5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettiglijk heeft gestreden.
2 Timotheüs 2:5
In andere woorden, het is niet enkel een strijd, maar een strijd volgens zekere regels. Maar het zijn geestelijke regels, die als zodanig al wat zinnelijk, rede en natuur is, uitsluiten. Iemand die niet wedergeboren is, hetzij hij in een staat van goddeloosheid of in een staat van belijdenis verkeert, heeft geen geestelijk verstand van de wijze waarop hij moet overwinnen. Hij moge strijden tegen lusten; hij moge trachten die dingen te overwinnen waartegen zijn geweten getuigt; maar hij wordt niet gekroond, omdat hij niet wettiglijk strijdt. Hij strijdt in zijn eigen kracht, twist in zijn eigen wijsheid en vertrouwt op zijn eigengerechtigheid.
Zulke strijders en overwinnaars (zo zij al overwinnaars zijn) worden niet gekroond, omdat zij niet strijden volgens de regelen die in Gods Woord neergelegd zijn. Dat Woord sluit al aanstonds uit: alle eigengerechtigheid, menselijke wijsheid en natuurlijke kracht. Het neemt de kroon geheel van het hoofd van het schepsel en zet haar op het hoofd van de Verlosser. Er zijn dus zekere regelen in de Schrift aangegeven, volgens welke wij strijden en overwinnen moeten.
Bijvoorbeeld, de Heere des levens en der heerlijkheid wordt ons in het Woord voorgesteld als ons voorbeeld: „Hij heeft ons een exempel nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden drukken.” Hij streed voor ons, en Hij behaalde de overwinning, niet alleen voor Zichzelf, maar voor Zijn volk, en Hij heeft ons hier beneden achtergelaten om in Zijn voetstappen te wandelen en op dezelfde wijze te overwinnen als Hij. Wij lezen: „Hem die overwint, zal Ik geven met Mij te zitten in Mijn troon; gelijk ook Ik overwonnen heb en zit met Mijn Vader in Zijn troon.” Elk strijden en elk overwinnen dat niet is in de voetstappen van Christus, en juist (in zekere mate) op dezelfde wijze waarop Hij streed en overwon, is niet die overwinning die met Gods goedkeuring gekroond wordt.
Waar’ ik door ongerechtigheden
en haar aanlokselen bekoord,
dan had de Heer naar mijn gebeden
en jammerklachten niet gehoord.
Ps. 66:9
Aan de lezer…
Strijdt u, waarde lezer, en wordt u moede van het strijden? Hebt u tegen uw lusten geworsteld in uw eigen kracht, en bent u telkens weer gevallen? Wees dan niet verwonderd. Er is een strijd die niet gekroond wordt, omdat hij gestreden wordt met eigen wijsheid en in eigen kracht. Zulk een strijd laat het schepsel de kroon op het eigen hoofd zetten, en dat kan God niet goedkeuren.
Maar de Heere des levens en der heerlijkheid heeft voor Zijn volk gestreden en de overwinning behaald. Het is Zijn weg, Zijn voetstappen, waarin u mag wandelen. Hebt u dan niets in uzelf, des te beter: dan zal de kroon geheel op het hoofd van de Verlosser staan. Zie op Hem, en zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Hem Die overwonnen heeft. Tot zulken spreekt Hij: „Hem die overwint, zal Ik geven met Mij te zitten in Mijn troon.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettiglijk heeft gestreden.
2 Timotheüs 2:5
Met andere woorden: het is niet zomaar een strijd, maar een strijd volgens bepaalde regels. Het zijn echter geestelijke regels, die als zodanig alles uitsluiten wat zinnelijk is, wat uit de rede en uit de natuur voortkomt. Wie niet wedergeboren is, of hij nu in een staat van goddeloosheid of in een staat van belijdenis verkeert, heeft geen geestelijk inzicht in de manier waarop hij moet overwinnen. Hij mag strijden tegen zijn lusten; hij mag proberen de dingen te overwinnen waartegen zijn geweten getuigt; maar hij wordt niet gekroond, omdat hij niet wettig strijdt. Hij strijdt in zijn eigen kracht, worstelt in zijn eigen wijsheid en vertrouwt op zijn eigen gerechtigheid.
Zulke strijders en overwinnaars (als zij al overwinnaars zijn) worden niet gekroond, omdat zij niet strijden volgens de regels die in Gods Woord zijn neergelegd. Dat Woord sluit meteen alle eigengerechtigheid, menselijke wijsheid en natuurlijke kracht uit. Het neemt de kroon volledig van het hoofd van het schepsel en zet haar op het hoofd van de Verlosser. Er zijn dus bepaalde regels in de Schrift gegeven, volgens welke wij moeten strijden en overwinnen.
Zo wordt de Heere van het leven en van de heerlijkheid ons in het Woord als ons voorbeeld voorgesteld: „Hij heeft ons een exempel nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden drukken.” Hij streed voor ons en behaalde de overwinning, niet alleen voor Zichzelf, maar voor Zijn volk. En Hij heeft ons hier beneden achtergelaten om in Zijn voetstappen te wandelen en op dezelfde wijze te overwinnen als Hij. Wij lezen: „Hem die overwint, zal Ik geven met Mij te zitten in Mijn troon; gelijk ook Ik overwonnen heb en zit met Mijn Vader in Zijn troon.” Al het strijden en overwinnen dat niet in de voetstappen van Christus gebeurt, en niet (in zekere mate) op precies dezelfde wijze als waarop Hij streed en overwon, is niet de overwinning die met Gods goedkeuring gekroond wordt.
Waar’ ik door ongerechtigheden
en haar aanlokselen bekoord,
dan had de Heer naar mijn gebeden
en jammerklachten niet gehoord.
Ps. 66:9
Aan de lezer…
Strijdt u, en wordt u moe van het strijden? Hebt u in uw eigen kracht tegen uw lusten geworsteld, en bent u telkens weer gevallen? Verwonder u daar dan niet over. Er is een strijd die niet gekroond wordt, omdat hij gestreden wordt met eigen wijsheid en in eigen kracht. Zo’n strijd laat het schepsel de kroon op het eigen hoofd zetten, en dat kan God niet goedkeuren.
Maar de Heere van het leven en van de heerlijkheid heeft voor Zijn volk gestreden en de overwinning behaald. Het is Zijn weg, het zijn Zijn voetstappen, waarin u mag wandelen. Hebt u niets in uzelf, des te beter: dan zal de kroon helemaal op het hoofd van de Verlosser staan. Zie op Hem, en zoek uw kracht niet in uzelf, maar in Hem Die overwonnen heeft. Tot zulke mensen spreekt Hij: „Hem die overwint, zal Ik geven met Mij te zitten in Mijn troon.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if a man also strive for masteries, yet is he not crowned, except he strive lawfully.
2 Timothy 2:5
In other words, it is not a bare striving, but a striving according to certain rules. But these rules are spiritual rules; and being spiritual rules, exclude everything of sense, reason, and nature. Now man, in an unregenerate condition, whether he be in a state of profanity, or in a state of profession, has no spiritual knowledge of the way by which to overcome. He may strive against his lusts; he may endeavor to overcome those things that conscience bears testimony against; but he is not crowned, because he strives not lawfully.
He strives in his own strength; contends in his own wisdom; and trusts in his own righteousness. Such strugglers and such overcomers (if overcomers they ever are) are not crowned, because they strive not according to the rules laid down in God’s word. This at once excludes all creature righteousness, human wisdom, and natural strength. This takes the crown completely off the creature, and puts it on the head of the Redeemer.
There are certain rules then laid down in the Scripture, according to which we are to fight and to overcome. For instance, the Lord of life and glory is held out in the word as our pattern—“He has left us an example that we should follow His steps.” He fought the battle before us; and He gained the victory, not for Himself only, but for His people; and He has left us here below to walk in His footsteps, and to overcome in the same way as He did; as we read, “To him that overcomes will I grant to sit with Me in My throne; even as I also overcame, and am set down with My Father in His throne.” All striving then, and all overcoming, which is not in the steps of Christ, and precisely (in a measure) in the same way in which Jesus strove and overcame, is not the overcoming which is crowned with God’s approbation.
To the reader…
Are you fighting, and are you growing weary of the fight? Have you wrestled against your lusts in your own strength, and fallen again and again? Then do not be surprised at that. There is a striving that is not crowned, because it is carried on in one’s own wisdom and one’s own strength. Such striving lets the creature set the crown upon its own head, and God cannot approve of that.
But the Lord of life and glory has fought for His people and gained the victory. It is His way, it is His footsteps, in which you may walk. If you have nothing in yourself, so much the better: then the crown will rest entirely on the head of the Redeemer. Look to Him, and do not seek your strength in yourself, but in Him Who has overcome. To such people He says: “To him that overcometh will I grant to sit with Me in My throne.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y aun también el que lidia, no es coronado si no lidiare legítimamente.
2 Timoteo 2:5
En otras palabras, no se trata de un mero lidiar, sino de un lidiar conforme a ciertas reglas. Pero estas reglas son reglas espirituales; y, siendo reglas espirituales, excluyen todo lo que es de los sentidos, de la razón y de la naturaleza. Ahora bien, el hombre en estado no regenerado, ya esté en un estado de profanidad o en un estado de profesión, no tiene ningún conocimiento espiritual del camino por el cual vencer. Puede lidiar contra sus concupiscencias; puede esforzarse por vencer aquellas cosas contra las cuales da testimonio la conciencia; pero no es coronado, porque no lidia legítimamente.
Lidia en sus propias fuerzas; contiende en su propia sabiduría; y confía en su propia justicia. Tales luchadores y tales vencedores (si es que alguna vez vencen) no son coronados, porque no lidian conforme a las reglas establecidas en la Palabra de Dios. Esto excluye de inmediato toda justicia de la criatura, toda sabiduría humana y toda fuerza natural. Esto quita por completo la corona a la criatura y la pone sobre la cabeza del Redentor.
Hay, pues, ciertas reglas establecidas en la Escritura, conforme a las cuales hemos de pelear y vencer. Por ejemplo, el Señor de la vida y de la gloria es presentado en la Palabra como nuestro modelo: “dejándonos ejemplo, para que sigamos Sus pisadas”. Él peleó la batalla antes que nosotros; y obtuvo la victoria, no solo para Sí mismo, sino para Su pueblo; y nos ha dejado aquí abajo para andar en Sus pisadas y vencer del mismo modo que Él; como leemos: “Al que venciere, Yo le daré que se siente conmigo en Mi trono; así como Yo he vencido, y me he sentado con Mi Padre en Su trono”. Todo lidiar, pues, y todo vencer, que no es en las pisadas de Cristo, y precisamente (en alguna medida) del mismo modo en que Jesús lidió y venció, no es el vencer que es coronado con la aprobación de Dios.
Al lector…
¿Está usted peleando, y se cansa de la pelea? ¿Ha luchado contra sus concupiscencias en sus propias fuerzas, y ha caído una y otra vez? Entonces no se sorprenda de ello. Hay un lidiar que no es coronado, porque se lleva a cabo con la propia sabiduría y las propias fuerzas. Tal lidiar deja que la criatura se ponga la corona sobre su propia cabeza, y Dios no puede aprobar eso.
Pero el Señor de la vida y de la gloria ha peleado por Su pueblo y ha obtenido la victoria. Es Su camino, son Sus pisadas, en las que usted puede andar. Si no tiene nada en sí mismo, tanto mejor: entonces la corona descansará enteramente sobre la cabeza del Redentor. Mire a Él, y no busque su fuerza en sí mismo, sino en Aquel que ha vencido. A tales personas Él dice: “Al que venciere, Yo le daré que se siente conmigo en Mi trono”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Ik kan een beroep doen op uw geweten, u die er een hebt (want er zijn maar heel weinigen die een geweten hebben, er zijn maar heel weinigen echt geoefend in goddelijke dingen, er zijn maar heel weinigen die de Heere werkelijk onderwijst door middel van Zijn geheiligde Geest, Die hen tot diep inzicht in goddelijke zaken leidt). Ik zeg, u die een geweten hebt, wiens ziel in leven wordt gehouden door dagelijkse oefeningen, die het kwaad in uw hart kent dat voortdurend opwelt en opspringt; u die niet wordt misleid door de naam te hebben dat u leeft, of door een nietszeggende godsdienstige belijdenis; ik zeg, u wiens ziel zo wordt geoefend, weet dat „u in al deze dingen leeft, en dat in al deze dingen het leven van uw geest is”.
Neem al uw oefeningen, uw bezoekingen, uw verdriet, uw verwarringen en de werkzaamheid van God door middel van die dingen weg, waar blijft dan uw godsdienst? Hij heeft zichzelf vleugels gegeven en is weggevlogen. Maar laat uw geest goed geoefend worden in de dingen Gods; laat bezoeking plaatsvinden; laat de banden van deze wereld doorgesneden worden; laat verzoekingen met overweldigend gewicht komen; laat de verdorvenheden van uw gevallen natuur opborrelen; laat uw ziel wegzakken in moeilijkheden; laat de eeuwigheid opengaan voor uw ogen; laat de dood in zicht komen; en laat uw ziel sterk geoefend worden in goddelijke werkelijkheden.
Dan kan ik u beloven: u wilt datgene wat God u alleen kan geven; en in de stille nachtelijke uren zult u tot God uitroepen om op u neer te zien, u te bezoeken en te zegenen, woorden van barmhartigheid tot u te spreken, Zijn liefde in uw hart uit te storten, en uw verwarde ziel te troosten en gerust te stellen.
Lezen: Jesaja 38:9-22
Aan de lezer…
Bange ziel, schrikt u soms van wat er in uw hart opwelt en opspringt? Zakt uw ziel weg in moeilijkheden, en ziet u de eeuwigheid en de dood als het ware voor uw ogen opengaan? Denk dan niet dat dit een teken is dat de Heere u verlaten heeft. Neem al die oefeningen weg, en wat blijft er over? Een godsdienst die vleugels krijgt en wegvliegt. Maar in deze dingen is het leven van uw geest.
Want juist zo leert de Heere u verlangen naar wat Hij alleen kan geven. Kent u die stille nachtelijke uren, waarin u tot Hem roept om op u neer te zien en u te bezoeken? Houd dan aan met roepen: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.” Hij Die u zo leert roepen, kan woorden van barmhartigheid spreken, Zijn liefde in uw hart uitstorten en uw verwarde ziel troosten en gerust stellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Ik kan een beroep doen op uw geweten, u die er een hebt. (Want er zijn maar heel weinigen die een geweten hebben, maar heel weinigen die werkelijk geoefend zijn in goddelijke dingen, maar heel weinigen die de Heere werkelijk onderwijst door Zijn heiligende Geest, Die hen tot een diep inzicht in goddelijke zaken leidt.) Ik zeg: u die een geweten hebt, u wiens ziel in leven wordt gehouden door dagelijkse oefeningen, u die het kwaad in uw hart kent dat voortdurend opwelt en opspringt, u die zich niet laat misleiden door de naam te hebben dat u leeft of door een nietszeggende godsdienstige belijdenis — ik zeg: u wiens ziel zo geoefend wordt, weet dat „u in al deze dingen leeft, en dat in al deze dingen het leven van uw geest is”.
Neem al uw oefeningen weg, uw bezoekingen, uw verdriet, uw verwarringen en het werk van God door middel van die dingen: waar blijft dan uw godsdienst? Die heeft zichzelf vleugels gegeven en is weggevlogen. Maar laat uw geest goed geoefend worden in de dingen van God. Laat er bezoeking komen, laat de banden van deze wereld doorgesneden worden, laat verzoekingen met overweldigend gewicht komen, laat de verdorvenheden van uw gevallen natuur opborrelen, laat uw ziel wegzakken in moeilijkheden, laat de eeuwigheid voor uw ogen opengaan, laat de dood in zicht komen, en laat uw ziel sterk geoefend worden in goddelijke werkelijkheden.
Dan kan ik u beloven: u wilt dan datgene wat alleen God u kan geven. In de stille nachtelijke uren zult u tot God roepen of Hij op u wil neerzien, u wil bezoeken en zegenen, woorden van barmhartigheid tot u wil spreken, Zijn liefde in uw hart wil uitstorten, en uw verwarde ziel wil troosten en geruststellen.
Lezen: Jesaja 38:9-22
Aan de lezer…
Bange ziel, schrikt u soms van wat er in uw hart opwelt en opspringt? Zakt uw ziel weg in moeilijkheden, en ziet u de eeuwigheid en de dood als het ware voor uw ogen opengaan? Denk dan niet dat dit een teken is dat de Heere u verlaten heeft. Neem al die oefeningen weg, en wat blijft er over? Een godsdienst die vleugels krijgt en wegvliegt. Maar in deze dingen is het leven van uw geest.
Want juist zo leert de Heere u verlangen naar wat alleen Hij kan geven. Kent u die stille nachtelijke uren, waarin u tot Hem roept of Hij op u wil neerzien en u wil bezoeken? Blijf dan roepen: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.” Hij Die u zo leert roepen, kan woorden van barmhartigheid spreken, Zijn liefde in uw hart uitstorten en uw verwarde ziel troosten en geruststellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
I can appeal to your conscience, you who have one. (For there are but very few who have a conscience, but very few who are really exercised in divine things, but very few whom the Lord really teaches by His sanctifying Spirit, Who leads them into a deep insight into divine matters.) I say, you who have a conscience, you whose soul is kept alive by daily exercises, you who know the evil of your heart that is continually welling and springing up, you who are not deceived by having a name to live or by an empty religious profession—I say, you whose soul is thus exercised know that “by these things men live, and in all these things is the life of your spirit.”
Take away all your exercises, your trials, your sorrows, your perplexities and the work of God by means of these things: where then is your religion? It has made itself wings and flown away. But let your spirit be well exercised in the things of God. Let trial come, let the ties of this world be cut asunder, let temptations come with overwhelming weight, let the corruptions of your fallen nature boil up, let your soul sink into difficulties, let eternity open before your eyes, let death come into view, and let your soul be powerfully exercised in divine realities.
Then I can promise you this: you will want that which God alone can give you. In the still hours of the night you will cry to God that He would look down upon you, visit and bless you, speak words of mercy to you, shed abroad His love in your heart, and comfort and settle your perplexed soul.
Reading: Isaiah 38:9-22
To the reader…
Fearful soul, are you sometimes alarmed at what wells and springs up in your heart? Does your soul sink into difficulties, and do you see eternity and death, as it were, opening before your eyes? Then do not think this is a sign that the Lord has forsaken you. Take away all those exercises, and what remains? A religion that grows wings and flies away. But in these things is the life of your spirit.
For it is just in this way that the Lord teaches you to long for what He alone can give. Do you know those still hours of the night, in which you cry to Him that He would look down upon you and visit you? Then keep on crying, “Heal me, O LORD, and I shall be healed.” He Who teaches you to cry like this can speak words of mercy, shed abroad His love in your heart, and comfort and settle your perplexed soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Puedo apelar a su conciencia, ustedes que la tienen. (Porque son muy pocos los que tienen conciencia, muy pocos los que están realmente ejercitados en las cosas divinas, muy pocos a quienes el Señor enseña de veras por Su Espíritu santificador, Quien los conduce a una honda percepción de las cosas divinas.) Digo, ustedes que tienen conciencia, ustedes cuya alma es mantenida viva por ejercicios diarios, ustedes que conocen el mal de su corazón que continuamente brota y mana, ustedes que no se engañan con tener nombre de que viven ni con una vacía profesión religiosa; digo, ustedes cuya alma está así ejercitada saben que “por estas cosas viven los hombres, y en todas estas cosas está la vida de vuestro espíritu”.
Quite todos sus ejercicios, sus pruebas, sus tristezas, sus perplejidades y la obra de Dios por medio de estas cosas: ¿dónde está entonces su religión? Se ha hecho alas y se ha ido volando. Pero deje que su espíritu sea bien ejercitado en las cosas de Dios. Que venga la prueba, que sean cortados los lazos de este mundo, que vengan tentaciones con peso abrumador, que hiervan las corrupciones de su naturaleza caída, que su alma se hunda en dificultades, que la eternidad se abra ante sus ojos, que la muerte aparezca a la vista, y que su alma sea poderosamente ejercitada en las realidades divinas.
Entonces le puedo prometer esto: querrá usted aquello que solo Dios puede darle. En las horas silenciosas de la noche clamará a Dios para que mire desde lo alto sobre usted, le visite y le bendiga, le hable palabras de misericordia, derrame Su amor en su corazón, y consuele y asiente su alma perpleja.
Lectura: Isaías 38:9-22
Al lector…
Alma temerosa, ¿se alarma usted a veces por lo que brota y mana en su corazón? ¿Se hunde su alma en dificultades, y ve la eternidad y la muerte como abriéndose ante sus ojos? Entonces no piense que esto es señal de que el Señor le ha abandonado. Quite todos esos ejercicios, ¿y qué queda? Una religión que se hace alas y se va volando. Pero en estas cosas está la vida de su espíritu.
Porque es justamente de este modo como el Señor le enseña a anhelar lo que solo Él puede dar. ¿Conoce esas horas silenciosas de la noche en que clama a Él para que mire desde lo alto sobre usted y le visite? Entonces siga clamando: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”. Aquel que le enseña a clamar así puede hablarle palabras de misericordia, derramar Su amor en su corazón, y consolar y asentar su alma perpleja.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch nu, HEERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze Pottenbakker; en wij allen zijn Uwer handen werk.
Jesaja 64:8
Tenzij de vrije wil, de eigengerechtigheid, des schepsels pogen en des mensen verdiensten zijn opgedroogd en verwelkt, tenzij deze alle de geest gegeven hebben, kunnen wij nooit komen op die plaats waar wij het leem zijn en God de Pottenbakker is. Kan het leem zich een vat maken? Kan het zichzelf in vorm brengen? Kan het uit zijn bedding opstaan en zich opwerken tot een vat ten gebruike of ter versiering? Evenmin kunnen wij onszelf geschikt maken voor de heerlijkheid of ons vormen tot vaten ter ere.
Indien de Heere ons dit maar geeft te verstaan, dan is ons hoogste voorrecht en onze hoogste blijdschap: leem te zijn. De vrije wil, de eigengerechtigheid, schepsels wijsheid en sterkte, deze alle laten wij voor de Farizeeën; laten zij zien hoe ver zij daarmede komen. Doch wanneer de Heere onze zielen met enige toegang tot Hem verwaardigt, en ons in alle ootmoedigheid en verbrokenheid des harten voor Zijn troon doet nederbuigen, dan gevoelen wij dat wij niets zijn dan wat Hij ons maakt, niets hebben dan wat Hij ons geeft, niets ervaren dan wat Hij in ons werkt, en niets doen dan wat Hij in en voor ons doet. In deze gestalte te verkeren en neder te liggen, is als leem te zijn voor Hem.
En wanneer wij bevinden dat de Heere in ons werkt heilige begeerten, vurige gebeden, daden des geloofs, der hoop en der liefde, en wij alzo de overtuiging hebben dat dit alles vrije giften zijn, uit genade ons medegedeeld, goddelijk in ons gewrocht, en weten dat de Heere dit voor en in ons werkt, dan zien wij eerst recht dat Hij de Pottenbakker is; en het is voor ons de zoetste, de laagste, de gelukkigste plaats die wij innemen kunnen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lang geprobeerd hebt uzelf te vormen, en uzelf geschikt wilde maken voor de hemel, met voornemens, met pogingen, met een stukje eigen gerechtigheid. En is het u ontvallen, verwelkt en opgedroogd? Treur daar niet te diep over. Kan het leem zich een vat maken? Zolang het schepsel nog iets meent te zijn, kan het nooit komen op de plaats waar God de Pottenbakker is.
Maar als u daar mag nederliggen, verbroken voor Zijn troon, met niets dan wat Hij u geeft, dan bent u op de zoetste plaats die er is. Elke heilige begeerte, elk vurig gebed, elke daad des geloofs die u in uzelf bespeurt, is een vrije gift, uit genade medegedeeld. Zeg dan met de profeet: „Gij zijt onze Vader; wij zijn leem.” Dat is geen schande, maar uw hoogste voorrecht en uw hoogste blijdschap: leem te zijn in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch nu, HEERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze Pottenbakker; en wij allen zijn Uwer handen werk.
Jesaja 64:8
Tenzij de vrije wil, de eigengerechtigheid, het pogen van het schepsel en de verdiensten van de mens zijn opgedroogd en verwelkt, tenzij die allemaal de geest hebben gegeven, kunnen wij nooit op de plaats komen waar wij het leem zijn en God de Pottenbakker is. Kan het leem zich een vat maken? Kan het zichzelf vormen? Kan het uit zijn bedding opstaan en zich opwerken tot een vat voor gebruik of ter versiering? Evenmin kunnen wij onszelf geschikt maken voor de heerlijkheid of onszelf vormen tot vaten ter ere.
Als de Heere ons dit maar laat verstaan, dan is ons hoogste voorrecht en onze hoogste blijdschap: leem te zijn. De vrije wil, de eigengerechtigheid, de wijsheid en sterkte van het schepsel: die laten wij allemaal aan de Farizeeën; laten zij zien hoe ver zij daarmee komen. Maar wanneer de Heere onze ziel enige toegang tot Hem schenkt, en ons in alle ootmoed en verbrokenheid van hart voor Zijn troon doet neerbuigen, dan voelen wij dat wij niets zijn dan wat Hij ons maakt, niets hebben dan wat Hij ons geeft, niets ervaren dan wat Hij in ons werkt, en niets doen dan wat Hij in en voor ons doet. In deze gesteldheid te verkeren en neer te liggen, is als leem te zijn voor Hem.
En wanneer wij merken dat de Heere in ons heilige verlangens werkt, vurige gebeden, daden van geloof, hoop en liefde, en wij zo de overtuiging hebben dat dit alles vrije gaven zijn, uit genade aan ons geschonken en op Goddelijke wijze in ons gewerkt, en weten dat de Heere dit voor en in ons werkt, dan zien wij pas goed dat Hij de Pottenbakker is. En het is voor ons de zoetste, de laagste, de gelukkigste plaats die wij kunnen innemen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lang geprobeerd hebt uzelf te vormen en uzelf geschikt wilde maken voor de hemel, met voornemens, met pogingen, met een stukje eigen gerechtigheid. En is het u ontvallen, verwelkt en opgedroogd? Treur daar niet te diep over. Kan het leem zich een vat maken? Zolang het schepsel nog meent iets te zijn, kan het nooit komen op de plaats waar God de Pottenbakker is.
Maar als u daar mag neerliggen, verbroken voor Zijn troon, met niets dan wat Hij u geeft, dan bent u op de zoetste plaats die er is. Elk heilig verlangen, elk vurig gebed, elke daad van geloof die u in uzelf opmerkt, is een vrije gave, uit genade geschonken. Zeg dan met de profeet: „Gij zijt onze Vader; wij zijn leem.” Dat is geen schande, maar uw hoogste voorrecht en uw hoogste blijdschap: leem te zijn in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But now, O LORD, thou art our father; we are the clay, and thou our potter; and we all are the work of thy hand.”
Isaiah 64:8
Until free-will, self-righteousness, creature exertions, and human merit are dried up and withered away, until they all die, we can never come into that spot where we are the clay, and God is the Potter. Can the clay make itself into a vessel? Can it mold itself into shape and form? Can it start from its bed, and work itself up into a vessel for use or ornament? No more can we make ourselves fit for glory, or mold ourselves into vessels of honor. If the Lord does but give us the feeling in our souls, our sweetest privilege, our dearest enjoyment, is to be the clay.
Free-will, self-righteousness, human wisdom, and creature strength—we give them all to the pharisees; let them make the most of them. But when the Lord indulges our souls with some measure of access to Himself, and brings us in all humility and brokenness to lie low before His throne, we feel that we are nothing but what He makes us, have nothing but what He gives us, experience nothing but what He works in us, and do nothing but what He does in and for us.
To be here, and to lie here, is to be the clay; and to find the Lord working in us holy desires, fervent breathings, secret cries, and the actings of faith, hope, and love; and to feel these things freely given, graciously communicated, and divinely wrought, and to know the Lord is doing all this for us and in us, is to find Him the Potter, and is to be brought to the sweetest, lowliest, and happiest spot that a soul can come into.
To the reader…
It may be that you have long tried to shape yourself and wanted to make yourself fit for heaven, with resolutions, with efforts, with a bit of your own righteousness. And has it slipped away from you, withered and dried up? Do not grieve too deeply over that. Can the clay make itself into a vessel? As long as the creature still thinks it is something, it can never come to the place where God is the Potter.
But if you may lie there, broken before His throne, with nothing but what He gives you, then you are in the sweetest place there is. Every holy desire, every fervent prayer, every act of faith you notice in yourself is a free gift, bestowed by grace. Say, then, with the prophet, “Thou art our Father; we are the clay.” That is no shame, but your highest privilege and your greatest joy: to be clay in His hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ahora pues, Jehová, Tú eres nuestro padre; nosotros lodo, y Tú el que nos formaste; así que obra de Tus manos somos todos nosotros.
Isaías 64:8
Hasta que el libre albedrío, la justicia propia, los esfuerzos de la criatura y el mérito humano se sequen y marchiten, hasta que todos mueran, nunca podremos llegar a aquel lugar donde nosotros somos el barro y Dios es el Alfarero. ¿Puede el barro hacerse a sí mismo una vasija? ¿Puede moldearse a sí mismo dándose forma y figura? ¿Puede levantarse de su lecho y labrarse a sí mismo como vasija para uso o adorno? Tampoco podemos nosotros hacernos aptos para la gloria, ni moldearnos como vasos de honra. Con tal que el Señor nos dé el sentirlo en el alma, nuestro más dulce privilegio, nuestro más querido gozo, es ser el barro.
El libre albedrío, la justicia propia, la sabiduría humana y la fuerza de la criatura, todo eso se lo dejamos a los fariseos; que saquen de ello cuanto puedan. Pero cuando el Señor concede a nuestra alma alguna medida de acceso a Sí mismo, y nos trae con toda humildad y quebrantamiento a postrarnos ante Su trono, sentimos que no somos nada sino lo que Él nos hace, no tenemos nada sino lo que Él nos da, no experimentamos nada sino lo que Él obra en nosotros, y no hacemos nada sino lo que Él hace en nosotros y por nosotros.
Estar aquí, y yacer aquí, es ser el barro; y hallar que el Señor obra en nosotros santos deseos, fervientes suspiros, clamores secretos y los actos de la fe, la esperanza y el amor; y sentir que estas cosas son dadas gratuitamente, comunicadas por gracia y obradas divinamente, y saber que el Señor hace todo esto por nosotros y en nosotros, es hallarle a Él como el Alfarero, y ser llevado al lugar más dulce, más humilde y más feliz al que un alma puede llegar.
Al lector…
Puede ser que usted haya intentado largo tiempo darse forma a sí mismo y quisiera hacerse apto para el cielo, con propósitos, con esfuerzos, con un poco de justicia propia. ¿Y se le ha escapado de las manos, marchito y seco? No se aflija demasiado por ello. ¿Puede el barro hacerse a sí mismo una vasija? Mientras la criatura todavía piense que es algo, nunca podrá llegar al lugar donde Dios es el Alfarero.
Pero si a usted le es dado yacer allí, quebrantado ante Su trono, sin nada más que lo que Él le da, entonces está en el lugar más dulce que existe. Todo santo deseo, toda oración ferviente, todo acto de fe que note en sí mismo es un don gratuito, otorgado por gracia. Diga, pues, con el profeta: “Tú eres nuestro padre; nosotros lodo.” Eso no es ninguna vergüenza, sino su más alto privilegio y su mayor gozo: ser barro en Su mano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl