and true gospel hope may enter within the veil as an anchor sure and steadfast, and there be no hope but in the precious blood of the Lamb, and in a sweet manifestation of that blood to the conscience. This is the “door of hope” through which the soul looks into the very presence of God; sees Jesus on the throne of grace, the sprinkled mercy-seat, and the great High Priest “able and willing to save to the uttermost.”
Through this “door of hope,” by which Christ is seen, the soul goes forth in desires, breathings, hungerings, and thirstings after Him; and through this “door of hope” descend visits, smiles, tokens, testimonies, mercies, and favors. And thus, there is “a door of hope,” no longer barred, closed, and shut back, but thrown wide open in the bleeding side of an incarnate God. Here is a renewing of visits almost despaired of; of joys that seemed never to return; of hopes almost extinct; of consolations remembered, but remembered almost with fear, lest they should have been delusive. “There she will sing as in the days of her youth, as in the day she came up out of Egypt.”
To the reader…
Are you in the valley of Achor, dear reader, the valley of trouble? Does your conscience speak to you about things that brought on God’s displeasure, about a heart that was too deeply connected with the world? You do not know whether the lot of Achan may not await you, and sorrow and confusion are your portion. It is a bitter valley, and it is no small thing to dwell there.
But hear what the Lord promises: it is just there that He opens a door of hope. Not that you would hope in yourself again, but that all your hope would rest on the precious blood of the Lamb. That door stands wide open in the bleeding side of an incarnate God. There visits are renewed that you had almost despaired of, and joys that seemed never to return. And whoever may go through that door will sing there again as in the days of his youth.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y le daré sus viñas desde allí, y el valle de Acor por puerta de esperanza; y allí cantará como en los tiempos de su juventud, y como en el día de su subida de la tierra de Egipto.
Oseas 2:15
Ahora bien, el “valle de Acor” significa el “valle de la turbación”. Fue el valle en que Acán fue apedreado. ¿Y por qué apedreado? Porque había tomado del anatema; porque su ojo había sido cautivado por el manto babilónico y el lingote de oro, y los había escondido en la tienda. Esto puede arrojar luz sobre lo que es espiritualmente el “valle de Acor”. Quizá usted ha sido culpable del pecado de Acán; ha estado tomando del anatema; ha estado demasiado ligado al mundo; ha hecho cosas contra las cuales está el desagrado de Dios. Deje que la conciencia hable en el pecho de cada uno. La consecuencia ha sido que usted ha ido a parar al “valle de Acor”. Turbación, dolor y confusión son su suerte, y no sabe si la suerte de Acán no le aguarda allí.
Pues bien, es en este “valle de Acor”, de dolor, confusión y temor, donde se abre la “puerta de esperanza”. Pero ¿por qué “en el valle de Acor”? Para que dejemos de esperar en nosotros mismos; para que una esperanza evangélica sana y verdadera entre hasta dentro del velo como ancla segura y firme, y no haya esperanza sino en la sangre preciosa del Cordero y en una dulce manifestación de esa sangre a la conciencia. Esta es la “puerta de esperanza” por la cual el alma mira a la misma presencia de Dios; ve a Jesús en el trono de la gracia, el propiciatorio rociado, y al gran Sumo Sacerdote “poderoso y dispuesto para salvar eternamente”.
Por esta “puerta de esperanza”, por la cual se ve a Cristo, el alma sale en deseos, anhelos, hambre y sed de Él; y por esta “puerta de esperanza” descienden visitas, sonrisas, señales, testimonios, misericordias y favores. Y así hay “una puerta de esperanza”, ya no atrancada, cerrada y echada atrás, sino abierta de par en par en el costado sangrante de un Dios encarnado. Aquí hay una renovación de visitas de las que casi se había desesperado; de gozos que parecían no volver nunca; de esperanzas casi extinguidas; de consolaciones recordadas, pero recordadas casi con temor, no fuera que hubieran sido engañosas. “Allí cantará como en los tiempos de su juventud, y como en el día de su subida de la tierra de Egipto”.
Al lector…
¿Está usted en el valle de Acor, querido lector, el valle de la turbación? ¿Le habla su conciencia de cosas que atrajeron el desagrado de Dios, de un corazón que estaba demasiado ligado al mundo? No sabe si la suerte de Acán no le aguarda, y el dolor y la confusión son su porción. Es un valle amargo, y no es poca cosa morar allí.
Pero escuche lo que promete el Señor: es precisamente allí donde Él abre una puerta de esperanza. No para que vuelva a esperar en sí mismo, sino para que toda su esperanza descanse en la sangre preciosa del Cordero. Esa puerta está abierta de par en par en el costado sangrante de un Dios encarnado. Allí se renuevan visitas de las que casi había desesperado, y gozos que parecían no volver nunca. Y quien puede pasar por esa puerta cantará allí otra vez como en los tiempos de su juventud.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl