August 17
Doch nu, HEERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze Pottenbakker; en wij allen zijn Uwer handen werk.
Jesaja 64:8
Tenzij de vrije wil, de eigengerechtigheid, des schepsels pogen en des mensen verdiensten zijn opgedroogd en verwelkt, tenzij deze alle de geest gegeven hebben, kunnen wij nooit komen op die plaats waar wij het leem zijn en God de Pottenbakker is. Kan het leem zich een vat maken? Kan het zichzelf in vorm brengen? Kan het uit zijn bedding opstaan en zich opwerken tot een vat ten gebruike of ter versiering? Evenmin kunnen wij onszelf geschikt maken voor de heerlijkheid of ons vormen tot vaten ter ere.
Indien de Heere ons dit maar geeft te verstaan, dan is ons hoogste voorrecht en onze hoogste blijdschap: leem te zijn. De vrije wil, de eigengerechtigheid, schepsels wijsheid en sterkte, deze alle laten wij voor de Farizeeën; laten zij zien hoe ver zij daarmede komen. Doch wanneer de Heere onze zielen met enige toegang tot Hem verwaardigt, en ons in alle ootmoedigheid en verbrokenheid des harten voor Zijn troon doet nederbuigen, dan gevoelen wij dat wij niets zijn dan wat Hij ons maakt, niets hebben dan wat Hij ons geeft, niets ervaren dan wat Hij in ons werkt, en niets doen dan wat Hij in en voor ons doet. In deze gestalte te verkeren en neder te liggen, is als leem te zijn voor Hem.
En wanneer wij bevinden dat de Heere in ons werkt heilige begeerten, vurige gebeden, daden des geloofs, der hoop en der liefde, en wij alzo de overtuiging hebben dat dit alles vrije giften zijn, uit genade ons medegedeeld, goddelijk in ons gewrocht, en weten dat de Heere dit voor en in ons werkt, dan zien wij eerst recht dat Hij de Pottenbakker is; en het is voor ons de zoetste, de laagste, de gelukkigste plaats die wij innemen kunnen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lang geprobeerd hebt uzelf te vormen, en uzelf geschikt wilde maken voor de hemel, met voornemens, met pogingen, met een stukje eigen gerechtigheid. En is het u ontvallen, verwelkt en opgedroogd? Treur daar niet te diep over. Kan het leem zich een vat maken? Zolang het schepsel nog iets meent te zijn, kan het nooit komen op de plaats waar God de Pottenbakker is.
Maar als u daar mag nederliggen, verbroken voor Zijn troon, met niets dan wat Hij u geeft, dan bent u op de zoetste plaats die er is. Elke heilige begeerte, elk vurig gebed, elke daad des geloofs die u in uzelf bespeurt, is een vrije gift, uit genade medegedeeld. Zeg dan met de profeet: „Gij zijt onze Vader; wij zijn leem.” Dat is geen schande, maar uw hoogste voorrecht en uw hoogste blijdschap: leem te zijn in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch nu, HEERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze Pottenbakker; en wij allen zijn Uwer handen werk.
Jesaja 64:8
Tenzij de vrije wil, de eigengerechtigheid, het pogen van het schepsel en de verdiensten van de mens zijn opgedroogd en verwelkt, tenzij die allemaal de geest hebben gegeven, kunnen wij nooit op de plaats komen waar wij het leem zijn en God de Pottenbakker is. Kan het leem zich een vat maken? Kan het zichzelf vormen? Kan het uit zijn bedding opstaan en zich opwerken tot een vat voor gebruik of ter versiering? Evenmin kunnen wij onszelf geschikt maken voor de heerlijkheid of onszelf vormen tot vaten ter ere.
Als de Heere ons dit maar laat verstaan, dan is ons hoogste voorrecht en onze hoogste blijdschap: leem te zijn. De vrije wil, de eigengerechtigheid, de wijsheid en sterkte van het schepsel: die laten wij allemaal aan de Farizeeën; laten zij zien hoe ver zij daarmee komen. Maar wanneer de Heere onze ziel enige toegang tot Hem schenkt, en ons in alle ootmoed en verbrokenheid van hart voor Zijn troon doet neerbuigen, dan voelen wij dat wij niets zijn dan wat Hij ons maakt, niets hebben dan wat Hij ons geeft, niets ervaren dan wat Hij in ons werkt, en niets doen dan wat Hij in en voor ons doet. In deze gesteldheid te verkeren en neer te liggen, is als leem te zijn voor Hem.
En wanneer wij merken dat de Heere in ons heilige verlangens werkt, vurige gebeden, daden van geloof, hoop en liefde, en wij zo de overtuiging hebben dat dit alles vrije gaven zijn, uit genade aan ons geschonken en op Goddelijke wijze in ons gewerkt, en weten dat de Heere dit voor en in ons werkt, dan zien wij pas goed dat Hij de Pottenbakker is. En het is voor ons de zoetste, de laagste, de gelukkigste plaats die wij kunnen innemen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lang geprobeerd hebt uzelf te vormen en uzelf geschikt wilde maken voor de hemel, met voornemens, met pogingen, met een stukje eigen gerechtigheid. En is het u ontvallen, verwelkt en opgedroogd? Treur daar niet te diep over. Kan het leem zich een vat maken? Zolang het schepsel nog meent iets te zijn, kan het nooit komen op de plaats waar God de Pottenbakker is.
Maar als u daar mag neerliggen, verbroken voor Zijn troon, met niets dan wat Hij u geeft, dan bent u op de zoetste plaats die er is. Elk heilig verlangen, elk vurig gebed, elke daad van geloof die u in uzelf opmerkt, is een vrije gave, uit genade geschonken. Zeg dan met de profeet: „Gij zijt onze Vader; wij zijn leem.” Dat is geen schande, maar uw hoogste voorrecht en uw hoogste blijdschap: leem te zijn in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But now, O LORD, thou art our father; we are the clay, and thou our potter; and we all are the work of thy hand.”
Isaiah 64:8
Until free-will, self-righteousness, creature exertions, and human merit are dried up and withered away, until they all die, we can never come into that spot where we are the clay, and God is the Potter. Can the clay make itself into a vessel? Can it mold itself into shape and form? Can it start from its bed, and work itself up into a vessel for use or ornament? No more can we make ourselves fit for glory, or mold ourselves into vessels of honor. If the Lord does but give us the feeling in our souls, our sweetest privilege, our dearest enjoyment, is to be the clay.
Free-will, self-righteousness, human wisdom, and creature strength—we give them all to the pharisees; let them make the most of them. But when the Lord indulges our souls with some measure of access to Himself, and brings us in all humility and brokenness to lie low before His throne, we feel that we are nothing but what He makes us, have nothing but what He gives us, experience nothing but what He works in us, and do nothing but what He does in and for us.
To be here, and to lie here, is to be the clay; and to find the Lord working in us holy desires, fervent breathings, secret cries, and the actings of faith, hope, and love; and to feel these things freely given, graciously communicated, and divinely wrought, and to know the Lord is doing all this for us and in us, is to find Him the Potter, and is to be brought to the sweetest, lowliest, and happiest spot that a soul can come into.
To the reader…
It may be that you have long tried to shape yourself and wanted to make yourself fit for heaven, with resolutions, with efforts, with a bit of your own righteousness. And has it slipped away from you, withered and dried up? Do not grieve too deeply over that. Can the clay make itself into a vessel? As long as the creature still thinks it is something, it can never come to the place where God is the Potter.
But if you may lie there, broken before His throne, with nothing but what He gives you, then you are in the sweetest place there is. Every holy desire, every fervent prayer, every act of faith you notice in yourself is a free gift, bestowed by grace. Say, then, with the prophet, “Thou art our Father; we are the clay.” That is no shame, but your highest privilege and your greatest joy: to be clay in His hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ahora pues, Jehová, Tú eres nuestro padre; nosotros lodo, y Tú el que nos formaste; así que obra de Tus manos somos todos nosotros.
Isaías 64:8
Hasta que el libre albedrío, la justicia propia, los esfuerzos de la criatura y el mérito humano se sequen y marchiten, hasta que todos mueran, nunca podremos llegar a aquel lugar donde nosotros somos el barro y Dios es el Alfarero. ¿Puede el barro hacerse a sí mismo una vasija? ¿Puede moldearse a sí mismo dándose forma y figura? ¿Puede levantarse de su lecho y labrarse a sí mismo como vasija para uso o adorno? Tampoco podemos nosotros hacernos aptos para la gloria, ni moldearnos como vasos de honra. Con tal que el Señor nos dé el sentirlo en el alma, nuestro más dulce privilegio, nuestro más querido gozo, es ser el barro.
El libre albedrío, la justicia propia, la sabiduría humana y la fuerza de la criatura, todo eso se lo dejamos a los fariseos; que saquen de ello cuanto puedan. Pero cuando el Señor concede a nuestra alma alguna medida de acceso a Sí mismo, y nos trae con toda humildad y quebrantamiento a postrarnos ante Su trono, sentimos que no somos nada sino lo que Él nos hace, no tenemos nada sino lo que Él nos da, no experimentamos nada sino lo que Él obra en nosotros, y no hacemos nada sino lo que Él hace en nosotros y por nosotros.
Estar aquí, y yacer aquí, es ser el barro; y hallar que el Señor obra en nosotros santos deseos, fervientes suspiros, clamores secretos y los actos de la fe, la esperanza y el amor; y sentir que estas cosas son dadas gratuitamente, comunicadas por gracia y obradas divinamente, y saber que el Señor hace todo esto por nosotros y en nosotros, es hallarle a Él como el Alfarero, y ser llevado al lugar más dulce, más humilde y más feliz al que un alma puede llegar.
Al lector…
Puede ser que usted haya intentado largo tiempo darse forma a sí mismo y quisiera hacerse apto para el cielo, con propósitos, con esfuerzos, con un poco de justicia propia. ¿Y se le ha escapado de las manos, marchito y seco? No se aflija demasiado por ello. ¿Puede el barro hacerse a sí mismo una vasija? Mientras la criatura todavía piense que es algo, nunca podrá llegar al lugar donde Dios es el Alfarero.
Pero si a usted le es dado yacer allí, quebrantado ante Su trono, sin nada más que lo que Él le da, entonces está en el lugar más dulce que existe. Todo santo deseo, toda oración ferviente, todo acto de fe que note en sí mismo es un don gratuito, otorgado por gracia. Diga, pues, con el profeta: “Tú eres nuestro padre; nosotros lodo.” Eso no es ninguna vergüenza, sino su más alto privilegio y su mayor gozo: ser barro en Su mano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl