2 de noviembre
Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3
In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Tot „God, de Allerhoogste” stijgen uit verbroken harten, van alle delen der wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, gebeden op. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht; alle harten gevestigd; vloeit elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”, horende de zuchten en het geroep van Zijn kinderen dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, op welke uithoek der aarde zij zich ook mogen bevinden; en Hij zit niet alleen in de hoge om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat elk die in zijn toestand en staat nodig heeft.
Wanneer nu zullen wij tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij over onszelf voldaan zijn? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles ons van buiten en van binnen gemakkelijk valt? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? Wij mogen onder zulke omstandigheden ons geweten door het gebed, of liever door de vorm van gebed, bevredigen; maar er is geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij gebracht worden tot die plaats: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Op deze plaats werden al de heiligen van ouds gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur des tempels. Allen waren hopeloos, hulpeloos, zonder woning, zonder schuilplaats, vóórdat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. En ook wij moeten zonder schuilplaats, zonder woning zijn, vóórdat wij hetzelfde kunnen roepen, of vóórdat onze gebeden ingang vinden in de oren des Heeren Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”
Indien God niet iets voor ons deed, ja meer, indien God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting, een begoocheling zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, gelijk Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn zich met lancetten snijdende aanbidders niet horen kon, omdat hij wat te vervolgen had, of sliep en moest opgewekt worden. Maar de God Israëls is niet gelijk deze stomme afgoden, deze goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verdichtsels van bijgelovigheid en onwetendheid; maar Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.
Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.
Ps. 123:1
Aan de lezer…
Hebt u, waarde lezer, wellicht lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende schenen? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur des tempels waren daar, hopeloos en hulpeloos, eer zij riepen.
Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen op welke uithoek der aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat elk in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3
In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Uit alle delen van de wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, stijgen uit verbroken harten gebeden op tot „God, de Allerhoogste”. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht en alle harten gevestigd; naar Hem gaat elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”. Hij hoort de zuchten en het geroep van Zijn kinderen, dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden. En Hij zit niet alleen in de hoogte om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat ieder van hen die in zijn toestand en staat nodig heeft.
Wanneer zullen wij dan tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij tevreden zijn over onszelf? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles van buiten en van binnen gemakkelijk gaat? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? In zulke omstandigheden kunnen wij ons geweten misschien tevredenstellen met gebed, of liever met de vorm van gebed; maar dan is er geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij op die plaats gebracht worden: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Op deze plaats werden alle heiligen van vroeger gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur van de tempel. Zij waren allen hopeloos en hulpeloos, zonder woning en zonder schuilplaats, voordat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. Ook wij moeten zonder schuilplaats en zonder woning zijn, voordat wij hetzelfde kunnen roepen en voordat onze gebeden ingang vinden in de oren van de Heere Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”
Als God niet iets voor ons deed, ja meer, als God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting en zelfbedrog zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, zoals Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn aanbidders, die zich met lancetten sneden, niet kon horen, omdat hij iets te vervolgen had, of sliep en gewekt moest worden. Maar de God van Israël is niet zoals die stomme afgoden, die goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verzinsels van bijgeloof en onwetendheid. Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.
Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.
Ps. 123:1
Aan de lezer…
Hebt u misschien lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende leken? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur van de tempel waren daar, hopeloos en hulpeloos, voordat zij riepen.
Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat ieder in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will cry unto God most high; unto God that performeth all things for me.
Psalm 57:2
In the word “most High,” there is something to my mind very expressive. It is to “God most High” that prayers go up from broken hearts, in all parts of the world where the Lord has a quickened people. “Unto God most High” every eye is pointed, every heart is fixed, and every breath of living prayer flows. Jesus sits in glory as “God most High,” hearing the sighs and cries of His broken-hearted family, where they dwell in the utmost corners of the earth; and He is not only sitting on high to hear their cries, but also to bestow upon them the blessings which He sees suitable to their case and state.
Now when shall we thus come “unto God most High?” When we are pleased and satisfied in SELF? when the world smiles? when all things are easy without and within? when we are in circumstances for which our own wisdom, strength, and righteousness are amply sufficient? We may, under such circumstances, appease our conscience by prayer, or rather its form; but there is no “CRY unto God most High.”
Before there is a real, spiritual cry raised up, we must be brought to that spot, “Refuge failed me; no man cared for my soul” (Psalm 142:4). Here all the saints of old were brought; Job upon his ash-heap, Hezekiah upon his sick bed, Hannah by the temple gate. All were hopeless, helpless, houseless, refugeless, before they cried “unto God most High.” And we must be equally refugeless and houseless before we can utter the same cry, or our prayers find entrance into the ears of the Lord Almighty.
“Unto God Who performs all things for me.” If God did not perform something for us; no more, if God did not perform all things for us, it would be a mockery, a delusion to pray to Him at all. “The Hope of Israel” would then be to us a dumb idol, like Ashtaroth or Baal, who could not hear the cries of his lancet-cutting worshipers, because he was hunting or asleep, and needed to be awakened. But the God of Israel is not like these dumb idols, these ash-heap gods, the work of men’s hands, the figments of superstition and ignorance; but the eternal Jehovah, Who ever lives to hear and answer the prayers that His people offer up.
To the reader…
Have you perhaps prayed for a long time with no more than the form of prayer, to keep your conscience quiet, as long as the world smiled on you and your own wisdom and strength seemed enough? And have you now been brought to that place where refuge fails and no man cares for your soul? Then it is a hard place, but not a lost place. Job on his ash-heap, Hezekiah on his sick bed and Hannah at the temple gate were there too, hopeless and helpless, before they cried.
It is just there that the cry becomes real. Jesus sits in glory and hears the sighs of His children, in whatever corner of the earth they may be, and He knows what each one needs in his case. Cry then unto God most High, and hold fast to this word: He it is that performeth all things for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Clamaré al Dios Altísimo, al Dios que cumple todas las cosas por mí.
Salmo 57:2
En la palabra “Altísimo” hay algo que, a mi parecer, es muy expresivo. Es al “Dios Altísimo” a Quien suben las oraciones de los corazones quebrantados, en todas las partes del mundo donde el Señor tiene un pueblo vivificado. “Al Dios Altísimo” se dirige todo ojo, en Él se fija todo corazón y hacia Él fluye todo aliento de oración viva. Jesús está sentado en gloria como el “Dios Altísimo”, oyendo los suspiros y clamores de Su familia de corazón quebrantado, dondequiera que habite en los más remotos rincones de la tierra; y no solo está sentado en lo alto para oír sus clamores, sino también para concederles las bendiciones que Él ve convenientes a su caso y estado.
Ahora bien, ¿cuándo vendremos así “al Dios Altísimo”? ¿Cuando estamos complacidos y satisfechos en el YO? ¿Cuando el mundo sonríe? ¿Cuando todas las cosas van bien por fuera y por dentro? ¿Cuando estamos en circunstancias para las cuales nuestra propia sabiduría, fuerza y justicia son ampliamente suficientes? En tales circunstancias podemos apaciguar nuestra conciencia con la oración, o más bien con su forma; pero no hay ningún “CLAMOR al Dios Altísimo”.
Antes de que se levante un clamor real y espiritual, tenemos que ser llevados a aquel lugar: “No tuve refugio; no había quien volviese por mi vida” (Salmo 142:4). Aquí fueron llevados todos los santos de antaño: Job sobre su montón de ceniza, Ezequías en su lecho de enfermo, Ana junto a la puerta del templo. Todos estaban sin esperanza, sin ayuda, sin casa, sin refugio, antes de clamar “al Dios Altísimo”. Y nosotros tenemos que estar igualmente sin refugio y sin casa antes de poder elevar el mismo clamor, o de que nuestras oraciones hallen entrada en los oídos del Señor Todopoderoso.
“Al Dios que cumple todas las cosas por mí.” Si Dios no cumpliera algo por nosotros; más aún, si Dios no cumpliera todas las cosas por nosotros, sería una burla, un engaño orarle en absoluto. “La Esperanza de Israel” sería entonces para nosotros un ídolo mudo, como Astarot o Baal, que no podía oír los clamores de sus adoradores que se sajaban con lancetas, porque estaba cazando o dormido y necesitaba ser despertado. Pero el Dios de Israel no es como estos ídolos mudos, estos dioses de montón de ceniza, obra de manos de hombres, invenciones de la superstición y la ignorancia; sino el eterno Jehová, Quien vive siempre para oír y responder las oraciones que Su pueblo Le ofrece.
Al lector…
¿Ha orado usted quizá durante mucho tiempo con no más que la forma de la oración, para mantener tranquila su conciencia, mientras el mundo le sonreía y su propia sabiduría y fuerza parecían bastar? ¿Y ha sido ahora llevado a aquel lugar donde falta el refugio y no hay quien vuelva por su vida? Entonces es un lugar duro, pero no un lugar perdido. Job sobre su montón de ceniza, Ezequías en su lecho de enfermo y Ana junto a la puerta del templo también estuvieron allí, sin esperanza y sin ayuda, antes de clamar.
Es precisamente allí donde el clamor se vuelve real. Jesús está sentado en gloria y oye los suspiros de Sus hijos, en cualquier rincón de la tierra en que estén, y sabe lo que cada uno necesita en su caso. Clame, pues, al Dios Altísimo, y aférrese a esta palabra: Él es el que cumple todas las cosas por usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl