Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

2 november Korenaren uit de volle oogst

Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3

In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Uit alle delen van de wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, stijgen uit verbroken harten gebeden op tot „God, de Allerhoogste”. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht en alle harten gevestigd; naar Hem gaat elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”. Hij hoort de zuchten en het geroep van Zijn kinderen, dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden. En Hij zit niet alleen in de hoogte om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat ieder van hen die in zijn toestand en staat nodig heeft.

Wanneer zullen wij dan tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij tevreden zijn over onszelf? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles van buiten en van binnen gemakkelijk gaat? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? In zulke omstandigheden kunnen wij ons geweten misschien tevredenstellen met gebed, of liever met de vorm van gebed; maar dan is er geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij op die plaats gebracht worden: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).

Op deze plaats werden alle heiligen van vroeger gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur van de tempel. Zij waren allen hopeloos en hulpeloos, zonder woning en zonder schuilplaats, voordat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. Ook wij moeten zonder schuilplaats en zonder woning zijn, voordat wij hetzelfde kunnen roepen en voordat onze gebeden ingang vinden in de oren van de Heere Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”

Als God niet iets voor ons deed, ja meer, als God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting en zelfbedrog zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, zoals Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn aanbidders, die zich met lancetten sneden, niet kon horen, omdat hij iets te vervolgen had, of sliep en gewekt moest worden. Maar de God van Israël is niet zoals die stomme afgoden, die goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verzinsels van bijgeloof en onwetendheid. Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.

Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.

Ps. 123:1

Aan de lezer…

Hebt u misschien lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende leken? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur van de tempel waren daar, hopeloos en hulpeloos, voordat zij riepen.

Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat ieder in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

2 november 365 dagen met Philpot

Een hoog vertrek

En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11

De schuld van de zonde drukt zwaar en krachtig op menig teder geweten. De kinderen van God gaan er vaak met smart onder gebukt. Zij vervult hen met angst over wat in de toekomst hun deel zal zijn; zij drukt hen ter aarde en houdt hen daar neer, en zij doet hen vaak zuchten en kermen onder de zware last die op hun schouders ligt. Maar juist die druk leidt hen, in de hand van de Geest, ertoe de Heere tot hun Hoog Vertrek te maken. We hebben zware lasten nodig om op een bepaald punt in onze ziel te komen.

We gaan vaak lichtvaardig om met de dingen van God en oordelen aan de hand van een paar leerstellingen, zonder hun kracht en zegen in onze bevinding te kennen. En sommigen blijven jarenlang om de waarheid heen draaien, zonder haar kracht werkelijk te ervaren. Ze zijn tevreden met een rechtzinnig geloof, zonder de zoete smaak te proeven van goddelijke waarheden die aan hun geweten worden geopenbaard. Welnu, wanneer de Heere barmhartigheid en liefde wil bekendmaken – wanneer Hij besloten heeft dat iemand moet weten dat Hij de enige Toevlucht is – dan legt Hij lasten op zijn rug, brengt Hij schuld in zijn geweten, laat Hij hem zijn verborgen zonden zien en geeft Hij hem het besef dat hij de grootste zondaar is.

Telkens wanneer de Geest dit op iemands geweten legt, zal het hem vroeg of laat naar de Heere als zijn Hoog Vertrek doen gaan. „Wat kan ik doen,” zegt de arme, beladen ziel, „welke hulp kan ik van een mens verwachten? Welke verlossing kan ik in mezelf vinden, een arme, schuldige stakker, die gebukt gaat onder de zondelast?” Dit zal hem de Heere doen zoeken als zijn Hoog Vertrek, want er is geen ander naar wie hij kan vluchten.

Lezen: Psalm 46

Aan de lezer…

Drukt de schuld van de zonde zwaar op uw geweten? Gaat u gebukt onder een last die u niet kunt afschudden, en ziet u uw verborgen zonden zo, dat u uzelf de grootste zondaar acht? Dan meent u misschien dat de Heere tegen u is. Maar wie weet heeft Hij die last juist daarom op uw rug gelegd, zodat u niet langer lichtvaardig met de dingen van God zou omgaan en tevreden zou zijn met een rechtzinnig geloof zonder kracht.

Vraagt u met de arme, beladen ziel: „Wat kan ik doen? Welke hulp kan ik van een mens verwachten?” Dan bent u niet ver van de plaats waar de Heere u hebben wil. Er is geen ander naar wie u kunt vluchten, en dat is geen verlies, want Hij is een Hoog Vertrek voor de verdrukte, en Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

2 november Door Baca’s vallei

En dit waart gij sommigen, maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam des Heeren Jezus, en door de Geest onzes Gods.
1 Corinthe 6:11

Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn twee onderscheiden weldaden. De eerste komt voort uit en is verbonden met het volbrachte werk van de Zoon van God; de andere komt voort uit en is verbonden met het werk van de Heilige Geest in het hart. De zonde heeft ons zowel uitwendig verontreinigd als inwendig onze ziel bevlekt. Daarom kunnen wij niet voor God bestaan, tenzij wij gewassen worden in het bloed van het Lam en bekleed met Zijn smetteloze gerechtigheid. Deze gerechtigheid geeft ons recht op de hemel, terwijl de heiligheid ons daarvoor geschikt maakt. De eerste is ons bruiloftskleed, de laatste onze geestelijke bekwaamheid. Dit lied tekent dit onderscheid heel goed:

Hij is ’t, Die kleedt mijn naakte ziel,
En mij schenkt zaligheid.
Mij, arme worm, waar ’t oog op viel,
Gena is mij bereid!

En opdat niet de minste vlek
Aan mijne ziel zou kleven,
Heeft Hij mij met een kleed bedekt,
Door Christus Zelf geweven.

De Geest wrocht in mijn zondig hart
Een nieuwgeboren deel.
Maar Jezus won door bange smart
Dit reine kleed geheel.

Zonder deze twee weldaden kan niemand de hemel binnengaan; en welke blijdschap zou daar zonder deze zelfs te vinden zijn? Let niet alleen op de oneindige reinheid en heiligheid van God, maar ook op de vlammende heerlijkheid van Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid en op de doordringende stralen van Zijn alles doorzoekend oog. Wie of wat kan in Zijn tegenwoordigheid leven, behalve wat van binnen en van buiten volstrekt volmaakt is? Maar de kerk kon dat niet zijn, tenzij zij gewassen werd in het bloed en gekleed in de gerechtigheid van Gods lieve Zoon, en volkomen geheiligd werd door de werking en inwoning van Zijn Geest.

Daarom lezen wij: „Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven. Opdat Hij ze heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord. Opdat Hij ze Zichzelf zou heerlijk voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk” (Efeze 5:25-27).

Aan de lezer…

Arme zondaar, wanneer u denkt aan de oneindige reinheid en heiligheid van God, aan de vlammende heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid en de doordringende stralen van Zijn alles doorzoekend oog, beeft u dan niet? Wie kan daar bestaan met een ziel die zowel uitwendig verontreinigd als inwendig bevlekt is? U kunt dat kleed niet zelf weven, en uw eigen hart niet nieuw maken; elke poging daartoe laat u alleen maar meer uw naaktheid zien.

Maar hier is de troost voor een arme worm zoals u: het kleed is door Christus Zelf geweven en door bange smart gewonnen, en de Geest werkt in het zondige hart een nieuwgeboren deel. Zoek het daarom niet in uzelf, maar bij Hem Die Zichzelf voor Zijn gemeente heeft overgegeven, om haar zonder vlek of rimpel aan Zichzelf voor te stellen. Zo kan zelfs de vuilste zeggen: „Gena is mij bereid!”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina