6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3
In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Tot „God, de Allerhoogste” stijgen uit verbroken harten, van alle delen der wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, gebeden op. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht; alle harten gevestigd; vloeit elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”, horende de zuchten en het geroep van Zijn kinderen dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, op welke uithoek der aarde zij zich ook mogen bevinden; en Hij zit niet alleen in de hoge om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat elk die in zijn toestand en staat nodig heeft.
Wanneer nu zullen wij tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij over onszelf voldaan zijn? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles ons van buiten en van binnen gemakkelijk valt? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? Wij mogen onder zulke omstandigheden ons geweten door het gebed, of liever door de vorm van gebed, bevredigen; maar er is geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij gebracht worden tot die plaats: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Op deze plaats werden al de heiligen van ouds gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur des tempels. Allen waren hopeloos, hulpeloos, zonder woning, zonder schuilplaats, vóórdat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. En ook wij moeten zonder schuilplaats, zonder woning zijn, vóórdat wij hetzelfde kunnen roepen, of vóórdat onze gebeden ingang vinden in de oren des Heeren Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”
Indien God niet iets voor ons deed, ja meer, indien God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting, een begoocheling zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, gelijk Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn zich met lancetten snijdende aanbidders niet horen kon, omdat hij wat te vervolgen had, of sliep en moest opgewekt worden. Maar de God Israëls is niet gelijk deze stomme afgoden, deze goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verdichtsels van bijgelovigheid en onwetendheid; maar Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.
Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.
Ps. 123:1
Aan de lezer…
Hebt u, waarde lezer, wellicht lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende schenen? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur des tempels waren daar, hopeloos en hulpeloos, eer zij riepen.
Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen op welke uithoek der aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat elk in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3
In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Uit alle delen van de wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, stijgen uit verbroken harten gebeden op tot „God, de Allerhoogste”. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht en alle harten gevestigd; naar Hem gaat elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”. Hij hoort de zuchten en het geroep van Zijn kinderen, dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden. En Hij zit niet alleen in de hoogte om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat ieder van hen die in zijn toestand en staat nodig heeft.
Wanneer zullen wij dan tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij tevreden zijn over onszelf? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles van buiten en van binnen gemakkelijk gaat? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? In zulke omstandigheden kunnen wij ons geweten misschien tevredenstellen met gebed, of liever met de vorm van gebed; maar dan is er geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij op die plaats gebracht worden: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Op deze plaats werden alle heiligen van vroeger gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur van de tempel. Zij waren allen hopeloos en hulpeloos, zonder woning en zonder schuilplaats, voordat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. Ook wij moeten zonder schuilplaats en zonder woning zijn, voordat wij hetzelfde kunnen roepen en voordat onze gebeden ingang vinden in de oren van de Heere Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”
Als God niet iets voor ons deed, ja meer, als God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting en zelfbedrog zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, zoals Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn aanbidders, die zich met lancetten sneden, niet kon horen, omdat hij iets te vervolgen had, of sliep en gewekt moest worden. Maar de God van Israël is niet zoals die stomme afgoden, die goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verzinsels van bijgeloof en onwetendheid. Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.
Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.
Ps. 123:1
Aan de lezer…
Hebt u misschien lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende leken? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur van de tempel waren daar, hopeloos en hulpeloos, voordat zij riepen.
Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat ieder in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will cry unto God most high; unto God that performeth all things for me.
Psalm 57:2
In the word “most High,” there is something to my mind very expressive. It is to “God most High” that prayers go up from broken hearts, in all parts of the world where the Lord has a quickened people. “Unto God most High” every eye is pointed, every heart is fixed, and every breath of living prayer flows. Jesus sits in glory as “God most High,” hearing the sighs and cries of His broken-hearted family, where they dwell in the utmost corners of the earth; and He is not only sitting on high to hear their cries, but also to bestow upon them the blessings which He sees suitable to their case and state.
Now when shall we thus come “unto God most High?” When we are pleased and satisfied in SELF? when the world smiles? when all things are easy without and within? when we are in circumstances for which our own wisdom, strength, and righteousness are amply sufficient? We may, under such circumstances, appease our conscience by prayer, or rather its form; but there is no “CRY unto God most High.”
Before there is a real, spiritual cry raised up, we must be brought to that spot, “Refuge failed me; no man cared for my soul” (Psalm 142:4). Here all the saints of old were brought; Job upon his ash-heap, Hezekiah upon his sick bed, Hannah by the temple gate. All were hopeless, helpless, houseless, refugeless, before they cried “unto God most High.” And we must be equally refugeless and houseless before we can utter the same cry, or our prayers find entrance into the ears of the Lord Almighty.
“Unto God Who performs all things for me.” If God did not perform something for us; no more, if God did not perform all things for us, it would be a mockery, a delusion to pray to Him at all. “The Hope of Israel” would then be to us a dumb idol, like Ashtaroth or Baal, who could not hear the cries of his lancet-cutting worshipers, because he was hunting or asleep, and needed to be awakened. But the God of Israel is not like these dumb idols, these ash-heap gods, the work of men’s hands, the figments of superstition and ignorance; but the eternal Jehovah, Who ever lives to hear and answer the prayers that His people offer up.
To the reader…
Have you perhaps prayed for a long time with no more than the form of prayer, to keep your conscience quiet, as long as the world smiled on you and your own wisdom and strength seemed enough? And have you now been brought to that place where refuge fails and no man cares for your soul? Then it is a hard place, but not a lost place. Job on his ash-heap, Hezekiah on his sick bed and Hannah at the temple gate were there too, hopeless and helpless, before they cried.
It is just there that the cry becomes real. Jesus sits in glory and hears the sighs of His children, in whatever corner of the earth they may be, and He knows what each one needs in his case. Cry then unto God most High, and hold fast to this word: He it is that performeth all things for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Clamaré al Dios Altísimo, al Dios que cumple todas las cosas por mí.
Salmo 57:2
En la palabra “Altísimo” hay algo que, a mi parecer, es muy expresivo. Es al “Dios Altísimo” a Quien suben las oraciones de los corazones quebrantados, en todas las partes del mundo donde el Señor tiene un pueblo vivificado. “Al Dios Altísimo” se dirige todo ojo, en Él se fija todo corazón y hacia Él fluye todo aliento de oración viva. Jesús está sentado en gloria como el “Dios Altísimo”, oyendo los suspiros y clamores de Su familia de corazón quebrantado, dondequiera que habite en los más remotos rincones de la tierra; y no solo está sentado en lo alto para oír sus clamores, sino también para concederles las bendiciones que Él ve convenientes a su caso y estado.
Ahora bien, ¿cuándo vendremos así “al Dios Altísimo”? ¿Cuando estamos complacidos y satisfechos en el YO? ¿Cuando el mundo sonríe? ¿Cuando todas las cosas van bien por fuera y por dentro? ¿Cuando estamos en circunstancias para las cuales nuestra propia sabiduría, fuerza y justicia son ampliamente suficientes? En tales circunstancias podemos apaciguar nuestra conciencia con la oración, o más bien con su forma; pero no hay ningún “CLAMOR al Dios Altísimo”.
Antes de que se levante un clamor real y espiritual, tenemos que ser llevados a aquel lugar: “No tuve refugio; no había quien volviese por mi vida” (Salmo 142:4). Aquí fueron llevados todos los santos de antaño: Job sobre su montón de ceniza, Ezequías en su lecho de enfermo, Ana junto a la puerta del templo. Todos estaban sin esperanza, sin ayuda, sin casa, sin refugio, antes de clamar “al Dios Altísimo”. Y nosotros tenemos que estar igualmente sin refugio y sin casa antes de poder elevar el mismo clamor, o de que nuestras oraciones hallen entrada en los oídos del Señor Todopoderoso.
“Al Dios que cumple todas las cosas por mí.” Si Dios no cumpliera algo por nosotros; más aún, si Dios no cumpliera todas las cosas por nosotros, sería una burla, un engaño orarle en absoluto. “La Esperanza de Israel” sería entonces para nosotros un ídolo mudo, como Astarot o Baal, que no podía oír los clamores de sus adoradores que se sajaban con lancetas, porque estaba cazando o dormido y necesitaba ser despertado. Pero el Dios de Israel no es como estos ídolos mudos, estos dioses de montón de ceniza, obra de manos de hombres, invenciones de la superstición y la ignorancia; sino el eterno Jehová, Quien vive siempre para oír y responder las oraciones que Su pueblo Le ofrece.
Al lector…
¿Ha orado usted quizá durante mucho tiempo con no más que la forma de la oración, para mantener tranquila su conciencia, mientras el mundo le sonreía y su propia sabiduría y fuerza parecían bastar? ¿Y ha sido ahora llevado a aquel lugar donde falta el refugio y no hay quien vuelva por su vida? Entonces es un lugar duro, pero no un lugar perdido. Job sobre su montón de ceniza, Ezequías en su lecho de enfermo y Ana junto a la puerta del templo también estuvieron allí, sin esperanza y sin ayuda, antes de clamar.
Es precisamente allí donde el clamor se vuelve real. Jesús está sentado en gloria y oye los suspiros de Sus hijos, en cualquier rincón de la tierra en que estén, y sabe lo que cada uno necesita en su caso. Clame, pues, al Dios Altísimo, y aférrese a esta palabra: Él es el que cumple todas las cosas por usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
De schuld van de zonde drukt zwaar en krachtig op menig gevoelig geweten. De kinderen van God gaan er vaak met smart onder gebukt; ze vervult hen met angst over wat in de toekomst hun deel zal zijn; ze werkt hen tegen de grond en houdt hen daar, en ze doet hen vaak zuchten en steunen onder de zware last die op hun schouders ligt. Maar het is juist deze druk die hen, in de handen van de Geest, ertoe leidt de Heere tot hun Hoog Vertrek te maken. We hebben zware lasten nodig om ons op een bepaald punt in onze ziel te brengen.
We gaan vaak lichtvaardig met de dingen Gods om en oordelen aan de hand van een paar leerstellingen, zonder hun kracht en zegen in onze zielsbeleving te kennen. En sommigen houden het jaren vol om de waarheid heen te draaien, zonder de kracht ervan werkelijk te ervaren. Ze zijn tevreden met een rechtzinnig geloof, zonder de zoete smaak te proeven van goddelijke waarheden die aan hun geweten worden geopenbaard. Welnu, als de Heere barmhartigheid en liefde kenbaar wil maken — als Hij vastbesloten is dat iemand dient te weten dat Hij de enige Toevlucht is — legt Hij lasten op zijn rug, brengt Hij schuld in zijn geweten, laat Hij hem zijn verborgen zonden zien en geeft Hij hem het gevoel dat hij de grootste zondaar is.
Telkens wanneer dit door de Geest op iemands geweten wordt gelegd, zal dit hem vroeg of laat naar de Heere als zijn Hoog Vertrek doen gaan. „Wat kan ik doen,” zegt de arme belaste ziel, „welke hulp kan ik van een mens verwachten? Welke verlossing kan ik in mezelf vinden, een arme, schuldige stakker, die gebukt gaat onder de zondelast?” Dit zal hem op zoek doen gaan naar de Heere als zijn Hoog Vertrek, want er is geen ander naar wie hij kan vluchten.
Lezen: Psalm 46
Aan de lezer…
Drukt de schuld van de zonde zwaar op uw geweten, waarde lezer? Gaat u gebukt onder een last die u niet afschudden kunt, en ziet u uw verborgen zonden zo dat u uzelf de grootste zondaar acht? Dan meent u misschien dat de Heere tegen u is. Maar wie weet of Hij die last niet juist daarom op uw rug gelegd heeft, opdat u niet langer lichtvaardig met de dingen Gods zou omgaan en tevreden zou zijn met een rechtzinnig geloof zonder kracht.
Vraagt u met de arme belaste ziel: „Wat kan ik doen? Welke hulp kan ik van een mens verwachten?” Dan bent u niet ver van de plaats waar de Heere u hebben wil. Er is geen ander naar wie u vluchten kunt, en dat is geen verlies, want Hij is een Hoog Vertrek voor de verdrukte, en Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
De schuld van de zonde drukt zwaar en krachtig op menig teder geweten. De kinderen van God gaan er vaak met smart onder gebukt. Zij vervult hen met angst over wat in de toekomst hun deel zal zijn; zij drukt hen ter aarde en houdt hen daar neer, en zij doet hen vaak zuchten en kermen onder de zware last die op hun schouders ligt. Maar juist die druk leidt hen, in de hand van de Geest, ertoe de Heere tot hun Hoog Vertrek te maken. We hebben zware lasten nodig om op een bepaald punt in onze ziel te komen.
We gaan vaak lichtvaardig om met de dingen van God en oordelen aan de hand van een paar leerstellingen, zonder hun kracht en zegen in onze bevinding te kennen. En sommigen blijven jarenlang om de waarheid heen draaien, zonder haar kracht werkelijk te ervaren. Ze zijn tevreden met een rechtzinnig geloof, zonder de zoete smaak te proeven van goddelijke waarheden die aan hun geweten worden geopenbaard. Welnu, wanneer de Heere barmhartigheid en liefde wil bekendmaken – wanneer Hij besloten heeft dat iemand moet weten dat Hij de enige Toevlucht is – dan legt Hij lasten op zijn rug, brengt Hij schuld in zijn geweten, laat Hij hem zijn verborgen zonden zien en geeft Hij hem het besef dat hij de grootste zondaar is.
Telkens wanneer de Geest dit op iemands geweten legt, zal het hem vroeg of laat naar de Heere als zijn Hoog Vertrek doen gaan. „Wat kan ik doen,” zegt de arme, beladen ziel, „welke hulp kan ik van een mens verwachten? Welke verlossing kan ik in mezelf vinden, een arme, schuldige stakker, die gebukt gaat onder de zondelast?” Dit zal hem de Heere doen zoeken als zijn Hoog Vertrek, want er is geen ander naar wie hij kan vluchten.
Lezen: Psalm 46
Aan de lezer…
Drukt de schuld van de zonde zwaar op uw geweten? Gaat u gebukt onder een last die u niet kunt afschudden, en ziet u uw verborgen zonden zo, dat u uzelf de grootste zondaar acht? Dan meent u misschien dat de Heere tegen u is. Maar wie weet heeft Hij die last juist daarom op uw rug gelegd, zodat u niet langer lichtvaardig met de dingen van God zou omgaan en tevreden zou zijn met een rechtzinnig geloof zonder kracht.
Vraagt u met de arme, beladen ziel: „Wat kan ik doen? Welke hulp kan ik van een mens verwachten?” Dan bent u niet ver van de plaats waar de Heere u hebben wil. Er is geen ander naar wie u kunt vluchten, en dat is geen verlies, want Hij is een Hoog Vertrek voor de verdrukte, en Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
The guilt of sin presses heavily and powerfully on many a tender conscience. The children of God often go bowed down under it with sorrow. It fills them with fear as to what their portion will be hereafter; it presses them to the earth and keeps them down there, and it often makes them sigh and groan under the heavy burden that lies upon their shoulders. But that very pressure, in the hand of the Spirit, leads them to make the Lord their Refuge. We need heavy burdens to bring us to a certain point in our souls.
We often deal lightly with the things of God and judge by a few doctrines, without knowing their power and blessedness in our experience. And some go round and round the truth for years, without ever really feeling its power. They are satisfied with a sound creed, without tasting the sweetness of divine truths revealed to their conscience. Now, when the Lord means to make known mercy and love—when He has determined that a man shall know that He is the only Refuge—He lays burdens on his back, brings guilt into his conscience, shows him his secret sins, and gives him a sense that he is the chief of sinners.
Whenever the Spirit lays this on a man’s conscience, sooner or later it will bring him to the Lord as his Refuge. “What can I do,” says the poor burdened soul, “what help can I expect from man? What deliverance can I find in myself, a poor guilty wretch, bowed down under the load of sin?” This will make him seek the Lord as his Refuge, for there is no other to whom he can flee.
Reading: Psalm 46
To the reader…
Does the guilt of sin press heavily on your conscience? Are you bowed down under a burden you cannot shake off, and do you see your secret sins so plainly that you count yourself the chief of sinners? Then perhaps you think the Lord is against you. But who knows whether He laid that burden on your back for this very reason, so that you would no longer deal lightly with the things of God and be content with a sound creed without power.
Do you ask with the poor burdened soul, “What can I do? What help can I expect from man?” Then you are not far from the place where the Lord wants you to be. There is no other to whom you can flee, and that is no loss, for He is a refuge for the oppressed, and He has not forsaken them that seek Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
La culpa del pecado pesa grave y poderosamente sobre muchas conciencias tiernas. Los hijos de Dios andan a menudo encorvados bajo ella con tristeza. Les llena de temor en cuanto a cuál será su porción en el más allá; los oprime hasta la tierra y los mantiene allí abajo, y a menudo les hace suspirar y gemir bajo la pesada carga que yace sobre sus hombros. Pero esa misma presión, en la mano del Espíritu, los lleva a hacer del Señor su Refugio. Necesitamos cargas pesadas para ser llevados a cierto punto en nuestra alma.
A menudo tratamos a la ligera las cosas de Dios y juzgamos por unas cuantas doctrinas, sin conocer su poder y su bendición en nuestra experiencia. Y algunos dan vueltas y vueltas alrededor de la verdad durante años, sin sentir nunca realmente su poder. Se contentan con un credo sano, sin gustar la dulzura de las verdades divinas reveladas a su conciencia. Pues bien, cuando el Señor se propone dar a conocer misericordia y amor —cuando ha determinado que un hombre sepa que Él es el único Refugio—, pone cargas sobre su espalda, trae culpa a su conciencia, le muestra sus pecados secretos y le da el sentir de que es el primero de los pecadores.
Siempre que el Espíritu pone esto en la conciencia de un hombre, tarde o temprano le llevará al Señor como su Refugio. “¿Qué puedo hacer?”, dice la pobre alma cargada, “¿qué ayuda puedo esperar del hombre? ¿Qué liberación puedo hallar en mí mismo, un pobre miserable culpable, encorvado bajo el peso del pecado?” Esto le hará buscar al Señor como su Refugio, porque no hay otro a quien pueda huir.
Lectura: Salmo 46
Al lector…
¿Pesa gravemente la culpa del pecado sobre su conciencia? ¿Anda encorvado bajo una carga que no puede sacudirse, y ve sus pecados secretos tan claramente que se tiene por el primero de los pecadores? Entonces quizá piense que el Señor está contra usted. Pero ¿quién sabe si no puso esa carga sobre su espalda precisamente por esta razón, para que ya no tratara a la ligera las cosas de Dios ni se contentara con un credo sano sin poder?
¿Pregunta usted con la pobre alma cargada: “¿Qué puedo hacer? ¿Qué ayuda puedo esperar del hombre?” Entonces no está lejos del lugar donde el Señor quiere que esté. No hay otro a quien pueda huir, y eso no es pérdida, porque Él es refugio al pobre, y no desamparó a los que Le buscaron.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En dit waart gij sommigen, maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam des Heeren Jezus, en door de Geest onzes Gods.
1 Corinthe 6:11
Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onderscheiden weldaden. De eerste ontspringt uit en is verbonden met het volbrachte werk van de Zoon van God; de andere ontspringt uit en is verbonden met het werk van de Heilige Geest in het hart. De zonde heeft ons zowel uitwendig verontreinigd als inwendig onze ziel bevlekt. Derhalve kunnen wij niet voor God bestaan, tenzij wij gewassen worden in het bloed des Lams en bekleed met Zijn smetteloze gerechtigheid. Deze gerechtigheid verschaft ons een recht op de hemel, terwijl de heiligheid ons daartoe geschikt doet zijn. De eerste is ons huwelijksgewaad, de laatste onze geestelijke bekwaamheid. Dit lied tekent deze onderscheiding zeer goed:
Hij is ’t, Die kleedt mijn naakte ziel,
En mij schenkt zaligheid.
Mij, arme worm, waar ’t oog op viel,
Gena is mij bereid!
En opdat niet de minste vlek
Aan mijne ziel zou kleven,
Heeft Hij mij met een kleed bedekt,
Door Christus Zelf geweven.
De Geest wrocht in mijn zondig hart
Een nieuwgeboren deel.
Maar Jezus won door bange smart
Dit reine kleed geheel.
Zonder deze twee weldaden kan er geen ingang in de hemel plaatshebben; of wat blijdschap kon aldaar zonder deze zelfs gevonden worden? Want geeft niet alleen acht op de oneindige reinheid en heiligheid van God, maar ook op de vlammende heerlijkheid van Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid, op de doordringende stralen van Zijn aldoorzoekend oog. Wie of wat kan in Zijn tegenwoordigheid leven, dan alleen hetgeen volstrekt volkomen is van binnen en van buiten? Doch de kerk kon dit niet zijn, tenzij zij gewassen werd in het bloed en gekleed in de gerechtigheid van Gods lieve Zoon, en volkomen geheiligd werd door de werking en inwoning van Zijn Geest.
Daarom lezen wij: „Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven. Opdat Hij ze heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord. Opdat Hij ze Zichzelf zou heerlijk voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk” (Efeze 5:25-27).
Aan de lezer…
Arme zondaar, wanneer u denkt aan de oneindige reinheid en heiligheid van God, aan de vlammende heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid en de doordringende stralen van Zijn aldoorzoekend oog, beeft u dan niet? Wie kan daar bestaan, met een ziel die zowel uitwendig verontreinigd als inwendig bevlekt is? U kunt uzelf dat kleed niet weven, en uw eigen hart niet nieuw maken; elke poging daartoe laat u slechts te meer uw naaktheid zien.
Maar hier is de troost voor een arme worm als u: het kleed is door Christus Zelf geweven, door bange smart gewonnen, en de Geest werkt in het zondig hart een nieuwgeboren deel. Zoek het dan niet in uzelf, maar bij Hem Die Zichzelf voor Zijn gemeente heeft overgegeven, opdat Hij haar zonder vlek of rimpel aan Zichzelf zou voorstellen. Zo kan de vuilste nog zeggen: „Gena is mij bereid!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit waart gij sommigen, maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam des Heeren Jezus, en door de Geest onzes Gods.
1 Corinthe 6:11
Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn twee onderscheiden weldaden. De eerste komt voort uit en is verbonden met het volbrachte werk van de Zoon van God; de andere komt voort uit en is verbonden met het werk van de Heilige Geest in het hart. De zonde heeft ons zowel uitwendig verontreinigd als inwendig onze ziel bevlekt. Daarom kunnen wij niet voor God bestaan, tenzij wij gewassen worden in het bloed van het Lam en bekleed met Zijn smetteloze gerechtigheid. Deze gerechtigheid geeft ons recht op de hemel, terwijl de heiligheid ons daarvoor geschikt maakt. De eerste is ons bruiloftskleed, de laatste onze geestelijke bekwaamheid. Dit lied tekent dit onderscheid heel goed:
Hij is ’t, Die kleedt mijn naakte ziel,
En mij schenkt zaligheid.
Mij, arme worm, waar ’t oog op viel,
Gena is mij bereid!
En opdat niet de minste vlek
Aan mijne ziel zou kleven,
Heeft Hij mij met een kleed bedekt,
Door Christus Zelf geweven.
De Geest wrocht in mijn zondig hart
Een nieuwgeboren deel.
Maar Jezus won door bange smart
Dit reine kleed geheel.
Zonder deze twee weldaden kan niemand de hemel binnengaan; en welke blijdschap zou daar zonder deze zelfs te vinden zijn? Let niet alleen op de oneindige reinheid en heiligheid van God, maar ook op de vlammende heerlijkheid van Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid en op de doordringende stralen van Zijn alles doorzoekend oog. Wie of wat kan in Zijn tegenwoordigheid leven, behalve wat van binnen en van buiten volstrekt volmaakt is? Maar de kerk kon dat niet zijn, tenzij zij gewassen werd in het bloed en gekleed in de gerechtigheid van Gods lieve Zoon, en volkomen geheiligd werd door de werking en inwoning van Zijn Geest.
Daarom lezen wij: „Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven. Opdat Hij ze heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord. Opdat Hij ze Zichzelf zou heerlijk voorstellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk” (Efeze 5:25-27).
Aan de lezer…
Arme zondaar, wanneer u denkt aan de oneindige reinheid en heiligheid van God, aan de vlammende heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid en de doordringende stralen van Zijn alles doorzoekend oog, beeft u dan niet? Wie kan daar bestaan met een ziel die zowel uitwendig verontreinigd als inwendig bevlekt is? U kunt dat kleed niet zelf weven, en uw eigen hart niet nieuw maken; elke poging daartoe laat u alleen maar meer uw naaktheid zien.
Maar hier is de troost voor een arme worm zoals u: het kleed is door Christus Zelf geweven en door bange smart gewonnen, en de Geest werkt in het zondige hart een nieuwgeboren deel. Zoek het daarom niet in uzelf, maar bij Hem Die Zichzelf voor Zijn gemeente heeft overgegeven, om haar zonder vlek of rimpel aan Zichzelf voor te stellen. Zo kan zelfs de vuilste zeggen: „Gena is mij bereid!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And such were some of you: but ye are washed, but ye are sanctified, but ye are justified in the name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God.”
1 Corinthians 6:11
Justification and sanctification are distinct blessings. The first springs out of, and is connected with, the finished work of the Son of God; the other springs out of, and is connected with, the work of the Holy Spirit on the soul. Sin has defiled our persons externally, as well as polluted our souls internally. We cannot, therefore, stand before God unless washed in the blood of the Lamb, and clothed in His spotless righteousness. This righteousness forms our title to heaven, as holiness constitutes our fitness. The former is our wedding robe, the latter our spiritual qualification. The hymn well draws this distinction—
“’Tis He adorned my naked soul,
And made salvation mine;
Upon a poor, polluted worm
He makes His graces shine.
And, lest the shadow of a spot
Should on my soul be found,
He took the robe the Savior wrought,
And cast it all around.
The Spirit wrought my faith, and love,
And hope, and every grace;
But Jesus spent His life to work
The robe of righteousness.”
Without these two qualifications, what entrance could there be into heaven, or what happiness there, could entrance be gained? For consider not only the infinite purity and holiness of God, but the blazing splendor of His immediate presence, the piercing ray of His deep-searching eye. Who or what can live in His presence but what is absolutely perfect without and within? But this the Church could not be, unless she were washed in the blood and clothed in the righteousness of God’s dear Son, and perfectly sanctified by the operations and indwelling of His Spirit.
We therefore read—“Husbands, love your wives, even as Christ also loved the Church, and gave Himself for it; that He might sanctify and cleanse it with the washing of water by the word, that He might present it to Himself a glorious Church, not having spot, or wrinkle, or any such thing; but that it should be holy and without blemish” (Ephesians 5:25-27).
To the reader…
Poor sinner, when you think of the infinite purity and holiness of God, of the blazing glory of His presence and the piercing rays of His all-searching eye, do you not tremble? Who can stand there with a soul that is both defiled without and stained within? You cannot weave that robe yourself, nor make your own heart new; every attempt to do so only shows you your nakedness the more.
But here is the comfort for a poor worm like you: the robe was woven by Christ Himself and won through bitter anguish, and the Spirit works in the sinful heart a newborn part. Do not look for it in yourself, then, but in Him Who gave Himself for His Church, to present her to Himself without spot or wrinkle. So even the vilest may say, “Grace has been prepared for me!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esto erais algunos: mas ya sois lavados, mas ya sois santificados, mas ya sois justificados en el nombre del Señor Jesús, y por el Espíritu de nuestro Dios.
1 Corintios 6:11
La justificación y la santificación son bendiciones distintas. La primera brota de la obra consumada del Hijo de Dios y está unida a ella; la otra brota de la obra del Espíritu Santo en el alma y está unida a ella. El pecado ha manchado nuestra persona exteriormente, así como ha contaminado nuestra alma interiormente. No podemos, por tanto, estar delante de Dios a menos que seamos lavados en la sangre del Cordero y vestidos de Su justicia sin mancha. Esta justicia constituye nuestro título para el cielo, como la santidad constituye nuestra idoneidad. La primera es nuestro vestido de bodas; la segunda, nuestra aptitud espiritual. El himno traza bien esta distinción:
“Él adornó mi alma desnuda,
e hizo mía la salvación;
sobre un gusano pobre y contaminado
hace brillar Sus gracias.
Y para que ni la sombra de una mancha
se hallara en mi alma,
tomó el manto que el Salvador labró
y lo echó todo alrededor.
El Espíritu obró mi fe, mi amor,
mi esperanza y toda gracia;
pero Jesús gastó Su vida en labrar
el manto de justicia.”
Sin estas dos cualidades, ¿qué entrada podría haber en el cielo, o qué felicidad allí, aun si se lograra entrar? Porque considere no solo la infinita pureza y santidad de Dios, sino el resplandor deslumbrante de Su presencia inmediata, el rayo penetrante de Su ojo que todo lo escudriña. ¿Quién o qué puede vivir en Su presencia sino lo que es absolutamente perfecto por fuera y por dentro? Pero esto no podría serlo la Iglesia, a menos que fuera lavada en la sangre y vestida de la justicia del amado Hijo de Dios, y perfectamente santificada por las operaciones y la morada de Su Espíritu.
Por eso leemos: “Maridos, amad a vuestras mujeres, así como Cristo amó a la iglesia, y se entregó a Sí mismo por ella, para santificarla limpiándola en el lavacro del agua por la palabra, para presentársela gloriosa para Sí, una iglesia que no tuviese mancha ni arruga, ni cosa semejante; sino que fuese santa y sin mancha” (Efesios 5:25-27).
Al lector…
Pobre pecador, cuando piensa en la infinita pureza y santidad de Dios, en la gloria deslumbrante de Su presencia y en los rayos penetrantes de Su ojo que todo lo escudriña, ¿no tiembla? ¿Quién puede estar allí con un alma manchada por fuera y contaminada por dentro? Usted no puede tejer ese manto por sí mismo, ni hacer nuevo su propio corazón; todo intento de hacerlo solo le muestra más su desnudez.
Pero he aquí el consuelo para un pobre gusano como usted: el manto fue tejido por Cristo mismo y ganado con amarga angustia, y el Espíritu obra en el corazón pecador una parte nacida de nuevo. No lo busque, pues, en usted mismo, sino en Aquel que se entregó por Su Iglesia, para presentársela sin mancha ni arruga. Así aun el más vil puede decir: “¡Hay gracia preparada para mí!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl